Over het zandige dorpsplein voor Nai Sih's huis rolden afgejakkerde
honden jammerlijk blaffend voort. Onder tien dieren waren er niet
meer dan twee, die niet bij elken stap dien ze deden van honger en
ellende door hun beenen zakten.
Vele dagen achtereen strompelde ik van mijn bed naar den ligstoel,
dien ik vlak bij de deur liet neerzetten, zoodat mijn blik een gedeelte
van het dorp beheerschte.
Sitsjon bestond bijna alleen uit twee rijen hutten. Kokospalmen
wuifden boven de huisjes uit, hoog en vreemd, en met zware vruchten
behangen. Het straat-dorpje was door visschers en schippers bewoond,
die de rijst van het binnenland naar de dichtstbijzijnde groote
dorpen over de baai brachten en van daar allerlei waren, doeken en
zoo, mee aan land brachten. Meer dan de helft der hutten stond op
palen, omdat de zee de kleine rivier waaraan Sitsjon lag iederen dag,
gedurende zes lange uren tot midden in het dorp opstuwde.
Op het Malakka-schiereiland is het mogelijk den regentijd te ontwijken,
zooals men in den regentijd in de bergen boven den nevel de kou
ontvlucht.
Terwijl we eenige dagen te voren aan de Zwarte Rivier heel de
troosteloosheid der zondvloed ondergingen, begon hier, iets
noordelijker en aan de Oostkust de droge moesson al.
Met vermoeiende regelmatigheid ging de zon ochtend na ochtend
op. Hoe prachtig haar vroege goud in de kronen der palmen lag, hoe
aangenaam haar eerste schijn na den koelen nacht ook over het gele zand
straalde--even vreeselijk en wreed werd haar middaggloed. Het huis van
mijn gastheer, als zijnde dat van een rijk man, droeg een luifeltje
van golfijzer en daardoor brandde de zon nog gloeiender naar binnen.
Wanneer de middag over het land lag, drukte hij zijn stempel op
het doen van alle menschen. Wie het zich ook maar eenigszins kon
veroorloven, kroop in de schaduw. Dan lag mijnheer Sih op zijn buik
naast zijn vrouw, languit op den koelen houten vloer uitgestrekt,
iedereen in het dorp steunde "ron--heet" en iedere lach, elk onnoodig
gepraat was verstomd onder de drukkende hitte.
Als in den schouwburg zoo lag ik in mijn ligstoel, en het leven
trok langs mij heen in kleurige beelden. Zonder zich buitenmatig te
moeten inspannen, beheerschte mijn blik den ingang tot de hutten in de
buurt van mijn woning en weldra onderscheidde ik onder de menschen,
die op den zandigen weg voorbijstapten, sommigen, die voor mij van
beteekenis werden, naast anderen, die nooit zouden terugkomen en maar
voor een paar minuten op het dorpsplein halt hielden.
Het twaalfjarige Chineesche meisje, dat in haar zwarte broekje,
in haar zijden overjakje en met haar olie-gladde vlechtje er zoo
heldertjes uitzag als een zoo pas afgeregende blauwe pruim, zou
stellig nog menigmaal voorbij mijn deur naar school toe wandelen,
dacht ik, terwijl die zwervers ginds onder den dorpsboom wier heele
vermoeide houding zei: wij komen ergens uit den jungle vandaan en
gaan weer op een andere plek terug het oerwoud in--weldra uit mijn
wereld zouden verdwijnen.
Het waren eenvoudige mannen, wier gansche bezit uit twee doeken,
de broek- en de halsflarden bestond, uit een afgedankte Engelsche
blikken cigarettendoos, waarin misschien een pruim tabak, een paar
betelnoten en wat kopergeld zaten. Oude, witharige mannetjes als zij
waren, met draderige baardjes, afgematten blik en door het kauwen
vermoeide hanglippen, schenen zij te wachten, tot het koel genoeg
werd om den terugtocht te aanvaarden.
Of een troepje oerwoud-vrouwen kwam er aan, de een achter de ander aan,
de ouden (en vertrouwden?) de mooie jongen in haar midden nemend. Ze
traden in deze vier-houten-hutten-stad als boerendochters uit het
afgelegen Emmendal in de Bondstraat in Bern------reusachtig kleurig
en vroolijk gestemd, om zich heen koekeloerend en door iedereen
bekoekeloerd. Het een of andere zuinige zaakje bracht ze na twee uur
loopen door het meedoogenlooze oerwoud hier: omzet 33 bananen à 2
satang; zuivere winst--66 stuiver.
