Toen de draaglasten verdeeld waren, braken we op. Achter den tempel
van Canboeri op zandig-stoffige wegjes verdwenen de koelies de een
na den ander verder in het oerwoud.
Holloeki marcheerde aan het hoofd naast den leider, ik zelf
slenterde achter de karavaan aan, samen met Aris. Ik gevoelde mij erg
onbehaaglijk dien ochtend. Ik had Aris voor het hoofd gestooten. Zoo
vaak zijn gezicht mij aanzag, scheen het zonder woorden te vragen:
"Toean, hoe kan je dat nou doen------?" Hoe dikwijls had hij mij niet
al verklaard:
"Toean, als we koelies noodig hebben, laten we ze dan zelf uitkiezen;
dan worden ze door ons betaald en kunnen wij ze bevelen!"
En nu vandaag, nu we toch een onderneming voor ons hadden, die
in de blauwe verte der Siameesch-Birmaansche grensbergen vaag en
vol geheimenis op ons wachtte------nu was de toean op het voorstel
ingegaan van zoo'n adellijk heerschap uit de stad, een man, die toch
stellig geen benul had van oerwoud en bivak en reizen, en had zich
mannen laten geven en had bovendien de betaling der manschappen na
den terugkeer aan hem overgelaten. Dat was nu toch al te sterk!
"Toean, hoe kunnen we nu toch macht over die mannen hebben------?"
Hoewel ik zijn verontwaardiging begreep, zei ik enkel kort:
"Aris, denk je heusch, dat jouw toean ooit iets doet, dat niet
weldoordacht is?" En bij mijzelf dacht ik: "Er bestaat waarschijnlijk
geen enkel land op de heele wereld, waar je het iedereen naar den
zin kunt maken."
Was ook ik niet een ondergeschikte, die bevelen kreeg, soms
verstandige, soms ook, die meer dan dom waren. Dezen keer moest ik
me schikken naar dien Siameeschen graaf uit Bangkok, omdat hij een
heelen berg vol erts aan mijn firma wilde verkoopen. Hier was een
beetje vertrouwen stellig op zijn plaats, als ik toch al tientallen
van keeren alleen op de woorden van den een of anderen onbekende
doelloos het oerwoud ingetrokken was en eigenlijk altijd reden had,
teleurstellingen te duchten.
Op het laatste oogenblik voor het vertrek had Aris ontdekt, dat deze
voorname man zelf "geen flauw vermoeden had van de preciese ligging
van den Olifantsberg", dat hij onbemiddeld was en zonder het geld
van mijn firma nooit in staat geweest zou zijn een expeditie uit
te rusten om den ertsberg volgens voorschrift en zooals de wet des
konings het beveelt, in bezit te nemen en in kaart te brengen. Ook had
Aris met zijn speurneus al lang menschen ontdekt, die ons omtrent den
"Olifantsberg" beter konden inlichten dan dit stadsmensch, dat daar
nooit van te voren was geweest en ons iets te koop aanbood wat hij
niet eens bezat en nauwelijks van hooren-zeggen kende.
Menschen uit den jungle, zooals alle menschen met een moeilijk
vak, zijn trotsch op hun handwerk. Het was dus vanzelfsprekend
dat Aris op dezen stedeling, die nauwelijks rechtop kon staan,
(om van reizen en zelf-meetrekken maar heelemaal te zwijgen), heel
minachtend neerkeek. "Nee, toean, dat mogen we niet doen. Wat heeft
dat nu voor waarde. Dat mijnland kunnen we zelf ontdekken, zonder
dezen laffen stadsgek eerst complimenten te maken en hem ten slotte
nog een onverdiende fooi te bezorgen."
De voorname man, die van een adellijke zelfs den vorm niet had--het
was een soort oud, giftig aardmannetje--was mij van vroeger niet erg
goedgezind, omdat ik over een zijner andere mijnlanden een voor hem
onvoordeelig rapport had uitgebracht. En nu was het dus te verwachten,
dat hij al het mogelijke zou doen om te verhinderen, dat wij hem
voor zijn neus den "Olifantsberg" wegkaapten. Vooral omdat hij wist,
dat Aris en ik, wat het oerwoud betrof, geen kinderen waren.
Daarom, om hem niet wantrouwend te maken, had ik mij met zijn
schikkingen betreffende de koelies onmiddellijk accoord verklaard en
alleen niet verkozen, dat zijn particuliere bediende met ons meeging,
een kerel, die mij al eens eerder in het oerwoud meer schade dan
voordeel had gedaan. "Hij moest mij maar laten begaan, ik zou de nog
zeer vage zaak onderzoeken en dan wel zorgen dat hij zijn aandeel
kreeg," zei ik tot den grijsaard.
Hij ging ermee accoord: "Goed heer, Ong, mijn bediende, gaat niet
mee"----
Aan dit alles dacht ik onder het loopen. Het was een frissche ochtend
in November, met een zachten Noordoostenwind, ongeveer zooals een
midzomerdag thuis, en ik begon mijn zwerftocht, die een paar dagen
zou duren, krachtiger en vroolijker dan ik het anders in het heete
Siam vermocht. Eerst ontmoetten wij allerlei lieden, die naar de markt
van Canboeri gingen; kwamen nog langs eenzame hutten; daarna werd het
stiller, verlatener; de weg verloor zich in het stof, en ik was diep
in gedachten verzonken, die nooit kleuriger en levendiger door mijn
ziel trekken dan op zoo'n ochtend van loopen, als ik wel nog frisch
ben, maar de eerste teekenen van vermoeidheid zich toch al beginnen
aan te kondigen.
Wij waren nog geen drie uur op weg, toen Aris opeens achter mij een
nijdig gebrom liet hooren; en toen ik omkeek, kwam daar warempel,
hijgend onder zijn draaglast, de bediende van den ouden graaf al
aanstappen.
