We waren op weg naar het dal van den Nam Dam, de Zwarte Rivier. Aris
was er al, Holloeki en ik, werktuig en levensmiddelen op een buffelkar
meevoerend, volgden hem. Niettegenstaande den regen.
De rijweg door het brokkelige bamboewoud was week geworden. Het slik
reikte den loggen buffels tot aan den buik. Alles was grijs van modder
en slijk, wij, de dieren en heel de troostelooze streek.
Als verdrinkend gras keken de groene puntjes van de jonge rijst
uit het water der weinige akkers langs den weg op, en hier en daar
dreven vrouwen haar kudden door de rijstvelden, op deze eenvoudige
wijze ploegend.
Soms regende het haastig en snel met groote droppels; dan weer poogde
de zon, als in een reusachtig spinneweb hangend, door de wolken te
dringen, bleek en vaal en toch met een kracht die verwonderlijk was.
Regen in de tropen is het meest verschrikkelijke voor den blanke en zoo
erg als een sneeuwstorm in het hooge Noorden. Wel bezwijkt de mensch
hieronder niet zoo plots en snel als onder zoo'n sneeuwstorm, doch
meestal pas na weken, maar omdat hij hieronder onmerkbaar wegkwijnt
en zijn einde bijna ongeweten nadert, is deze tropische regentijd
des te verraderlijker.
In een kokkie, die eigenlijk in een geriefelijken bungalow zou kunnen
leven, moet het ten zeerste geprezen worden, wanneer hij zijn toean
in den soms onbegaanbaren, onontwarbaren jungle vergezelt. Duizenden
zouden dat voor geen geld van de wereld doen. De jungle is voor hen
het zinnebeeld van het allerergste.
Maar gelukkigerwijze bestaan overal waar menschen zijn op aarde,
ook verhoudingen tusschen dezen, wier duur en hechtheid niet
alleen aan geld en dergelijke stoffelijke waarden is verbonden;
en ook in het Oosten vindt men voorbeelden van ongelooflijk trouwe,
verwonderlijk-geduldige en merkwaardig-vlijtige bedienden, zoo goed
als onbegrijpelijk strenge en nijdige meesters, die toch gedurende
langen tijd dezelfde dienaren bezitten.
Holloeki, voelde ik, zou door dik en dun met mij meegaan, omdat hij
een zeker vertrouwen in mij had gekregen. Ik was zijn toean. Deze
toean was zoo en zoo goed. Nu had deze heer het besluit genomen in
het woud iets te gaan zoeken. Dat was weliswaar krankzinnigenwerk
in dien regen, maar ik ben zijn boy, zei Holloeki tot zichzelf, en
ik ga met hem mee, al zijn er ook nog zooveel hinderpalen. Als mijn
meester werkelijk de heer is, dien ik tot nu toe in hem gezien heb,
dan zal het wel goed zijn.
Niet omdat ik elk oogenblik hard en streng was en hoogmoedig als
een koning, hielden mijn "slaven" het in het oerwoud bij mij uit,
maar omdat er een soort wet schijnt te zijn: dat het lagere het
hoogere diene en het kleine zich in den dienst van het groote
stelle------daarom dienden Holloeki en Aris mij zoo trouw, dacht
ik. Zuiver en alleen uit het gezonde gevoel: Zoo moet het zijn en
zal het hem en ons en allen tot heil worden.
Met binnensmondsche kreten stuurde onze voerman de kar, die
voortdurend in watergaten zakte, het bosch in, en zijn Oeh,
Oeh, Oeiii!------! waarmee hij de buffels tot de uiterste
krachtsinspanning aanspoorde, wrong zich moeizaam door zijn diepe
keel heen------moeizaam, uit haat tegen den afschuwelijken weg
en de ongemakken van den grauwen, smerigen dag; wanhopig gerekt
Oehoehoehoehoeiiii-ee! wat ben ik een stommerd geweest, dit werk
aan te nemen en de goederen voor dien toean zoo diep in de wouden te
brengen------voor dertig tikals.
Tot de zwaarste uren voor den jungle-reiziger behooren die, waarin hij,
met heel zijn hebben en houden al midden in de wildernis, dezen strijd
zijner gidsen, voermannen en dragers om hun psychisch evenwicht moet
meemaken en in twijfel blijft of ze zullen volhouden of hem met zijn
boeltje in het moeras zullen laten steken. Dan kan een krachtig woord
alles evenzeer ten goede als ten kwade keeren.