Ontzettend en onverbiddelijk rijst in de tropen de zon boven de aarde
op en broeit dag-in dag-uit steil en gewelddadig over het land, zoodat
de mensch geen uitweg vindt, nergens haar ontloopen kan en dof-klagend
lijdt. De heete tijd talmde boven het dorpje als een ongeluk. Alle
menschen klaagden over pijn in heel hun lichaam en zelfs de donkerste
inboorlingen verdroegen de overdreven hitte moeilijk.
In deze tijden staat het water in de drinkplaatsen laag en troebel,
en de cholera maakt haar verwoestende reizen naar het Zuiden, uit het
reuzenlichaam van Azië omlaag kruipend naar het Malakka-schiereiland,
als een duizendpootig opdoemend en weer verdwijnend menschen-vretend
spooksel.
Op een morgen keek ik naar een hevige vechtpartij op het dorpsplein,
"om een gebroken bord," waarbij gele gal en fiksche klappen
rondvlogen. Maar toen kwamen een paar blauwe Chineesche vrouwen
"zonder voeten" tusschen de vechtenden aanstrompelen, en weldra ging
ieder weer rustig aan zijn werk. Chineesche drift is mooi. Omdat ze
echt is. Al wat echt is, is mooi. Altijd. Nai Nok, meneer Vogel,
in de tweede hut schuin tegenover de mijne, speelde onwrikbaar en
taai-volhardend op een fluit, en in een der weinige winkels zat een
oud verschrompeld vrouwtje, dat eigenlijk niet veel reden meer had
om vroolijk te zijn; maar ze lachte heel den dag en was vroolijker
dan menig mooi jong meisje. Ze scheen van een reusachtige taaiheid te
zijn, dit rimpelige, gebroekte Chineesche wijfje met haar gele leêren
gezicht. Ze was er altijd, alle dagen, sinds jaren misschien al. Om
acht uur 's ochtends was ze er, om elf uur; 's avonds om zes uur
zat ze in haar hut, de handen op een harer knieën gevouwen en aan de
afschuwelijke nauwkeurigheid en plichtsgetrouwheid van een Europeesch
vrouwtje achter een snoepgoedstalletje herinnerend. Urenlang zat ze
alleen, met blij-stralend gezicht naar iets in de wereld starend, en
maar heel zelden verkocht ze een paar Chineesche bonbons, betelnoten
of vuurroode pepervruchten.
"Waarop," dacht ik, "zou die in het leven nog wachten------?"
Op een keer, niemand was meer aan het werk, toen ik me wat beter
voelde en op een driepoot voor Nai Sih's winkeldeur zat, kwam een
oude Chineesche heer, goudsmid van zijn vak, op mij toe en hield mij
zijn klein, tweejarig dochtertje voor, dat volkomen naakt was en in
haar spannend huidje stak als het vleesch in een versche, volgestopte
leverworst. "Neem haar, als je haar hebben wilt!" begreep ik.
Ik was onthutst en het kostte eenige moeite, eer Holloeki hem aan
zijn verstand kon brengen, dat ik met dit kleine wezentje niets kon
aanvangen, omdat ik binnenkort terug naar Europa ging en geen tijd
had om hier te wachten tot het--groot genoeg was, "en trouwens,"
ging ik zelf toen voort, daar de Chinees Maleisch bleek te verstaan:
"T'a boedak ambil--t'ada soesoe!----(Ik kan dat schepseltje toch
immers niet overnemen, omdat ik geen melk voor haar heb)."
En toen begreep ik pas, dat hij zijn lieveling alleen maar door mij
wilde laten photografeeren.
De derde hut links aan den overkant was vol met kleine kinderen,
en een dikke, vette moeder woonde daar, met geweldige, wiebelende
hangborsten, waar ze zoo plomp mee te koop liep, dat ik bijna mijn
blik moest afwenden. Met haar ronde vleeschgezicht en haar verwarde,
tot op haar schouders afhangende haren was zij het goede motief voor
een titelplaat bij een brochure, uitgegeven door een vereeniging
ter bevordering van de natuurgeneeswijze: "Gezegende spijsvertering
en vruchtbaarheid!"
