12 Januari......

Beste Bernard!

Vandaag is het Zondag, winter bij jullie en ik vermoed dat jij ergens

hoog boven de wolken vertoeft. Jij zult nu, zooals wij dat zoo vaak

tezamen mochten doen, op prettige ski's door de besneeuwde pracht

der wintersche berglanden glijden, jij zult----gelukkig zijn.

Of je daarbij ook zoo aan mij denkt, als ik vandaag aan jou!?! Aan

mij, die ver verwijderd moet zijn van de bergen, de sneeuw en het ijs;

aan hem, die nu onder steiler zon in ziek-heete lucht den gezondheid

en kracht brengenden winter ontbeert.

O, ik wilde dat je dit hier ook kon aanschouwen! Er bestaat zonder

sneeuw toch ook nog andere schoonheid!

Vandaag ben ik met Aris, mijn Maleischen dienaar, ver in de

oerwoudbergen doorgedrongen. We hebben ons door steekpalmenwoud

en lianen heen moeten houwen en langs een steil-omhoog gaande

witte kwarts-rots die zoo smal als een muur was een top

bereikt------eindelijk eens boven het woud!

Hoe prachtig! Ik hing in de hoogste takken van een knoestigen boom,

terwijl Aris van kroon tot kroon ging om het uitzicht vrij te maken.

Dit zachte woudgegolf! Hoe week, hoe onschuldig en toch, welk een

zware arbeid achter ons.

Scherp en onverwacht rees de berg uit de wijde palmenvlakte op, en

wijl er een klare dag over dit alles lag, glansde heel in de verte

aan de witte kust de Golf van Siam op; en tegelijkertijd kon ik over

de bergen heen een blauwen zoom van de Indische Oceaan vermoeden.

Daarboven is in mij iets tot klaarheid gekomen, iets, dat ik tot nu

toe niet dan heel dof in mij had gevoeld: Niet alleen de vreugde om de

overwinning van den eigen, grooter en grooter wordenden innerlijken

last is het, wat je telkens en telkens weer den berg doet beklimmen,

neen, alleen al het geschenk "blik in de diepte" weegt tegen al de

moeite op------weer eens op deze bultige wereld neer te mogen zien!

In het wilde land is dit van nog grooter waarde. Van duizend meter kijk

je daar dieper naar omlaag dan in het Berner Oberland van vierduizend

meter hoogte. Hier ben je de eenige, die zoo hoog klautert; jij alleen

denkt hier wat te moeten zoeken, en niemand van al die andere menschen

in heel het land zou op je berg iets kunnen vinden--.

Dit prachtige, groene, golvende tapijt, in zijn onmetelijkheid

uit louter zoet-vermoede kokos- en betelpalmwaaiers geweven! Met

zon-verbrande, stroo-gele rijstvelden als tusschenzetsels.

Hoe week en frisch ligt het neer, als Mata hari in den vroegen ochtend

ver, ver, heel in de verte als een roode schijf uit de zee opstijgt!

Of welk een wonderbaarlijkheid, als de zwart-gele wolken van een

boschbrand door den stormwind er schuin over heen gezwiept worden,

als het tropen-onweer er zich steil boven opstapelt, of 's avonds de

eenzame kalk-kegel heel in de verte in de vlakte bij het avondlicht

bleek over de palmenzee heenstaart, en berg na berg naar het Zuiden

vervaagt, regenblauw en klaar en zwaar als onder Italiaansche

luchten----

Zoo geheel onder den dwang van het oerwoud en den harden arbeid werd

ik dikwijls niet al te best gehumeurd wakker; de malaria deed mijn

lever zwellen, zoodat ik hem als een hard kussen onder mijn ribben

voelde zitten.

Het is eigenlijk diep-treurig in zulk een toestand te geraken, en wie

eenmaal zoo ver is, zal vroeg of laat iets verschrikkelijks doen;

een groote lust bekruipt hem soms, juist diegenen te plagen en te

beleedigen, die het 't best met hem meenen. De boy, de kokkie vooral,

moet dan voorbereid zijn op bijna ongelooflijk leelijke dingen,

die zijn heer hem aandoet met een wreedheid die des te grooter is,

omdat de toean het immers in vergelijking met den kokkie toch in alle

geval nog eenigszins goed heeft in het oerwoud.

"Maoe makan!--ik wil eten!" roep je dan bijvoorbeeld en zoodra

Holloeki de borden en lepels en vorken keurig heeft neergelegd, en

het smakelijkste eten zoo vriendelijk mogelijk voor den toean klaar

staat, toont deze opeens een verschrikkelijk kleine belangstelling

voor al die heerlijkheden, keert zich minachtend af (al duidelijker

blikken van minachting naar den boy slingerend, die heel deemoedig

en een beetje angstig het opkomende onweer in den toean waarneemt)

en dan, als hij het lang genoeg onaangeroerd heeft gelaten, pakt de

toean plots den schotel op en smijt met de een of andere beleedigende

opmerking de kip of de ham of wat het ook is in de modder: "Dat kan

zelfs een hond niet vreten----maak eieren klaar!"

En tegen dat de eieren komen, ben je òf over je roes heen en grien je

inwendig bijna uit stil medelijden met den kokkie en uit wanhoop over

je zelf, en glimlach je vriendelijk en bemoedigend tegen Holloeki, het

levendig betreurend, dat die prachtige kip nu naar de maan is, òf--en

dan is het een moeilijker geval--de eieren vliegen onverbiddelijk de

kip na.

Hier is het niet de kwestie van meer of minder beschaving, die

je hebt of niet hebt; van ontwikkeling, van ruziezoekerij of hoe

ze al die trekken in het karakter der menschen noemen. Dat is

geleuter uit de stad. De tropenkolder is de negatieve uitkomst in

het evenwichtssysteem kracht-zwakheid, en vergeven en begrepen op

het moment, dat de wederwaardigheden en tobberijen de uiterste grens

van hetgeen de betreffende instaat is te verdragen, overschrijden,

zoodat de oerwoud-waanzin zichtbaar en open uitbreekt net als elke

andere ziekte.

Op zoo'n kribbigen ochtend--ik had om de "binatong haloes" den halven

nacht slapeloos en rookend bij het kampvuur gezeten--stelde Holloeki

hopeloos vast:

"Nu is ook onze toean krankzinnig!"

Aris stemde wijsgeerig toe: "Wat wil je, alle blanken zijn zoo!" En

toen ging hij, als om den kokkie te troosten, voort: "Maar onze

meester is tenminste nog goedaardig-gek en niet bezopen-gek!"

In het rijk van Siameezen en Maleiers · 第 14 / 68 题