Ongebreideld en hartstochtelijk te reizen, onbekommerd om
inspanningen en vermoeienissen, altijd vroolijk te zijn en gereed
om voor een twijfelachtig plan een paar dagen ver het oerwoud in te
trekken.------was mijn eerste en heiligste plicht in Siam.
Vaak bestond mijn voornaamste arbeid hieruit, de plek waarom het ging
vooral als eerste blanke te bereiken.
Al mijn tochten door den jungle verliepen op dezelfde wijze als de
maan toe- en afneemt. Vanaf het oogenblik van vertrek namen luxe en
comfort af; eerst legden we een goed stuk met het Siameesche spoor af,
dan wel eens op een motorboot nog een of twee dagen verder, de kano
kwam aan de beurt of de buffelkar nam mijn bagage over en ten langen
leste moest ik dan door een paar koelies vergezeld te voet het dichte
oerwoud binnendringen.
Het avontuur nam meestal regelmatig met den aldoor grooter wordenden
afstand van wet en orde en met den duur der reis toe, doch niet
altijd. Terwijl we vroeger in de bergen de onherbergzaamste streken
opzettelijk opzochten, en vandaar de diepste indrukken mee naar huis
namen, waren mij in Siam de wouddorpen met hun menschen het liefst en
niet het eenzame oerwoud, dat te ongezond was en te verschrikkelijk,
om op den duur begeerenswaardig te blijven.
Hoeveel duizenden mijlen het spoor en de Siameesche rivierboot mij
ook meenamen, hoe ver ik ook op den ronden rug van een olifant door
het land reed--er is iets dat me dwingt, niet al deze hulpkrachten,
scheepslieden en leiders allereerst te danken, doch in de allereerste
plaats voor mijn twee trouwe, weliswaar dunne, maar toch nog stevige
beenen eerbiedig mijn hoed af te nemen.
De olifanten waren te langzaam, de krokodillen vraten bij voorkeur de
pooten der kleine Siameesche pony's af als we een rivier over trokken,
buffelkarren waren erg stuntelig, en daarom waren voetreizen door
het dichtst van het woud dikwijls het eenige onfeilbare middel om
vooruit te komen. En Siam, het brok van mijn leven, waarboven ik
kortweg "Jungle" zou willen schrijven, en dat een afgerond beeld
in mij vormt, zooals ik mijn jeugd bijvoorbeeld door het eene woord
"Bergen" zou willen karakterizeeren--heel mijn verblijf van twee jaar
in de tropen was een voortdurende, rusteloos-onrustige zwerftocht.
Aris, die zich van een gewonen mijnkoelie tot den trap van voorman
had opgewerkt, was sterk en de moeilijkste marsch was voor hem een
peuleschilletje. Het speet mij dikwijls, dat de aan zijn beroep
verbonden waardigheid hem niet veroorloofde ook maar den geringsten
last te dragen.
Niet zoo door den jungle gehard was Holloeki. Hij had zijn jeugd in
de stille huizen van stads-Europeanen doorgebracht, maar de een of
andere verborgen neiging (waar zoo'n peuter van een idee fixe een
mensch al niet toe brengt!) deed hem in dit zwerversbestaan toch ook
een soort vreugde vinden en zijn van een vroegeren meester overgenomen
tropenhoed glansde op zoo'n heeten dag vaak urenlang voor mij uit,
vriendelijk in al dat groen, des te vriendelijker, wijl Holloeki
tegelijkertijd de drager van mijn veldflesch was.
Ikzelf slenterde zonder eenige bagage achteraan of ver voor de kolonne
uit, niets dan mijn bamboestok in de hand en soms misschien nog mijn
sierlijke Japansche parasol, wanneer ik die tenminste ook niet uit
pure luiheid aan Holloeki overliet.
De koelies trokken, voordat we op marsch gingen, alles uit wat zij van
hun dunne plunje konden missen; alleen een kort lendendoekje hielden
ze aan. Als ze Chineesche broeken droegen, rolden ze de wijde zijden
pijpen op gelijk gymnasten hun hemdsmouwen, zoo hoog als hun anatomie
het maar eenigszins toeliet.
Opvallend was het, zoo bang als ze voor regen waren. Zelfs de
visschers op zee hadden watervrees en wikkelden zich geducht in
jassen en doeken, zoodra het regende. Het gaf niets of ik al dacht,
dat voor hen de beste vlucht voor het natworden het volkomen uitkleeden
en weggooien van hun paar armzalige kleedingstukken was.
Op heete tochten begonnen we onze dagtaak met de uitdrukking op
onze gezichten van boeren, die op onvruchtbaren bodem zaaien, als
boetedoeners, wien niets dan ellende en zware arbeid meer wachtten.
Dan bestond mijn vreugde en om zoo te zeggen de eenige belooning in
ontmoetingen met menschen uit de wildernis en andere merkwaardige
dingen.
Men ziet vaak op een gewone rustplek aan den weg, aan een
aanlegsteiger, bij de kruising van twee rivieren meer verschillende
en vooral echtere menschenvormen dan alle schouwburgen ter wereld
ooit in staat zijn ons te bieden.
Maar wat me daar altijd weer meer pakte dan de extravagante toiletten
en de verwaande geblaseerdheid van een Indischen of Chineeschen
gentleman, waren de natuurfiguren:
Moeder met kind, de vrouw van den commissaris van politie in het bruin
(en hoe vol waardigheid!) de zwoegende echtgenoot (een haan onder
zijn linker- en een van zijn eigen telgen onder zijn rechterarm
voortsleepend) en meer van dergelijke ongewone en toch vertrouwde
beelden. Niettegenstaande alle waardigheid, die mijn blanke huid mij
zoo maar zonder meer verschafte, waren de landlieden in den omgang
vertrouwelijk met me. Argeloos kwamen zij vaak op mij toe, mij hun
onbedekte ziel als een geschenk aanbiedend.