Af en toe kwam ze naar buiten rennen en liet een natuurkreet los:
"Hee-loek-maa-nii! Loek-hee-maa-niiii!" en dan kwam er een dreumes
of een hond of een kip aangedribbeld; en dikwijls scheen zij enkel
en alleen uit een in elk opzicht bevredigd-zijn zoo te krijschen.
Ik martelde lang en vergeefs mijn brein af met de vraag, waar toch de
vader van dit gezin mocht zijn, tot hij op een avond verscheen. "Het
is een bootsman, die in zijn stuntelige jonk dwars over de Golf naar
China vaart," verklaarde Holloeki mij. Toen hij thuis kwam, stak zijn
familie kaarsjes aan en bracht den goden offers.----
Op een middag, dat het weer ontzaglijk heet was, dacht ik: "Goed,
nu wil ik een heele poos ziek zijn! Zou Noe Kiang dan komen om mij
te verplegen? Of die slanke in haar witte hemdje, die altijd lacht
en zulke blinkende tanden heeft en zulk mooi lang haar, dat je van
verbazing haar al te groote, bijna een beetje uitpuilende oogen door
al de overige schoonheid vergeet?"
Iederen ochtend kwamen er marktvrouwen van het land en brachten
groenten en visch. Onder hen was een Maleische in een rood-blauwe
sarong en een witte kabaai. Ik vond haar sympathiek, omdat ze een
ietwat menschelijker taal sprak dan de Siameesche vrouwen. Wanneer
ik als Maleier op de wereld was gekomen, dacht ik, zou ik misschien
mooi kunnen dichten.
Mijn oude kennis, de "timmerman met de knuppelpijp" sprak met haar. Hij
droeg een blauwe, dunne broek, die boven zijn gespierden buik was
dichtgebonden. Hij was een prachtkerel en scheen haar bedoelingen
uitstekend te begrijpen. Ik vroeg mij langen tijd af, of hij het op
de laatste harsfakkel welke zij te koop had, had voorzien of zij op
zijn--twee tikals.
"Holloeki, ik wil een beetje slapen; als ik wakker word, kun je me
citroenlimonade geven!"--------
De zon stond met verzengenden gloed aan den hemel.
Ik voelde hoe ze mij uitteerde, hoe ze in mijn heupgewrichten
vrat------
Toen was de timmerman weg. De mooie Maleische was er nog. Nu had ze
oogen als smeulende kolen------van uit de verte. Als ze nog een paar
keer voorbijkomt, word ik opeens gezond.
Tropen-dagen zijn eindeloos. De zon staat van 's ochtends tot 's
avonds steil aan den hemel. Ze is er of ze is weg. Als ze weg is,
is het nacht.
Alle leven in de tropen is in hevigheid aanwezig of het ontbreekt
volkomen. Leven en dood staan in heete landen zoo dicht naast elkaar
als dag en nacht------
Plechtige avonden vol wijding heb ik in Sitsjon doorgebracht: wanneer
de Chineezen den hamer en het werktuig terzijde legden, naar hun viool
grepen en korte hortende muziek alle straten en mijn huis met haar
juichende zig-zag-melodieën vervulde, wanneer ik voor de winkeldeur
zat en vol verwondering in alle hutten staarde, waar flakkerende
olielampjes van de simpelste dingen heele sprookjes maakten.
Dan ben ik wel als in een droom door het dorp gegaan. Holloeki
vertelde mij van dezen Indiër, dat hij "banjak oentoeng" had, dat
"hij veel verdiende" en van dien Chinees, dat hij al eens in Bangkok
geweest was, een mooie vrouw had, maar geen geld bezat. Op zulk
een wandeling ontdekte ik de woning van Zwartbroekje, het propere
Chineesche pruimpje, of ik zag waar een mijner andere oude kennissen
gehuisvest was. Dan voelde ik iederen keer deelnemend: zoo, is dat
jouw schamele paleis.
Later betrok ik het paviljoentje van een voornamen Chinees, dat onder
palmen dichtbij zee lag, buiten, voor het dorp.
Het was nog nieuw, eenvoudig gebouwd en helder. Op de kleine veranda
stonden een paar rieten meubelen, ik had na langen tijd voor het eerst
weer eens een tafel en onderging het met een dankbaar hart, dat ik
voor enkele dagen volkomen uit de kwellingen van mijn zwerversbestaan
verlost was.