Het liep tegen den avond en de weg was nog ver. "De weg!" Ik wist dat
het breed-uitgehouwen, voor buffelwagens berijdbare gedeelte weldra
voorbij was. Tot daar zou de voerman meegaan. Ik zelf snelde nu alleen
vooruit, twee uren ver naar Aris' legerplaats, om de koelies te roepen,
die de bagage dienzelfden avond nog naar het bivak aan den voet der
bergen moesten sleepen.
Het is nooit donkerder en somberder in het oerwoud dan bij regen;
nooit koeler, nooit heeter. Van alle takken en twijgen druppelt het,
je kleeren zijn tot den laatsten draad nat, en je voelt je koud en
zwoel op hetzelfde oogenblik, bijna als in koorts.
Dampend van inspanning, over en over met modder bedekt en zoo moe
dat ik dreigde neer te vallen, bereikte ik het kamp. Zwaar lagen de
wolken in de boomkronen, zeurig luidden de eerste ontwaakte krekels
den nacht in en het regende weer zachtjes, toen Aris mij begroette:
"Veel wilde olifanten! Toean, veel bloedzuigers.... maar ook veel
erts!"
Toen herinnerde ik me weer de zalige vreugde, die me had vervuld,
toen ik na twintig vergeefsche pogingen om goed mijnland in het
oerwoud zelf te vinden, hier eindelijk het groote succes meende te
mogen aanschouwen. Hoe het mij gelukt was een slimmen Chinees te
verschalken, vlug naar de hoofdstad te vertrekken en het land met
een concessie te beleggen.
Nu zou het waardevolle niettegenstaande regen, muskieten en koorts
en in weerwil van alle gevaren, onderzocht en ontgonnen worden.
Alleen taai-volhardend werken brengt resultaten, zei een stem
in mij. En het leek me juist wel goed dat ik hier een harde noot
te kraken zou hebben. En juist daarom, omdat het hierblijven bij
regenweer iets buitengewoons, ja krankzinnigs was, zou ik nu voor
niets ter wereld wijken. Den jungle kon men (gelukkig) nog niet in
zijden bedjes leeren kennen.
Aris, die van tin en mijnland meer verstand had dan menige blanke,
begreep mijn ondernemingslust. Over afstanden van vele kilometers
beken doorwadend, hadden we telkens weer in ieder waschbekken meer dan
genoeg van de blauw-zwarte ertskorrels gevonden. Het was nu alleen nog
een vraag van nader onderzoek, of tusschen de waterloopen ook grond
lag die ertshoudend was, of de tinsteen met de diepte toenam enz.,
om de plek waardevol te maken voor de toekomst.
Nooit ben ik met mijzelf en met mijn leven meer tevreden, dan
wanneer ik iets gedaan heb of op het punt ben te gaan doen, dat iets
eigens heeft en dat de groote hoop niet doet. Maar ook nooit ben ik
ongelukkiger dan op die momenten.
Het dappere, moedige in mij zegt: Het heeft absoluut geen zin, dat
je van allerlei doet wat anderen ook kunnen. Je moet iets groots,
iets nieuws scheppen. Met hen die meer geregelde werkkracht bezitten
en in staat zijn langere werkdagen te maken, kun jij je toch niet
meten. Jij moet daar beginnen, waar de anderen ophouden.
En daarop antwoordt dan meestal zacht en schuchter de lafaard en
gezelligheid-zoeker in mij: Zeker, dat is waar, maar hoe goed je
trotsche kennis ook is en hoe prachtig ook, al is het tegelijk moeilijk
en gevaarlijk, het denkbeeld----het kost je je kracht en gezondheid,
ja misschien je leven en is daarom slecht.
Er zijn menschen, die den verstandigen arbeid vervloeken en in het
onverstandige des te grooter dingen presteeren, die er de voorkeur
aan geven ter wille van een groote gedachte te sterven, in plaats
van in een alledaagsch geluk te leven.
In hen leveren het goede en het kwade, vreugde en leed en leven
en dood onophoudelijk woeste worstelingen; ze zijn vol tweespalt,
soms onbevredigd, soms blij, nooit vast en rimpelloos van stemming;
en al wat er in hen gebeurt, is de koppige uiting van het tegendeel.