Ik lette niet verder op hem, hopend, dat hij spoedig een anderen weg
zou inslaan. Maar ik kon een verdenking toch niet van mij afzetten,
namelijk, dat hij door zijn meester gestuurd was, met onze karavaan
zou meeloopen en moest bespionneeren, wat ik als zaakkundige ginds bij
den berg deed, en de hoofd-gedachte: De graaf wilde zeker een zijner
eigen getrouwen sturen om op de plaats zelf een plattegrond ervan te
maken; een ruwe schets, naar den vermoedelijken stand der omliggende
bergen en dalen en naar de opgaande zon georiënteerd. En deze schets
zou de spion zijn meester dan op de een of andere manier door een
overhaasten terugtocht ter hand stellen, voordat ik, blanke, terug
was, en op deze manier zou die oude vent dan het waardevolle land,
dat nog vrij kroonland was, met een concessie beleggen, en mij zouden
intusschen mijn koelies ergens in het oerwoud op een dwaalspoor brengen
of misschien wel in den steek laten, zoodat ik te laat terugkwam----.
Toen nu deze man zich 's avonds in denzelfden tempel als wij ter ruste
wilde begeven en de woordbreuk van den ouden graaf heel duidelijk
bleek en ik begon te merken, waar de geschiedenis op uit zou draaien,
werd ik helsch en liet den kerel openlijk zeggen, dat hij moest maken
dat hij wegkwam, of ik zou zijn meester met geen enkel woord vertellen,
wat voor kansen de Olifantsberg bood.
Doch Aris kwam met het drastische antwoord terug: "De vent gaat toch
mee----al zouden we hem doodslaan...."
Hij was half-ras China-Siam, van lenigen lichaamsbouw en had een
Chineesch "Spreek-heer-je-knecht-luistert"-gezicht. Maar dat was niet
echt. Als ik hem in zijn groene spleetoogen zag en merkte dat hij zoo
maar in het wilde weg iets had beweerd, knepen de smalle spleetjes
nog schuiner weg. En zoo duister en donker als zijn huid was, klonk
zijn naam: Tsjong Ong.
Ook over de mannen, die ik als dragers mee had, was nog al wat
te vertellen. Maar niet veel goeds. Terwijl ik vroeger met lieve,
dienstvaardige bruinen, die elkaar in bereidwilligheid evenaarden, te
doen had, was hier eigenlijk ieder op zichzelf een fel, scherp-gevormd
gecompliceerd karakter. Allemaal wilde, ruwe gandja-rookers, kerels
met hartstochten, menschen, die verslaafd waren aan opium en nog
ergere zonden, eigengerechtigde venten, die zich onder de heerschappij
van den hennep hadden aangewend bruut om hun eigen recht te vechten;
ik-menschen, die, vóór alles wilden rooken en allang den egoïstischen
trek van den rookwellusteling in heel hun doen en laten meedroegen.
De gids, die ons den weg zou wijzen, was de ergste. Zijn groote
pijp van bamboe zwaaide hij dag en nacht door de lucht. Hij had een
ineengedrongen gestalte, zijn stem klonk heesch en hij praatte op
zijn eigen wijze met mij, kwam vlak voor mij staan en staarde met
zijn dierlijke, als in koorts dwalende oogen langs mij heen. De oude
papieren tropenhelm, die hij had opgezet, gaf hem een soort nimbus
en macht over de anderen. Als hij halt hield om omstandig zijn groote
waterpijp te rooken, wat onder het marcheeren niet mogelijk was, konden
Aris noch ik onzen wil laten gelden, doch moesten wij toezien en dulden
dat het al bij den aanvang met de orde in het gezelschap misliep.
Ik had me daar in een merkwaardig avontuur begeven. In sprookjesachtige
verten lag nog mijn doel. Het was me alleen bekend, dat jaren geleden
een aantal blanken een expeditie naar die streek had ondernomen. Ze
reisden goed gewapend en rijkelijk van al wat noodig was voorzien de
rivier op bij gunstigen waterstand.
En ik was nu zoo dom en overmoedig of bescheiden, hetzelfde te voet
te probeeren, met zeven mij volkomen onbekende mannen, bijna zonder
proviand, ongewapend en zooals men een wandeling gaat maken.
Dag aan dag legden wij ongeveer vijftien mijlen af, 's morgens met
de zon op weg gaand, door open bamboe- en doornbosschen, waar de weg
zich verloor, en het was mij een raadsel, hoe de mannen telkens weer
konden zeggen: we loopen goed. Soms was de weg----voor mij onmerkbaar,
alleen daardoor te herkennen, dat van een of anderen tak een half
jaar te voren een twijgje was afgesneden, naar de gids zei.
Onophoudelijk ging het in koelie-tred van het laatste dorp verder
in de eenzaamheid der oerwouden, waar geen hutten meer waren, geen
menschen woonden en waar een eenzame zwerver spoedig te gronde ging.
Waar niets dan verlaten heuvelen, droge kalksteenen aan den rand van
den weg stonden, waar het woud nu kaal en dood was en groote vlakten
taai, al erg verdroogd olifantsgras zich moeizaam van den eenen
natten moesson tot den anderen in het leven trachtten te houden. Veel
heerlijker dan het ons beschavingsmenschen meestal bewust wordt,
is het gevoel van eigen kracht. Ik heb deze ontdekking in den jungle
telkens weer opnieuw gedaan. Dezen keer, op dezen tocht, voelde ik
me sterk genoeg, om elke verstandelijke overweging uit te lachen en
de vreemde onderneming tot aan het einde te volbrengen, wat er ook
gebeuren mocht. De koorts was nog éénmaal uit mijn lichaam geweken,
de winter-moesson had de hitte gebroken, en ik was weer geheel en al
van den ouden, goddelijken ondernemingslust en de energie vervuld,
welke ik vroeger in de bergen had bezeten, maar veel te hoog aansloeg
en cultiveerde.
Tsjong Ong liep nog altijd achter ons aan (de eerste twee dagen
had ik vergeefs gehoopt, dat hij ons ergens op een kruispunt zou
verlaten). Onder het loopen hield hij zich weliswaar achteraf, bleef
urenlang onzichtbaar, maar zoodra we rust hielden, dook hij weer
op. Hij was van een ongelukkige, narrige driestheid, en inplaats
zich tenminste niet nog gehater te maken dan absoluut noodig was,
praatte hij gewichtig, stond mijn mannen in den weg en deed precies
alsof hij bij mijn karavaan hoorde.