"Heer, je hebt harige beenen....! hoe vindt je vrouw dat wel....?"
Met deze openhartige woorden sprak mij eens een rijstboer aan, toen
ik ergens onderweg in een kraam op de markt zat uit te rusten.
Hij vroeg me dat medelijdend, vol belangstelling. Zijn stem trilde
zacht. Het leek hem iets ongehoords. Ik voelde, dat hij mij beklaagde
of benijdde.
"Loeck mi, mai mi?--heb je ook kinderen?" sprak Aris alle vrouwen aan,
die wij op onze tochten tegenkwamen. En als er een onder was die neen
zei, trok hij een minachtend gezicht: "Dat kan je nog niet eens?" Aan
mannen vroeg hij kort en bondig: "Waar is je vrouw?"
Er zat een diepe trek van menschelijk meegevoel in Aris. Van nature
en zonder dat hij persoonlijke voordeelen uit zijn intieme vragen
poogde te trekken, sprak hij zoo met de menschen.
Soms had ik er schik in hem in plechtigen, half poëtischen vorm
te begroeten:
Tsje Aris, ana' tsje Hassan
toedjoe kali sa-malam
mau djoempa satoe prampoean,
tapi.... ta boeli.
Met dit rijmpje, dat ik uit een Maleisch liedje in elkaar geflanst had,
ontving ik Aris 's ochtends wel eens.
Het beteekent niets, maar duidt veel aan: "Aris, de zoon
van Hassan, probeerde gisteravond zeven keer een vrouw te
ontmoeten--maar--vergeefs....!"
Aris kon dit vers niet uitstaan. Hij kon er nooit heelemaal achter
komen, hoe ik het bedoelde, of ik, voelend dat ik de taal volkomen
begon te beheerschen zoo maar wat zei, of.... niet recht snik meer was.
Heelemaal vanzelf had ik mij aangewend menschen die ik tegenkwam,
vroolijk te begroeten, gelijk het 's lands gebruik wilde, en altijd
zooveel aan geest te doen meetintelen als mij maar eenigszins
mogelijk was.
De sympathie van een buffelwagenkoetsier verwierf ik tenslotte zoo:
Klap ma tjak pa--
Non mia di kwa....
Als je uit het oerwoud huiswaarts keert, zal het nog eens zoo heerlijk
zijn weer bij je vrouw te slapen.
Ook de goedkoope wijsheid van simpele rijmpjes, zooals bijvoorbeeld
die der volgende:
Fon mai mi--den dai di--
Fon tok mak--den lambak.
waren in staat wonderen te doen.
"Als er geen regen valt, is het reizen heerlijk, bij regen is het
vreeselijk."
Andere begrippen hebben de belangstelling van deze menschen.
Over de kritiek der zuivere rede hoefde ik nooit te praten, van
onzuivere rede heb ik nooit veel gemerkt.
Alle menschen uit de wildernis, die je onderweg ontmoet, hebben den
blik van het oerwoud, kort en schichtig en norsch. Duizenden wonderen
weerkaatsen hun oogen, en een voortdurend tot den sprong gereed zijn
voor verrassingen spreekt daaruit.
Ook ik onderging het als een pijnlijk gevoel in wijde verten te
moeten kijken, wanneer ik na vele maanden te hebben doorgebracht in
de dichtheid en verwarring van het oerwoud op de open rijstvelden kwam.
Vaak ben ik heelemaal alleen, met het kromme kapmes den weg zelf
snijdend, de wildernis ingetrokken en ben dan ook meer dan eens
verdwaald.
Dat is zoo heerlijk en gaat zoo vlug. Je doorwaadt bijvoorbeeld
een beek (de wegen die regelrecht daarheen leiden, waar je naar
toe zoudt willen, zijn er immers nooit). De beek slingert zich zoo
maar ergens op goed geluk heen, tot je hoofd je duizelt van al de
kompasnaald-dwarrelingen; en dan merk je opeens, dat je verduveld ver
weg bent; en als nu niet heel gauw de verwachte rivier voor den dag
komt, of die en die boom, dien je nog van vroeger kent, dan moet je
den ganschen langen weg, dien je hebt afgelegd, zoekend zien terug
te vinden.
Dan wordt het oerwoud plots tienmaal zoo dicht; elke liane lijkt
je een slang toe, de apen huilen opeens als wilde katten; je hond
doet je achter iederen struik schrikken; en als je dan in het zand
der beekbedding den weg tracht terug te vinden, langs je eigen,
vreemdsoortig-kronkelende spoor en je vindt dan plotseling vlak
daarnaast het versche spoor van een groot roofdier--dan kan je een
diepen blik slaan in het wezen dier weerlooze wilden, die in de
wildernis geboren zijn en in het oerwoud eens zullen sterven.
Eén ding heeft me telkens weer opnieuw met verbazing vervuld: Al kwam
ik ook den donkersten, afschrikwekkendsten woudbewoner tegen, één,
wiens huid zoo ruw en rimpelig was als een oude boomstam, één met
verdraaide oogen en woeste lange haren--en ik vroeg zoo iemand dan
naar den weg en de omgeving, dan kreeg ik stellig beter en duidelijker
informaties dan thuis het geval is, wanneer ik buiten wandel.