Uit de worsteling hunner twee halve werelden ontstaan hun
werken, die dikwijls vreemdsoortig zijn; uit hun afschuw voor het
slechte----misdaden, uit hun minachting voor regelmatig-dor, banaal
werk----daden, die nochtans uit een groote hoeveelheid inspanning en
offers zijn opgebouwd. Niemand worstelt zoo hardnekkig om het stralende
hooge licht te bereiken als zij, die steeds het oogenblik vlak voor
zich zien waarop het halsoverkop en onafwendbaar den verkeerden kant
met hen uitgaat.
Voor zulke menschen is het eenvoudigste leven een foltering, al
het mooi-geregelde verdacht, al het goede te goed; en wanneer zoo
iemand, die licht en donker tegelijk is, zoo iemand met brandend-heete
verlangens en vol gistenden twijfel in de ophitsende eng-omslotenheid
van den jungle geraakt en in de gewelddadigheid van het tropische
klimaat, dan zal in den kortst mogelijken tijd zijn leven bedorven
zijn, wanneer niet ergens een goede beschermengel de zware plicht op
zich laadt, met zijn klare licht over hem te waken.
Van mijn bivak aan de Zwarte Rivier stond ik op slag midden in den
maagdelijken jungle. Het dal, waar de rivier zich doorheen slingerde,
was smal, en overal in het rond schaarden zich onafzienbaar en met
knoestig doornig hout bedekt, de eene berg naast den anderen.
Mijn kamp stond in de nabijheid van een geweldigen yangboom, die
ons het noodige hars voor de fakkels leverde. Als brievenbussen
waren smalle nisjes, net spleetjes, in zijn stam gehouwen, waarin
de brandbare vloeistof zich verzamelde, en vanaf den voet van dezen
boom leidden naar alle richtingen wildpaden het woud in. In het leven
der bruinen speelt zoo'n boom net zoo'n belangrijke rol als een heel
kerkdorp in een Europeesche streek.
Een eenvoudig dakje op palen dat als hut dienst deed, wachtte daar
op mij. Als een vliegende marktkraam in de stad. Muren waren er
niet aan. Alleen een brits met een dak. Het laatste was gevormd door
twee lagen in de lengte gespleten bamboestaven, de onderste laag als
dakpijpen met den hollen kant naar boven gelegd en de bovenste laag
van bamboestaven daar zoo overheen, dat ze om en om de voegen der
onderste stangen bedekte. Eikenbladeren, die wel een halven meter
lang waren en net gelakt leken, hielpen mij een plekje verzekeren,
waar mijn matrasje en het "gele" en het "roode" eenigszins droog
bleven, als het niet te erg regende.
Vlak er tegenaan was ook voor Holloeki een klein loofhutje gebouwd,
waar onder moeizaam keukengeploeter de houterige bus-erwtjes uit
Hongkong werden overmand. Als ik vermoeid en hongerig van mijn werk
kwam, keek ik graag vanaf mijn bamboeschraag daarheen en de blauwe
rookwolkjes na, die van Holloeki's werkzaamheid getuigden en wachtte
begeerig op het luid schallende: "Toean, makan!"
Niet ver beneden het kamp stroomde de Zwarte Rivier voorbij,
meestal als een klaar, doorzichtig stroompje over de met donker mos
begroeide steenen kabbelend; doch nu na den gutsenden regen zwol ze
vaak ontzettend onverwacht tot een bruisenden geel-groenen stroom
aan. Dan klonk donderend en razend haar gebrul op en vermengde zich
met het duizendvoudige stemmengeruisch van den jungle.
Bamboe hing in dichte boschjes overal over den grond en tusschen
dunnere plekken door zag men op de woeste, onbegaanbare woudbergen.
Niet ver van mijn slaap-hut verwijderd hadden ook mijn koelies en
werklieden een schuilplaats gezocht. Die was nog eenvoudiger dan de
mijne, en ze lagen daar 's nachts, de een naast den ander zoo goed
als op den naakten grond en bijna in het water. Ik leefde wekenlang
met hen samen, heelemaal op hen aangewezen.
