Maar de idylle duurde niet lang----

Plotseling verklaarde Aris zeer streng: "Die vrouw moet weg!"----"Ja,

goed, wat mij betreft!" zei ik zonder nadenken, omdat ik van zulke

dingen werkelijk weinig verstand heb, "het lijkt mij ook alsof ze

zoo maar met iederen koelie het bosch intrekt!"

"Itoe tiada apa------dat is niet het ergste," verdedigde zich Aris nu,

"maar----ze neemt niet eens een mat mee om op te liggen------!"

Mèt de vrouw gingen ook de Chineezen heen en ik moest me weer met

Siameezen behelpen.

Aan den Nam Dam was ik werkelijk volkomen in het rijk der

olifanten. Soms kwam 's ochtends vroeg, eer ik nog goed en wel wakker

was, een koelie met een stapel groente uit het bosch terug, of een

andere bezigheid had hem een paar passen achter het kamp gebracht,

bijvoorbeeld het dagelijksche werk van "boeang nasi--rijst wegwerpen,"

zooals in het Maleisch een onaesthetische handeling fijngevoelig wordt

aangeduid, en terugkomend meldde deze dan regelmatig: Vannacht zijn

de olifanten daar en daar langs gegaan, bij dien vruchtboom hebben ze

al etend een heel bamboeboschje omvergetrapt; of, hun frissche spoor

kruist de beek op de plek, waar wij gisteren een nieuwe schacht zijn

begonnen te graven. Ik was er net zoo aan gewend, iederen ochtend

het nieuwste over de olifanten te hooren, als je in de stad met een

vluchtigen blik even gauw de laatste berichten in de ochtendeditie

van je krant nagaat.

Op een stormachtigen ochtend, toen de wind door het oerwoud huilde,

zei Aris: "Vandaag kunnen we niet werken. De olifanten zijn ook bang

geworden en zijn met hun allen naar het dal gegaan, allemaal achter

elkaar, zoodat er een hard-gestampt wegje is ontstaan, en zijn naar

de plek getrokken, waar alleen maar spaarzaam bamboe staat." Het was

werkelijk gevaarlijk. Woudreuzen vielen dreunend neer, het heele

dal met hun doodsgebrul vervullend en overal in het rond stortten

krakend doode takken--zelf al statige boomen--door het lianen- en

slingerplantengewar neer, soms heele kleine kreupelboschjes uit den

grond rukkend.

Wij lagen den ganschen dag bang en verschrikt in het kamp onder

den grooten Yangboom, die, zelf nog kern-gezond, ons als beschermer

moest dienen.

Telkens weer ontmoette ik onderweg naar het werk de versche sporen

van wilde olifanten. Onwaarschijnlijk groot, bijna niet te gelooven,

gaapten mij soms de ovale gaten uit den modderigen bodem langs de

oevers aan, voegden zich tot lange kettingen, vormden hard-gestampte

paden langs de hellingen en werden af en toe zoo opmerkelijk en als

het ware behoorend bij het beeld der streek, dat ik ieder oogenblik

het verschijnen van den aanstichter van al deze merkwaardigheden

verwachtte.

Maar ik ben den wilden olifant nooit persoonlijk tegengekomen. Het

is mij eigenlijk nooit volkomen duidelijk geworden, wat er wel zou

gebeuren, wanneer we in de engheid van het woud plots tegenover

hem stonden.

Soms, als we geruischloos door het dichte geboomte liepen, de een

achter den ander, voorgegaan door Dehng, kraakte er ergens naast ons

weleens een tak of een bamboestengel onder den tred van een groot

dier; dan kwam er leven op de duistere gelaten mijner Siameezen,

en meer dan eens holden ze met hun allen zoo snel mogelijk naar de

plek toe, zoodat ik heelemaal alleen bleef.

Toen ik Krot vroeg: "Wat gebeurt er, als we den olifant

tegenkomen------? Rent hij ons dan allemaal te pletter------?" kreeg

ik geen duidelijk antwoord. Krot lachte half en zette een half-ernstig

gezicht, en de beteekenis zijner keel-geluiden was:

Iemand, die den olifant in het bosch alleen tegenkomt moet oppassen

en doet het beste met zich te verontschuldigen, te bidden en weg

te hollen.

Twee of meer mannen bij elkaar kunnen het wagen te blijven kijken, en

naar gelang hij goed gehumd is of kwaad, zal de olifant het misschien,

zeer waarschijnlijk, tamelijk zeker, mogelijkerwijs, op een loopen

zetten of niet.--

Eens werd ik midden in den nacht wakker.