En de wildste wilden schreven brieven voor mij met de nauwgezetheid
van graphische kunstenaars. Dat vindt zijn oorzaak hierin, dat al
die vele Siameesche tempels tegelijkertijd ook scholen zijn, waar
de priesters les geven. Schrijven en lezen is voor de Siameezen een
tijdverdrijf zooals bijvoorbeeld het balspel.
Diepen indruk maakten op mij altijd ontmoetingen met olifanten,
vooral in dorpen, waar ze vaak grooter waren dan een alleenstaande hut.
Eens ontmoetten wij midden in het bosch een stoetje van zes dieren. Op
vier van hen zaten Siameezen, en toen ik vroeg: "Waar naar toe?" luidde
slagvaardig het antwoord:
"We gaan wandelen!"....
Een der groote dieren was een moederolifant met twee sierlijke
baby's. Toen ik vroeg of de jonge olifanten in de gevangenschap waren
geboren, zei Aris:
"In de gevangenschap worden de olifanten treurig en willen geen
jongen."
't Is me, alsof mijn diepe sympathie voor de verstandig knipoogende
dieren vanaf dat oogenblik dateert....
Jubelende harmonieën, bruisende gemoedsstemmingen en liederen
doortrilden me--zwerftochten zijn voor mij wat voor fijnere menschen
concerten zijn--op dien Nieuwjaarsdag, toen ik vijfendertig kilometer,
vlak langs de kust, naar Sitsjon liep. Het binnenland lag in het
moeras van den regentijd verzonken, en alleen in het knarsende zand,
vlak langs den zoom der golven, was marcheeren mogelijk.
Over een stillen rivierarm, tusschen slanke stammen door, had een
boot ons van ons nachtkwartier (een Boeddhistischen tempel) naar de
zandstrook aan zee gebracht. En nu waren we op weg. Onder het suizen
van den stormenden moesson, stofregenschuim van de zich tegen den
oever aanstortende golven in het gezicht, in het losse drijfzand,
moeizaam stap voor stap, acht uur lang, op het doel toe.
Nooit zingt mijn ziel zooals op moeilijke tochten. Leven heet
vol kracht zijn en dat bewijzen. Wij mannen zijn nooit bereid
genoeg.... tot alles bereid....
Heel de dagtaak lag voor mij, als een zandstrook, die afgelegd moest
worden, ontegenzeggelijk, in taai-volhardend plichtsbesef, gelijk voor
de meeste menschen de dag vol arbeid ligt. Een door wolken omsluierde
heuvel heel aan het eind van den krijtwitten kustrand was 's ochtends
vroeg voor mij al synoniem met einde, rust en prettigen afloop.
Soms, als het strand door aangespoelde boomlijken en wortelstokken
onbegaanbaar was, traden we in de schaduw van gesloten kokosboschjes,
die daar als stille tuinen stonden--tuinen der eeuwige natuur--geen
hutten, geen menschen--en dan glinsterden en kaatsten de door de als
veertjes zoo smalle en fijne palmenblâren heenzevende zonnestralen in
duizenden lichtsprankelingen van de leêrachtige struiken en heesters
terug.
Kleine hagedissen met blauwig-weerschijnende vlieghuiden draafden
vlug als draken op hun sluipgaten toe; groote, bontgekleurde vlinders
fladderden, als speelbal van hun eigen zaligheid, als veelkleurige
flarden, in de wonderlijk-dwarrelende vlucht die hun eigen is, door
de warme lucht, en dan boog opeens ons paadje, dat in het zand haast
wegzonk, weer naar de zee, wier groot en wijd geglinster ons telkens
en telkens weer heftig in het heete gezicht viel.
Aris, Holloeki en de koelies liepen ver vooruit. Op voetreizen hou ik
er van alleen te zijn. Alleen met mijn gedachten. Hoe weinig menschen
zijn er die waarlijk de kunst van voetreizen maken verstaan! Hoe
velen gaan al rusten, eer ze nog aan het loopen zijn! Hoe weinigen
is het vergund aan een rijke levensreis te mogen terugdenken en met
een milden, heerlijken terugblik op voorbije tijden te groeien.
Ver van de kust vandaan lag een logge jonk voor anker, een
Chinavaarder, waarvan de naakte raas rusteloos met den wind heen en
weer zwaaiden. Soms bogen ze neer tot op de golven.
Ik bestudeerde het zand zooals vroeger in de bergen de sneeuw.
Langzamerhand leerde ik het kennen. De beste grond om op te loopen
was de vochtige streep buiten het bereik der regelmatig tegen het
strand klotsende golven, die alleen door de allergrootste stortgolven
werd geraakt en half vochtig was en zoo proper als een kamervloer
aangeveegd. Hooger op den oever in het droge zand was het loopen
een marteling.
Iederen keer, wanneer wij door gedeelten los, opgehoopt stuifzand
trokken, haalde ik mijn koelies in, die hijgden onder de zware
vrachten.
Millioenen glimmende slakkenhuisjes en scherven van schelpen lagen
op het strand, en ik bewonderde de harde voeten mijner mannen, die
er ongedeerd overheen liepen.
Moeitevolle voetreizen zijn meer dan iets anders geschikt om den dunk
dien men van zich zelf heeft grooter te maken. Ik ben nooit sterker
overtuigd, een bruikbaar mensch te zijn en mijn plicht te hebben
gedaan, dan 's avonds na een ingespannen marsch.