Het was zoo wat midden op den derden dag van reizen, we waren door
schaarsch bamboewoud en over wijde vlakten met geel gras, waar magere
koeien en half-wilde buffels weidden, aan een ravijn gekomen, waarin
het spaarzame water als tot een kleinen vijver was gestuwd. Daar
gebeurde het, dat, waarschijnlijk toevallig en ongewild, de rampzalige
kerel mij zijn bundeltje goed vlak voor de voeten lei en zoo dicht
op mij toe trad, toen we halt hielden, dat ik geheel onwillekeurig en
zonder dat het verstandigste overleg hier iets had kunnen verhinderen,
zoodra hij zijn stomme stem verhief, zijn prulleboel opnam en het
in een wijden boog wegwierp. Dat ging akelig-vlug in zijn werk; alle
onheilvolle daden, waarvan men later bijna berouw zou willen hebben,
gaan vlug in hun werk. Eer het bundeltje goed en wel uit mijn hand was,
merkte ik dat ik te ver gegaan was. Vervloekt slank en even boven mij
uitstekend, stond Ong voor me, het mes in de vuist. Een roofdier in een
Chineesche broek. En er lag een vreemde zwoelheid over ons tweeën en
de overigen, die opzagen en zwijgend onzen tweestrijd, die weliswaar
enkel uit gebaren en stomme oogentaal bestond, volgden. Dat ik zijn
eigendom had weggeworpen, dat was te veel voor dezen wilde, dat deed
hem meer pijn dan booze woorden. Nu was er iets in hem gebroken.
Maar Tsjong Ong, de halve slaaf, trouw tot in den dood, van een echten
Aziatischen despoot, die aan het bevel van zijn meester hechtte als
een hond, droop tenslotte toch zonder een woord, hoewel knorrend,
voor den nimbus van den blanke af. Maar omkeeren wilde hij ook nu nog
niet. Elk zelfstandig oordeel miste hij; hij begreep niet, dat van nu
af zijn meegaan zijn ouden meester meer zou schaden dan helpen, omdat
ik, blanke, nadat de haat eindelijk tot een openlijke uitbarsting
was gekomen, nu onder geen enkele omstandigheid zijn meester meer
zou willen helpen.
Doch aan den anderen kant sloeg ik veel te weinig acht op het voorval
en had er geen vermoeden van, welk een diep beleedigden vijand ik nu
achter mij had, toen we dieper het land introkken. Het oerwoud werd
al woester en onherbergzamer, en het wegje smaller, en ik voelde de
eenzaamheid en de menschenleege streek om mij heen als een diepe smart.
Des avonds sliepen wij in het ravijn van Sadong onder den blooten
hemel. Midden op de bedding der beek, op het grint, spreidde Aris
mijn zeildoek uit, het matrasje er op; rechts daarvan maakte hij
op een stapel varens zijn bed klaar en aan mijn linkerkant dat voor
Holloeki. De koelies droegen hoopen hout aan, rammelden wat met hun
kookpannen en richtten zich in om tegen een kouden nacht beveiligd
te zijn.
De beek-bedding lag tusschen steile oevers, diep in-gevreten, en
de boomen stonden aan beide zijden hoog en zwaar. Weer begon het
duizendvoudige zingen en juichen rondom in het oerwoud, en vanaf de
bergen streek een koele wind aan. Ik was vermoeid en bevond mij in
een dier gelukkige feestelijke stemmingen, zooals ze na een langen
marsch en een ruwe dagtaak in zulke eenzame landstreken den zwerver
wel overkomen. Hoe eenvoudiger de wereld om hem heen, hoe dichter
het geluk voor het grijpen ligt!
Toen na het avondeten de maan boven de kronen der boomen opkwam en
zilverige nevelwolkjes langs alle hellingen van het oerwoud zweefden,
vroeg Aris, zijn pijp aanstekend:
"Toean, hoeveel steenen wel vandaag?"
Hij bedoelde hoeveel kilometersteenen--die hem van de spoorbaan bekend
waren--hebben wij afgelegd.
Toen ik zei: "Wel bijna dertig!" werd hij trotsch. Aris was zoo,
was idealist en verstond de kunst, zich over zijn kracht te verheugen.
Tsjong Ong had ik absoluut vergeten. Een eindje van ons vandaan
had hij zijn eigen vuur aangelegd; hij scheen zich beter te willen
gedragen, en mij kwam het kleingeestige, enghoofdige mannetje zoo
onbeteekenend voor en zoo ouderwetsch-primitief, dat ik niets kwaads
van hem duchtte. Als iemand zoo stompzinnig aan het bevel van zijn
meester hing--, hoe zou die zich dan tot een pittige, zelfstandige
daad kunnen opwerken? Wel bewoog hij drukker en meer dan noodig met
zijn lange mes en praatte dikwijls luid met zichzelf--maar--dat doen
ten slotte meer menschen, die veel alleen zijn.
Af en toe zaten een paar der dragers bij zijn vuur, zelfgenoegzaam
hun pijpen rookend; later was hij alleen. Onophoudelijk ruischte de
beek over de blanke kiezelsteenen. Aris sliep misschien al, Holloeki
had al de kookpannen en potjes en andere kostbaarheden allang in de
manden gepakt, het meerendeel der mannen rustte al, toen ook ik mij
neerlei, toen ook mij het ritselende beekje in het rijk der droomen
zong.--------------------
Toen wij den volgenden ochtend met fiksche stappen door het gouden
oerwoud verder trokken, kwam Aris geheimzinnig op mij toe, en zijn
gezicht stond star, en zijn oogen waren geel, toen hij haastig
uitstiet:
"Toean, er is gisteravond bij het vuur geducht over je gesproken! De
kokkie weet het. Een koelie heeft het hem vannacht allemaal
verraden. Toean, je mag den Olifantsberg niet levend bereiken!"
Het ligt in den aard der Maleische taal, die enkelvoud en meervoud
niet altijd precies onderscheidt, dat ik niet dadelijk begreep,
hoe groot de samenzwering was.
Eén enkelen man zou ik nooit vreezen, maar toch kon ik de verdenking
niet van mij afzetten, dat misschien al mijn dragers met den gids
erbij, dat misschien de heele troep met hun opiumoogen van plan
was--------kortom, ik verwachtte niet bepaald keurige onthullingen.
De gids, een soort hercules, een krachtmensch in bruin, zong
woeste heesche krijgs- en jachtliederen, waarin telkens het donkere
woordje tai = dood, voorkwam, en soms had hij er schik in, mij pal
in het gezicht te krijschen, zoodat ik onwillekeurig dacht dat hij
vloekte,--of lief tegen me te doen, zoo aardig en verdacht-vriendelijk,
alsof hij--een echte, voorzichtige Boeddhist--een binnenkort volgende
slechtheid ten opzichte van mij al bij voorbaat door goedheid wilde
delgen.