Aan de in het Oosten dagelijksch gebruikte uitdrukking "koelie"
(een Maleisch woord, dat ongeoefende arbeider beteekent) moet zich
zeker iedere pas-aangekomen Europeaan eerst wennen. Maar ook iedereen
zal weldra met aangename verbazing merken, dat aan dit woordje niet
dat kleineerende en geringschattende kleeft, dat het Westen eraan
verbindt. Wie diep genoeg in de oerwouden is geweest, voor dien zal van
"koelie" weldra al het onaangename afgevallen zijn, en telkens wanneer
hij het woordje hoort, zal in hem de duidelijke voorstelling van een
"dienstbaren geest" opdoemen.
Voor de menschen van den jungle en de woud-Siameezen, met wie ik het
meest in aanraking kwam, vond ik de benaming van "koelie" absoluut
niet geschikt, zoo min als het heelemaal in den haak zou zijn onze
onafhankelijke bergbewoners en Alpenherders "arbeiders" te noemen. Het
onvrije van den "fabrieksarbeider" bijvoorbeeld ligt daar te dicht bij.
Ik heb nooit duidelijker het gevoel gehad, iemand te zijn, bij mijn
medemenschen gewaardeerd te worden, en nooit ben ik met meer liefde
en deelnemende zorgzaamheid behandeld, dan wanneer ik met mijn koelies
in het oerwoud was.
Dikwijls heb ik mij heelemaal alleen aan een wild-vreemden gids
toevertrouwd, die mij diep in het bosch bracht en er mij weer gezond
en wel uithielp. Die urenlang voor mij uitloopend en den weg effenend
zorgvuldig op elk takje lette en op elken doorn die den heer misschien
zou kunnen verwonden,--en toch bestond onze wederzijdsche verhouding
schijnbaar alleen uit de belachelijke nietige omstandigheid, dat ik
hem 's avonds na het werk een tikal, een Siameesch geldstuk gaf.
De belangrijkste onder al mijn menschen, was Nai Dehng--meneer Rood,
de slanke met zijn veertien baardharen en de getatoueerde zwembroek,
waarvan het sierlijke kantpatroon bij elken stap, dien hij deed, onder
zijn lendendoek te voorschijn kwam. Hij behoorde tot een stam der meer
noordelijke Lau-volken, doch was tegenwoordig P'hoe Yai in het dichtbij
liggende wouddorpje Tong Qoeang en kende als zoodanig zijn omgeving
beter dan iemand anders. Doch hij ging alleen bij hooge uitzondering,
bijvoorbeeld bij bizonder lastige grens-kwesties met mij mee.
Ook eenige der andere menschen stamden uit Tong Qoeang. Ik bewonderde
de sterke kerels, die na afloop der zware dagtaak nog kracht genoeg
hadden (of was het zwakheid--!), om naar huis te gaan om bij hun
familie te overnachten. Ze moesten een stevigen marsch van twee uur
doen, maar waren 's ochtends vroeg altijd weer op tijd terug.
Zij zorgden gelijktijdig voor den aanvoer der levensmiddelen,
verrichtten bodediensten en waren, als de gelegenheid zich voordeed,
woud-brievenbestellers. Zoodra mijn aanwezigheid bekend was geworden,
doken zoo nu en dan menschen op, vaak tochten afleggend van dagen,
om werk te zoeken. De regelmatige tikal per dag bleek hen gelokt te
hebben. Doch meestal was het enthousiasme slechts van korten duur.
"Woud-Siameezen willen liever bijna verhongeren en daarbij vrij zijn,
in plaats veel geld te verdienen, maar regelmatig te moeten werken,"
zei Aris.
"Net als de dichters!" dacht ik.
Zoodra zoo'n man een paar tikals op zak heeft, pakt hij zijn lichte
bundeltje en neemt afscheid: "Heer, ik ga heen!"
Het is merkwaardig met die koelies. Hoe ver en tegengesteld al hun
denkbeelden van de onze ook zijn, er zijn toch zulke onder hen, die
bij de eerste ontmoeting al dadelijk sympathiek zijn, naast anderen
die het nooit worden.
Tsjoey leek van uit de verte een pracht van een man, maar had, toen
ik hem van dichtbij bekeek, de ontstoken oogen van een armzalig,
bijna uitsluitend van kruiden en insecten levend woudmensch.
Siang's vader was waarschijnlijk een Chinees. Telkens wanneer ik hem
zag, dacht ik: Mooie, zachte kerel, heb je soms ook een zuster? Breng
me dan naar haar toe, laat me haar zien!
Doch de meesten van hen waren, om kort te gaan, onbelangrijk. Onder
koelies komen heel zelden persoonlijkheden voor.
