Telkens weer opende zich voor mij de poort naar de lichte wereld
van den jungle, waar ik, van de bedomptheid van het kantoor bevrijd,
diep kon uitademen; telkens weer vond ik een uitweg daarheen, waar
van de woelige haast van het bedrijf niets meer te bespeuren was
en de waardebepaling van zakelijke spitsvondigheid hoegenaamd niet
meer bestond.
Ook in Siam speelt de tegenstelling tusschen stad en land een
groote rol. Voor alle oppervlakkige menschen is de stad de zetel
van het schoone, rijke en aangename, terwijl de provincie met haar
eenvormigheid van levenswijze en de ruwheid van het dagelijksch werk
laag in ieders gunst staat, ook in die der Siameezen.
Misschien wordt daarbij nog meer dan bij ons uiterlijke pronk en sier
voor goede munt aangenomen.
Aris stond wat zijn psychisch crediet aanging hoog bij mij
aangeschreven, omdat hij begreep dat de stad niet heelemaal waar
was. "Ik hou niet erg van Bangkok!" zei hij vaak tegen me, maar
precies ben ik de reden voor zijn afkeer tegen Bangkok nooit te weten
gekomen. Ik weet niet, wat voor een verschrikkelijke gebeurtenis,
die hij daar beleefd had, niet meer uit zijn herinnering weg wilde.
Maar hij was daarom heelemaal geen man om een kluizenaarsleven te
leiden, integendeel. De kleine dorpen koesterden zich in zijn liefde.
Met Holloeki was het in dit opzicht net omgekeerd. Als die maar altijd
in het gekrioel zijner Chineesche broeders kon wegdompelen! Dikwijls
zag ik hem peinzend, den hoed achter in zijn nek, in zijn gele zijden
broek langs de winkels zijner landgenooten slenteren, alsof de eeuwige
Zondag aangebroken en alle werk voor goed voorbij was.
En als hij mij dan wel eens toevallig ontdekte, als ik in een auto
of in een riksha voorbijreed, dan groette hij beleefd en fijntjes,
ik lachte zachtjes tegen hem, hij glimlachte terug, en dan wisten we
allebei, dat we voor het oogenblik de wildernis en ons harde leven
volkomen hadden vergeten.
Al de keeren dat ik in Bangkok geweest ben bij elkaar gerekend, heb ik
verscheiden weken in de hoofdstad van Siam doorgebracht.... heelemaal
achterin de Chineesche wijk, waar de huizen en hutten, de
opslagplaatsen, booten en vlotten in hoekige paalbouw-straatjes bij
duizenden opeendringen.
Op alle tijden van den dag en van den nacht ben ik per auto, in de
door den koelie voortgetrokken riksha, te voet of op alle mogelijke
soorten van scheepjes door de smalle wegjes en doorgangen gekomen,
waar het als in een mierennest van leven krioelde, dikwijls laat in
den nacht van het Europeesche hotel naar huis gaand, heel alleen in de
duistere, door laatste, geheimzinnig wegsluipende gestalten bezochte
straatjes en steegjes.
Maar belangrijker waren mijn tochten overdag. Telkens weer brachten
deze mij door het oud-roestslopje, dat ik om redenen van doelmatigheid
zoo doopte.... omdat daar heele rijen kramen met ouden rommel stonden.
Als ik daar doorheen reed, leunde ik altijd heel ver achterover
in een hoek van de riksha en gluurde in alle hutten naar binnen,
waar uit hoopen oud roest Chineesche madonnagezichten verstandig
de straat opkeken, waar zelfs in de gebuktheid van den ouderdom nog
veel vrijheid te bespeuren was, en waar spiernaakte gele Chineesjes
tusschen scherven en afval gewillig en in argelooze onschuldigheid
hun eerste verplichtingen jegens het leven volbrachten.
Mooie Chineesche jongelingen in blauwe of zwarte broeken--anders niets
aan--op den middag van hun leven staand, rug en buik vol kracht,
werklieden met lichte oogen werkten er bij troepen; lastdragers,
roeispaanschavers, zeilmakers, tobbenmakers, timmermannen met
hun propere ambachten, of, luidruchtiger en minder edel bezig
diegenen, die zich met het gladmaken van deuken in oud golfijzer een
bestaantje hadden weten te verschaffen dat hun genoeg opbracht om te
leven. Honderdduizenden van nijvere armen en beenen werkten, sjouwden,
klapten, liepen, hamerden, smeedden daar dag-in dag-uit in wedstrijd
met elkaar voor hun eigen welzijn en dat der heele menschheid.
Lange reeksen winkels en werkplaatsen groeiden van het eene bezoek dat
ik in de stad bracht tot het andere als uit den grond op, getuigend
van welstand en geluk. Hoeveel menschen er ook waren, ieder had geluk.
Zeer weldadig werkte het op mij, te zien, hoe de vrouwen
meededen. Stralend, helder en gezond gaat juffrouw Dawkay als een
zon door het huis, werkt mee, slaat vlug een lachenden blik hier op
dit karwei, geeft gauw even een goeden raad daar; en de Chineesche
huisvrouw in de kloeke schoonheid harer eenvoudige kleeding leek mij
vaak als een garantie om goed te slagen.
De Chineesche vrouw is voor mij de "vrouw"! Nooit zag ik zoo het
"gezin", nooit zoo "moeder en kind." Ja Seng, ja Tjong Sie, dacht ik
soms, ik voel wel waarom je zoo vroolijk bent.
En ik kan mij geen gelukkiger, harmonischer beeld van menschelijke
gemeenschap voorstellen, dat beter een opgang en een toekomst van het
menschdom weergeeft, dan zoo'n werkdag in het roestige paradijs, zooals
ik al heel gauw de heele stoffige buurt rondom het oud-roestslopje
noemde.
Hier, in deze opeengeperstheid, waar de menschenlevens zoo dicht als
nergens anders zijn gezaaid, had ik dikwijls het gevoel:
O, hoeveel menschen zijn er toch! Hoeveel duizenden, die zonder
grootere zending door het leven moeten gaan! De goede god, die over
dit menschenleger waakt, moet er een zuivere boekhouding op na houden;
of wel, er kan hem onmogelijk veel aan gelegen zijn, of er een meer
of minder is, leeft of te gronde gaat!
Zulke gedachten maakten mij dikwijls heel vrij. Omgekeerd had ik
nooit stelliger de overtuiging, iemand te zijn en boven het gemiddelde
mijner omgeving te staan, dan hier. Zonder dat ik mij daarop te veel
liet voorstaan. Onbehaaglijk boven alles uitstekend voelde ik mij,
alsof ik aanstoot gaf, weerzin en afgunst verwekte, of den mallen
indruk maakte van een gans in een kippenhok.
Arbeid is noodig om te leven! dacht ik ook. Maar geen aftobbende,
geestdoodende, want zinnelooze en doellooze arbeid. Want net zoo
veelzeggend waren voor mij de beelden, welke ik 's avonds zag, als de
poorten der werkplaatsen zich sloten, als de Chineesche papa's met
hun jongste op den arm, naakt tegen naakt, rondliepen, duidelijk de
uitdrukking van volmaakte tevredenheid in het gezicht.