Doch Aris verklaarde telkens weer als ik vroeg, wat zeggen ze nu,
luister eens, waarover praten die twee nu met elkaar, waarom neemt
die sterke kerel nu zijn mes ter hand--telkens weer berichtte Aris:
"Niets, toean, ik geloof vast dat alleen Ong woedend is en alle
anderen ons misschien wel goed gezind zijn----."
Maar ik vond nu het vriendelijkste woord van den één even angstwekkend
en vijandigheid verradend als het onmenschelijke gegrom van den ander;
en toen op een keer de heele horde, wetend dat we definitief den weg
kwijt waren, radeloos en dadeloos om mij heen stond, toen dacht ik:
Hu--wat zouden die woudmenschen het leuk vinden, dezen blanke aan
een boom te binden en aan den tijger over te laten.
Nu spraken alle boomen tot mij en in de meest onschuldige dingen meende
ik teekenen van naderend onheil te voelen; en het dozijn spleetoogen,
deze schare vreemde Aziatengezichten, die mij daar zoo koud omgaven,
maakten opeens den indruk op mij mijn noodlot te zijn. Verraad zei
ieder blad dat viel, en elke wolk, die voor een oogenblik het vage
schemerlicht van het oerwoud nog duisterder maakte.
Hoewel, die eene krachtkerel, die altijd nog zoo eerbiedig tegen mij
sprak, zou stellig aan mijn kant staan------en toch, hoe eenvoudig
en makkelijk zou het voor deze bende zijn een voorwendsel voor
handtastelijkheden te vinden, hoe vlug kwam somtijds Aris' drift
op----een paar messteken, en in de zwijgzaamheid van het eindelooze
oerwoud zou mijn laatste geheim voor eeuwig goed bewaard blijven.
En opeens moest ik aan mijn boek in het gele koffertje denken. Nu
zouden die bladzijden dan ergens in het bamboegewarrel verrotten, de
wind zou blad na blad omslaan en al mijn ontberingen en inspanningen
zouden vergeefsch geweest zijn. En het meest plaagde mij de gedachte,
dat ik nu hen die ik liefhad in mijn vaderland niet zou kunnen toonen,
dat ik een ander was geworden, grooter; hoe ik in de ruwe wereld
daarginds, hoe ik in de eenzaamheid der oerwouden tot een nieuwe
levensbeschouwing gekomen, hoe ik gegroeid was.
Aan hen, die mij vaak klein en moedeloos hadden gezien, wilde ik
toch zoo graag eens toonen, hoe ik nu tot grooter rust en kracht was
gekomen, hoe ik nu het sterke geloof in de wereld in mij droeg, het
rustige weten dat er een streek op aarde was, waar de gecompliceerdheid
der wetten het leven der menschen nog niet vergiftigt, waar ik de
mogelijkheid nog voorvoelde, gelukkig te worden en kalm en rustig
op mijn eigen leven neer te zien. Waar ik fatalistisch alles, alles
leerde aanvaarden, zonder aan arbeidskracht in te boeten, zonder neer
te zinken, door nood en dood heilig er naar strevend het allerhoogste
te bereiken, mijn eigen weg gaand en zonder mij erom te bekommeren
welken prijs ik daarvoor moest betalen.
Van al deze belangrijke ervaringen en successen zou ik nooit
meer mededeeling mogen doen; er zou altijd een beetje de schijn
van een vluchteling, van een voor het leven en voor zichzelf
de wereld ingetrokkene aan mij blijven hangen. "Verrek aan den
Sacramentostroom!" zooals het zoo scherp in het Zwitsersche
landverhuizerslied heet.
Al deze gedachten gaven mij een groote innerlijke vastheid en een
taaie begeerigheid om voort te leven; en zoo afgemeten-zeker als mijn
stappen, werden nu mijn korte bevelen, en ik nam mij zelf daar nu waar
alsof ik een ander was, alsof ik voor mijn eigen persoonlijkheid stond
en er schik in had, hoe hij daar zoo zeker en dapper tusschen al die
kerels stond, een hard besluit om de lippen en met rustige oogen,
die van de geestelijke superioriteit van den blanke getuigden.
Even weinig vriendelijk moest den mannen Aris' gezicht lijken. Hij
liet het wit of eigenlijk het geel zijner ook-spleetoogen spelen
als een verraden Maleische zeeroover uit de vijftiende eeuw, toen
hij vastbesloten en voornaam tot mij zei: "Baiklah, kita poen darah
merah! Kaloe toean mesti mati, kita mati dahoeloe!----Welnu, ook ons
bloed is rood! Toean, als jij moet sterven----dan sterven wij eerst!"
En het was een prachtig verdrag, dat we daar met elkander sloten. Ik
beloofde hem, geducht wraak te nemen, als hem ook maar een haartje
gekrenkt zou worden. Ik geloof, dat de koelies ons verbond bevroedden
en ik denk niet, dat er een onder hen den moed had gevonden, ook
maar te vermoeden, dat ik niet toch nog ergens in het geheim een
schietwapen of iets anders ter mijner verdediging had.
Wat echter niet het geval was. Met bamboewandelstokken stonden Aris,
Holloeki en ik tegenover deze ellenlange messen dragende kerels. Iets
van het wonderlijkste, dat de lieve Heer mij in mijn wieg beliefde
te schenken, is een fiksche dosis van een soort lichtzinnigheid, of
misschien beter gezegd, goedgeloovigheid, hoop in de toekomst: "We
zullen wel zien----!" Hoe zou daarzonder het leven te dragen zijn! Of
misschien was het niets dan luiheid die mij er schuw voor had gemaakt
door al de wetsvoorschriften heen te dringen, die zelfs in Siam noodig
zijn om verlof te krijgen: "een geweer bij zich te mogen dragen."
Inderdaad heb ik twee jaar lang op al mijn reizen nooit een wapen
gedragen.
