Het gedoe van dezen vermetele maakte op mijn mannen denzelfden indruk,
als misschien een geleerde of een krankzinnige op het gewone volk. Mijn
koelies vermoedden iets dat niet te breidelen, niet te stuiten viel
in dezen kerel, maar konden zich noch tot onbeperkte bewondering,
noch tot volkomen afkeuring van Tsjong Ong opwerken.
Ook daar in de groene meer-achtige kom, waar het oerwoud zich in
het gladde water spiegelde en ons ietwat plompe vaartuig bijna stil
bleef liggen, werkte Aris zonder ophouden. We wisten allebei niet,
waarheen de tocht eigenlijk ging. Zooals alle rivieren, slingerde ook
deze zich door de menschenleege woestenij, met kronkelende bochten,
ver, veraf van den weg waarlangs we den Olifantsberg bereikt hadden;
en onze koelies hadden stellig een vast beraamd plan------.
Aris wilde zoo ver mogelijk varen den eersten dag; hij hoopte tot
over het ravijn van Sadong heen te komen, zoo mogelijk tot in de
nabijheid der eerste dorpen.
Drie lange dagen, door kort bivak in het struikgewas aan den oever
onderbroken, voeren wij de rivier af. De koelies, half in muiterij,
half beu van deze vreemde, henzelf eigenlijk weinig aangaande
onderneming, roeiden onwillig, wachtten alleen nog op hun loon.
Weer kozen ze, zooals dat bij gewelddadige, maar laffe menschen
vaak is--de meest wijze partij, zoodra de eerste eenzame hutten
opdoemden. Alleen deze laatste nacht stond nog onder den ban van dit
avontuurlijkste reisje, dat ik ooit in Siam heb ondernomen.
We waren ergens in de heesters aan den oever voor den nacht aan
land gegaan. Ook Ong's vlot lag daar. Doch de nacht was nu donker en
zonder maanlicht, en opeens was nu mijn weerstandskracht uitgeput. De
trillende lichten der kampvuren wierpen de schaduwen der boschjes in
phantastische vormen overal heen, en ik kon Tsjong Ong nu niet meer
zooals vroeger in het licht der maan bewaken.
Elke schaduw kon zijn wrekend mes brengen, ik voelde al de koele kling
in mijn nek, huiverde en trok in Aris' gezelschap, mijn waardigheid
door een verstandig woord bewarend, in een hut aan den oever,
barricadeerde de deur en sliep,--sliep, sliep------.
Het lukte Tsjong Ong tenslotte toch nog het plan van den Olifantsberg
een halven dag voordat ik terug was aan zijn meester te overhandigen,
en gebruikmakend van de regeeringstelegraaf heeft de oude Siameesche
graaf zeker zijn mijn verzekerd.
Maar gewonnen heeft hij toch niets. Wel weet hij nu waar de berg ligt,
maar wat voor ontginningsmogelijkheden hij biedt, wàt de Olifantsberg
waard is, dat zal hij nooit van zijn leven vernemen (en zelf kan hij
niets ondernemen), dat zal mijn geheim blijven--van mij en van de
grenzenlooze, menschenleege oerwouden.