Beste Bernard!
Vandaag is het Zondag, winter bij jullie en ik vermoed dat jij ergens
hoog boven de wolken vertoeft. Jij zult nu, zooals wij dat zoo vaak
tezamen mochten doen, op prettige ski's door de besneeuwde pracht
der wintersche berglanden glijden, jij zult----gelukkig zijn.
Of je daarbij ook zoo aan mij denkt, als ik vandaag aan jou!?! Aan
mij, die ver verwijderd moet zijn van de bergen, de sneeuw en het ijs;
aan hem, die nu onder steiler zon in ziek-heete lucht den gezondheid
en kracht brengenden winter ontbeert.
O, ik wilde dat je dit hier ook kon aanschouwen! Er bestaat zonder
sneeuw toch ook nog andere schoonheid!
Vandaag ben ik met Aris, mijn Maleischen dienaar, ver in de
oerwoudbergen doorgedrongen. We hebben ons door steekpalmenwoud
en lianen heen moeten houwen en langs een steil-omhoog gaande
witte kwarts-rots die zoo smal als een muur was een top
bereikt------eindelijk eens boven het woud!
Hoe prachtig! Ik hing in de hoogste takken van een knoestigen boom,
terwijl Aris van kroon tot kroon ging om het uitzicht vrij te maken.
Dit zachte woudgegolf! Hoe week, hoe onschuldig en toch, welk een
zware arbeid achter ons.
Scherp en onverwacht rees de berg uit de wijde palmenvlakte op, en
wijl er een klare dag over dit alles lag, glansde heel in de verte
aan de witte kust de Golf van Siam op; en tegelijkertijd kon ik over
de bergen heen een blauwen zoom van de Indische Oceaan vermoeden.
Daarboven is in mij iets tot klaarheid gekomen, iets, dat ik tot nu
toe niet dan heel dof in mij had gevoeld: Niet alleen de vreugde om de
overwinning van den eigen, grooter en grooter wordenden innerlijken
last is het, wat je telkens en telkens weer den berg doet beklimmen,
neen, alleen al het geschenk "blik in de diepte" weegt tegen al de
moeite op------weer eens op deze bultige wereld neer te mogen zien!
In het wilde land is dit van nog grooter waarde. Van duizend meter kijk
je daar dieper naar omlaag dan in het Berner Oberland van vierduizend
meter hoogte. Hier ben je de eenige, die zoo hoog klautert; jij alleen
denkt hier wat te moeten zoeken, en niemand van al die andere menschen
in heel het land zou op je berg iets kunnen vinden--.
Dit prachtige, groene, golvende tapijt, in zijn onmetelijkheid
uit louter zoet-vermoede kokos- en betelpalmwaaiers geweven! Met
zon-verbrande, stroo-gele rijstvelden als tusschenzetsels.
Hoe week en frisch ligt het neer, als Mata hari in den vroegen ochtend
ver, ver, heel in de verte als een roode schijf uit de zee opstijgt!
Of welk een wonderbaarlijkheid, als de zwart-gele wolken van een
boschbrand door den stormwind er schuin over heen gezwiept worden,
als het tropen-onweer er zich steil boven opstapelt, of 's avonds de
eenzame kalk-kegel heel in de verte in de vlakte bij het avondlicht
bleek over de palmenzee heenstaart, en berg na berg naar het Zuiden
vervaagt, regenblauw en klaar en zwaar als onder Italiaansche
luchten----
Zoo geheel onder den dwang van het oerwoud en den harden arbeid werd
ik dikwijls niet al te best gehumeurd wakker; de malaria deed mijn
lever zwellen, zoodat ik hem als een hard kussen onder mijn ribben
voelde zitten.
Het is eigenlijk diep-treurig in zulk een toestand te geraken, en wie
eenmaal zoo ver is, zal vroeg of laat iets verschrikkelijks doen;
een groote lust bekruipt hem soms, juist diegenen te plagen en te
beleedigen, die het 't best met hem meenen. De boy, de kokkie vooral,
moet dan voorbereid zijn op bijna ongelooflijk leelijke dingen,
die zijn heer hem aandoet met een wreedheid die des te grooter is,
omdat de toean het immers in vergelijking met den kokkie toch in alle
geval nog eenigszins goed heeft in het oerwoud.
"Maoe makan!--ik wil eten!" roep je dan bijvoorbeeld en zoodra
Holloeki de borden en lepels en vorken keurig heeft neergelegd, en
het smakelijkste eten zoo vriendelijk mogelijk voor den toean klaar
staat, toont deze opeens een verschrikkelijk kleine belangstelling
voor al die heerlijkheden, keert zich minachtend af (al duidelijker
blikken van minachting naar den boy slingerend, die heel deemoedig
en een beetje angstig het opkomende onweer in den toean waarneemt)
en dan, als hij het lang genoeg onaangeroerd heeft gelaten, pakt de
toean plots den schotel op en smijt met de een of andere beleedigende
opmerking de kip of de ham of wat het ook is in de modder: "Dat kan
zelfs een hond niet vreten----maak eieren klaar!"
En tegen dat de eieren komen, ben je òf over je roes heen en grien je
inwendig bijna uit stil medelijden met den kokkie en uit wanhoop over
je zelf, en glimlach je vriendelijk en bemoedigend tegen Holloeki, het
levendig betreurend, dat die prachtige kip nu naar de maan is, òf--en
dan is het een moeilijker geval--de eieren vliegen onverbiddelijk de
kip na.
Hier is het niet de kwestie van meer of minder beschaving, die
je hebt of niet hebt; van ontwikkeling, van ruziezoekerij of hoe
ze al die trekken in het karakter der menschen noemen. Dat is
geleuter uit de stad. De tropenkolder is de negatieve uitkomst in
het evenwichtssysteem kracht-zwakheid, en vergeven en begrepen op
het moment, dat de wederwaardigheden en tobberijen de uiterste grens
van hetgeen de betreffende instaat is te verdragen, overschrijden,
zoodat de oerwoud-waanzin zichtbaar en open uitbreekt net als elke
andere ziekte.
Op zoo'n kribbigen ochtend--ik had om de "binatong haloes" den halven
nacht slapeloos en rookend bij het kampvuur gezeten--stelde Holloeki
hopeloos vast:
"Nu is ook onze toean krankzinnig!"
Aris stemde wijsgeerig toe: "Wat wil je, alle blanken zijn zoo!" En
toen ging hij, als om den kokkie te troosten, voort: "Maar onze
meester is tenminste nog goedaardig-gek en niet bezopen-gek!"