Ben ik toen dronken geweest, was ik betooverd, toen ik in de schaduw
onder het dak van palmenbladeren zittend in den flonkerenden maannacht
staarde.... zwijgend, bevreesd, hopend en twijfelend.
En den djaga nakeek, terwijl hij op den bleek-beschenen weg
geruischloos uit het gezicht verdween, terwijl, ik weet niet waar
vandaan, in vage afgescheurde klanken Siameesche muziek aanruischte,
soms week en half weggedoezeld gelijk de nacht die mij omgaf, en
dan weer in aanstormende schelle fluitjuichkreten. O, en deze doffe
gongslagen, die de nachtwind eerst afzonderlijk en daarna in een
al doller wordende roffeling van uit een verren tempel tot aan mijn
oor droeg....
Heb ik toen niet duidelijk, heel duidelijk, als door een bril van
zuiver kristal ver voor mij uit gezien, mijn toekomst gezien, tot ze
opeens afknapte....
Waarom dit alles, wanneer toch niet....?
Waarom dit bruin....?
Wilde ik toen den djaga niet achterna hollen: "Halt! Halt! Roep Tsin
niet!".... en--heb toen toch alleen maar luid en schel gelachen over
mijn eigen lafheid....!
Heel stil is Tsin bij mij binnengetreden, zooals een dag vol
zonneschijn op een regendag kan volgen.... zij alleen heel een
feeststoet.
En met haar is een groote rust, het geluk brengende vertrouwen over mij
gekomen: ziezoo leven, nu begrijp ik je eindelijk en verdwaal ik niet
meer en tast niet meer langs je heen. Je zult niet langer over mij,
laffen kerel lachen. En nu moet het eens en voor al uit zijn met dien
vreeselijken angst, die mij dikwijls kwelt, wanneer ik mij voel als
iemand, die naar schoonheid en goedheid verlangend en dorstig naar
vreugde uitziend, toch blindelings het ware leven voorbijrent. Nu
zal ik weten toe te tasten!
Ik zette een schaaltje rijst met kostelijk geurende kruiden voor
Tsin neer. En toen zat zij daar, haar versnapering met slanke handen
betastend--ongeveer zooals een pianiste vóór het spelen haar vingers
vlug over de toetsen laat glijden....