De zon was meestal verborgen achter wolken, die zich in donkere lagen
over de zee leien, maar af en toe brandde ze plotseling en sterk
er onderuit. Dan glansde telkens het zand zoo wit als sneeuw op, en
de bewogen zee, zelf groen en donker, bruiste nu met haar zilveren
schuimkammen hooger en luider dan te voren, wijl de schaduwen er
overheen lagen en haar als met dompen druk schenen neer te houden.
's Middags ging de wind voor een poosje liggen, de Chineesche
driemaster ontplooide zijn spitse zeilen en kruiste, af en toe op
zijn kant liggend, onder den last der bij vlagen nog krachtige bries
in wijduitgehaalde gangen heen langs de kust, met den romp in zee en
met zijn zeilvleugels in den hemel grijpend.
Later wierp hij nog eens het anker uit, trok de uitgestrekte voelers
moedeloos in en wachtte weer.
Op voetreizen wordt het mij al vroolijker te moede, hoe langer
ze duren. Hoe heerlijk het vooruitzicht van al de genoegens van
het loopen ook is, beter toch is de zekerheid: nu nog een beetje,
een flink stuk voorbereidend werk is gedaan; nu nog een paar minuten
uithouden, dan ligt de dag met goed resultaat achter ons.
Gelijk op een oneindig, eeuwig sneeuwveld bewogen wij kleine menschen
ons in de wijde wereld, bijna zonder hoop op een spoedig einde. Onze
gewrichten begonnen al warm te worden, het zweet liep bij stroomen
onder mijn helm uit, gloeiende wasem doortrok mijn kleeren met vocht en
nog was er niets nieuws te bespeuren, geen afwisseling te verwachten,
niets dan zand, zand en zee.
Maar, zooals vaak in het leven de grootste gebeurtenissen zich
plotseling en onverwachts voordoen, doemde opeens achter het duin het
smalle water eener stille lagune op, waar een hooggestuwde stroom
zijn wateren moeizaam door den zandgordel in de aan-stormende zee
trachtte te storten.
De koelies zetten hun lasten neer, ik ging behaaglijk in het warme,
naar het binnenzeetje toe-glooiende zand zitten, mijn ellebogen op
mijn knieën, het hoofd steunend in mijn handen en staarde, dankbaar
voor de rust, over het water.
De zandrug ving ieder briesje op, de bocht lag windstil, de
waterspiegel blonk als een stuk glas, de volle zon brak door de
wolken en hield mij, vermoeiden zwerver, aangenaam warm. Alleen
wanneer ik opstond, beroerde mij een luchtig koeltje dat van zee kwam;
nog aldoor bruisten daarginds in half regelmatige, half ongeregelde
scharen de witte schaapjes-golven op den oever toe. Het Chineesche
schip had ook weer een tochtje gewaagd en praalde trots en blij met
zijn ontplooide zeilenpracht.
Toen ik, mij weer bukkend in de wind-schaduw, over de kalme binnenzee
keek, teekende zich aan den overkant bij het strandbosch een klein
bootje af, dat zich, heen en weer zwalkend, soms hierheen en dan
weer daarheen sturend, langs een langzamen, onberekenbaren weg op
mij toe bewoog.
Doch toen ik me al op iets nieuws begon te verheugen, op menschen
en een kort gesprekje, wendde het zich plotseling van mij af en
scheen niets met mij te maken te willen hebben. Het was een klein
visschersbootje.
Steenrood blaakte de hemel boven den groenen rand der mangroven; de
wolken in het Westen hadden zich tot groote proppen saamgetrokken
en hadden nog gauw (als het ware nog voordat het nacht zou zijn)
een blank brok van het hemelruim afgestaan. Daarin verzonk de zon.
En in den purperen schijn, die van haar uitging, kwam nu de kano
weer dichter op mij toe en kon ik er duidelijk twee menschen in
onderscheiden, een man en een vrouw.
Ik zat geheel alleen. Mijn dragers hadden hun vrachten allang weer
opgenomen en waren op weg naar het naaste dorp verdwenen.
Het zand, waarin ik zat, was droog, de windstille baai lag als een
meer van honing voor mij en midden in zijn eenvoudige wereld dreef
het visschersbootje.
"Siameezen roeien eer ze kunnen loopen," had ik al eerder gedacht,
op een dag dat een kwajongen van tien jaar mij "redde", toen ik mij in
een klein notedopachtig kanootje in een stroomversnelling eigenhandig
bijna het vroege graf had ingestuurd.
Als op een meer van zuiver goud bewoog zich het scheepje, nu in de
stralende baan die de ondergaande zon in mijn oogen deed vonkelen;
het bootje zelf en de silhouetten der beide menschen diepzwart tegen
al het licht er achter afstekend; toen, één slag met de riemen en
opeens flitste het zilverig als een springend vischje vanuit den
zonnegloed in de schaduw.
Telkens weer, op korte afstanden pletste het met looden kogels
zwaargemaakte werpnet in het water. Soms roeide hij, dan roeide zij
weer. Als hij roeide, wachtte zij, met het net in de hand in den snavel
van de boot staande, slank, als gegoten, als een prachtig standbeeld,
en als zij roeide, lei hij afwachtend voorover over den rand der boot.
Zoo boden deze twee natuurmenschen in hun gemeenschappelijk streven hun
leven recht te doen wedervaren, een beeld van volkomen twee-eenheid.
Rustig gleed de kano over het water, geen schuimspetje verried het
indompelen der riemen, en alleen het neerpletsen van het net klonk
van tijd tot tijd als een woord der natuur naar mij, wijze, eenzame
op de zandbank over.
Onbekommerd om de schoonheid der wereld, niet lettend op de zon,
de witte wolkenstapels vergetend--roeiden ze.