Wanneer de koelies zich rond den rijstketel neerzetten om
gemeenschappelijk te eten, hun bronzen lijven frisch gebaad,
en Chineesche muziek in haar vage zonnigheid zoo afgekeerd van en
verheven boven elke kwaal en alle leed, van de Menam, de heilige
moeder der golven, aanvloeide.....
Ik kan nu nog wijsjes fluiten die ik daar op de dubbelsnarige viool
gehoord heb, en ik doe dat iederen keer, wanneer mijn gedachten
teruggaan naar Bangkok (dat is altijd een veeg teeken), wanneer de
herinnering weer in mij wakker wordt aan de avonden, waarop ik een
stad zag, die geen stad is, waar, niettegenstaande schijnbaar wanhopige
overbevolking toch het sociale vraagstuk is opgelost, waar de nadeelen
van onze steden ontbreken, ja zelfs voordeelen worden en in prachtige
harmonie tot een bijna volmaakte gelukkigheid der gansche stad leiden.
Van al deze mooie avonturen en ervaringen weet ik pas sedert kort
iets af, sinds ik weer in het arme bange Europa terug ben. Eigenlijk
begin ik nu pas Bangkok van het juiste standpunt te bezien. Zooals
in alle groote steden raakte ik daar eerst de kluts kwijt, nam
toevalligheden voor ernst op, kon het contact met de werkelijkheid
niet vinden; terwijl buiten in de dorpen het leven mij veel sneller
opnam en naar al wat waar was en belangrijk toedroeg, omdat daar de
omgang en het verkeer met jan en alleman, van het dorpshoofd af tot
den eenvoudigsten daglooner, onvermijdelijk was of zelfs noodig.
Op avonden, die ik gedurende de reis in dorpen of eenzame gehuchten
doorbracht, kwam met onderdanige regelmatigheid na het eten Aris,
vol verwachting, vragend op mij toe:
"Toean wil je nog een wandelingetje maken?"
Hij had dadelijk opgemerkt, dat ik graag in zijn gezelschap pratend
van de eene hut naar de andere gaand, wat rondkeek.
Wij vonden altijd heel snel het bezienswaardige, de stille, vaak
heelemaal tusschen de boomen weggescholen tempels met hun krullerige
versierselen en de gele figuren der priesters met hun harde gezichten
eronder; de markt; verstandige menschen, die ons over ertslagen in de
omgeving wisten in te lichten of wier vriendschappelijke gezindheid
ons op een andere wijze van nut kon zijn. Geduldig wachtte Aris halve
uren lang, wanneer zijn heer, voor hem weliswaar onbegrijpelijk, maar
toch zeker over een of andere belangrijke aangelegenheid zwijgende
samenspraken hield met een der rood-goudige boeddhabeelden in een
tempel. Hij, als Mohammedaan, wien een Boeddha niets aangaat, wist
wel, dat ook onze Europeesche God niet deze hier was, dien de toean
vaak zoo verliefd naliep, maar hij had zich er allang aan gewend,
in mij den "toean poetih"--"den blanken heer" te zien, dien men
rustigjes in zijn eigen vet moest laten gaar koken.
Maar toch flitste er telkens iets als een verlossing brengend
weerlicht over zijn donker gezicht, als de tempel en de zakelijke
onderhandelingen afgeloopen waren en hij het eindelijk dorst te wagen,
ook van zijn kant met een voorstel voor den dag te komen (altijd
met hetzelfde): "Toean ik weet een heele mooie vrouw; wil je haar
zien....!?" En dan was zijn voorraad vriendelijke zoete benamingen
voor zijn schoone vrouw onuitputtelijk:
"Ze heeft een huid die zoo zacht is als die van een ree; ze heeft
borsten als melkkoekjes...."
Of omgekeerd, waarschuwend en ontdaan:
"Tida bai--Die is niet goed, dor en hard...." Alle menschen maakten
het zich tot een aangename plicht, mij in die huizen te brengen,
waar jonge mooie meisjes woonden. Dat is om zoo te zeggen Aziatisch
eerbetoon jegens den vreemden heer.
Dikwijls ontving ik bij mij thuis bezoek. Menige, misschien voor
het welzijn van haar kind al te bezorgde, donkerhuidige (of ook wel
gele!) moeder kwam om mij haar dochtertje te laten zien, trad met een
sierlijke buiging bij mij binnen, de handen als in gebed met de palmen
tegen elkaar aangelegd en gracieus ter hoogte van haar gezicht geheven:
"Nai hang sa bai--Heer, hoe maakt gij het?"
Ze deed dat meestal met zulk een natuurlijke overgegevenheid,
dat de gedachte aan onderworpenheid hierbij heelemaal niet in mij
opkwam. Bruinen betuigen hun heer hun eerbied, niet omdat ze bevreesd
voor hem zijn, maar wel omdat zij bij zichzelf denken: als wij hem
nederig tegemoet treden, zal hij goed voor ons zijn.
Op alle uren zochten de menschen mij op, en alleen de etenstijd was
heilig voor hen. Nooit zou iemand het gewaagd hebben, mij aan te
spreken, als ik aan den maaltijd zat. Vooral de vrouwen namen het in
dit geval erg precies. Als een bezoekster te vroeg kwam en er werd
gezegd: mijnheer eet!--dan hurkte ze heel bescheiden en kleintjes
ergens in een hoek neer. Eten.... o heerlijke levensopvatting! is
bij deze menschen een soort offer, aan zijne heiligheid het lichaam
gebracht "Kin kan leeeee-oe?--Heb je je rijst al gegeten?" is de
Siameesche vraaggroet 's ochtends, 's middags, 's avonds en altijd.
In afgelegen dorpen waren menschen, die opzettelijk telkens juist op
etenstijd in mijn huis kwamen, het goedkoope schouwspel sprakeloos en
met welbehagen, soms ook met iets als een stil afgrijzen genietend,
omdat ze maar niet konden begrijpen, dat een mensch ook nog van iets
anders kon leven dan alleen van rijst en Spaansche peper.
Zelden dorst een vrouw meer dan met haar oogen te spreken. Het
brutaalst waren ook in Siam, zooals trouwens overal op de heele wereld,
de grootmoeders. Ze mogen zich ook daar meer veroorloven dan jonge
meisjes. Van welk recht zij dan ook heel vaak graag gebruik gemaakt
zouden hebben.
Ik moest altijd van de hoofdstad vertellen. Zoo'n schitterende, blanke
heer kon alleen in Bangkok thuis zijn, meenden deze menschen, en in
zooiets als een paleis wonen, en natuurlijk zou hij er veel moois en
heerlijks van weten te vertellen. Maar niet van mijn ontdekkingen en
waarnemingen, waarover ik straks al schreef, maar van onschuldiger
dingen moest ik den woud- en dorp-Siameezen vertellen: van de tempels,
van de electrische tram, van de groote prachtige Europeesche winkels en
van het koninklijk paleis met de witte olifanten. Iets anders, dat hun
altijd veel stof tot nadenken gaf, was mijn burgerlijke stand. Hoeveel
vrouwen ik had, vroegen ze met een gezicht vol verwachting, waarin
het antwoord: Wel een stuk of tien! al duidelijk gegrift stond. En
als ik mij dan veroorloofde tegen zoo'n bruine, rimpelige grootmoeder
eens lekker een beetje op te scheppen en haar van mijn twee dozijn
vrouwen vertelde en van mijn een-en-vijftig zoons en dochters, dan
kwam dit ongeveer overeen met dat wat van een prins uit Bangkok viel te
verwachten; en dit feit verhief mij dan hoog in aanzien in hun oogen.