Krot viel door zijn natuur-wezen op. Hij was misschien de eenvoudigste
en meest echte wilde, dien ik ooit zag: sterk als Hercules en
goedmoedig als een kind. Zijn lange haar hield hij met een rotangsnoer
boven zijn voorhoofd bijeen, zijn oogen straalden van een vreemd
innerlijk vuur en wanneer hij zijn mond opende, was het, alsof het
oerwoud zelf sprak. "Krap!" was zijn woord. Het is voor ons blanken
bijna onmogelijk "krap" diep en donker genoeg uit te spreken. "Krap"
beteekent: "Ja, heer!", "tot uw dienst."
Krot was zoo eenvoudig en oorspronkelijk, dat zelfs de overige koelies
hem niet goed begrepen en voor dom hielden. Maar dat was hij niet.
Zijn huid was donker, maar verzorgd. Hij verzuimde het ook op den
koudsten ochtend niet zijn bad te nemen, masseerde al zijn spieren
en wreef zijn pikzwarte haar in met het vet van den yken, het kleine
Siameesche hert. De regen liep van zijn gladde huid af als het water
van een zeehond. Zorgvuldig maakte hij na elken maaltijd zijn tanden
schoon.
Hij was als een dier in de beste beteekenis van het woord. Niets ging
bij hem boven het oerwoud. Ik herinner mij, dat hij op een droevigen
regenavond, terwijl iedereen blij was met een droog plekje bij het
vuur, op mij toetrad: "Heer, ik ga het woud in!" en voor een paar
dagen verdween!
Geheel onverwachts en alsof hij nauwelijks even weggeweest was, dook
hij dan eensklaps weer op. Hij had een vrouw in het dorp------dat
wil zeggen, toen niemand anders deze vrouw meer begeerde, hing ze
zich aan zijn hals. Misschien was het woud hem daarom zoo lief.
Ik mocht Krot graag lijden. Niemand verstond zoo de kunst met het mes
om te gaan en de sporen van het wild te herkennen en op te zoeken,
als hij. Vaak maakten wij met ons tweeën tochten die dagen duurden
in de bergen, en nooit heeft iemand met meer recht en trotscher en
smakelijker om mijn onervaren vragen naar de geheimen van den jungle
gelachen dan hij. Een gevoel van afgrijzen bekroop me pas voor Krot,
toen ik zag, dat uit het vleeschballetje dat hij bij zijn rijst at,
de wormen verschrikt wegliepen.
Het eerste werk in het oerwoud bestond altijd daaruit, dat rooilijnen
werden uitgezet. De grenzen van het stuk land, dat ontgonnen zou
worden, moesten pas voor pas worden uitgesneden en junglewegjes
gebaand worden, omdat het woud anders volkomen ondoordringbaar was.
Dagelijks ben ik zoo aan den Nam Dam, het kromme mes tusschen mijn
gordel, gelijk de inboorlingen op avontuur uitgegaan.
Tot de diepste vreugden, welke het leven heeft te bieden, behooren
ontdekkingen in Nieuwland. En al is het door nog niemand betreden
vlekje grond ook nog zoo klein, het zal altijd een bizonder tuintje
van geluk zijn, en rijker aan schoonheid en wonderen dan de prachtigste
gekweekte jardin public van een geraffineerd menschdom.
Het feit, dat voor mij wel al Chineezen en Siameezen aan de Zwarte
Rivier naar tin hadden gezocht, doch nooit een blanke, was al reden
genoeg, om deze streek voor mij tot een paradijs te maken, al was
het er dan ook een met doornen.
Om een grenslijn van vijfenzeventig sen lengte (1 sen = 40 meter)
en twee meter breedte door het oerwoud aan te geven, hadden drie
tot vier koelies meerdere dagen werk. Hier had ik vijfhonderd sen
te snijden dwars over heuvels en bergen, door duistere kloven, en
dikwijls was er van te voren een loop van twee uren noodig om de
plaats waar gewerkt werd te bereiken.
Pas nadat zoo'n mijnland toegankelijk gemaakt was en overal in
het rond lijnen waren ingesneden, kon met het boren van schachten,
teneinde den bodem te onderzoeken, begonnen worden.
In de vroege ochtenduren was de hemel vaak klaar. In alle kleuren
glinsterden waterdroppels op de bladeren. Een sluier van neveldampen
lag over het wouddal, waar de stroom doorheen kronkelde, naar de
wijde vlakte en de zee toe, en de lucht was frisch.