"Roeien jullie voor altijd?" had ik graag gevraagd, maar dacht
in plaats van dit, stil zittend in het zand, vlug drie gedachten
verder.... "Roeiverdwazing!"
En zoetjes en zonder op iets ook maar te letten en zooals dat scheepje
over het meer van honing dreef, gleden mijn gedachten nu terug langs
den verren ontwikkelingsweg der menschheid naar het--roeitijdperk.
Was er misschien niet eens een tijd geweest, dat ook mijn voorouders
op deze tree der trap naar het hoogere menschdom stonden, dat ook
voor hen roeien, leven en leven, roeien beteekende; een onschuldige,
ver verleden tijd, toen ook wij prachtige blanke menschen zulke
eenvoudige roeiers waren.... En opeens speet het mij bijna, dat de
Schepper zijn reeks proeven--ontwikkelingsstudiën op het hoogere dier
"mensch"--niet reeds op dat punt had afgebroken.
Of zou zulk een wereld te vervelend zijn? Niets dan
roeien--roeien--roeien--roeien--paren?!----
Als het onze lieve Heer eens plotseling zou invallen, daar weer op
terug te komen? Als hij eens onverwachts zei: "Genoeg van dat bonte
ontwikkelingsspel! 't Is beter dat jullie weer gaan roeien!....
Als mijnheer Meier, de millionnair, zijn omvangrijke echtgenoote weer
mee in een roeiboot zou moeten nemen!....
En.... zij.... hem!....
Rustig gleed het scheepje over de golven. Telkens weer, op korte
afstanden, pletste het met looden kogeltjes zwaar gemaakte
werpnet in het water. Dat klonk iederen keer als een woord
der natuur. Soms roeide hij, soms roeide zij. Als hij roeide,
wachtte zij met het net in de hand, roeide zij, dan lei hij zich
afwachtend over den rand der boot.... monotoon-eenvormig: de boot
met de twee menschen erin, als voor eeuwig gemeenzaam tot roeien
veroordeeld.... verdoemd.... hopeloos!
Toen riep Aris mij van over het water met zijn klare stem iets toe,
ik stond op, en, heel mijn lichaam vermoeid, maar mijn hart jong en
vol van overmoed, drentelde ik langs de schemerig geworden zandstrook;
en toen ik, dichtbij het dorpje, in de stuntelige boot van een visscher
over de lagune voer, herinnerden schreiende kinderkreten mij eraan,
dat ook deze eenvoudigste menschheid hier rusteloos onderweg was naar
een ver doel.
Terwijl in het Noord-Oosten zich een dreigende regenwand voor den
helderen hemel schoof, trad ik onder het dak van mijn Chineeschen
gastheer en betrok een dier als op stelten staande hutjes, die achter
de luchtwortels der dichte mangroven stonden. De zee had zich nu ver
teruggetrokken en de naakte, bruin-zwarte oeverzone aan den rand van
het lage water dampte en gistte in ontbinding.
Den volgenden ochtend al vroeg, toen de apen als late nachtbrakers
in de vruchtboomen aan het lawaai schoppen waren, kroop ik onder
mijn klamboe vandaan. Holloeki was al aan het koffie zetten en
Aris trommelde op zijn buik om er een geduchten klomp rijst in te
kunnen herbergen. Na het ontbijt gingen we op stap, ons keerend van
de zee naar het binnenland. In het bosch jubelde de dagwachtvogel
(de Siameesche leeuwerik, die precies als onze Europeesche dagwacht
fluit), de visschershutten bleven achter ons liggen en overstroomde
rijstvelden en kreupelhout dat stijf van het slik stond, namen ons op.
Eenzame suikerpalmen stonden als schaakstukken in het vierkant om
de doorweekte akkers, waarin de zaairijst in groene eilandjes welig
opkwam.
Gelijk altijd in de nabijheid der dorpen schrikten wij, zooveel
menschen, heele kudden half-wilde logge buffels op, die in woeste
ploeterende jacht, de kalven angstig blatend, tot hun knieën in de
modder wegzakkend, ergens heen renden.
De zon stond aan den klaren hemel. 's Nachts was er regen gevallen
en het groen der wouden was er feller door gekleurd.
Op zonnige ochtenden, wanneer een dag van zwerven voor mij ligt,
springen duizend bronnen van levensvreugde in mij open; ik voel me
sterk, de donkere zorgen zijn op zij gezet, mijn dag staat stralend
voor mij en is vervuld van vreemde, wonderlijke liederen en wijzen,
gelijk de streek, waar ik door trek.
En ik verheug mij dat ik nog vrij ben en niet terwille van een der
gebruikelijke, weliswaar ook mooie ideeën, in Europa ben blijven
steken.
Langzamer en trager dan den vorigen dag ging nu de reis dwars door
de velden, vaak langs ongebaande, onbegaanbare wegen, (de weg was
een stroom) met taaie volharding, verbeten, maar toch vroolijk. Wij
wisten allen, dat dit loopen in den tijd der overstrooming, vaak tot
over onze knieën in het water, onze schoenen in de kleverige klei
vastgezogen, zonder humor absoluut ondraaglijk was.
De koelies houden er hun eigen wijze van loopen op na, den Chineeschen
looppas, telkens een paar stappen hollend, en dan twee of drie op
hun gemak, zoodat ik, die niets te dragen heb, moeite heb om mee te
draven.... door de opspattende modder.
