toen ik in de beek achter het dorpje baadde------wie kwam daar toen
plotseling aantrippelen?----
De vrouw van den nachtwaker----!
Op klaaglijke jammertonen krijschte ze om haar man, die ergens in
het oerwoud was.----
Dat klonk zoo 's avonds in den schemerenden jungle net zooals wanneer
men in de bergen zoekt naar iemand die verdwaald is en dien men
misschien zelfs wel dood zou kunnen vinden.
Doch Hoeng Song kwam weldra welbehouden terug met een bos
geneeskrachtige wortelen.
Vreemd, ook wanneer ik alleen het oerwoud in ga, is het heele dorp bang
voor een ongeluk. Maar wanneer weerlooze marktvrouwen en onbeschermde
kinderen een verren tocht dikwijls even voor het vallen van den avond
aanvaarden, dan is dat iets vanzelfsprekends.
------Alsof het van deze sierlijke schepseltjes minder jammer is,
dan van Hoeng Song, den nachtwaker, of van mij.