Met een ruk stond toen de herinnering aan vroeger tijden in mij
overeind en ik dacht op dit stille plekje eindelijk, mijn moede ziel
ontlastend, neer te schrijven, wat mij sedert weken en maanden zoo
vervulde, heel die bonte reeks van avonturen zwart op wit te fixeeren,
opdat het mij met nieuwe kracht vrij en vroolijk te moede zou worden.
Dadelijk, den eersten avond al, ging ik aan de keurige tafel met de
lichte lamp zitten, maar--inplaats dat ik doen kon, wat ik meende te
moeten doen, dwaalden mijn gedachten telkens weer af: telkens weer ging
ik in den ligstoel liggen en keek naar buiten naar de zee of luisterde
naar de stemmen, die op weg naar het dorp langs mij heen trokken. En
het was mij, alsof mijn diepste wezen een ongeluk was wedervaren:
en een bang vermoeden bekroop mij, dat ook ik misschien al verteerd
werd door de dierlijke onbestendigheid en rusteloozen zwerflust,
die een diepe karaktertrek is van allen die den jungle bewonen.
Ochtend aan ochtend zag ik de zon uit de zee opkomen. Als ik uit
mijn kamertje kwam, vlamde een laaiende gloed over den hemel, en een
zachte, koele bries herinnerde mij aan den winter in de bergen. In
den vroegen morgen stond de zee laag en likte haar kracht verterend
met duizenden glinsterende tongen naar het glimmend-vochtige, groenige
strand. Spiegelende lichtglansen lagen in de verte over de open zee,
en de steil-opgaande wanden der rotsachtige bergen, die aan weerszijden
de golf omgaven, waren zacht-rood getint.
En als de zon dan hooger steeg, fonkelden de glanzingen der golven
heel den middag door de fijn-getakte palmen als vloeibaar zilver
naar binnen.----
Met al deze beelden, dacht ik, op mijn veldbed liggend, ben ik
rijker dan honderdduizenden, die ze nooit zullen aanschouwen. En
om dit alles zijn ze veel armer dan ik. Heele werelden blijven hun
onthouden. Daarom moet ik lijden, ervoor betalen. Het leven is een
strenge meester. Het schenkt ons niets. Hij, die tot genieten wordt
uitverkoren, moet sterk zijn en dulden.
Maar het leven blijft ook zelden iets schuldig. Alleen, moeilijk te
onderscheiden--soms bijna niet te onderscheiden--is vaak zijn wijze
van beloonen.----------------
In het zalige bewustzijn volkomen los te zijn van de ruwe wereld,
lag ik in luchtige zijden kleeren op de veranda van mijn huisje en
keek naar het vlijtige gedoe van mijn kokkie of verslond met hongerige
oogen iedere kleurige menschelijke gestalte, die in rhythmischen gang
voorbij mijn tuintje schreed.
Op een ochtend bezocht mij een dezer mooi gebouwde
visschersvrouwen. Wijl Holloeki naar de markt was, onderhandelde ik
zelf met haar. Ze droeg een donkerblauwen broek-rok en een gelen
borstdoek, maar ook al was ze in lompen gehuld bij mij gekomen,
dan nog hadden haar oogen haar tot koningin gemaakt. Ik ging op
de bovenste tree van de ladder zitten, en zij kwam vertrouwelijk en
lachend dichterbij toen ik haar wenkte, het mandje met versch gevangen
visschen en schaaldieren gracieus op haar heup houdend.
"Nai hang soe pla?" vroeg ze, zoo dicht voor mij neerhurkend, dat ik
haar warme lichaam voelde.
Ik bekeek lang en alsof ik er wel verstand van had, de eene visch na
de andere, en vroeg toen aan het mooie vrouwtje, zooals ik dat van
Aris had geleerd:
"Heb je ook een man? Heb je kinderen?" en tenslotte kocht ik alle
visch van haar, met het mandje erbij.
Toen Holloeki terugkwam, maakte hij me natuurlijk een scène. Maar ik
zweeg op al de verwijten, die hij me om mijn geldverkwisting maakte
en ten laatste haalde ik mijn dagboek te voorschijn en schreef:
Er schijnen menschen te zijn voor wie de liefde een soort ridderlijke
dienst is, aan de schoonheid op de knieën bewezen.