Terwijl ik in het begin in Siam altijd dadelijk naar de binnenlanden
snelde op mijn onderzoekingstochten, had ik later geleerd, hoe nuttig
het was, eerst met de dorpsbewoners te praten en alles nauwkeurig te
overleggen, voordat ik de oerwouden introk.
Aan dergelijk voorbereidend werk werden daarom zoo nu en dan een paar
dagen gewijd. En Aris verstond uitmuntend de kunst, de geschikte
gastheeren voor mij op te sporen; het waren meestal eenvoudige,
maar goed op de hoogte van het land zijnde lieden. Bezoeken werden
ontvangen, informaties ingewonnen en zonder dat ik er mij zelf
eigenlijk veel mee inliet, vernam ik door middel van Aris meer
van het waardevolle land in den omtrek dan wanneer ik, zooals de
andere blanken, heel officieel bij den gouverneur was afgestapt. En
bovendien bevond ik mij dan op zoo'n plek zonder opzien te baren,
als het ware zonder veel gewicht te hechten aan mijn verblijf daar,
wat in mijnstreken, waar alle menschen langere ooren hebben dan ergens
anders, ook van buitengewoon veel voordeel was.
Deze uren behoorden tot de heiligste die ik in Siam heb doorgebracht:
op bezoek te zijn in een eenvoudig huis bij wakkere landlieden.
Te zien hoe goed, hoe vriendelijk en gelukkig het in zulke hutten
toeging, waar ongeschreven wetten gehandhaafd werden en bij vroolijke
gesprekken veel natuurlijke geestigheid en gezond verstand tot uiting
kwam. Waar zoozeer in tegenspraak met mijn verwachtingen alles veel
ordelijker, nobeler en gezonder toeging, dan ik ooit gewaagd zou
hebben te veronderstellen.
Ik moet dat telkens weer vaststellen, al zou ik ook in de oogen mijner
medemenschen met een geweldige spade den laatsten vasten grond onder
mijn voeten weggraven.
Het is niet het dierlijke gebod: Mensch, ga onder wilden wonen! maar
wel het overtuigd zijn van de goedheid, want echtheid van al wat ik
in de Siameesche dorpen gezien heb. Ik weet daar, dat de dingen zijn,
zooals ik ze zie.
Ik zou natuurlijk nooit willen bestrijden, dat er niet iets edelers
bestaat dan deze kinder-onschuld van het Oosten en geef onmiddellijk
toe, dat een dier geestelijk-fijnzinnige vriendschappen, zooals
ze hier wel voorkomen, hooger te schatten zijn. Maar wijl helaas
al het geestelijke en psychische in ons leven in verhouding tot de
eeuwigheid zoo kort is, als de Zondagen in den langen loop van het
jaar,--en wijl er bovendien, naar het mij schijnt, bijna altijd iets
van onwaarschijnlijkheid aankleeft, bekruipt mij bij al het schoone,
dat ik in de onnatuurlijke wereld "Europa" tegenkom, steeds het meer of
minder zekere gevoel: Pas op, te mooi om waarachtig en levend te zijn!"
Misschien spruit het hieruit voort, omdat dikwijls juist bij
de teederste vriendschappen en fijnst gesponnen verhoudingen tot
evenmenschen het levenspitje zacht, maar plotseling uitgaat, zooals
bijvoorbeeld bij een tuberkuleuze vrouw, van wie een dom-wreed noodlot
vergt, dat ze kinderen baart.
Er zijn ook in Siam zulke achtenswaardige families, waar een
klankrijke naam vele generaties lang van invloed blijft, een soort
waardigheid, die niet aan uiterlijke titels of rijkdom beantwoordt,
doch in den aard der menschen zelf haar oorsprong vindt. De dagen,
die ik in Siameesche dorpen doorbracht, waren voor mij vol feestelijk
tot-inzicht-komen en kennis vergaren, dagen waarin ik stemmingen en
verhandelingen wilde neerschrijven, als: "Wij menschen en het geluk",
"Het Paradijs" en zoo voort.
Altijd moet ik weer terugdenken aan de zalige tijden, die ik (om maar
een te noemen) in het huis van den P'hoe yai [1] Ming heb doorgebracht.
Ming was dorpsdokter, Siameesch wonderdokter van beroep en zuiver
menschelijk beschouwd was hij Moeans vader. Moean zong, als ze
praten wilde.
Eens op een nacht bereikten wij per motorboot K., een hoofdplaats in
de provincie, waar ik eenige dagen wilde blijven, om inlichtingen te
verkrijgen en een expeditie in de streek voor te bereiden.
Men bracht mij (ik weet niet wie) in het huis van een Chinees (ik
heb nooit begrepen, hoe hij tot deze eer kwam), ik klauterde een kort
kippenladdertje op, stapte over een stuk golfijzer dat de deur moest
voorstellen, een gezin schoof bij den droeven schijn eener lamp zijn
lichte stroomattenbedden op zij, Aris zei: hier is het goed, en ik
was er.
Het dorp K. was beroemd om zijn met de hand geweven zijden doeken,
en op zoek naar zulke doeken kwam ik op een dag toevallig in het
bereik van Ming en Moean.
Toen ik in gezelschap van Aris mijn eerste visite bij Moean maakte,
lag snurkend een robuuste kerel op het erf voor het huis, van wien ik
zoo op het eerste gezicht de grootste krachttoeren verwachtte. Maar
het bleek al heel gauw, dat hij aanzienlijk onschadelijker was,
dan hij er uitzag.
Toen vroeg Aris naar doeken, doch Moean lachte; ze had maar één mooien
p'ha nong en dien kon mijnheer niet goed meenemen, omdat zij hem net
aanhad. Alle andere doeken waren afgedragen. Die mocht ik meenemen
als ik dat wilde. Maar dat wilde ik niet en ik zei lichtelijk benauwd,
omdat Moean zoo mooi was, tegen Aris: Laten we maar gaan! en toen hij
over dit haastige vertrek ontstemd werd, verklaarde ik doodeenvoudig:
Als ik een doek wil koopen, wil ik alleen een mooien doek koopen!
's Avonds kwam ik terug. Nu was Moean niet alleen, doch haar vader Ming
en Meh Pioe, haar moeder, allebei bejaarde menschen, zaten ernstig
en eerbiedwaardig bij haar, en ik voelde me als iemand, die komt,
hoewel hij weet, dat hij niet komen moet.
Kom boven! zei de vader, en ik beklom de ladder. Het komt dikwijls
voor, dat men vreemden beleefd verzoekt binnen te treden hoewel men
ze eigenlijk de deur zou willen wijzen.