Zigzagsgewijs trokken we door de vlakke rijstvelden der lage streek, nu
op smalle, glibberige muurtjes van klei, dan over gevelde boomstammen,
die als bruggen over de diepste beken lagen. En van tijd tot tijd,
onaangenaam, niettegenstaande de hitte, tot aan den buik door het
water.
Dan namen door het oerwoud overwelfde ravijnen ons op, aan den
rand waarvan wij voorzichtig en telkens weer uitglijdend ons van
boom tot boom tastend voortbewogen, voortdurend over kronkelende
wortels struikelend en in gevaar verkeerend in de diepte van den door
buffelhoeven doorploegden bodemloozen afgrond te vallen.
Iedere stap was inspanning. Iedere ademtocht beteekende vergif in de
longen; de lucht was vochtig-heet en als ik een oogenblikje probeerde
op adem te komen, huiverde ik van de hitte.
Lang voor den middag was elk gesprek onder den druk der zonnestralen
verstomd.
Alleen Aris, de sterke, riep soms een in een diep watergat tuimelenden
drager toe: "Ai-i-i-! Broeder, wat moet jij in die olifantenbadplaats
met je bagage? Zie, dat je toean's matrasje niet nat maakt, hoor!"
Ook ik was op zulke afmattende tochten altijd beter gehumeurd dan in
de stad. Ik weet vandaag den dag nog niet wat eigenlijk de drijfveer
van zulke harde ondernemingen is. Misschien is het de vreugde,
die je zeker wacht, als de moeite en inspanning voorbij zijn, het
voorvoelde "glunderend-zich-mogen-herinneren": wat heb ik toch voor
dingen uitgehaald, toen ik nog jong was....
Of zulke daden spruiten voort uit het verlangen naar het echte en
onbegrensde, uit het "zich telkens en telkens weer een nieuw bewijs
van het recht-op-leven te willen verschaffen."
Pats, pats stapten we als de ganzen achter elkaar aan door de modder,
waterbuffels graasden een eindje verder, wanstaltige dieren, kleine
witte reigers op hun ruggen, die hun het ongedierte uit de borstelhuid
vraten. Elk van ons stond met diepe voren het woord "zwerven" in het
gezicht gegrift, de koelies vloekten zacht en lachten even later,
wanneer een ongeluksvogel in de modder tuimelde.
Ik heb altijd het gevoel in mij gehad, dat van een man onmogelijk
iets rechtschapens terecht kan komen, wanneer hij heel zijn leven
in de bedomptheid van keurig-geregelde alledaagschheid blijft
voortgaan. Iemand, die niet ook door de lage moerasstreken van onze
lieve planeet is getrokken, kan met den besten wil van de wereld de
pracht van zijn hooggebergten niet waardeeren.
En zoo diep heeft zich deze meening, dat het goede en mooie en
fijne alleen uit het wanhopige, ruwe en harde kan voortkomen, in mij
vastgezet, deze overtuiging is zoo diep in mij geworteld, dat ik vaak
bij mijn haren van het geregelde, mooie en gewone weggesleurd en naar
het gewelddadige toegetrokken word. Want het is mij bij voorbaat al
alsof daaruit een zekere harmonie, een denkbeeld of stemming van uit
zal gaan, dat daar iets moet ontstaan dat net zoo mooi, verheven en
edel is, als mijn daad onverstandig of ruw.
En ik ben er van overtuigd, dat, hoe grooter bijvoorbeeld een kunstwerk
is, uit hoe dieper afgrond van zorgen en wanhoop--ja, meestal zelfs
misdaad het is opgebouwd, dat kunstwerken voor mij in het algemeen,
al bij voorbaat, stilzwijgend werken zijn, die iemand schildert,
vormt, schrijft, in plaats van zich dood te sch.....
Nooit vliegen mijn gedachten hooger en stouter dan onder het
loopen. Een koelie voor mij, een troepje loopende menschen achter,
zoo midden in den galoppeerenden stoet, door vlug, luid-kloppend leven
omgeven en zelf erin, lette ik nauwelijks op de hitte en de bezwaren
van den weg, doch dacht, fantaseerde, lachte om mijn korte schaduw,
zong zwijgend of praatte luid met verre vrienden, meer dan tienduizend
mijlen weg.
Moeras strekte zich rondom ons uit. De zon keek met haar rond gezicht
uit elke vuile poel. Kokend smoorde ze op onze ruggen, en in plaats
dat het woud, waarin wij telkens weer wegdompelden, ons koelte bracht,
drukte daar de druipende, heete lucht nog bedompter op ons.
.... aan den rand der beschaving. Aan den uitersten rand der
beschaving. In de wildernissen van Indië. Misschien weldra
dood.... Malaria, dysenterie, typhus. Vandaag daarom des te vaster
aan het leven gehecht! Voortdurend kampend met donkere machten en
driften.... god, ster, duivel.... noodlot.....
's Avonds was de dorpskoning Pet onze gastheer. Pas den volgenden
ochtend bereikten wij de mijn, waarover ik advies zou uitbrengen. Twee
dagen woelde ik daar rond in mijngangen en schachten.
En gedurende de drie volgende dagen draafden we langs denzelfden
vreeselijken slik- en zandweg terug naar huis.
Een korte "rustpoos" in het hoofdkwartier en.... een nieuwe reis.
Zoo is mijn beroep.
Als het omstandige dagwerk van een praehistorischen nomade, zwaarder en
moeilijker en--heerlijk gemaakt door de zeldzame, dwingende plichten,
zooals een profeet die wel heeft.