En ze moet dat zijn en blijven.
Met een dezer mooie bruine natuur-visschersvrouwen over een
paar visschen te onderhandelen en tenslotte meer van haar te
koopen dan ik kan verteren, vind ik voor mij van veel grooter nut
dan------dan------. Het was weer mijn vermoeide hoofd. Midden in de
grootste gedachten staakte het;--dan------. De rest van den zin is
zonder belang----. De gedachte in den aanvang is goed genoeg en wel
waard, het slot in het geheel niet af te denken.--
Toen overvielen me plotseling opnieuw en als uit een klaren hemel
nood en ellende.
Holloeki had mij als middagmaal groene Chineesche boonen gegeven;
ze waren erg houterig en lang niet zacht genoeg en dadelijk na het
eten had ik al een gevoel alsof ik vergif had ingenomen. Eerst begon
het met een soort lichtheid in het hoofd, een mij vrijer voelen,
alsof na een paar glazen wijn de gedachten, van hun aardsche zwaarte
bevrijd, levendig door het hoofd wentelen en toen opeens--wat ging
dat toch gauw--voelde ik duidelijk: Aha, koorts! en een gesuis in
mijn schedel en een al sterker wordend ruischen in mijn bloed nam
zoo gestadig toe en groeide zoo gelijkmatig door mijn heele, anders
al zoo vermoeide lichaam, dat ik, toen het kwaad pas was begonnen,
al wist, dat het dezen keer ernst was.
Ik ging in mijn ligstoel liggen, mijn hoofd zoo hoog mogelijk en
rookte en wachtte op de dingen die zich nu zouden voordoen. Als
voorzorgsmaatregel nam ik wat kinine en calomel. Een zwaar-bewolkte
middaglucht lag over de golf. De torenbergen stonden zwart-blauw
achter de loodkleurige golven en het krijschen der meeuwen en gieren
klonk heesch en hatelijk naar binnen.
Zonder dat ik het beletten kon, schoten wilde, buitensporige gedachten
door mijn brein. Overmoedige lachkrampen maakten zich van mij meester:
"Het gastspel waartoe wij op aarde, ongevraagd en door de schuld onzer
ouders verplicht worden, is geen comedie, maar een treurspel----ha,
ha, hi------!"
Ik stak een nieuwe zwarte Birmaansche sigaar op, morgen zou ik
misschien niet meer mogen rooken, en nam nog eens kinine.
Op de golf voer een visschersboot met regelmatige, vervelende
riemslagen dichtbij den oever heen en weer.
"Holloeki, als ik weer gezond ben, klim ik op gindsche rotsen; ik
ben in de bergen geboren."
Ik wou, dat er iemand kwam om mij te verplegen. Doch hier komt
ongeroepen net zoo min een mooie vrouw tot me als in Europa, en als
ik haar roep, wil ze--veertig tikals per maand----
Alles berust op wederkeerigheid, zelfs de liefde--als er tenminste
liefde bestaat------
Toen kwamen er wolken over het land gezweept, de wind wierp koel
regenstuifsel op de veranda, en een huivering doorvoer me, zoodat ik
me tandenklapperend in een wollen deken moest wikkelen.
Het leven vergt een inspanning, waartegen niemand is opgewassen.
Later doemde een bruine gestalte voor mij op in een wit buis, ik was
blij dat ik hem herkende: dat was Aris, eindelijk ook van de Zwarte
Rivier terug.
"Goeien dag, toean------!"
Ik antwoordde niets. Hij moest zien, hoe slecht het met me ging. Het is
een eigenaardig feit, dat we soms menschen, die we graag mogen lijden,
juist onvriendelijk behandelen als we ze het liefst om hun hals zouden
willen vallen; een wreede, in heel veel menschen aanwezige zwakheid
is het, te meenen dat juist diegenen onder onze vrienden ons lijden
moeten helpen dragen, die ze het diepst weten mee te voelen.
Aris was doodelijk verschrikt door deze zwijgende begroeting.
"Daar, kijk eens in wat voor een toestand je toean zich
bevindt!" verweet mijn knorrig gezicht hem. Zacht zei hij tegen den
kokkie, toen hij, van den eersten schrik bekomen, nog verder de treden
naar de veranda opkwam: "Onze toean zijn hoofd is rood!"
