En mij van hem afwendend, sprak ik binnensmonds, als tegen mijzelf,
voort (dat is een uitstekend middel in den omgang met ondergeschikten):
"Silaka! Al deze menschen zijn toch even slecht! Geen enkele die
beter is dan de eerste beste domme koelie!"
Doch ook deze beleediging bracht Aris niet van de wijs.
"Toean, ik verlang maar voor een klein oogenblikje je aandacht,"
bedelde hij opnieuw.
"Ik heb het huwelijkscontract kant en klaar in mijn zak. Als je me
driehonderd tikals geeft, kan ik voor S'pia's vader de drie gewenschte
geiten en zes mooie doeken koopen, en de huwelijksceremoniën zijn
dan in een ommezien voorbij. S'pia zal thuis blijven; ze heeft me
toegestaan dadelijk met je mee te mogen gaan, wanneer en waarheen je
mij beveelt je te volgen"----
Nu zat ik toch deerlijk in de klem. Toch schoot me nog een laatste
uitvlucht te binnen.
"Aris," zei ik heel langzaam en ik lei op ieder woord sterk den nadruk:
"Jij op reis, en je vrouw ver weg, midden in het dorp--onder--allemaal
jonge----menschen------!"
Doch Aris stelde mij onmiddellijk gerust: "Ik kan gerust weggaan,
toean, S'pia is niet gevaarlijk mooi----" en om niet als een stommerik
voor me te staan, voegde hij er haastig aan toe: "niet erg mooi----maar
toch wel week!"----
Toen zag ik in, dat ik het verloren had en dacht alleen nog maar:
"voordeelig, werkelijk practisch!" en gaf hem het geld.
Het werd al moeilijker in het oerwoud. Het werd twijfelachtig
of de plek wel dat wat ze op het eerste gezicht beloofd had, zou
bevatten. Slechte, onbegrijpelijk geringe resultaten hadden we,
vlak naast goede. Met het koortsklimaat moest ook rekening gehouden
worden. De half-vergroeide grenzen van een oude, misschien nog geldige
concessie, toebehoorend aan een Siamees, grepen tot diep in de plek
waar wij werkten en sneden er het rijkste brok van het heele dal uit.
Het was de vraag of er ooit menschen zouden zijn, die het bij
geregelden arbeid hier konden uithouden. Zelfs de sterkste Siameezen
werden ziek. Of ik wilde of niet, ik moest er al meer over nadenken,
hoe onzinnig het was, bij de al geringer wordende uitzichten bij deze
moeizame poging te volharden.----
Op een ochtend toen ik wakker werd, stond Aris besluiteloos bij
den kokkie.
Ik keek op de klok.
"Waarom ga je niet met de mannen aan den gang?"
"Ze zijn er niet toean."--
"Wat, nog niet uit het dorp terug? Dan zullen we weer nieuwe koelies
moeten zoeken, als de anderen het werk beu zijn."--
Twee minuten later kwam Aris terug met de boodschap: "Toean, Krot is
daarnet aangekomen. De andere drie hebben vannacht buikpijn gehad,
en twee van hen zijn al gestorven--."
Nu wist ik, dat de cholera, die in de groote steden al sedert weken
sluipend haar slachtoffers besprong, zich ook over het land had
uitgebreid.
"TROPENWEE"
In het oerwoud ging het met mijn gezondheid al dreigender achteruit;
al zeldzamer werden de koortsvrije dagen.... toen, op een ochtend,
pakten Aris en Holloeki, energiek ingrijpend in mijn leven, mij op
den rug van P'hang noi, den ouden olifant.... maar nu is het dan
ook hoog tijd!.... en net zooals je een zak vuil waschgoed naar de
waschvrouw stuurt, brachten ze mij het dal uit, naar het open land,
naar het dorp, terug bij de menschen.
Een jonge olifant droeg mijn uitrusting. Holloeki stapte er met twee
Siameezen achteraan, tot over zijn knieën in de modder, terwijl Aris
aan den Nam Dam achterbleef om het werk te regelen en mij later in
te lichten.
Op onzen terugtocht naar de zee kwamen wij door Toeng Qoeang, dat
leeg en verlaten neerlag. Alleen een paar tot geraamten vermagerde,
armzalige honden en een schurftige kat jankten langs de hutten. Maar
de inwoners waren allen voor de cholera het oerwoud in gevlucht.
Iederen keer, wanneer met den drogen moesson de epidemie komt, pakken
de menschen hun boeltje, nemen hun leven in hun handen, snellen
de wildernis in, zoo dicht mogelijk bij de bergen, waar het water
frisch en helder stroomt en leiden zoo een nomadenleven tot de ziekte
afneemt. Velen onder hen keeren nooit terug, sterven in het oerwoud.
Hutten, waarin zich sterfgevallen hebben voorgedaan, worden nooit meer
betrokken, doch aan het toeval overgelaten, geteekend door rondom er
aan opgehangen mandjes met zoenoffers voor de verschrikkelijke geesten.