Ik voelde me niet op mijn gemak. Niemand sprak, en toch leek het
me alsof iedereen wist waarom ik kwam. Eindelijk zei Aris: Om den
doek!.... Omdat Moean zoo mooi is, moest ik aldoor denken.
Ming en zijn vrouw zeiden niets. Moean zweeg en rolde dikke sigaren uit
bladeren, waarin ze binnenlandsche tabak stopte. Ze had nu een paar
kettingen om, die waren als zilverdroppels; lange, lange kettingen,
die ze tweemaal om haar bruinen hals kon winden en die toch nog ver
over haar borst afhingen.
Toen ik zelf schuchter om mijn doekje smeekte, glimlachten Papa en
Mama en vooral Moeans twee kleine broertjes moesten lachen; die konden
dat gedoe om zoo'n doek heelemaal niet begrijpen.
Pas toen er in den loop van het gesprek een paar grappen, die geen
gekheid, maar bittere ernst waren, werden gelanceerd, kreeg ik mijn
evenwicht terug.
Mama zei: Het mooie kleedingstukje wilden ze onder bepaalde
omstandigheden wel verkoopen, als mijnheer geen gedragen doek wilde
meenemen, maar.... Het verheugde haar dat mijnheer haar deze eer
aandeed en zoo voort maar.... Zooals goede moeders dat weten te doen,
deed zij mij allerlei beloften, welke mij het recht gaven alles wat
heerlijk was te hopen, doch die zij met wreeden wellust telkens door
een "maar" weer bijtijds uit den weg ruimde.
Terwijl Moean mij uitlegde hoe het spinnewieltje werkte en proeven
van haar bekwaamheid ten beste gaf, heel lief en heel aardig--Meh
Pioe zei trots: mijn dochtertje vreest den blanken heer niet (wat
klonk als een uitnoodiging)--vroeg ik naar den prijs.
"Veertig tikal!" zei de oude vrouw, en meteen daarop glimlachte ze
preciseerend, "maar ik geef den doek alleen met het meisje erin.... dat
wordt dan tachtig tikal."
Terwijl ik weinig welwillendheid zou voelen jegens een Europeesche
"moeder met prijslijst", begreep ik in dit geval toch heel goed,
dat Moean deze tachtig min veertig = veertig tikal waard was.
Op het paalwerk der veranda zat de schoone, werkte met bronzen
handen en voeten, spon en lachte daarbij; tusschen de spitse schuine
daken onder den open hemel en over de verre af-geoogste, met gele
stroostoppels neerliggende velden glansde bleek de maan. De lucht was
mild en vol gevonkel en gekruid door de geuren van den heeten dag die
pas voorbij was--en mijn hoofd duizelde van louter Siameesche getallen
en cijfers. Toen lachte Ming met een veelbeteekenend ondoorgrondelijk
gezicht, half uitnoodigend, misschien niet zeer verheugd of misschien
zelfs wel dreigend:
"Als gij, heer, hier werkelijk komt werken, dan kun je Moean krijgen!"
Maar toen ik onder duizend zoo ernstig mogelijk bedoelde eeden
bezwoer, dat ik spoedig terug zou komen en dan in de buurt een huis
zou neerzetten, of hij me Moean maar vast wilde geven, ze kon nu juist
met me mee, en het kostbare doekje zou ik hem terugsturen, zoodra
ik een ander, nog veel mooier voor haar had gekocht------toen ik zoo
welbespraakt als nog nooit te voren mijn stelligste verzekeringen gaf,
deed mama opeens als een doodgewone beleedigde mama en zei kort en
streng: "Plau--daar komt niks van in!"
Later trok ik in Ming's huis om daar te wonen (omdat Moean zoo mooi
was), zoodra "meneer de dokter" zich ervan overtuigd had, dat ik
niet heerschzuchtig was en ook niet iets onpassends poogde gedaan te
krijgen. Siameezen zijn dikwijls bang voor menschen die hooger staan
dan zij, omdat in hun absoluut despotische land iedere hoogere bijna
onbegrensde macht heeft over degenen die lager staan dan hij.
Toen Aris hem van allerlei had wijsgemaakt: "Ming, mijn toean vraagt je
om raad in betrekking tot de mijnen; jij kent het land en bent wijs,
hij zal je beloonen, als je hem helpt"... kwam er tenslotte toch nog
een heel aardige vriendschap tusschen ons tweeën tot stand.
Alle Siameesche bamboehuizen lijken op elkaar. Op hooge palen een ruim
hoofdvertrek, daarnaast een paar door zwakke, doorzichtige schotten
afgedeelde kamertjes, van stoelen en tafels meestal geen spoor,
hoogstens een paar kisten en koffers en in een hoek van het hoofd-
en ontvang- en bijna openbaar vertrek, twee of drie bestofte Boeddha's.
Zoo was ook het huis van Ming.
Ming zelf was een kostelijke man. Tegen zijn verzorgde, donkerbruine
lichaam teekende zich het witte borst- en hoofdhaar glanzend
af. Hij droeg alleen een doek, altijd van dezelfde kleur, van
hetzelfde schreeuwende hemelsblauw, als wij het in Zwitserland van de
buikgordels der Italiaansche grondwerkers kennen. Losjes omgebonden,
plooien werpend en meestal met artistieke nonchalance den navel
vrijlatend------scheen Ming begrepen te hebben, hoe uitmuntend dit
blauw bij zijn grijzen, waardigen schedel op het gespierde lichaam
paste.
En Moean was een echte dochter van haar vader. Ik heb haar als
kunstwerk gewaardeerd en bewonderd als zelden een vrouw.
Eenvoudigweg, als iets dat volkomen was. Als voor de menschen op de
wereld neergezet door God, den kunstenaar in den hemel. Aanschouw
en aanbid. Voel, begrijp, dat er iets heerlijks is, dat rechtstreeks
van mij komt.
Je hoeft er alleen maar te zijn, dacht ik, je huiselijke bezigheden
te verrichten, te koken, bamboematten te vlechten, rijst te
stampen.... als je mij maar laat toekijken.
Sta me toe, bij je te zitten en door jouw aanblik allerhande dingen
te vergeten. Laat mij je in gedachten in den nek kussen, laat mij
met gespreide vingers door je korte haar glijden, antwoord met je
klinkenden lach op mijn gezegden.... maar, blijf hier.
Wees er alleen voor mij, zooals Mata hari er is voor den jungle!
Telkens wanneer Moean uit den tuin kwam of van den arbeid op het land,
ging ze naar den hoek van het huis, die de keuken voorstelde en wiesch
met een vluggen straal water haar voeten. Ze deed dat als een echte
dame in Europa, die bij het binnenkomen in haar villa van schoenen
wisselt. Dan zocht ze naar versche betelnoot en zag mij aan:
"Nai hang sa bai?" Heer, hoe gaat het met je?
Het is me, alsof de eerste de beste ruwe stalknecht de prachtige
aaa-muziek in dit zinnetje moet hooren.
"Moean is zacht!" zei Aris eens en verdraaide daarbij zijn
oogen. "Moean is goed."....