Het is altijd iets akeligs, als de koorts zich van een mensch meester
maakt. Ik weet niet, wat verschrikkelijker is voor een zieke,
zich midden in een aanval te bevinden, of dit zachte, gestadig
en onophoudelijk toenemen der koorts in zich te bespeuren, dat,
als er niets komt wat haar tegengaat, in enkele uren het einde kan
brengen. "Holloeki, waar heb je die boonen gekocht?"
"Bij een vriend in het dorp, heel goedkoop, toean!"--
De kinine begon ondertusschen te werken. Duizenden watervallen
ruischten in mijn ooren, heete koortsgloed hamerde in mijn slapen. Toen
moest ik lachen:
"Dehng is dood, is 't niet, Aris?" vroeg ik nieuwsgierig en
triomfantelijk tegelijk, omdat ik wist, hoe makkelijk het was een
cholerapatiënt te diagnostiseeren.
Maar wijl Aris ook mij niet zoo heelemaal meer vertrouwde en hij door
dit onverwachte weerzien nog heelemaal als verdoofd was, ontweek hij
schuw mijn vragenden blik. Doch zijn woorden: "Toean, blanke menschen
sterven niet zoo makkelijk!" die hij angstig en beklemd stamelde,
hield een duidelijker bevestiging van mijn vermoeden in, dan wanneer
hij eenvoudigweg "Ja!" geantwoord had.
Dat werd een stille middag. Aris en Holloeki zaten tegen den muur,
radeloos, hun van koorts woelenden toean voor zich, en vooral de
Maleier, die verreweg de gevoeligste was, zat versuft en treurig naar
de glinsterende zee te staren.
"Dehng's vrouw is ook dood. Van de zeven menschen in zijn huis leeft
er nog een!" hoorde ik hem den kokkie in het oor fluisteren----
Ik had opgehouden met rooken. Het was intusschen avond geworden. In
het dorpje, achter groote flardende bananenbladeren gingen de eerste
lichten aan. Holloeki werkte niet. Aris zat werkeloos onder aan de
trap. Het was donker en droef op aarde.
"Aris' gezicht is vaal," dacht ik, "maar zijn oogen stralen!"
Ik wist nu: Onophoudelijk zou ook ik gedurende den nacht
wegschrompelen, mijn blik zou leeg worden, zooals ook Dehng's blik
leeg was geworden, mijn wangen zouden invallen en over enkele uren
was ik dood.
Maar eigenlijk was me dat een beetje onverschillig. Wat zou het helpen,
mij tegen deze, alle menschelijke krachten te boven stijgende machten,
als koorts en cholera te verweren. Ik was nog maar door één vurig
verlangen bezield: te mogen vergeten, weldra zou het met dien onzin
gedaan zijn.
Toen droegen mijn bedienden mij naar mijn bed. Mijn hersens waren
een en al denken.--Ik zag in de verte, heelemaal tot in Zwitserland.
Op zekeren avond zou er ginds in het dagblad staan: "gestorven in
Achter-Indië aan de koorts." Eenigen mijner kennissen zouden "Zoo,
zoo," zeggen en een medelijdend-benepen gezicht zetten, anderen zouden
juist het tegenovergestelde doen; doch bijna bij allemaal, misschien
wel bij allemaal (tenminste in het geheim) zou een zelfgenoegzaam
blaasje uit hun bierglas-ziel opborrelen, hun heele weldoorvoede
lichaam zou met een ruk van "zichzelf voor een dergelijk noodlottig
einde veilig weten" zeggen: "Waarom is hij daar ook naar toe gegaan?"
"Aris!"
"Toean!"
"In het gele koffertje liggen een paar belangrijke dingen, geef ze,
als ik dood ben, aan mijn landgenoot in Thalerng------voor mijn vader!"
Er was wind komen opzetten. Een regenbui zwiepte door het duister,
trommelde kletterend op het dak van palmenbladeren, en de echo der
geluiden verdubbelde en vermengde zich met de kolking van mijn hamerend
bloed. Vensters en deuren stonden wijd open. Op verren afstand,
over de zee, ver achter de zwarte kustgebergten, bijna in China,
weerlichtte het bleek en vaag.----
Aris en Holloeki dempten hun stemmen tot fluisteren toe; het was mij
opeens, als was ik weer een klein knaapje, als zouden mijn ouders
daarbuiten angstig voor hun zieke kind bidden------
De ontzetting zat mijn twee bedienden in den nek. Het spooksel der
cholera hing boven ons huisje. In de fijn-getakte pijnboomen loerde
het, in de manen der kokospalmen; en de zee zong dien avond hol en
anders dan op zonnige, gelukkige dagen.
