Maar daar hield nu toch alles bij op! Nu moest ik me er warempel nog
toe leenen om den Chineezen van Hoey Yot te laten zien, dat ik, blanke,
beter Chineesch Nieuwjaar wist te vieren dan zijzelf als Chineezen. Van
de manier waarop zij het deden------luieren en met feestelijke kleeren
pronken----had ik genoeg. Dat was geen Chineesch Nieuwjaar!
Zoo kwam ik op het denkbeeld "Tsjaoe mo le." "Tsjaoe mo le" is een
spel, dat het "nog-jong-zijn" van den speler wil bewijzen en verder
niets is dan een leuk soort buiteling. "Tsjaoe mo le--luchtsprong" zou
al te blufferig klinken. (In de gladde geasphalteerde stationsstraat
in Zürich kan men na middernacht heele kettingen van wel tot twintig
van zulke jeugd-bewijzen netjes aan elkaar hangen.)
Op het kleine oerwouddorpsplein daarentegen moest ik me met
zes tevreden stellen. Maar------eigenlijk heeft een alleen
het al gedaan. Zelfs degenen, die zich al in hun huizen hadden
teruggetrokken, klapperden nog eens op hun houten sandalen aan,
om het te bestaren. Zooveel achting als op dien avond, is mij nooit
te voren ten deel gevallen. Kaarsrecht stond mijn eer en trotscher
dan ooit. Dat beviel mijn Chineezen beter dan wanneer ik ze boorgaten
liet maken op plaatsen, waar ze toch geen erts vonden.----Nog toen het
al donker was, toen de kikkers in het moeras met hun concert allang
weer waren aangevangen en de lucht van het nachtelijk krekel-gezang
trilde, hoorde ik, terwijl ik voor mijn schrijftafeltje zat, hoe aan
den overkant in het huis van den voorman beraadslaagd werd, hoe de
toean toch wel dit "Tsjaoe mo le" deed. Maar het allerbeste:
Li Tiang's vrouw heeft dit alles gadegeslagen. Zat ze voor mij
nu voor haar huisdeur in een scharlakenrooden-en-witten mantel
(zolderkamertjes-beddetijk), ging ze om mijnentwille den zandbodem
nazien, of er niets verloren was gegaan bij het spel, was ik nu
misschien toch eindelijk de oppertoean, hoewel de andere blanke in
Hoey Yot een dikkeren buik had en lichter haar op zijn hoofd?----