Mijn leven lag nu in Aris' hand. Heel makkelijk had hij het zijne tegen
het mijne kunnen uitspelen. Hij wist, dat ik weerloos was. Als hij mij
trouw bleef en ik moest sterven, dan zou ook hij moeten sterven. Zeven
tegen drie. Ai, hoe begon ik toen ook zijn gezicht anders te bekijken,
hoe leek mij ook dit, het gezicht van mijn besten en eenigen vriend
opeens twijfelachtig. Zijn niet juist de beste menschen en zulke,
die uiterlijk zonder zweem van iets ergs zijn, in den grond vaak
misdadigersnaturen!
Had ik niet ook hem wel eens ruw moeten behandelen en grof tegen
hem uitvallen! Zou hij mij altijd vergeven hebben? Bevond hij zich
hier niet zelf in een oog om oog, tand om tand------in een handeling
eischenden toestand? Of zou hij niet vergeten hebben, dat ik zijn
hoogsten droom naar een huis en een vrouw in vervulling had gebracht?
Holloeki was minder bij deze aangelegenheid betrokken. Hij was
klein en van minder belang en verloor zijn humor niet. (Wat zijn
geweldige bamboeknuppel bewees). Misschien was zijn vereering
en opvatting van het wezen van iederen blanke grenzenloos hoog,
misschien was hij er benieuwd naar, hoe het zijn zou, als ze den
toean doodsloegen. Waarschijnlijk was dat de uiting der Chineesche
"harteloosheid", der concentratie van alle belangstelling alleen op
leden hunner eigen familie en al hun vele voorvaderen. In elk geval
scheen hij ervan overtuigd, dat er ook voor hem iets goeds uit het
koffertje zou vallen, zoodra de toean dood was.
Wanneer Ong met zijn messen rondtastte, troostte hij mij:
"Tida apa! Dat hindert niets! Ong is misschien niet dapper genoeg
voor den dood!"
Wijl het een twijfelachtige onderneming is, zielestemmingen van
Chineezen te willen onderzoeken, vertrouwde ik meer op Aris, die
door zijn toornig gezicht van zijn houding ten mijnen gunste had
blijk gegeven en zeker niet veel sympathie meer van de anderen te
wachten was.
Goed, dat ik bij kracht was en van begin af aan streng met de kerels
had omgesprongen. Een toean moest voor zijn koelies altijd iets
hebben dat hun angst inboezemt, iets van een god, die tegelijk een
duivel is.--------
Gelukkig bleek toen als eenigermate waarschijnlijk, dat alleen de
eene--Tsjong Ong--mij werkelijk diep-vijandig gezind was. De anderen
schenen zich meer uitsluitend in afwachting van een frisch en vroolijk
bedrijf en in halve onverschilligheid te bevinden. Maar kwam het tot
bloedvergieten, dan zouden ze heel gauw partij kiezen. Dat was wel
heel zeker.
Ik voel vandaag den dag nog de heete zon in mijn rug, nog zie ik,
hoe wij, de laatste sporen van den weg verloren, aan den oever
stonden, rondom hooge bergen, met eeuwige, ondoordringbare wouden
bedekt, ontoegankelijk en vijandig. Ik zie nog dien stroom voor mij,
soms onstuimig en over scherpe rotsen schuimend, dan weer tot lange,
rimpellooze meren gestuwd, die diep-groen--ondoorgrondelijk leken. Het
was 's middags drie uur geworden, het gevoel kwam al dringender in
mij op, dat het niet lang meer zou duren of het was avond; dan zou
het nacht worden en lag het laatste dorp met zijn beschutting en orde
al meer dan honderd kilometer achter mij.
De dragers streden met de gidsen en telkens meende er een, dat hij den
goeden weg gevonden had, en telkens weer opnieuw poogden dan de mannen
met haastige schreden een uitweg te vinden uit deze eenzame streek.
De hoeveelheden rijst waren klein geworden. Het vleesch was opgegeten
en aan omkeeren, met welke gedachte ik mij al inniger bezighield,
viel niet te denken. Dan zou er vele dagreizen lang geen rijst
voor de koelies te vinden zijn en de ruwe horde van menschen zou
krankzinnig-wild worden, en zou----
Eten is hier in de natuur te belangrijk en een soort godsdienst,
waaraan niet getornd mag worden. Het gebeurt nooit, dat een koelie
om een of andere utiliteitsreden zijn eten uitstelt, en vooral
niet, wanneer het hem boven zijn loon gratis is toegezegd. En ik
was dwaas genoeg geweest om dit te doen. Het was mij, alsof ik de
geprikkelde brommende magen om mij heen hoorde, die geen welwillend
begrip over hadden voor het feit, dat ook ik de laatste vezels van
mijn verwaaid idealisme al bijeen had moeten schrapen en tot het
culinaire, voor een Europeanen-maag weinig aanlokkelijke menu van
"varens met bamboerattengebraad" was overgegaan.
Daar lagen complicaties en moeilijkheden voor mij, die aan het
vraagteekenachtige van het begrip "noodlot" deden denken.
Zag misschien daarom in haar onvruchtbaarheid de wereld er te goudener
om uit? Het licht der zon, die in de tropen meestal te steil en te
hoog staat om in de oogen te schijnen, straalde nu op dezen laten
Novembermiddag vlak en fel in mijn gezicht. Een rotswand schitterde
uit de geslotenheid der opeendringende wouden op, ver en toch dichtbij
in zijn lichtheid en gelijk een kasteel van marmer.
En toen opeens, terwijl we weer radeloos op den steilen oever stonden,
boven een der diepe, den indruk van meren makende, verbreedingen
in den stroom, riep ons van over het water geheel onverwachts een
woudmensch iets toe en kon ons den weg wijzen.
Het dorp, waar wij heen wilden, was nog twee dagen ver en alleen
menschen die de omgeving kenden, zouden in staat zijn den weg over de
bergen te vinden. Doch we moesten maar met hem meegaan, hij zou ons een
plek wijzen waar de woudmenschen altijd heengingen om te rusten; daar
konden wij den nacht doorbrengen en den volgenden dag zouden wij een
andere nederzetting bereiken, waar waarschijnlijk rijst te vinden was.
Er waren twee of drie woudhutten, zei hij; Birmaansche nomaden hadden
een vliegend dorpje aangelegd, om bamboe te hakken, dat zij op groote
vlotten naar het dal brengen, om in de lage streken der rijstvelden,
waar de menschen weinig bouwmateriaal hebben, te verkoopen.