Ver van de Zwitsersche bergen te sterven heeft voor onze dierbaren
thuis iets bijna niet voor te stellen vreeselijks. Te weten, dat
hij ergens aan de kust van Achter-Indië, verlaten en eenzaam, alleen
onder wilden, zijn leven heeft gelaten.
In zoo'n dorp, dat uit louter mangroven en moeras bestaat, waar het
regenwater dat van het dak druipt het eenige zuivere is en de modder
uit heel het achterland zich met den afval van het dorp vermengt tot
één akelige, soms natte, soms droge, reusachtige mestvaalt, waarop
doode honden, katten en--bijna zou men denken ook menschen--liggen,
door eb en vloed nu dorp-in en dan weer dorp-uit gedragen, soms in
de zon verdorrend en dan weer rottend.
Vanuit de in warme behaaglijkheid en in een gevoel van saamhoorigheid
bijna verdrinkende burgerlijkheid bekeken, zit er aan de groote,
wijde wereld wel iets van leegte; de eenige, die daarheen trok,
denken de menschen thuis, zweeft in den liefdeloozen vreemde als een
eenzame planeet in de ijzige kou van het wereldruim------
Maar------of dat juist is?
Zijn hier niet ook deelnemende menschen om mij heen, zit de kokkie
niet, wachtend op mijn wenschen, bij mij; komt zelfs juffrouw Sih
niet uit het dorp, om te informeeren (natuurlijk op haar manier)
hoe het met mij gaat? En bracht ze niet Noe Kiang op den koop toe mee?
O, ik zou me prachtige, gloedvolle droomen kunnen voorstellen, die mij
over den weemoed van het sterven------heen konden zetten. Tenslotte
ben je toch een kerel en voel je je sterk genoeg om ook zonder bijstand
alles te doorstaan.
Visschers met hun netten liepen langs het strand naar hun
werk. Fakkellichten glommen op. De zee was in duisternis gedompeld
en de bezige bruine lichamen der mannen leken in de kleine wereld,
die het schelle licht scherp om hen heen afkringde, als poppen,
waarmee een vreemd groot kind speelde. Alle geruchten waren gedempt,
wekten in mij weliswaar indrukken van bewegingen--ik zag gestalten
opdoemen en rondloopen--doch zonder de geluiden, die mijn verstand
als bij hen behoorend wilde verklaren, werkelijk te hooren.
Dan verwijderden ze zich, gingen naar huis om te slapen: morgen was
er weer een dag------voor hen.
Niets dan de nacht bleef nu buiten, donker en koel en toch vol warmen
adem. De wind floot klagend zachte melodieën, en in een oneindig,
altijd nieuw, altijd weer ander, en toch altijd hetzelfde sterke
rhythme, zongen de golven, al maar slaand tegen het vlakke strand. En
het lied dat zij zongen, het wisselend, gelijk de hoop in de harten der
menschen dan aanzwellend en dan weer wegstervend ruischen, sloop bij
mij naar binnen in mijn houten huis, niet te stuiten en net zoolang
totdat mijn vermoeide brein uit het gemurmel der golven zich zijn
eigen melodieën puurde, waarop de woorden zich, weliswaar op bekende
wegen, maar toch als op een moeilijken tocht niet dan langzaam en
traag aaneenrijden:
Wenn der Schnee von den Alpen niedertaut
Aus dem See blau der Himmel widerschaut,
Wenn die Glocken laüten von den Alpen her,
Schau ich doch die liebe Heimat nimmer mehr--
------------------------
En opeens was het mij, alsof ik een oude vertrouwde stem hoorde, die
van alle kanten aanzwol, van den zandigen dorpsweg, uit de kartelige
kronen der palmen, uit de donkere wolken van ver, ver weg over zee,
een vrouwestem, die klonk als het zuiver geklingel eener bel, die
zacht en gedempt klaagde:
Lief vaderland, dierbaar vaderland, zie ik u dan nimmer meer------?
Toen kwam er in mijn eenzaamheid een wanhopig verlangen in mij op;
Holloeki moest mijn dagboek brengen, en met duizelende zinnen begon
ik bij den schijn der kaarsen een korten groet neer te schrijven:
Lieve Allemaal.