Een dof geluid, dat buiten alle voorstelling en ervaring lag, was

hoorbaar. Een vreemde, onbestemde macht, die er anders niet was. Ik

schoof nieuwsgierig over de slapende lichamen der mannen naar voren.

Mijn hutje en de schuin naar de beek afdalende open plek lag in het

duister en de hoogste toppen der bergen waren door het trillende,

zwakke schijnsel der achter wolken opgekomen maan belicht.

Het kampvuur was geheel uitgebrand. Enkele krekels sjirpten, de Zwarte

Rivier ruischte als altijd, verder was de nacht rustig.

Daar kraakte opeens, nog ver, maar toch duidelijk te vernemen,

splinterend hout,------het werd weer voor een paar minuten stil en

toen, heel dichtbij, opnieuw het kraken en knappen van brekend bamboe.

Gelijk de voorboden van een naderend onheil, naakte er iets

onweerstaanbaars.----

Een koelie draaide zich steunend om.

Aris zat op. Nog half in slaap, maar toch volkomen wakker, fluisterde

hij:

"Toean, de olifanten!"

We luisterden samen in den donkeren nacht, weer was er een luid

gekraak en dof gestamp als van reuzen te hooren------.

"Olifanten zijn bang voor vliegen die om de woonplaatsen der menschen

zijn!" hoorde ik Aris nog stamelen en onder het zachte zingen van

het oerwoud sliep ik spoedig weer in.

Toen ik 's ochtends aan de dichtst bijzijnde plek kwam, waar

gewerkt werd, waren overal in het rond bamboestangen zoo dik als

een arm als lucifertjes doorgebroken en vertrapt en als touwen in

elkaar verward. Het regenscherm over het arbeidsterrein hadden de

dieren afgerukt en er een grooten hoop rijst, die geen rijst was,

in reuzenballen over uitgestrooid.

"Tjang hak mot!" vloekte Aris woedend in het Siameesch. "De olifant

moet nu ook alles bederven!"----

In Aris' geestelijk leven nam zijn toean, weliswaar zeer aarzelend en

in langzame ontwikkeling, al duidelijker vorm aan. Aris bestudeerde

zijn meester. Dat merkte ik, wanneer hij, meenend dat ik niet op hem

lette, voor mij zat en mij aanstaarde; ik hoorde het uit zijn woorden,

als hij met derden over den toean sprak, en voelde het vooral heel

duidelijk, als ikzelf met hem praatte. Dan nam ik ook waar, dat het al

een heel zonderling beeld was, dat hij zich van zijn toean had gevormd.

Op een dag stuurde Dehng, het dorpshoofd van Tong Qoeang mij een

bode, om mij mede te deelen, dat hij zoo even bezoek had ontvangen

van Mr. Smith, een blanke. Deze heer was voor twee dagen zijn gast.

Aris bracht mij met een plechtig gezicht deze "blijde" boodschap over.

Ik zei alleen: "Heel goed dat ik het weet, ik was juist van plan naar

het dorp te gaan."

Toen lag er weer in Aris' gezicht dat hulpelooze, bijna schaamachtige

niet-begrijpen; hij dacht elk oogenblik, dat zijn toean naar het dorp

zou vliegen, uit blijdschap, een Europeaan te ontmoeten, en was na

al zijn lange studies er toch van overtuigd, dat zijn toean dat nooit

zou doen.

"Zijn heer zoop haast nooit, hield niet van het gezelschap zijner

blanke broeders en zag er toch, ook wanneer hij heelemaal voor zijn

eigen genot kon leven, altijd uit of hij zich verveelde en ergerde."

"Jij bent een nog onopgelost raadsel voor me, toean, in ieder geval

het zonderlinge product van een merkwaardige beschaving------!"

Ongaarne gaf Aris' trotsche voorhoofd dit met een paar zware rimpels

toe. Zijn heer binnenkort volledig te kennen, dat was zijn grootste

streven.

Het bizonder goed (hahahaha! goed!) gelukte eindproduct van een lange

reeks geraffineerde opvoedingsmethoden------dacht ik stil bij mijzelf.

Een heele maand lang rende ik zoo dagelijks met de vreugde van een

naïeven jongeling, die nog denkt, dat het leven alleen maar mooi is,

het oerwoud in.

Daar had ik weer eens een brok leven van waarlijk groote

merkwaardigheid, ver van het gezwets der stad, ongewoon, dat wil

zeggen waardevol----volkomen in overeenstemming met dat, wat mijn

philosophie mij altijd had voorgeschreven. Iederen ochtend was het

mogelijk, dat ik een of ander wild dier kon tegenkomen, iedere dag

kon de ontdekking van een bizonder rijk mijnland brengen, iedere avond

werd niet dan na hardnekkige lichamelijke inspanningen bereikt....