Eens stond ik ongeveer voor het volgende probleem: Liem Tjoeang
wilde mij vanaf de Oostkust van het schiereiland een groote rivier
op naar de bergketen brengen, die nabij de Westkust de waterscheiding
vormt. Na een moeitevollen tocht over de rivier, die dagenlang duurde,
zouden wij het gebergte, dat op zoowat veertig kilometer afstand van de
Westkust ligt bereiken. Een korten, geschikten, zoo mogelijk het heele
jaar met booten bevaarbaren weg daarheen te vinden, was mijn opdracht.
Het was ondoenlijk de mijn waarom het ging vanaf de Oostkust te
bewerken, om de veel te groote moeilijkheden van transport.... maar
als ik een gunstig gelegen toegang naar het Westen aan zee kon vinden,
dan zou deze plek------gesteld, dat alle overige factoren meewerkten,
er voldoende erts aanwezig was, in goede concentratie, enz.------met
succes te exploiteeren zijn.
Dus een heel aardige onderneming, een beetje
idealistisch-geographisch avontuur, een beetje werkelijkheid met een
realistisch-economisch-wijzen achtergrond.
Liem Tjoeang zag er niet als een echte tin-zoeker uit, maar eer als
een gemeenteambtenaar of een klerk. Hij had juist zooveel benul van de
Engelsche taal, dat ik telkens weer meende te moeten probeeren Engelsch
met hem te spreken, maar beter verstond hij toch over Holloeki heen
mijn Maleisch. Onpractisch gekleed in blauw khaki, een das om zijn
hals, had hij voor mijn part met zijn opdracht naar den duivel kunnen
loopen, als ik niet net nog op het laatste oogenblik gezien had,
dat zijn beenen werkelijk van boven tot onder met kwade beet-wonden
van den oerwoud-bloedzuiger bedekt waren.
Holloeki en hij behoorden tot dezelfde Chineezen-kaste der Hailam,
der inwoners van Hainan, het groote eiland, dat voor de Golf van
Tonkin in de Zuid-Chineesche Zee ligt, en waar bijna alle Chineesche
kokkies en boy's vandaan komen.
"Ook Liem Tjoeang is vroeger kok geweest," vertelde Holloeki,
"nu doet hij niets anders meer dan de wouden doortrekken om tin te
zoeken. Hij heeft in R. een Siameesche vrouw en van de opbrengst
der rijstvelden die zij bezit, kan Tjoeang heelemaal voor zijn eigen
avonturen leven. "Hij weet een tin-land, dat heel rijk is," voegde
Holloeki er enthousiast en graag zijn "broeder" helpend aan toe.
Aris toonde geen grooten lust in de zaak:
"--Wat weet zoo'n Hailamslungel nou van den jungle--!" knorde hij,
"zoo'n soepkoker, zoo'n kippenslachter. Het zijn allemaal menschapen
met kromme pooten en van reizen en van wat er aan werk te doen valt
in de oerwouden heeft zoo'n vent zelfs in zijn slaap geen flauw
benul!"....
Toen ik bescheiden tusschen zijn groote woorden inwierp: "Ja,
't is waar, hij is maar een domme opiumschuiver, schijnt aan
grootheidswaanzin te lijden en heeft waarschijnlijk in een opiumroes
voor het eerst gedroomd een rijk mijneigenaar te zijn--maar, zijn
beenen zitten in alle geval vol jungle-wonden; hij is werkelijk zelf
in het oerwoud geweest!".... gaf Aris elken verderen weerstand op:
"Toean, wij bruine menschen zijn niet zoo verstandig, jij zult het
wel weten; als jij wilt vertrekken, gaat Aris mee!"
Toen wij in het groote dorp bij de monding der rivier voldoenden
mondvoorraad voor onzen tocht van tien dagen bij elkaar gebracht
hadden en de motorboot van een Chineeschen rijstmolen ons voor een
dagreis was toegezegd, vertrokken we.
Iedereen lachte er om, dat ik in den regentijd de rivier op wilde. Maar
Liem Tjoeang verzekerde zoo hardnekkig telkens weer: "Boven in de
bergen is het droog!" dat ik hem tenslotte ging gelooven, vooral,
omdat ik vroeger wel gehoord had, dat het weer aan de Oost- en Westkust
vaak heel verschillend is gedurende een en hetzelfde jaargetij.
Stoer drong ons motorbootje door de hooggewassen golven. Als heele
eilanden dreven brokken van het woud stroomafwaarts; groote boomen,
pas ontworteld en nog groen kolderden voort, alles was grijs van
den regen, de hemel, de lucht; en het vertrek was des te stiller en
bedrukter, omdat Liem Tjoeang voor geen geld wilde verraden, waar we
precies genomen eigenlijk naar toe gingen.
Op hooge oevers lagen eenzame hutten in laurierblad-donkere
citroen-boschjes; breed-getakte katoenboomen stonden daar
vreemdsoortig-wijdbeens met meterlang afhangende vruchtenschillen en
dikwijls leidden steile voetpaadjes van onzichtbare huisjes door het
leem naar beneden tot aan het water, waar bad- en waschgelegenheden
met een haag van bamboestaven afgezet waren als beschutting tegen
krokodillen.
Het chocolade-bruine water rimpelde onder den stroomenden regen en
meer dan eens zagen we den hoog-geheven driekantigen kop van een
elegant naar den oever toezwemmende slang uit de golven opsteken.
Ook ontmoetten we enkele zeldzame booten en af en toe klonk ergens
uit het bosch vandaan de korte vraag: "Pai nai?.... Waar gaan jullie
naar toe?"
's Avonds flakkerden een paar lichten op. Uitstappen! Een poosje door
het water waden! In een Siameezenhut liggen! Dat was de eerste dag.