Het gaat mij nog altijd tamelijk goed. Het is hier natuurlijk wel
eenigszins anders dan bij jullie witte gletschers.--Maar toch wil en
moet ik nog een poosje hier blijven. Ook al valt me dat zwaar. Dat
alles zal dan later, wanneer het tot herinnering geworden is, des te
waardevoller zijn. En tenslotte is men toch op de wereld om van zijn
leven zoo mogelijk iets goeds te maken------.
Er bestaat maar één plicht: De volgzame dienaar van zijn bestemming
te zijn------en het te blijven----ook al zou dat komisch of misschien
wel ontzettend worden----
------maar toen overweldigde mij het wantrouwen tegen mijn eigen brief,
en ik rukte met een vastberaden greep deze valsche bladzijde er uit.--
------ik zonk weg in den maalstroom mijner phantasieën;
koortsgevoelens en zwarte schaduwen vielen op mij aan, alle
werkelijkheid en heldere gedachten verscheurend. Nu sliep ik, was
dan zoo goed als wakker, dwaalde rond door vreemde werelden, viel
in bewusteloosheid.--------------------
Opeens zat ik in een hall die veel had van een ridderzaal, welke
geheel met blauwe zijde gestoffeerd was; blauwe vlammetjes, uit de
groote tafel en uit het plafond te voorschijn flitsend, verspreidden
een zoeten schijn. Op stoelen met blauwe kussens bedekt rondom
tegen de muren zaten menschen, veel menschen, en allen droegen mijn
gezicht. Met ingelegde, stralende saffier-kristallen stond boven de
deur geschreven: Familieraad!
En een in de vergadering, een oude man, wiens sneeuwwitte baard in de
blauwheid van het vertrek helder opstraalde, stond op en sprak tot
de jongens, die zijn kleinzoons schenen te zijn: Er was eens een in
onze familie----een vreemd heerschap. Hij wilde het leven trotseeren
en alles doen, wat voor de menschen niet heilzaam is. Tenslotte stierf
hij in den jungle.
Denk er aan, doe het hem niet na. Maar bespot hem niet nog in zijn
graf. Want hij was au fond een goede kerel.
Het was een innerlijke stem, die hem zoo beval te leven. En het
schijnt het noodlot der beste families te zijn, van tijd tot tijd
zulke dwarsdrijvers en luchtsprongnaturen te moeten voortbrengen------.
Toen werd ik wakker. Koele, bleeke schijn kondigde een nieuwen dag
aan. De zee ruischte door mijn venster naar binnen, en ik nam er
werktuigelijk kennis van, dat ik nog niet dood was--------------------
De vermoeidheid van dien zieken tijd, waaruit al mijn zenuwen als
ouder geworden, gerijpt en een nuance fijner gestemd, klaarden,
hield nog vele dagen aan. Ik was wit geworden in mijn gezicht, mijn
oogen lagen diep in hun kassen, en als ik in den spiegel keek, zag
mij iemand aan, die niet meer van deze wereld scheen te zijn.
Maar de koorts was nu voor goed gebroken, en niettegenstaande ik er
ellendig uitzag, stormde nieuw leven in mij aan.
's Ochtends en 's avonds woei er een frissche bries van zee aan,
Holloeki voerde mij met versterkende ziekenkostjes, kookte kruidige
kippensoepjes, en het was hem gelukt in een Chineeschen winkel een
heelen stapel bussen Berner alpenmelk op den kop te tikken. Ik gaf
mij alle denkbare moeite uitsluitend voor mijn herstel te leven,
rookte weinig, luierde uit overtuiging en slurpte de eene bus na de
andere der kostelijke vloeistof naar binnen, zooals de versmachtende
in de woestijn het laatste water uit zijn zak.
Zoo sterkte ik weer aan onder Holloeki's vriendschappelijke verpleging;
wel heel, heel langzaam, maar toch vlugger dan ik ooit gedacht had. En
op een goeden dag stond weer mijn oude zwerflust in mij overeind,
die een diep in mij wortelend verlangen is en evenzeer bij mijn arm
geteisterd lichaam behoort als mijn hersens en mijn hart, en die mij
telkens weer zal voortjagen zoolang dit leeft, zoolang die denken en
zoolang dat slaat.