Apen turnden, klauterden en gilden op hooge doerian-boomen rond;
groote en kleine, bijna wit, met zijig haar en donkere met lichte
menschengezichten. En wanneer wij dan het woud introkken, vol
vertrouwen en sterk en een mooien dag verwachtend, dan kakelden
en kraaiden de wilde kippen en hanen, alsof wij ons niet midden in
de wildernis, doch in de nabijheid van een welvarend boerendorpje
bevonden.
Zonnestralen flitsten licht en lachend over het gebladerte van
weelderige, saprijke jungle-planten, en je voelde in de koele lucht
hoe heerlijk het vrije boschleven bij mooi weer was.
Maar eer het middag was, betrok de hemel meer en meer; dikke, door
den wind voortgestuwde wolken joegen van over de bergen aan, wierpen
hier en daar een eerste stortbui neer en het duurde dan meestal niet
lang meer of door het heele dal bruiste het neerplassen der gesloten,
tot den volgenden ochtend niet meer ophoudende regenstralen.
Dan verborg ik me afwachtend in een hollen boom of onder groot-bladerig
struikgewas, maar sedert ik eens na een onbeduidende afkoeling door
een koortshuivering bevangen was, aarzelde ik nooit lang meer en
rende naar het kamp terug, als er toch geen kans was dat het opklaarde.
Het was niets buitengewoons, dat 's avonds de een of ander van mijn
koelies koorts had; koorts die soms tot waanzin steeg, die zijn oogen
glazig-star maakte en zijn adem hoestend en fluitend, bijna rochelend
deed zijn----maar den volgenden dag was alles meestal weer goed.
In koortsverwekkende streken staan de menschen zoo in de macht der
malaria, dat ze zich zelfs niet trachten te verweren. Als de koorts
opkomt, aanvaarden ze haar even stoïcynsch als elk ander ongeluk,
dat niet is tegen te houden, rollen zich in elkaar, lijden stom en
zwijgend en wachten tot het weer over is. Dan lachen ze bijna en
kunnen niet begrijpen, dat het ze zoo stevig te pakken heeft gehad.
Ik deelde regelmatig kinine uit. De menschen kenden het en namen het
dankbaar in.
Ochtend aan ochtend trokken we naar ons werk, baanden ons een weg
door het woud, waadden urenlang door de rivier (een voetbad tot aan
en soms over den buik behoort in Siam tot het dagelijksch brood
van den geoloog), hier een beetje rond-gravend en krabbend, daar
een paar mannen bij een pas begonnen schacht achterlatend, zoekend
naar tin, erts en goud. Ieder van ons had een kokosnootschaal bij
zich, en dikwijls zat ik zelf urenlang aan het water en draaide het
waschbekken met het zand en de aarde erin net zoolang in het rond,
tot het bezonken erts alleen overbleef.
"Hier is het beter, daar is niet veel te verwachten, als we dieper
konden graven, zouden we meer vinden!" dat waren zoo de gesprekken,
die Aris en ik met elkaar hadden. De wil, om ons werk grondig
te verrichten, misschien ook wel verlangens die veel overeenkomst
hadden met die van den naar goud zoekenden avonturier, hielden ons
geheel gevangen.
Ik zat vaak in het water en vergat onder het ruischen der beek den
tijd en het eten, om van mijn vaderland maar heelemaal te zwijgen,
en als ik dan plotseling opkeek, stond het oerwoud zoo om mij
heen, de ondoordringbare, onontwarbare jungle met zijn duizenden
takken en twijgen en stammen, met zijn luchtwortels, lianen en
klimplanten-geslinger, dat het vermoeiend was en absoluut onmogelijk
leek, iets nader te willen bekijken. Of de wind schudde de boomen
met geheimzinnig gesuizel heen en weer, exotische vogels zaten aan
den oever, roode visschen zwommen geruischloos door het water, zoodat
het mij leek alsof ik een betooverde prins uit een sprookje was.
Soms hadden we goede vondsten, wanneer het erts in zwarte korrels in
het zand lag, tot groote schatten bijeengevloeid; of teleurstellingen
vielen ons ten deel------als wij na dagenlang zoeken eindelijk
resultaten verwachtten en er was niets te vinden.
