DE TIJGERVAL

Toen ik op een avond laat in het donker nog iets achter mijn hutje

zocht, kwam Hoeng Song, mijn nachtwaker, vlug op mij toe en gaf mij

een veelbeteekenenden wenk.

Daar was iets niet in orde!

Behoedzaam bracht hij mij bij een vreemdsoortige opstelling van

stevige, krom gespannen en gebonden touwen en knuppels.

"Haha, jij vindt het dus noodig en nuttig, achter mijn bed een

tijgerval op te stellen! Beste kerel!" dacht ik.

Van zijn lange rede in het Siameesch over werking en doel der machine

verstond ik destijds tot mijn spijt nog niets. Ik voelde alleen maar

vaag: Dus is het toch waar, dat hij den vorigen nacht achter mijn

huis een zwarten panter heeft gezien, en het gebruik, alle kippen en

honden op te sluiten, zoodra het donker wordt, is dus blijkbaar niet

zoo belachelijk als het mij tot nu toe leek.

Maar omgekeerd was het mij, nieuweling, toch ook weer half en half een

raadsel, hoe er een tijger of een ander eenigszins groot dier in dezen

val kon blijven hangen. Hierin zou een panter eerder woest worden en

mijn heele huisje mitsgaders het heele stangengedoe omverrennen!

Dus ging ik dien avond meer verontrust dan gerustgesteld slapen. Mijn

eenige troost, dien ik tot mijn beschikking had, bestond uit de jaren

geleden gemaakte waarneming: Nachtwakers kent men nooit heelemaal!

Doch het werd inmiddels ochtend, zonder dat mij het verwachte groote

gemiauw en geblaas had gewekt en na dien nacht nog zoowat een keer

of veertien.

Pas toen ik me over de voorzichtigheidsgrap van Hoeng Song begon

vroolijk te maken klakte op een keer plots midden in den stikduisteren

nacht, nauwelijks een paar meter achter mijn hoofd, het vreeselijke

ding dicht.

Ik sprong op als iemand die gegeeseld wordt en rende naar buiten,

waar Hoeng Song al met een knuppel in zijn vuist rondsprong om

den--Chinees, die aan verlangen naar mijn zilveren tabaksdoos

leed----snel te bevrijden.

In het rijk van Siameezen en Maleiers · 第 42 / 68 题