Hoe vaak ben ik vanuit de eenzaamheid bij de menschen gekomen! Ik
heb mij nooit zóó over menschen verheugd, als over degenen, die ik
nu op het punt stond te ontmoeten. Lieten het de meest primitieve
wilden zijn,--ik was al blij, niet meer aan de willekeur mijner eigen
mannen overgeleverd te zijn. We zouden toch stellig onder hen ook
wel menschen vinden, die Aris' en mijn partij zouden kiezen.
Over een paar in elkander vervlochten bamboestangen staken wij, de
een na den ander, de rivier over. Tsjong Ong, dien ik niet weerde
en niet hielp, om strengheid noch zwakheid te verraden, zwom met
bioscoop-heldachtige avontuurlijkheid over den diepen stroom, zijn
bundeltje rijst op een paar takken voor zich uitschuivend, de zwarte
pijpen van zijn broek tot onder zijn buik opgestroopt, het scherpe,
vonkelende mes tusschen zijn tanden.--
"Toean," zei Aris, toen we op een verlaten heuvel-nest van witte
mieren zaten, midden tusschen de drie, vier loofhutten, waar naakte
kinderen rondspartelden en een jonge vrouw, die niets dan een korten
lendendoek droeg, het avondlijke huiswerk verrichtte.
"Toean, hoeveel jaren tel ik al! Ik heb met mijn vader door heel
Java gereisd, ben bij de koppesnellers in Borneo geweest, ik ben
van Singapore af het heele Malakkaschiereiland doorgetrokken, maar
zooiets heb ik nog nooit gezien. Zulke eenvoudige hutten, zulke
onbedekte menschen."
"Dat zijn Birmanen, Aris, die hooren eigenlijk achter de bergen thuis."
De slanke jonge wilde stampte rijst en bij elken slag, waarin zij
heel de pracht van haar lenig lichaam lei, sprongen haar zilveren
halsspangen rhythmisch op en neer, en haar stevige, kleine borsten
deinden mee op de maat.
Terwijl een Chinees hier misschien niet beter had weten te doen,
dan zijn minachting voor deze naakte natuurmenschen te uiten--Aris
was zoo niet. Hij verstond het, bij dezen aanblik vreugde te gevoelen.
"In welke nieuwe streek we ook mogen komen, het is overal en altijd
min of meer gek in dit land!" was de beteekenis zijner verbaasde
gedachten, die hij voor mij zat uit te kramen.
Soms nam hij als de eenige die in staat was te voelen zooals ik, naast
zulke primitieve wezens een eigenaardige waardige houding aan en begon
met mij te spreken, alsof ook hij een blanke was, als moesten deze
natuurmenschen voelen, dat hij, niettegenstaande zijn bruine huid,
beter was dan zij. Nu zei hij met de vanzelfsprekende gelatenheid
van een hofphotograaf:
"Wat jammer dat het al te donker is om te photografeeren!"--
"Aris!--Waar is Tsjong Ong?"
"Toean, Ong doet ons nu niets, maar vannacht moeten we waken, we
zijn nogal tamelijk ver in het woud en Ong's mes is heel spits en
scherp.--Silaka!"--
Dat was een plechtige, bange nacht. De minuten talmden voorbij, een
voor een, behaaglijk zich rekkend en zonder zich te haasten. Zwijgend
lag ik naast Aris, in den rug eenigermate gedekt door een dak,
terwijl Tsjong Ong, met het mes in zijn hand, bij het vuur tegen
de koelies zat te bluffen. We waren gansch en al bevangen door deze
weinig spraakzame uiterlijke kalmte.
Vreemd was het oogenblik, toen het onder de woudmenschen bekend werd,
dat een der zoo pas aangekomenen, mij, blanke, wilde vermoorden. Hoe
dit gerucht van hut tot hut ging, tot de onze kwam, het dorpshoofd ter
oore kwam, wien ongeschreven wetten bevolen, mij te beschermen. Hoe
zijn vrouw, een woudmensch met zware ronde drijftolachtige houten
dingen in de uitgerekte oorlellen, met haar toren-kapsel boven het
lage orang-oetan-voorhoofd en zilveren spangen om haar hals--hoe die
er op eens van opzag, hoe ze mij toen plotseling met groote, schuwe
oogen opnam en scheen te overwegen of deze vreemdeling werkelijk
verdiende vermoord te worden. En haar hard gezicht, dat niet ja en
niet nee zei. En hoe ik het toch als iets aangenaams onderging, dat
zij, een vrouw, belangstelling voor mij toonde en hoe ik, als het
ware redding van haar verwachtend, telkens weer naar haar moest kijken.
En deze gevoelens: wanneer je, het oerwoud-Siameesch maar half
begrijpend, al het mogelijke (en onmogelijke) meent te verstaan en
met je verhitte phantasie tracht aan te vullen; die beraadslagingen
van het dorpsopperhoofd met zijn vrouw in de Birmaansche taal, in
klanken, die ik nooit te voren vernomen had, in weer geheel nieuwe
en geheel vreemde gorgelende keelklanken.
"Met zoo'n mes is een kop er in een ommezien af!" meende een kerel
bij het vuur, waar de koelies van de laatste rijst met alle mogelijke
hulpmiddelen, wortelen, kikkers en dergelijke, één dikke algemeene brei
bereidden en de laatste kip slachtten. Ze hakten deze lekkernij in
kleine stukjes, de beentjes en bijna ook de veeren mee--zeker zag ik
ze de in kleine schijfjes gesneden kippenpootjes vreten. Woudmenschen
hebben ruwe kelen.
Uit deze opgewekte overpeinzingen ontwaakte mijn oude humor, en een
vroolijke inval drong zich aan mij op; misschien was het een droom.
Ik stelde mij voor, hoe romantisch het zou zijn, als mijn gastvrouw,
het woudmensch met de houtblokken in haar ooren, besloot mij te
redden. Als ze mij midden in den nacht een teeken gaf, haar te
volgen. Ik zag mij al door het nachtelijke oerwoud achter haar aan de
bergen beklimmen. Ik betrad reeds de kalksteengrot met de stalaktieten,
waar zij mij verborg.