Vaak, wanneer ik tot aan mijn hals in een moddergat zat en als een

wild zwijn daarin wroette, dacht ik lachend:

Vreemd,--hoe ben ik aan dezen dierlijken lust gekomen? Ben ik

niet in propere schoolvertrekken opgegroeid? Waarom bevalt het mij

hier? Komt dit niet als het ware een veroordeeling van mijn heele

verleden nabij--?

Maar zoo volkomen tevreden en blij met mijn leven werd ik aan de

duistere Zwarte Rivier toch niet.

Ik voelde mij al te zeer onder den dwang van een vreemd bestaan, dat

toch niet geheel en al bij mij scheen te passen. Mijn gezonde jeugd

kwam mij voor den geest, en nu was ik zoo aan de vergankelijkheid

overgeleverd, in een weliswaar rustige, mij bekorende wereld en als

eenige meester in een omtrek van honderden mijlen----maar toch aan

de vernietiging prijsgegeven, als een plant in een donkere kamer.

En meer en meer begon ik te lijden.

Wel beloofde het werk nog resultaten en "zonder hardnekkig onderzoeken

komt er tenslotte van het beste ding niets terecht", maar het leven

daar in de eenzaamheid en in het slijk werd toch langzamerhand zelfs

voor mij, die nooit veel verstand van parket en salon had gehad,

te hard.

Vreeselijk is het tropische oerwoud in den regentijd. Van alle takken

strekken bloedzuigers hun slanke lichamen in de lucht, begeerig

naar slachtoffers. Gedurende den arbeid in beken en vochtige spleten

vloekte elk oogenblik een der mannen zachtjes en nam dan zoo'n zuiger

van zijn bloote voeten.

Wanneer wij op de hellingen, waar staand water zeldzaam was, onze

erts-monsters in de gele plassen van groote olifantensporen wiesschen,

moest voortdurend een koelie de bloedzuigers van de handen en armen

van dengeen die aan het werk was, afhalen. Vaak had ik zelf dozijnen

etterende bijt-wonden in mijn beenen en veel bloed ging er verloren,

bloed, dat nergens kostbaarder is dan in de tropen.

Vooral als nieuweling in den jungle had ik veel te lijden van de

bloedzuigers; toen ik nog in woede geraakte om elk beest, dat mij beet

en ik ze eenvoudig afrukte. Later, toen ik ze met een brandende sigaar

plaagde tot ze vrijwillig loslieten, zoodat de afgerukte koppen niet

meer in de wonden bleven zitten, ging het beter.... Door de gaatjes

van mijn rijgschoenen kropen ze naar binnen of van boven in mijn

boordje langs mijn rug, wat vooral heel akelig was.

Later droeg ik mijn linnen schoenen aan mijn bloote voeten----je kunt

toch geen tien keer op een dag je kousen aan- en uittrekken----smeerde

mijn beenen in, net als de inboorlingen, en als er dan eens één poogde

te bijten, achterhaalde zijn noodlot hem al heel gauw.

In tijden van slecht weer was het zoo donker aan den Nam Dam,

dat de gevaarlijke koortsmuggen zich midden op den dag in de lucht

waagden. Ja, het was zoo erg----ik heb daar nooit andere muggen gezien

dan anopheles, terwijl ik me niet kan herinneren, ergens in het land

deze soort te hebben waargenomen gedurende de twee jaren die ik er

heb doorgebracht.

Bij wijze van voorzorg gebruikte ik zooveel kinine als ik

kon verdragen. Maar dan werd ik hardhoorig; mijn maag, anders al

opstandig door het eeuwige "chicken and rice" weigerde dan absoluut

zijn medewerking. Het eene hielp het andere--achteruit; in den jungle

gaat het met de gezondheid altijd naar omlaag; wie beneden normaal

is gezonken met zijn lichaamskrachten, zal dit in het oerwoud nooit

te boven komen.

En als wij 's avonds na al het getob en gezwoeg van den dag in ons

ongeriefelijk, rottend-vochtig kamp lagen, vielen legioenen luizen

en wandluizen en vlooien van alle soorten op ons aan; de gistende,

kiemen dragende koortslucht zelf knaagde aan ons, ondermijnde onze

slecht gevoede lichamen, en al maar woelde ik slapeloos op mijn

matrasje heen en weer----een slachtoffer van de "binatang haloes."

Dat is een diersoort, die geen enkele zoöloog kent. Het zijn

verscheurende roofdieren volgens de Maleische taal. Binatang beteekent

wild dier, bijvoorbeeld een tijger en haloes is de fijnste uitdrukking

voor nietig en klein. Aris sleurde met dit heerlijke woord al die voor

het bloote oog niet zichtbare en anders alleen maar microscopisch waar

te nemen levende wezens in het daglicht, welke in deze streken op de

huid der menschen wonen en zoovele mijner nachten hebben bedorven.

