Holloeki zuchtte: "Ja, gelukkig!"

Dikwijls kwam ik vele lange dagen niet tot rust. Onder den druk der

in mijn moede lichaam smeulende koorts flakkerden mijn gedachten

ziek en verward door mijn brein; ik wilde een voetreis gaan maken,

ergens naar toe loopen, of wel neerliggen en heel rustig zijn en

mij behaaglijk voelen--maar sprong het volgende oogenblik al weer

van mijn bamboeschraag op en liep om de enge omgehakte plek mijner

woudnederzetting heen als een pas gevangen tijger langs de tralies

van zijn hok.

"Sufferd," schold ik mijzelf uit, "waarom ben je zoo, en waarom

heb jij zoo'n oerstom vak uitgekozen en moet je, inplaats zooals de

andere blanken in de stad een vroolijk leventje te leiden, in dezen

beestachtigen modderpoel verkwijnen!" En dan drong ik bij het eerste

beste wildpad in het dichte struikgewas, alleen en grimmig, het mes

in mijn hand en begon half uit noodweer en als laatste hulpmiddel

tegen de wanhoop, en half uit waardeering voor mijn ellendig leven

en in bitteren galgenhumor het Maleische orang-oetanliedje te zingen:

Hidoep matjam orang oetan, tengah di batang pokok

Lama t'ada nampa' perempoean------(bis)

------perempoean, Yang bai'

Sa-pandjang hari di-hoetan

Tidoer keras, t'ada tilam----

Aris, lekas pigi tjahari perempoean

------Anak darak baik!

of vrij vertaald:

Leven als een orang oetan midden tusschen boomstammen,

Sinds lang al niets goeds en niets teeders meer gezien

------geen mooie vrouw.

Heel den dag in het woud

Een hard bed zonder matras----

Aris, maak voort, haal gauw

------een vroolijk meisje!

Dan voelde ik niets dan walging voor mijn koelies, al de humor van mijn

lieve bedienden hielp niets, de wereld lag dof en benauwend om mij

heen, het oerwoud woekerde met duizenden knoestige takken en wortels

dicht over mijn leven heen, en uit alle boomen ruischten zwaarmoedige

melodieën aan, zoodat ik mij voelde alsof ik levend was begraven en

voor eeuwig van al wat schoon, lieflijk en goed was, vervreemd.

Om wanhopig te worden zijn vooral deze traagzaam om-kruipende avonden,

wanneer je als beschaafd, welopgevoed mensch in de verliederlijkte

bamboekongsi met je koelies samenwoont Wanneer het eeuwige "woud

en anders niets dan woud" zich om je ziel begint te winden als een

verstikkende massa; wanneer de korte, eerst zoo vroolijke vragen

der Siameezen "waarheen?", "van waar?", "hoe gaat het?" tot leege,

zinnelooze echo's worden; wanneer de eene dag na den anderen komt en

vergaat in geestloos-eentonige gelijkvormigheid en uit je ziel dat

verlangen wegslijt, dat verterende heimwee naar menschen die je in

den geest gelijk zijn.

Wanneer je tegen je noodlot in verzet begint te komen en het overwicht

dier tevreden Aziaten-gezichten, die geen zenuwen schijnen te hebben,

je bloed aan het koken brengt; wanneer je zoudt willen zijn als zij en

met één dier bescheiden lieden je vervelende leven zoudt willen ruilen;

bijvoorbeeld met Ah Tsaoe, dien mooien Chinees met zijn levensopvatting

als van een vroolijk varken, dat zich in zelfverdediging zoo goed

mogelijk door het leven heenvreet, vandaag hier een hap verdienend,

morgen daar een stelend; zooals er maar één onder millioenen is,

een die geen verplichtingen heeft, volkomen vrij is, en naar wiens

daden geen haan kraait. Die in de eerste beste hut geluk en nieuwe

levenskracht vindt, iemand die tot lijfspreuk heeft: "Geniet en neem

wat je krijgen kunt aan heerlijkheden, opium, goed eten en vrouwen

en als je verrekt, dan was dat van te voren zoo bepaald."

Of zoo'n Siamees, die den dag in de schaduw zittend verdroomt en den

nacht bij de vrouwen.

Dat je een koelie zoudt willen zijn, die zich zonder schâ kan

onderdompelen in de geheimzinnig-lokkende pracht van een kronkelig

Chineesch dorp. Dat het als een wanhoop op je neerkomt, dat je luid

en krijschend in het oerwoud zoudt willen roepen: "O God, sta mij bij

en geef me iemand, die met me leeft, die zich met me verheugt en met

mij lacht------

Als het zoover met mij was gekomen, als ik op het punt was in het

moeras van het oerwoud weg te zinken, onder te gaan als een loodklomp

in zee, als de zon niet meer wilde schijnen en eeuwige regen de vlucht

op den berg met het kracht gevende uitzicht niet toeliet of als zelfs

dit laatste sterkende middel niet meer hielp, dan trok ik een schoon

khaki-pak aan en verliet mijn bivak.