Dikwijls liet ik Aris met de koelies vooruitgaan en volgde ik zelf
zoowat een uur later. Eens had ik verschillende manschappen op één
lijn aan het werk gezet; drie schachten op een afstand van telkens
honderdzestig meter werden er geboord.
Toen ik op een ochtend op de middelste arbeidsplek kwam, stonden de
arbeiders van de verst verwijderde schacht opgewonden met de andere
mannen bijeen, heftig iets besprekend.
"Aris!"--
"Toean!"
"Waarom zijn de koelies niet op hun plaats?"
"Ze kunnen het vandaag niet wagen ginds te gaan werken------tijger!"
Volgens hetgeen Aris mij vertelde, moet het er dwaas uitgezien
hebben. Toen de eerste man, klaar om met het werk te beginnen, in
het gat naar beneden wilde kruipen, snelde met luchtige sprongen een
tijger over het terrein weg. De koelie in de schacht klauterde bevend
van angst van beneden naar boven en van boven naar beneden en wist
niet, of hij nog verder in zijn schuilplaats zou wegkruipen of dat
hij weg zou hollen.
Natuurlijk werd aan deze schacht toen toch voortgewerkt. Want Siam is
in betrekking tot den tijger een onschuldig sprookjesland. Ik heb nooit
gehoord, dat er een mensch is aangevallen of zelfs opgevreten. Hoewel,
uit de sporen op te maken die je overal tegenkomt, het land vol van
dit roofdier is. Het schijnt, dat het ontbreken van uitgestrekte
gecultiveerde landstreken en plantages en aan den anderen kant het
voorhanden zijn van veel wild en groote kudden buffels, den tijger
nog niet tot driestheden, zooals in andere Indische landen, heeft
gedwongen.
Een zwarte panter kwam in een mijnstreek iederen avond tot op honderd
meter afstand van de hutten, lei zich daar als een kat op den uitkijk,
alsof we voor hem dat plekje, waar wij een nieuw huis dachten neer te
zetten, hadden kaal gekapt; en vandaar uit oriënteerde hij zich over
den hoenderhof, doch liep verkeerd, was weldra in de val en werd met
genoegen door de koelies met den koevoet doodgeslagen.
Zelf ben ik er maar één keer een tegengekomen en misschien was het
toen zelfs nog maar een luipaard. Hij lag vijftig meter van den
rijweg vandaan in het gras. Vlak er naast graasde een troep koeien
en een vrouw plantte rijst. Holloeki zei eensklaps: "kijk eens,
toean, daarginds------een kat!" en wij vonden het nauwelijks noodig
ons dichter bij den buffelwagen, waar wij achteraan liepen, aan te
sluiten, hoewel ik, zooals altijd in Siam, volkomen ongewapend was.
Toen het grenzen snijden voor een groot gedeelte gereed was gekomen,
nam ik een aantal Chineezen aan, en deze mijnkundigen begonnen volgens
de regelen der kunst gaten en gangen te graven. Voor hen werd een
hut gebouwd.
Chineezen zijn wel iets volhardender en geschikter voor regelmatigen
arbeid, maar ook veeleischender en minder opgewassen tegen de
ontberingen die het leven in de oerwouden meebrengt, dan de Siameezen.
Aris had mij van te voren als waarschuwing gezegd, dat de Chineezen
niet graag voor dezen zwaren arbeid te vinden zouden zijn, zoo ver van
alle wereld (ik moest hun behalve hun loon nog gratis te eten geven
en een Chineeschen kok voor hen huren), maar wat het overige betrof,
zou hij, Aris, de zaak wel inpikken----
Ik was niet erg verbaasd, toen ik op een dag midden tusschen het
troepje knorrige koelies een vrouwtje ontdekte.
Eerst dacht ik, dat ze bij den Chineeschen kok hoorde; maar niet heel
lang dacht ik dat----
Was dat geen dappere vrouw? Zooals zij met deze mannen in het woeste
oerwoud leefde, hun harde, ruwe leven deelde, met hen woonde, voor
hen waschte, naaide, kookte en--er voor hen was. Was dat tenslotte
iets anders, dan wanneer men een troep muildieren een----
Iederen avond trad zij met veerkrachtige schreden uit het huisje,
ging in de duisternis van het woud baden; op een keer hoorde ik haar
bij een Chineesche viool zingen en onze oerwoudnederzetting weerklonk
van haar gelach.