Door dit alles voelde ik mij zelden meer prettig. Het was met mij

zooals wanneer tegen het voorjaar een lange winter den menschen in het

gebeente zit met influenza. Vermoeidheid in de ledematen, triestheid

in het hart voelend, was ik niet gezond en niet ziek, slap en gedrukt.

Ik wist, dat ons aller leven op het spel stond. Ik voelde bijna iets

als medelijden met de koelies, die den ganschen dag in het water

werkten. Iederen nacht hoestten ze, enkelen gaven bloed op. Allen

waren mager.

Bij het beklimmen van een berg hijgde ik zelf als een koe. In de

koele nachten lag ik in zweet te baden en midden op den dag beving

mij soms een vreemde huivering. Vaak stapte ik nog forsch, alsof er

niets gaande was, 's ochtends naar mijn werk----maar na een of twee

uur al van door het water waden en loopen en wasschen en tusschen

kreupelhout en doornen voortkruipen, werd het donker voor mijn oogen,

en een onbedwingbare lusteloosheid dreef mij terug naar het kamp.

Op een middag, toen ik zoo mismoedig terugkwam, was Dehng er met

een brief.

"Uit je vaderland, toean," zei Holloeki.

Het is verwonderlijk, hoe sluw brieven mij in het binnenland

nareisden. Als ik over een uitgestrektheid van een heele streek, zoo

groot als heel Zwitserland, de eenige blanke was, dan vond een brief

mij juist daarom. Van het laatste spoorwegstation was deze brief met

een reizenden, Chineeschen varkenskoopman tot halverwege Tong Qoeang

gevorderd, daar wist een koelie dat Dehng mij kende en eindelijk lei

deze de kostbaarheid in een droge bananenbladscheede en liep expres

twee uren om mij te vinden.

De meest onschuldige schriftuur heeft voor woudmenschen, vooral voor

hen, die eenig vermoeden van overheid hebben, iets opwindends, zoo

als bij ons bijvoorbeeld een dwangbevel van het belastingkantoor.

Frater ursus, Victor montium.

Poeta et Scienciator--Artista et Exploratore------! zoo luidde

de aanhef, toen ik den brief opende--, van een onbekende

dame------------------!

Poeta, Exploratore--------Orang-oetan----dacht ik.

Kunnen ze me hier zelfs niet met rust laten, in het verre, verre

oerwoud, waar ik ben en waar ik thuishoor. Wat voor rechten meent

Europa op mij te hebben------?!

De woorden hielden mij wakker tot diep in den nacht. Ik dacht

over het leven na. Over alles wat het leven mooi maakt: rijkdom is

aardig, liefde is goed, roem, o ja, ook daarom heb ik vroeger veel

gegeven--. Alles, tenminste in een of anderen spookachtigen vorm,

al overbekend.

Pas toen de halve nacht om was, gelukte het me, den brief zoo te zien,

als hij gezien moest worden:

Een prachtig, fijnzinnig bewijs van sympathie, een moederlijk-bezorgde

stem uit Europa, een wekkende vermaning: Hé, jij daar in het moeras,

hou dapper het hoofd omhoog! Maar vergeet ons daardoor niet, ook al

is het water daar nog zoo lekker warm--.

En sta ons toe, je met een groetje, al is het ook half zonder elkaar

te kennen, in je stellig dikwijls ruwe en harde leven te helpen----.

Den volgenden ochtend al vroeg, toen het nog donker was, wekte de koude

mij--Victor montium--Orang-oetan--en toen ik opsprong van mijn harde

matras, waren alle wolken van den hemel weggeveegd en beloofde het

een mooie dag te zullen worden. Aan den blijden brief denkend, riep ik:

"Aris, ik wil den berg op!"

Daarboven ging de wereld als ten tweeden male voor mij open. Ik juichte

en de mooiste dagen uit mijn jeugd stonden mij voor den geest. En ik

dacht aan mijn verblijf van twee weken op dien anderen Siameeschen

berg, den Ronpiboen Hill in het Zuiden, waar ik avond aan avond naar

het wegdonkeren der reusachtige vlakte keek en in den weerschijn zat

van de achter de bergen in zee wegzinkende zon.

Toen keerde ik naar het bivak terug, stak een zwarte Birmeesche

sigaar op, liet twee harsfakkels in orde maken, dronk thee met whisky

vermengd, ging met mijn rug tegen de deurpost zitten en schreef, het

"gele" als schrijfbureau gebruikend:

In het rijk van Siameezen en Maleiers · 第 13 / 68 题