"Maoe pigi kampong--Aris, ik wil naar het dorp!"

Aris trok altijd eerst een gezicht, eer hij bereid was mij onder zulke

omstandigheden te vergezellen. Half verbaasd, half lachend en toch

bang grijnsde hij, omdat hij wist, dat ik in het dorp mijn eer en

waardigheid en in het algemeen heel mijn blanke persoonlijkheid als

een te nauw, hinderlijk kleedingstuk zou afgooien en onbegrijpelijk

domme streken zou doen, absoluut niet zooals een andere toean, die

zich, om hun "gedrukte stemmingen" te boven te komen en tot herstel

van hun levensevenwicht--verstandig amuzeeren.

Een zoo'n ochtend van vlucht herinner ik mij als een bizonder

prettigen.

Na langen tijd was voor den eersten keer de zon weer door de wolken

gebroken, en de helverlichte grond tusschen de bamboeboschjes was

vervuld van het vroolijk gekakel der woudkippen. Wilde duiven kirden

eenzaam in de hoogste boomen, roek, roek, roek, terwijl ik met lange

stappen van het licht-dalende pad genietend, den jungle ontvluchtend

op Toeng Qoeang toeschreed.

In het dorpje ging ik naar een vrouw, die ik nog van vroeger kende--om

het met haar eens te worden omtrent den koop van een paar steenen,

zoo groot als een vuist, met goudkorrels; voorwerpen, die ik voor

mijn verzameling wilde zien te krijgen.

Het vrouwtje was eer mooi dan iets anders; wel al oud, tegen de

dertig, en ging bij de menschen door voor ondeugend. Ik kon met haar

beter praten dan met honderd anderen--zij was de vrouw van Krot,

den oerwoudmensch.

Ik wist al, dat ze bij haar dorpsgenooten niet goed stond aangeschreven

en het leelijk had verkorven. Dehng, het dorpshoofd van Toeng Qoeang,

had niet genoeg vingers aan zijn handen om al haar vroegere mannen op

te tellen en al wie over haar sprak, liet glimlachend de tanden zien.

Aris fluisterde mij toe:

"Toean, neem haar maar,------Krot is in het bosch!"

------Ze was om zoo te zeggen een geestige vrouw in bruin, levendiger

dan de meeste Siameesche vrouwen waren, wel voorzien van zenuwen, vol

dubbelzinnigheid in haar wezen, maar zonder een zweem van gemeenheid,

al leek het mij ook, alsof ze uit ervaring in verwachting lachte,

toen ik voor den eersten keer kwam.

Het grappig-onschuldige gebabbel met het vrouwtjesdier----ik hielp

haar goudproeven op de Chineesche weegschaal wegen----haar moeder lag

knipoogend in hetzelfde vertrek op haar buik----stemde mij vroolijk

(iederen keer wanneer ik er heen ging) en toen we tegen den avond den

terugtocht naar het oerwoud aanvaardden, was ik uitmuntend gehumeurd

en maakte gekheid met Aris.

Maar voordat wij het kamp bereikten, moesten we zes maal tot aan

onzen buik door de Zwarte Rivier, doordat in de bergen een onweer was

losgebroken, zoodat de goede stemming van 's middags bij ons allebei

helaas heel gauw vervloog.

Ik zat wachtend op mijn avondeten, op een boomstronk, toen Aris met

opgewonden woorden plots begon:

"Nu zullen we voortaan niet meer zooveel reizen! Toean, je leven is te

hard, kijk eens naar de andere blanken hier in het land; die hebben

een huis en een vrouw en wonen ergens heel goed en gaan alleen maar

van tijd tot tijd de oerwouden in.

Maar jij, jij reist zonder je rust te gunnen, je loopt meer dan goed

voor je is, en je gezondheid wordt vernield door dit onbestendige

leven in het oerwoud.

Zelfs wij, bruine menschen houden dat op den duur niet uit. Zie

je niet hoe de koorts aan Holloeki vreet, hoe mager hij is

geworden------silaka!"

Dat was waarschijnlijk de langste rede die Aris ooit tot mij gericht

heeft. Ik zag duidelijk, dat ze rechtstreeks uit zijn hart kwam,

en op mijn krachten was ik inderdaad al lang niet meer trotsch. Het

klonk daardoor dan ook werkelijk kleinmoedig, toen ik antwoordde:

"Ja, het is waar. Ik zal dan maar bij den "Grooten Berg" een huisje

laten neerzetten en er een paar maanden een rustig leven leiden."

"Dat heb je al zoovaak gezegd, toean.... maar nooit gedaan!"

"Zijn wij geen zwervers, Aris! Is dit vrije leven ook niet

heerlijk? Wil je zooals de anderen, de stadsmenschen, neerzitten en

zwak worden?" riep ik geprikkeld en lei mij neer om te gaan slapen.

"Pas op, de toean is kwaad!" hoorde ik Holloeki in het Siameesch

(opdat ik het niet zou verstaan) Aris toefluisteren.