Eens ontdekte ik, ver, bij de grens van Birma, te midden van den
wirwar der hooge bergen een eenzaam dorpje, dat een half jaar te
voren was uitgestorven, toen de vreeselijke ziekte heerschte. De
jungle had het nu in den loop van zes maanden volledig heroverd;
struiken en heesters, twee-, drie-man hoog, overwoekerden het, zoodat
we de oude dorpswegen nauwelijks terug konden vinden; en alle hutten
waren door uit oude stronken nieuw opgroeiend geboomte opengebroken.
Bij de laatste hutten van Toeng Qoeang, waar Dehng woonde, zag ik
een afgrijselijk beeld. De oude grootmoeder lag als een wassen lijk,
als een mummie uit een voorwereldlijk graf voor de deur van het huis,
doch leefde nog. Dehng zelf, hoewel ook al doodelijk getroffen, zat
nog rechtop; maar zijn oogen glinsterden, zijn wangen waren hol en
terwijl hij--nog met een half-hoopvol glimlachje--over het vreemde
spook sprak, dat in hem huishield, was het makkelijk te voorspellen,
dat hij morgen niet meer zou lachen------
"Breek jullie mijn provisiekistje maar open en drink zooveel jullie
kunt van mijn groene pepermuntlikeur!" zei ik tot de mannen, die
nog half in leven waren en--gaf het teeken om verder te trekken. Het
stond helaas niet in mijn macht om meer te helpen.
Het is daarom zooveel treuriger bruine menschen te zien sterven, omdat
wij niet kunnen weten welke voorstelling zij van den dood hebben;
Boeddhisten sterven misschien in de verwachting na het eindelijk "uit
deze harde wereld weg te mogen gaan" misschien een nog jammerlijker
wezen te zullen worden; maar zoo'n Siamees, wien door zijn religie
verteld wordt, dat hij den volgenden keer misschien als os, als kikker
of misschien zelfs wel als slang zal leven of een rat zal bewonen,
die men verzuipt----
Vermoeid en ongemakkelijk en door mijn zwakheid zeer onbeholpen
schommelde ik door het oerwoud, en het harde houten zadel drukte mijn
uitgeputte leden meer dan een gezond mensch.
En ook verder was het een droevige tocht. Ik schaamde me bijna,
nu werkelijk niet tot iets beters in staat te zijn dan boven op een
olifant vastgekleefd te zitten en taai te hopen bijtijds in de gezonde
zeelucht te komen, eer het met mij gedaan was.
Bij elken zwaai, bij elken nieuwen stoot ontwaakten wrevelige, angstige
gedachten in mij, en de twee dagen van reizen eer P'hang noi mij
eindelijk midden tusschen de dubbele rij hutten en kippenhokken op de
markt van Sitsjon neerzette, leken mij eindeloos toe. (Markt noemt men
die gedeelten in het centrum van een dorp, waar de Chineesche winkels
en kramen dicht opeengedrongen staan, bijna zooals in een stad.)
Ik strompelde Nai Sih's huis binnen, waar ik dadelijk op een ligstoel
neerviel.
"Holloeki!"--
"Toean!"--
"Zie, dat je ergens een bus melk te pakken krijgt----merk Switzerland."
Het krot, waarin ik lag, was winkel, woonkamer en voorraadschuur
tegelijk, en alle dorpsbewoners liepen er in en uit, zonder zich den
minsten dwang aan te doen. Mijn koelies hadden het zich gemakkelijk
gemaakt; ze zaten op rijstzakken of lagen op den vloer. Het was smerig
in het vertrek, roode kringen van betelnootspeeksel kleefden op den
drempel gelijk bloedvlekken, en ik voelde mij in mijn door de ziekte
aangelaaide gevoeligheid, zoo armzalig alsof ik in een Europeesche
werkmanskroeg zat.
Op den in orde en helderheid grootgebrachten blanke maakt het vuil
en heel de onzuiverheid van zoo'n Siameesch-Chineesch huis in het
begin een walgelijken indruk. Later went hij zich er wel aan, een
romantische manier van alles te bekijken ontwaakt in hem, dringt zich
bemiddelend op den voorgrond en het gevaarlijke "Tida apa--alles
is eender," doemt op; het groote "zich laten gaan en alles, alles
in lankmoedigheid aanvaarden," dat in heete landen het gemoed zoo
welkom is, en dat zich langzaam-aan zoodanig van hem meester maakt,
dat hij zich in de allerergste wanordelijkheid op zijn gemak begint
te gevoelen, tot Europa ten laatste voor hem die lang in het Oosten
heeft geleefd, absoluut onmogelijk wordt.
Nai Sih's vrouw, die dubbel zoo dik en licht was (in tweeërlei opzicht,
van huidkleur en geest) als haar heer en meester, kwam behoedzaam,
alsof ze mijn moeder was, aantrippelen en vroeg naar mijn welzijn:
"Nai hang tjep!--Ben je ziek, heer?"
In het kamertje er naast lagen twee stroomatrassen naast elkaar, als
een lits-jumeaux, elk met een houten blok als kussen, en daarboven,
aan den muur, had mijnheer Sih in bruine onschuld een reeks blanke
plaatjes met gedecolleteerde meisjes uit cigarettendoosjes vastgeprikt
(blijkbaar omdat ze in zijn smaak vielen), een wandversiering, van
welker primitiefheid de brave familie geen flauw vermoeden had.