Iederen dag bracht ze mij versche rijst en groente. En op een
ochtend een jongen, sterken jager, die mij terug bij de menschen zou
brengen. Ik dankte mijn niet zeer lieflijke schutsgodin hartelijk;
en toen ik haar een paar zilveren tikals gaf, deed ze twee van haar
armspangen af en stak ze aan mijn polsen.----Maar toen voor een
oogenblik haar breede gezicht in het zooeven aangeblazen vuur opdook,
verdween bij dezen aanblik alle hoop op vervulling van mijn droom.--
Het was gauw licht en gauw donker. De kampvuren, waar de dragers
omheen lagen, laaiden op en doofden uit. Rookwolkjes trokken dun
en fijn door de boomen, de kleine, half van bamboe gezuiverde plek
tusschen de armzalige woningen was een levende, voortdurend wisselende
dans van lichtplekken en schaduwen, was geen dag en toch ook niet
heelemaal nacht.
Af en toe drongen slaperige vreemde geluiden van de andere hutten tot
mij door; twee, drie buffels wroetten telkens weer in den grond bij een
boom, en van tijd tot tijd sneed de smartelijke kreet van een vervolgd
hert door het zwijgende, in het licht der halve maan slapende oerwoud.
Hier en daar verhief zich een der bruinen geruischloos van den grond,
half in lompen gehuld, en dan spande zich op-wakend elke spier in
mij, om gereed te zijn, indien het gezicht van Tsjong Ong, dien gek,
zich uit den doek zou wikkelen.----
Ook trokken heele lange reeksen van beelden uit mijn leven door
mijn ziel. Waarom ben ik zoo'n zwerver? Waarom word ik altijd weer
aangetrokken door oorden, waar geen andere blanken zijn? Waarom kan
ik, rustelooze, alleen daar gelukkig zijn, waar het leven zoo moeizaam
afgedwongen moet worden en elk oogenblik uit kan zijn! Wat dreef mij
naar deze verre woudbergen?
Ik, dwaas! En ik had toch vrienden achtergelaten, die niet zoo waren,
en ik achtte hen en hun praestaties. En begrijpend gluurde ik telkens
weer naar hen, die het huiselijk leven in het vaderland als iets
kostbaars en moois wisten te waardeeren en te hanteeren.
O, het is iets vreeselijks in mij, iets atavistisch, iets ontembaars,
dat verlangt naar het wilde, het verre en onbegrensde, iets dat
opbruist, dat afwisseling wil hebben en mij altijd weer zal dwingen
en dringen tot zwerven en trekken.
Of was dit hier soms ook maar een haartje beter soort bivak, dan dat
van vroeger, wanneer ik "ergens heel alleen in de gletschers onder
een steen lag?"--Nu, dat ik toch in alle geval niet meer alleen
met door phantasie opgejaagd jeugdverlangen door het woud zwierf,
doch----voor mijn werk, mijn doel en mijn toekomst----
Ong lag onder zijn witten doek bij het vuur, half verborgen achter
een bamboestruik: Aris haalde zwaar adem en zoog de nachtlucht gretig
in als een dier, alsof hij nu nog eens zoo vast wilde slapen, omdat
hij in de tweede helft van den nacht de wacht moest houden.
Kostelijk mooi was het in alle geval! Dat stond bij mij vast, al kwam
het niet in mij op, te zingen.
En het was mij, alsof ik plotseling ver in mijn toekomst zag; en het
leek mij, alsof het toch mogelijk zou kunnen worden, dat ik mij eens
nog tot waarlijk menschelijke hoogte zou mogen verheffen.
----maar, in elk geval moest ik om dat punt te bereiken nog een zeer
steile trap opklimmen, dacht ik later, met veel, heel veel treden.----
Toen schudde ik Aris wakker en sliep zelf, wel onrustig en met groote
tusschenpoozen, maar toch tot laat in den ochtend.
Ik ben al allerlei zware zwerfdagen begonnen, op ongebaande wegen
en waar avonturen van het ergste soort zoo maar op mij schenen te
wachten----
Maar iets anders is het, wanneer het gevaar dat je bedreigt, "mensch"
heet. Te weten, dat hier, waar de een op den ander is aangewezen om
tot een goed einddoel te geraken, hier in dit donkere, wilde oerwoud,
dat zelfs geen inboorling alleen durft te doorkruisen, hier in dit
woeste, stekelige doornbosch, in deze duistere kloven, waar de zon
nooit in doordringt, hier te weten: Vannacht heeft een van je mannen
zijn mes expres voor jou gewet----
Om den krankzinnigen kerel niet noodeloos te prikkelen, trok ik met
mijn twee getrouwen een flink eind vooruit, de koelies tusschen
hem en ons latend. Maar Ong wist wel, dat nu zijn oogenblik was
gekomen. Hij werd al theatraler. Zijn dor gezicht weerkaatste zijn door
het gandja-rooken verhitte brein; het bevel van zijn meester loerde
achter iedere spier en elke rimpel herhaalde de misdadig-wantrouwende
woorden van den ouden Siameeschen dwerg: Zoo noodig----
En al dichter naderden wij de beslissende plek, al noodzakelijker
werd nu een daad. Langs laag-uitgehouwen sakaypaadjes, waar de kleine
inboorlingen nauwelijks rechtop konden loopen en de levende tunnelboog
van het oerwoud zich over ons heensloot, sleepten en hijgden de
koelies voort, druipend van het zweet en dikwijls viel er een neer. De
eeltig-harde teenen tastten over de harde gestampte leem-treden. Eén
keer vlood schuw een groot dier, of het een hert of een panter was,
weet ik niet, met veel geritsel vlak voor onze voeten weg en vluchtte
ongezien in de veilige geborgenheid der hooge, door geen mensch ooit
betreden bergkammen. Soms kropen we langs gladgespoelde rotsen aan den
oever voort, dan weer daalden we in zwarte ravijnen neer, kruisten
scherpe steile heuvel-ribben, een anderen keer zagen we tusschen
boomen door in de diepe woudkloof, waar het kronkelende zilveren lint
der rivier onbekommerd om menschelijke zorgen, tijden en tijden niet
achtend, eeuwig zich gelijk en sterk en vrij naar de zee toeruischte.