Het regende triestig. Geruischloos en troosteloos viel druppel na

druppel der vreeselijke natheid in het woud neer, van blad tot blad

over het dak van de hut rollend, ritselend in het gebladerte op

den grond.

Ik trok mijn deken dichter om mijn schouders. Al dat vochtige stemde

kil en huiverig. Uit de diepte van den woudgrond ruischte de Zwarte

Rivier suizelend aan----

Aris' vlammende redevoering had mijn hart--om de waarheid te

zeggen--met een blijden schijn vervuld, en elk zijner woorden drong

nu, terwijl ik langzaam insliep, dieper in mijn innerlijk door, als

de laatste vurig opstralende vonken van een vuurpijl in den donkeren

nachthemel----

Maar pas vele dagen met nieuwe ellende en nieuw getob later was ik

zoover, dat ik mij weer binnen het bereik dier lieflijke vragen en

verklaringen omtrent een eigen huis dorst te wagen.

Vrijwillig, onvrijwillig, als door een zeldzame macht gedwongen,

kwam ik er op terug.

"Aris, wat zei je laatst op dien avond toch, toen we uit Toeng Qoeang

terugkwamen?"

"Ja, toean, je hebt een huis en een vrouw noodig!"

"Foei, Aris!"

"Heelemaal geen foei, toean, ik weet het!"

"Onzin, zwijg!" En wijl er gedachten in mij begonnen te leven, die

ergens heen moesten, begon ik te prediken:

"Aris, luister eens, wij zwervers, die geen vaste woonplaats

hebben zooals boeren en winkeliers, wier leven vandaag net zoo is

als gisteren en morgen net zal zijn zooals vandaag, wij, die bij het

lied van den dagwachtvogel de bergen intrekken en bidden in de pracht

van een zonsopgang over uitgestrekte velden----wij zouden nooit in

de stilte van een eigen bungalow rustig kunnen blijven zitten, wij

zouden voort moeten trekken en zouden--jegens haar zouden wij vroeg

of laat slecht worden------"

Buiten adem door de overtuiging, die er in mijn wijze woorden lag,

lang-opgespaarde overtuiging, die nu gewelddadig (al was het dan ook

tamelijk te onpas) naar buiten brak, keek ik Aris aan.

Hij had er niets van begrepen! En ik merkte al gauw, dat niet in

de eerste plaats het welzijn van zijn toean deze bezorgdheid gold,

doch vooral zijn eigen onbevredigd wezen.

Het schijnt, dat ook over hen die geboren zwervers zijn en over hen die

als echte zigeuners alles in de wereld willen beleven, vroeg of laat

het noodlot komt, met een bijna onweerstaanbaar heimwee het verlangen

naar een regelmatig leven, naar een eigen vrouw en een eigen huis.

"Maar ik wil een vrouw!" barstte Aris heftig uit.

"Ze weet het al. Ik heb al een contract in mijn zak. Toean, je weet

dat ik tweehonderd tikals van je te goed heb, en als je mij er nog

honderd bij wilt voorschieten, dan kan ik S'pia koopen. S'pia is goed!"

Aris stond daar voor mij in zijn nog tot ver boven zijn knieën natte

en met aarde bevlekte werkbroek, met slijkspatten in zijn gezicht,

en zijn oogen zagen er bedroefd en meelijwekkend uit.

"O, jij pracht van een laki-laki (echtgenoot)!" zei ik tegen hem.

Maar hij toonde op dit moment weinig lust in grappen. Alles heeft zijn

grenzen. Aris' humor bleek ergens anders, toen hij verder aandrong.

"Toean, S'pia is goed. Ze bezit een eigen huisje, twintig rai

rijstvelden en haar vader is een achtenswaardig man. Als je mij helpt

om S'pia te krijgen, toean, zal ik je dienen zoolang je in Siam

blijft en zal ik verder met je blijven reizen en trekken, overal,

waar je mij ook beveelt heen te gaan."

Toen blafte ik hem tamelijk grof toe:

"Wreedaard, woudzwijn, dat je bent, hoe kan je van S'pia verlangen dit

onbestendige leven met je te deelen; jij, die op een goeien dag plots

dood zou kunnen zijn, door een olifant doodgetrapt, in zee verdronken

of door de koorts opgevreten. Aris, slechte kerel die je bent, heb

je geen medelijden met haar? En kom er me niet meer mee aan, ik geef

je het geld niet. Zoodra je haar hebt, zal ze van je verlangen, dat

je bij haar thuis blijft hokken, haar een handje helpt bij het rijst

planten en met haar in de schaduw gaat liggen.

Wil je in de plaats daarvan niet liever met mij meegaan? De verre

bergen in het Noorden leeren kennen, waar de lucht koel en gezond is

en mooie vrouwen leven, in vergelijking waarmee S'pia maar een kale

bamboerat is.

Kan je je niet veel beter een goeien ouden dag verzekeren, door je

bereisdheid, je kennis van het land, door je vak? En is dat niet beter?

In het rijk van Siameezen en Maleiers · 第 15 / 68 题