Terwijl in de donkere helft der maand de menschen na het avondeten
met de kippen op stok gaan, wandelt in maanlichte nachten het heele
dorp vaak tot laat na middernacht rond. Schimmenvoorstellingen,
door eenvoudige muziek begeleid, worden op de dorpspleinen gegeven;
de jonge mannen trekken naar de hutten der schoenen toe en de ouderen
verzamelen zich tot betelkauw-kransjes en vertellen elkaar telkens
en telkens weer opnieuw de avonturen, die ze in de wouden, op zee,
in de hoofdstad in den loop der jaren hebben doorgemaakt.
Aris wijdde mij dikwijls volkomen in alle familiegeheimen in. Niet
alleen vernam ik de namen van alle menschen, dat was nog het minste,
hoe moeilijk ik deze soms ook kon onthouden, hoe zeldzaam ze ook waren.
Het is niets buitengewoons, dat in Siam een doodgewone kerel "Maan"
heet, of "Zon"!
Om moeilijk uit te spreken namen toegankelijker te maken, voerde ik
bij mij, in mijn eigen wereld, wel eens benamingen uit mijn dagboek als
omschrijvende hulpnamen in, zooals je bij algebra onoverkomelijkheden
door allerlei ezelsbruggetjes memoreert.
Op een dag teekende ik op: Vandaag ontmoette ik voor den tweeden keer
"Heerlijk-natuurlijke vrouwen zijn er onder deze bruine menschen";
of wanneer Aris over juffrouw X of Y sprak, dacht ik onveranderlijk
aan "maar omdat er mos en andere vlekkerige dingen op haar borst
groeiden."....
Een in den glans harer valsche diamanten en gouden kettingen, zilver
en feestsieraden schitterende dame droeg een naam, die alleen in het
Fransch uitgesproken decent genoeg is om herhaald te worden--Madame
Constipée.
Doch daarnaast komen ook net zulke namen voor als bij ons mijnheer
Zwart, mijnheer Rood, mijnheer Vogel, mijnheer Wagenmaker, mijnheer
Meester.... en zooals koelies meer heeten.
Niet zeer passend leek mij de naam van een klein, tweejarig,
kaal-geknipt meisje: "Juffrouw Haar."
Een ander meisje, dat er weliswaar Siameesch-donker uitzag, doch in
wier oogen men de medewerking van een Chinees bij haar ontstaan kon
lezen, werd door haar moeder kortweg "Chineesje!" genoemd. (Zij moest
immers wel weten waarom.)
Meh beteekent in het Siameesch vrouw (moeder). Meh [2] sao is een
kuische vrouw--een meisje. Aardig is de uitdrukking meh mai, dat is een
"nieuwe vrouw," een weduwe of gescheiden vrouw, kortom, een vrouw met
"nieuwe" mogelijkheden (om te trouwen).
Maar niet alleen dit alles vernam ik in de dorpen, ook veel intiemere
dingen. Van slechte moeders, van wie ik dat nooit gedacht zou
hebben; van gierige Chineesche vrouwen en omgekeerd van onooglijke,
onopvallende maar zeer achtenswaardige mannen.
In Ming's dorp woonden ook veel Chineezen.
Het is een geluk voor Siam, dat het de Chineezen in zijn land
toelaat. In ieder dorp, dat ik op reis ontmoette, overal waar gewerkt
werd, lag het werk in handen van Chineezen. Zij zijn de handelaren,
zij zijn de visschers, zij zijn het die de ontwikkeling vlijtig
bevorderen en zij trekken en sleepen de trage oerwoudmenschen en
boeren, de Siameezen, mee.
In ieder dorp zijn de hutten der Chineezen te vinden, op elke rivier
drijven hun woonschuiten, overal zijn zij doelbewust aan het werk.
Chineezen en Siameezen kunnen goed met elkander overweg, vooral de
mannetjes met de vrouwtjes.
Doordat ik jarenlang diepgaande studie heb gemaakt van de
erfelijkheidskwestie en rassenbiologie--het is eigenlijk om te lachen,
wat een mensch niet allemaal in den loop van zijn leven doet--zag ik
misschien iets beter en duidelijker deze buitengemeen interessante
voorbeelden van kruisingen dier twee menschsoorten en de resultaten
daarvan.
De Siamees is het donkere, trage, grove, breede boeren- en
woudelement. De lichtere Chinees brengt bij de kruising een zekere
fijnheid mee, geestelijke perfectionneering en rasverfijning en geeft
zijn nakomelingen temperament en beschaving.
In de gemengde generatie ontstaan daardoor menschen, die ongeveer
het gemiddelde van Siamees en Chinees zijn.
Pas in de verdere generaties doen zich dan gesplitstheden voor,
mozaïek-menschen, wier eene kenteeken Siameesch is, terwijl andere
Chineeschen invloed verraden.
Zoo kan het gebeuren, dat er 1/4 China-3/4 Siam-menschen, vooral
vrouwen, ontstaan, die beeldschoon zijn en in wie werkelijk ras zit.
Men moet deze in de intiemste kamertjes van Chineesche groote
heeren en kenners zoeken, waar ze enkel en alleen als siervogeltjes
worden gehouden en gekoesterd en verwend en dat ik haar rustig liet
begaan. Tenslotte was ze toch ook Moeans moeder.
De grootmoeder was het, die 's avonds den laatsten tocht om het huis
deed en een stang als afsluiting onder de deuropening stak, zooals
bij ons een muizenval wordt opgezet.
Pas nadat ze al haar plichten van iederen avond had volbracht, lei
ze zich op één oor, keek nog een heele poos met groote, open oogen
naar het dak op en wachtte geduldig tot de slaap ook aan haar dag
een einde maakte.
Op zulke avonden gebeurde het wel, dat de oude Ming, zijn bruinen
buik streelend, tegen den muur lag en telkens over zijn heele gezicht
grijnsde, als hij zag hoezeer zijn dochtertje bij den blanken heer
in den smaak viel. En wis en zeker strekte hij zich vaak op zijn mat
uit met de stellige overtuiging en met de blijde gedachte: Iets goeds
heb ik toch zeker in mijn leven tot stand gebracht.
Doch bij al dezen paradijs-achtigen eenvoud van leven, niettegenstaande
alle deurloosheid en onbetrouwbaarheid der bamboeschotten,--en hoe
schilderachtig-onzedelijk volgens Westersche begrippen de heilige
familie--en ik er midden in--zich op den kamervloer ook uitstrekte--een
prachtige als het ware innerlijke wet, een onzichtbaar in de menschen
zelf liggend iets hield juist daar bijna elk onbetamelijk woord en
elke dubbelzinnige daad terug, waar men volgens de onhoudbare meening
van Europeesche begrippen chaotisch rondtastende, blind-woelende
dierlijkheid zou mogen verwachten. Zedelijkheid en welvoegelijkheid,
dacht ik, is het handhaven van in een bepaalde menschelijke
gemeenschap als practisch en noodzakelijk of wenschelijk geoordeelde
levensopvattingen en wetten.
Beschaving schijnt het niet-handhaven van deze dingen te zijn.