Ik was aan het eind van mijn krachten, niet van mijn lichaamskrachten,
doch van mijn geestelijken weerstand. Sedert uren liep, zwaaiend met
zijn mes, Tsjong Ong op enkele meters afstand achter mij aan, blind van
woede, krankzinnig en onophoudelijk loerend op mijn leven. En bij al de
moeilijkheden van den weg, waarbij ik in de rivier dreigde te storten,
waarbij de doornen en twijgen en het geslinger van het dichte woud mij
hinderden, bij al het "koortsig-naar-een-onbepaald-doel-toehaasten"
kwam nog de aalachtige lenigheid van dezen ras-Chinees, die begeerig
aasde op een eerste zwakheid, waardoor hij mij in de hand zou
krijgen. Ik voelde mij als een tot brekens toe gespannen veer.
Maar Aris was altijd vlakbij mij. Soms was ik bevreesd, dat het
mes hèm zou treffen. Dan pakte mij iederen keer een aanval van
woede. De koelies, vermoeid en vreeselijk afgebeuld door de zware
lasten, bevonden zich in een dier roekelooze gemoedstoestanden,
waarin zinnelooze ruwheid en heftige moordlust uit de geringste
aanleiding ontwaken.
Doch plotseling kwam er ontspanning. We stonden voor een hutje aan
de rivier. Er was een dorp in de nabijheid; regel, orde, gezag. Ik
heb mij meer dan eens moeten verbazen, hoe ver en tot in welk een
verre wildernis het Siameesche oog der wet zijn nuttige blikken weet
te werpen. Ong werd opeens klein.
En eindelijk, op den negenden dag van de reis stond ik boven op
den Olifantsberg, het geweer van een dorpsopperhoofd in de hand,
hamerend en zwaar zilvererts kloppend, en teekenend en schrijvend,
en heel het geheimzinnige werktuig dat de Europeesche geest is,
spelen latend. Steenen, die waardeloos waren, werden verpakt naast
ertsmonsters, om den spion op een dwaalspoor te brengen.
Maar ook hij, Tsjong Ong, stond fierder dan ooit op de plek. Vier
van de koelies hadden nu openlijk zijn partij gekozen.
Een van dezen--een vroegere soldaat--had geleerd hoe plattegronden
geteekend werden.
Bovendien moest ik al heel gauw merken, dat hier, zoo ver verwijderd
van de hoofdstad, mijn blanke huid een onbetrouwbare talisman bleek
te zijn. Door een vreemdsoortig gemanoeuvreer, niettegenstaande al
mijn zilverlingen, kreeg Tsjong Ong van uur tot uur meer vasten voet
in het hart van het dorpsopperhoofd; en toen wij ons twee dagen later
gereed maakten om de terugreis de rivier af op een bamboevlot door
de menschenleege streek te aanvaarden, was ik overtuigder dan ooit,
dat er iets zou gebeuren.
Vreemd, dacht ik, terwijl ik het vlot betrad, waarom wachten die
kerels zoo lang, waar is de plek, waar ik sterf....------
Zou het eenvoudiger zijn den heer een stoot te geven met een der
roeispanen, onvoorzien, maar zoo dicht mogelijk bij een dier bruisende
stroomversnellingen------?
Toen we den woudburgemeester verlieten, zei ik daarom vol berekening
tot hem en zoo luid, dat ook al de koelies het hoorden: "Nou, ik dank
je! En vergeet je heele leven niet, dat je vandaag, op den negenden
November, mij, blanke, dit bamboevlot hebt zien betreden."
Ik verheugde me, afgezien van een meer en meer toenemende nerveuze
onrust, die zich in al mijn gebaren en gedachten en in heel mijn
doen en laten poogde te weerspiegelen, in een gevoel van groote
behaaglijkheid; zoo ongeveer als een kapitein op een salonboot zich
moet voelen, toen we daar zoo den stroom af naar iets onbekends
toedreven.
Dat was misschien een der schoonste ochtenden van mijn heele leven. Ik
zat gemakkelijk op mijn beddezak, een zeildoek tegen de zon boven mij
gespannen, en heel mijn hopen en verlangen en de dankbaarheid van mijn
hart was op de schoonheid der wereld gericht. In slingerende bochten,
soms statig-langzaam, soms onstuimig-vlug dreven we stroom-afwaarts,
soms in de schaduw, en dan weer glinsterde mij de rivier het beeld
der zon, in duizend scherven geslagen, stralend in het gezicht.
Koningsadelaars in heel de onwaarschijnlijkheid van hun kleurig
gevederte schitterden door de lucht, hornbillvogels ruischten als
draken van hooge boomen op, en langs beide oevers krijschten apen
met de argeloosheid die hun leven eigen is.
Om mijzelf was ik nooit minder bezorgd dan nu, omdat daaraan te denken
onaangenaam was en een snel korter wordende spanne tijds een groote
verandering, het eindelijk ontkomen aan den ban der geweldenarij of
het definitieve einde zou brengen. Dankbaar was ik van ganscher harte,
dat deze ochtend nog zoo mooi was.
Mijn zeven koelies op het vlot zaten stompzinnig bijeen. Met hun
draaglasten hadden ze tegelijk het laatste restje van gehoorzaamheid
neergelegd. Ik bemerkte, overal waar ik rondzag, gloeiende haat en
koppigheid onder de strakke hardheid hunner starre gezichten.
Aris was zwijgzaam. Zijn gelaat was gezwollen, zijn oogen verglaasd van
het waken. Nu greep hij zelf naar de lange stuurstangen en spande heel
de kracht van zijn aan harden arbeid gewende lichaam in, wanneer wij in
de schuimende bocht van een stroomversnelling kwamen of vlug-besloten
een smalle, onstuimige afkorting afschoten, inplaats de langzame,
zekere vaargeul der rivier te volgen.
Ik zat zoo diep in de beschouwing der oerwoudwereld om mij heen
verdiept, en ons scheepje gleed meestal zoo zacht en schijnbaar zoo
weinig menschelijke hulp behoevend voort, dat ik heel verbaasd was,
toen het plotseling een verraderlijken stoot kreeg en een der groote
stangen wegsloeg.
Tsjong Ong was niet bij ons. De rust van een halven nacht offerend,
had hij een stuntelig, veel te smal en daarom gevaarlijk vlotje (het
waren nauwelijks zes of zeven bamboestangen) voor hem alleen gebrekkig
saamgebonden, en hierop schommelde hij, door kreten en gebaren zichzelf
moed insprekend, achter ons aan, een speelbal der golven.