Het is een paskwil van het Westen, den sensitieveren, nerveuzeren
mensch van het avondland nog wetten voor te schrijven, die veel
veeleischender (ja, ronduit hopeloos) zijn, terwijl hij minder in
staat is, ze na te komen.
Mijn fantasie en al mijn vooroordeelen speelden me soms dwaze parten.
Op een nacht lag ik op mijn matrasje, terwijl Moean en haar zuster
lachten en gichelden in het kamertje ernaast. De deur stond enkel
aan. Ming was er niet; hij sliep bij familie, hadden ze me gezegd;
en dat was zoo vreemd,--dat ik opeens dacht: "Waar ben ik....?.... ben
ik niet in Siam?"
Ook Aris was weg en Holloeki wist eigenlijk niet goed wat hij me
zou raden:
"Ja, toean, misschien is het goed als je naar binnen gaat. Maar
misschien ook niet. Misschien zouden ze je graag je hoofd willen
afsnijden!"
Op zulke avonden voelde ik me vaak diep-gelukkig en dood-ongelukkig
tegelijk over mijn besluitelooze, geheel onder den dwang van mijn
opvoeding staande, doch van nature oneindig vrije en avontuurlijke
wezen....
>Dat zijn de gevaarlijke dagen en nachten voor den blanke, die zich
aldoor dieper in deze nieuwe sfeer inleeft, wanneer hij dreigend
en onvermijdelijk het uur voelt naderen, waarop er plotseling
iets in tweeën zal zijn tusschen hem en al de heerlijkheden van
Europa welke hij tot dusverre als zijn hoogste bezit in zijn hart
heeft bewaard. Wanneer zijn oude philosophie en wereldbeschouwing
plotseling aan scherven voor zijn voeten liggen, een nieuwe godheid
voor hem wil opstaan, waartoe hij zich aangetrokken voelt, maar die
toch nog zoo nieuw, zoo vreemd en zoo wonderlijk is, dat hij pas heel
langzaam vertrouwen in haar begint te krijgen en een horde van elkaar
tegensprekende gedachten zijn arme ziel in oneenigheid verscheuren.
Wanneer de kartelige silhouetten van wanordelijke palmwouden met
romantisch lokkende hutten en menschengestalten erin, zich dieper
in zijn verbeelding beginnen te griffen en het hem is, alsof de kale
nuchtere straten met de strakke huizen en al die rechtlijnige dingen in
Europa zijn tot in het onmetelijke gegroeide honger naar al wat echt
en schoon en natuurlijk is, nooit meer zullen kunnen stillen. Wanneer
hij zònder deze kleurige beelden niet meer leven wil!
O, in de tropen grijpt het leven den blanken man onbarmhartig aan en
het jaagt hem naar een in hemdsmouwen staande of zelfs nog naaktere
levensopvatting toe. Ik zou willen zeggen: Dat is meer dan bestendig
aan levensgevaar blootgesteld te zijn. Je wilt dat beetje moeizaam
verworven beschaving toch niet aan het Oosten prijsgeven----
Een eindeloos geschermutsel tusschen het bekrompen: "Europa en al wat
ik heb aangeleerd niet op te geven--" en het heftig dringende "deze
heele, nieuwe wereld grondig te leeren kennen--" was er aanhoudend
in mij gaande.
Tot ik bevreesd begon te worden, mij als betooverd voelde, het mij was
of ik ondanks mijzelf de rol vervulde van den held in een avontuurlijk
sprookje, tot ik niet meer ik was, maar een bijna willoos, door buiten
mijzelf omgaande machten gehanteerd werktuig. Tot ik begon te zeggen:
"Tida apa!--Vooruit dan maar!" en dacht: "Leven, je bent wonderlijk,
doch neem mij dan maar, als het niet anders gaat!"
Tot ik mij gewillig in mijn lot schikte, dat mij gebiedend naar het
hevigst avontuur drong, met de verontschuldigende gedachte: Want ik
ben als het potlood in de hand van een verdwaasden god, die, al wat
zijn strenge gebieder hem zal voorhouden, voelbaar, tastbaar zal maken.
Sinds ik uit het Oosten ben teruggekeerd, word ik verscheurd door
chaotisch door elkander woelende, elkaar wederkeerig opvretende
levensopvattingen.
Nooit heb ik zoo fel tegenover mijn eigen geestesleven gestaan als
ginds in Siam, in het Oosten, waar het leven zoo open en blij en als
een juichend lied aan den dag treedt. Waar de levenswetten eenvoudiger
zijn, maar worden nagekomen, waar niet zoo'n leger van gecompliceerde
voorschriften en beschouwingen over goed en kwaad ontdoken behoeven
te worden. Waar het op het "hoe" van het leven minder aankomt.
Nooit heb ik de school, die diep in mij woont en mèt haar de
onderwijzers, vuriger gehaat en vervloekt en heel mijn opvoeding met
al haar voorschriften zwaarder op mij voelen drukken, dan destijds in
het Oosten onder menschen die er geen vooroordeelen op nahouden, die
onbewust en onbelemmerd leven, zooals het goed is en gelukkig maakt.
Vreeselijk is deze Europeesche school van voorgeschreven en overgenomen
opvattingen, vreeselijk zijn deze plichten en doelen, die iemand
worden ingepompt gedurende een langen ontwikkelingstijd en den
ontvankelijken Europeaan zoo wreed in bezit nemen en beheerschen,
dat zij hem misschien wel tot een achtbare positie, misschien zelfs
tot geld en roem, doch nooit, nooit tot zelfvoldaanheid, achting voor
zichzelf en tot geluk kunnen brengen, omdat een week mensch, iemand
die voor deze leeringen werkelijk toegankelijk is, er niets anders
door bereikt, dan zijn eigen onvolmaaktheid al brandender te voelen.
Europa vergt te veel van zijn menschen en gunt ze te weinig. Het
recht op en de mogelijkheid tot de billijkste levensvreugden onthoudt
het hun.
In Azië, ver, is dat anders. In de eerste plaats geeft het leven
iedereen het noodigste om te leven: een stuk lendendoek, rijst in
den buik, een vrouw en de betelnoot-pruim. Iedereen ontvangt dit
stilzwijgend als eerste voorschot op de afrekening van het noodlot. In
het Oosten kent men geen zorgen voor woning, verwarming of kleeren
en zelden kent men er honger. En voor deze gelukkigen slaat zelfs
geen klok; het halve dagloon is meer dan genoeg voor alles wat ze
behoeven. Geen verterende, niet te stillen verlangens kwellen deze
menschen.--
Vandaar die onuitputtelijke bron van stoïcijnsche levensrust en
kracht. Een koelie werkt, omdat hij de resultaten er van ziet, het
tot iets brengt, waarop hij naderhand uitrustend teren kan.
De eenvoudigste bruine kan door werken tot welstand geraken, en zijn
opkomst is zoo zeker, als deze het voor den gemiddelden Europeaan
niet is. Ook geestelijk gesproken! Want welk ontwikkeld mensch in
Europa zou tot zichzelf kunnen zeggen: ziezoo, nu ga ik werken en
zal ik boven de anderen uitstijgen en gelukkig worden....
Vroolijk doet de Aziaat zijn werk. Hij weet waarom. Een koelie denkt:
Als ik morgen acht uur vlijtig werk, dan kan ik dat en dat....
De Europeesche arbeider vloekt: Al ploeter ik ook jaar-in, jaar-uit,
dan kan ik nog niet eens....
Azië is een wereld vol harmonie; zijn menschen zijn van top tot teen
in evenwicht.
Europa!?....
In het avondland, lijkt het mij, geschiedt al het werken met de
grimmige, verbeten wanhoop, geen andere mogelijkheid meer te hebben
dan als een razende te "werken".
Europa is ongeneeslijk-overbevolkt. Voor zijn menschen is het een
kwelling er te wonen.
Azië daarentegen is vreugde.
En "koelies," "bruinen" of "inboorlingen" beteekent niet zoo maar
kortweg "minder goed", "armzalig" of iets dergelijks.
Het is niet zoo eenvoudig "bruin" met "wit" te vergelijken. In de
eerste plaats moet hij, die over "bruinen" spreekt, zich nooit deze
vreeselijke, troostelooze beelden van het Europeesche proletariaat
met het hopelooze martelaarschap van nood en ontbering vormen.
Menigmaal had ik dolgraag zoo'n troepje half-bevroren fabrieksarbeiders
in mijn nieuwe wereld neer willen zetten en tot hen willen zeggen:
Kijk, zoo leven ze daar. Het zijn weliswaar maar bruinen, maar.... zoo
gelukkig leven ze daar aan den equator!....
En als dan soms van uit het Westen de ontzettendste geruchten in mijn
vredige wereld doordrongen, wanneer ik te midden dier harmonie der
Oostersche samenleving van de nieuwste successen en vorderingen van
Europa hoorde.... noodkreten, klachten, smartelijk gejammer.... dan
was dit telkens opnieuw een wenk voor mij om te twijfelen, met
de oude voorstellingen mijner opvoeders te breken en het door
Europeesche leeraren zoo stevig opgetrokken gebouw van opvattingen,
doelmatigheden en verstandigheid omver te werpen, zooals men een oud,
niet meer bewoonbaar huis afbreekt, eer men er voor eeuwig dood en
begraven onder komt te liggen.
In de stille werelden van het Oosten heb ik leeren twijfelen; als
een openbaring is de gedachte in mij opgedoemd, dat het niets dan
een gril is, Europa als kernpunt te beschouwen, al de opvattingen
van zijn jonge cultuur als het eenige, het beste en als voorbeeld
te willen doen gelden; en mij zelve en mijn blanke pracht leerde ik
onder bruinen heel anders zien.
En telkens weer kiemt in mijn weliswaar nog niet gevestigde
levensbeschouwing (een soort boeddhistische hemel-hel-balans-religie,
die ik nog altijd hoop een beetje in evenwicht te brengen), de
ontzaglijk deemoedigende vraag op: "Is Europa werkelijk waar?"
Dat je daar zoo opeens de held van alle vrouwen moet zijn, was voor
mij het bizondere onder bruinen, nadat je vroeger onder millioenen
"allemaal evenveel kans hebbenden" absoluut onopgemerkt bleef.
De sympathie, die elke vrouw daar opeens voor onze oude witte huid
zoo opvallend verraadt, werkt eerst verrassend, daarna aangenaam en
ten slotte naargelang.
Je bent daar allen bruinen echtgenooten, bruigoms, pretendenten
met of zonder bewijs van domicilie zoo verbluffend vlug een heel
geweerschot voor, zoodat, wie aanleg mocht hebben voor romantiek,
er beter aan doet thuis te blijven en wie het niet heeft--heelemaal.
Op Aris maakte het zichtbaar een diepen indruk, dat zijn toean niet
blindelings uitgebreid gebruik maakte van dit voorrecht, doch dat hij,
zooals de Maleier dat bij zichzelf uitlegde--zelf een blanke--blijkbaar
de voorkeur gaf aan een blanke vrouw....
Wat echter natuurlijk niet heelemaal juist was. Ik heb mij menigmaal
met een Siameesch rijst-deerntje geamuseerd--en miss Yonarin, die
in het dorp woonde waar ik mijn hoofdkwartier had, iederen keer en
opzettelijk-graag genegeerd, als ik haar toevallig op straat tegenkwam.
Aris bezat zooveel aan klassengeest, kastegevoel en zuiver inzicht,
dat hij het in tegenstelling met menigen anderen toean in den zijne wel
fijn vond, dat deze er niet zoo maar op los leefde, doch blijkbaar meer
voor zijnsgelijken voelde, evenals een dame van zuiver onvermengd ras
uit de goede Chineesche kringen, die alleen voor haar stam-broeders
liefde over heeft, of hoogstens nog voor de voorvaderen van dezen,
wanneer voorvaderen tenminste niet boven zulke nietige dingen als
aardsche liefde verheven zijn!--
Wanneer een vrouw of een meisje in een dorp meer ondernemingsgeest
blijkt te hebben dan de goede zeden veroorloven, wordt er heel
eenvoudig van haar gezegd: Ze houdt er zeven mannen op na! Doch niemand
ziet haar daarom met den nek aan. Dat "zeven" wordt op een toon gezegd,
waarop men bij ons bijvoorbeeld van iemand zou vertellen, "ze heeft
voor den tweeden keer tweelingen gekregen".... vol verbazing, men
kan het niet zoo heelemaal vatten, maar denkt: wel, zij is nu eenmaal
anders, we kunnen niet allemaal even gul met talenten bedeeld zijn.
Het wordt me bijna een beetje onbehaaglijk te moede, Europa te
moeten vertellen, dat zelfs de deernen van de straat in Bangkok
iets goddelijks en reins zijn; dat volgens mijn meening elke om zoo
te zeggen eerbare Europeesche vrouw die negen en meer jaren school
heeft gehad, een veel grootere deern is dan zoo'n jong, mooi Siameesch
meisje, dat met haar bekoorlijkheidje speelt, omdat ze nergens anders
van weet.
Ik schreef eens enthousiast in mijn dagboek: In Siam schijnen geen
lichtekooien te zijn! Later zag ik mij genoodzaakt, een vraagteeken
achter dezen zin te zetten, naderhand weer een uitroepteeken,
enzoovoort, zoolang er plaats in het boek was.... maar ik ben er tot
vandaag den dag over in twijfel gebleven, hoe ik dat eigenlijk zal
zeggen; terwijl ik het toch precies weet, wanneer men mij over blanke
vrouwen vraagt.
De enkele mensch speelt in Siam zulk een ondergeschikte rol en kan
zoo makkelijk aan den kost komen en zijn weg vinden, dat het ontstaan
van een nieuw mensch daar lang niet van zulk een belangrijkheid
en beteekenis is als bij ons, waar het kind het verschrikkelijke
van het huwelijk is--1o. het verschrikkelijke als op zichzelfstaand
feit en 2o. het verschrikkelijk dure, en geweldige bedragen aan hulp
en bescherming verslindende, en maar al te vaak levenslang niet te
bevredigende geval.
Hier is weer het heele verschil tusschen Azië en Europa in twee woorden
te zeggen. Zoo'n bruin wezentje leeft in het begin van lucht en melk
(die hij werkelijk krijgt, wat veel waard schijnt te zijn) en later
van rijst. Een zevenjarig kind in Siam kan zich beter nuttig maken
en beter den weg door het leven vinden, dan een vijfentwintigjarige
student bij ons.
Dat geeft een onschuldiger kleur aan heel de onzalige geschiedenis die
"Leven" heet.
Als ik Aris goed heb begrepen, dan hechten de Siameezen echter toch
ook veel waarde aan levensformaliteiten. Dat een man het bijvoorbeeld
niet zijn leven lang bij een en dezelfde echtgenoote uithoudt,
vinden ze weliswaar zeer begrijpelijk, maar bij het sluiten van een
huwelijk hopen ze toch allemaal met elkaar, de vader, de moeder en de
jonge vrouw, heel vurig: Als mijnheer het nu tenminste maar een paar
weken uithoudt en niet morgen al weer wegloopt! Dat ze zoo denken,
is minder om de lastige gevolgen voor de jonge moeder, dan wel omdat
het niet goed zou staan en een slecht licht op de familie--der vrouw
zou kunnen werpen.
Vaak en lang heb ik mij ingespannen om uit te visschen, wat zoo'n
huwelijk onder eenvoudige woudmenschen eigenlijk tot stand brengt,
wat er in werkelijkheid aan ten grondslag ligt en waaruit het bestaat.
Met het trouwen, dacht ik bij mezelf, is het stellig totaal anders
gesteld dan bij ons blanken. Al komt het ook wel voor, dat de een haar
bijvoorbeeld om een bijbehoorenden rijst-akker neemt (waarvoor hij
overigens zijn schoonvader volgens oerwoudbegrippen een heel vermogen
moet betalen) of dat een ander de zijne trouwt, omdat hij op een andere
wereldsch-aardsche wijze er zij bij denkt te spinnen,--het was toch
buitengewoon moeilijk teekenen van een hoogere, ware beweegreden te
vinden. Want te vermoeden, dat zoo'n primitieve koelie iets verstond
van bekoorlijkheid of innerlijke waarde--dat leek mij toch wel een
beetje al te gezocht....
Dat Nai Khan en zijn Meh bij elkaar hoorden, merkte ik pas, toen ik
ze samen het bosch zag ingaan. (Vaak spelen zich al te persoonlijke
dingen immers daar af, omdat bamboemuren--niet behoorlijk sluiten).
Den ochtend na deze gewichtige ontdekking begon ik dadelijk mijn
goddelooze strooptochten door de geheimzinnige wereld van dit
woudhuwelijk.
"Als ik zoo'n bruin vrouwtje had als jij," dacht ik, toen ik Nai Khan's
werkplaats in den Mijnberg onderzocht, waar hij half naakt en tot aan
zijn knieën in het water stond te hameren, "als ik zoo'n vrouwtje had,
zou ik niet dag-in dag-uit acht uren lang zoo hard ploeteren...."
Nai Khan had altijd iets vermoeids in zijn oogen, alsof hij onder het
harde werk toch alleen maar aan haar dacht. En het was mij, alsof
hij nooit, nooit lachte. Met zijn fijn gebouwde leden was hij een
levend verwijt tegen het tot ruw werk veroordeelende noodlot. Want
hoe bespottelijk slecht pasten deze zware breekijzers toch bij zijn
donkere droom-oogen.
Pas na heel lang wachten en langs uiterst voorzichtige omwegen waagde
ik het, ook haar een beetje in het licht van mijn eigen wijze van
bespiegelen te bekijken. (Toen hij veilig aan het werk was.)
Of ze wel zou lachen, als ik lachte....?
Ja, ze lachte.
Toen probeerde ik haar te photografeeren. "Siameesche vrouw bij
het rijststampen" schreef ik al in gedachten onder het kiekje--maar
toen holde ze plotseling weg; en ik weet vandaag den dag nog niet,
of ze beleedigd was of geschrokken; wat ik me alleen nog precies
herinner, is, dat ik toen zijn zwarte oogen in langen tijd niet kwijt
kon raken--.
Dikwijls hielden mij andere gewichtige plichten van verdere
ontdekkingstochten af, doch ik nam mijn taak absoluut niet van den
lichtsten kant op.--Zoo stelde ik mij gedurende twaalf dagen in
de buurt van hun huisje op, als hij moe en hongerig van zijn werk
kwam--maar--niets--niets bepaalds.
Pas kort geleden hadden mijn pogingen eindelijk meer succes. Laat in
den middag, na afloop der dagtaak, was hij aan het voetballen. Een
van bamboespaanders gevlochten bal wordt door een paar in een kring
staande koelies met handen en voeten en soms zelfs met het hoofd
rondgestooten, zonder dat hij daarbij den grond mag aanraken.
Nai Khan was een vurig en goed speler. Ik bewonderde de kracht en de
lenigheid van het tengergebouwde slanke kereltje en zijn, mij na het
harde dagwerk onbegrijpelijken lust voor dit vermoeiende spel.
Toen hij nu zoo echt midden in het spel was, zag ik opeens zijn vrouw
op weg gaan naar het bad.... Ze liep met veerkrachtige, wiegelende
schreden, haar knieën lichtelijk naar buiten gekeerd, de bovenbeenen
echter volkomen recht, gelijk alle oerwoudvrouwen. Haar schoonen doek
droeg ze als een tulband op het hoofd, de brandende zon scheen over
haar bruine schouders en haar borstdoek teekende zich verblindend
wit tegen haar rug af. Maar het mooiste was, zooals bij elke loopende
Siameesche vrouw, het licht- en schaduwspel in haar naakte knieholten,
en ik moest haar nakijken, zooals ik misschien nooit te voren een
blanke vrouw heb nagekeken....
Ze ging een paar stappen voorbij de spelenden, toen hurkte ze neer
aan den rand van den weg, geduldig wachtend,--wachtend op haar heer
en gebieder.
En het duurde een heele poos tot ook deze zijn badgerei opnam en
klaar was om met haar mee te gaan....
Is dat niet net als bij ons thuis! dacht ik toen, wanneer je
bijvoorbeeld tegen je vrouw zegt: "Kom me om zes uur van de zaak halen,
dan ga ik met je mee boodschappen doen in de stad."
Dat zeg je tegen je vrouw. (Meestal.) Je hebt dan wel altijd nog
even gauw iets dat dringender is te doen, maar daarna heb je toch
wel een beetje tijd voor haar en tenslotte straalt een trotsch
"ik-heb-schik-in-haar" uit elken stap dien je te zamen met haar doet.
Nai Khan en zijn Meh liepen niet gearmd, ze reikten elkaar niet eens
de hand--(oerwoudwegen zijn geen strandboulevards!)....
Maar toen ik ze daar zoo samen werkelijk als één wezen door den
woud-avond zag schrijden, toen kon ik toch niet anders dan deze twee
gelukkige menschen toewenschen: Mogen jullie het beste plekje vinden
om te baden en.... heel, heel helder worden....!