Op een heel smalle stuntelige rivierboot ging het toen nog zeven
dagen lang verder. Aan den hoogen kant liggend hadden Holloeki en ik
onder het uit rotang gevlochten dak nauwelijks plaats. Aris hurkte
met Liem Tjoeang aan onze voeten, terwijl de drie roeiers buiten,
twee achter en een in de punt van de boot stonden.
Urenlang gleden we gelijkmatig en langzaam voort; nog was de stroom
breed en kalm. Pas na twee dagen werd hij onstuimig, zoodat de
riemen alleen niet meer voldoende waren en ons vaartuig enkel nog
maar met uiterste inspanning en met behulp van lange stokken bij
rukken voortgeboomd kon worden.
Vlak langs de binnenoevers der rivierkronkelingen werd het kreupelhout
langs geslopen, waar de strooming gering was; en dan opeens en listig
op een gunstige plek dwars over een draaikolk naar den overkant
gestuurd. Meestal verloren wij bij zulk een oever-wisseling zoowat
een vijftig meter. Den eersten keer, toen plotseling rondom de
boot de razende wateren bruisten en ik daar zoo ingesloten lag en
de bootskoelies elkaar luide commandowoorden toeriepen en bliezen
en snauwden en hijgden en hun spieren spanden, dacht ik aan gevaar,
terwijl het mij later, toen ik het groote drijfvermogen der Siameesche
booten kende, iederen keer als het ware speet, wanneer wij behouden
door zoo'n kolk heen waren. Want juist de stroomversnellingen droegen
er veel toe bij, om deze riviertochten amusant te maken. Niet zelden
moesten wij verscheiden keeren bij een en dezelfde afstooten.
's Avonds stopten we dan wel bij een eenzaam huis, omdat daar
de mogelijkheid was, regenwater te krijgen om te koken; soms was
er een soort van geul, waar steeds aanwezige vlotten en menschen
inplaats een brug de twee einden van een goed-begaanbaar junglepad
verbonden. Of we moesten hier al, zooals verderop regelmatig, midden
in de wildernis, bijvoorbeeld op een met gras begroeide open plek,
den nacht doorbrengen.
Ik sliep meestal samen met Holloeki in de boot, terwijl de anderen
aan den oever een goed onderkomen zochten.
Eens werd ik op hetzelfde moment, dat het scheepje zonk, wakker. Een
of andere zware droom had mij te ver naar den rand der boot geduwd en
elken keer dat ik diep ademde was er in ons dek op een lekke plek een
drupje water gedrongen, en zoowat tot middernacht was dat voldoende
geweest om de boot tot zinken te brengen.
Het brood en een paar dingen die er minder op aan kwamen dreven weg,
maar de kist met de zilveren tikals bleef.
Alles was nat. De suiker weggesmolten. Een kip was verdronken. Den
volgenden dag zocht elk van ons zijn have bijeen om te laten drogen en
voor verrotting te behoeden; Aris zijn feesthemdje, Holloeki Chineesche
medicijnen; Liem Tjoeang pulkte een nat en klevend bundeltje rekeningen
en kwitanties met prachtige, maar angstwekkende Chineesche cijfers
en getallen uit elkaar, als was hij bevreesd, dat een vordering te
vroeg te niet zou gaan en een zijner schuldenaars heil brengen. Toen
ik mijn dagboek en de photo's enkel maar vochtig en niet nat terugvond,
haalde ik opgelucht adem.
Doch Holloeki zei verwijtend:
"Toean, hoe kan je zeggen, niet zoo erg, al je tabak en ook je bed
is nat!"--
We naderden dichter bij de bergen. Al onstuimiger stroomversnellingen
wisselden met stille, diepe gedeelten af, waaruit met druipsteen
behangen kalkmuren eenige honderden meters opstaken.
Onbeweeglijk lag ik in de boot, die bij elken slag der riemen
trilde. Uitgeholde boomstammen met krachtig-gespierde jacht-, oerwoud-
en watermenschen schoten langs ons heen; bij een eenzaam huis waren
vischnetten uitgehangen om te drogen en een reusachtige krokodillehuid.
In de kolkende gedeelten danste en huppelde ons lichte scheepje met
vroolijke sprongen rond, dreigde soms zijn eigen weg te zullen gaan,
bijvoorbeeld een steilen waterval àf in een schuimenden maalstroom
aan den voet eener steile rots; maar het gelukte den vluggen
handigen bruinen altijd weer het vaartuigje op den rechten weg terug
te brengen. Na de lange vaart door het groene, weinig afwisselende
oerwoud was er nu eindelijk iets nieuws te zien. Deze rotsen en bergen
met de omhoog klauterende boomen deden mij goed aan mijn oogen.
Op een avond hadden we halt gehouden in een inham der rivier. Op het
grint waren de kampvuren al ontstoken om de lastige zandvliegen te
verdrijven en dikke wolken gele rook verspreidden zich over het lage
land stroomafwaarts.
Hornbillvogels, gelijk suizende blaasbalgen, zetten zich neer
op een grooten boom vlakbij ons, telkens weer even opfladderend,
opvliegend, zoodat hun geel-wit-zwarte lichamen zich tegen den hemel
afteekenden. Vliegende honden, die overdag als levenlooze proppen
zoowat twintig meter hoog aan de takken hangen, ontwaakten en vingen
hun bevende, onrustige vluchten aan.
Uit verre verte staken in lange, brokkelige rijen scherpgevormde
dolomieten-punten boven het oerwoud uit, en, een eindje van mijn mannen
vandaan zittend, had ik hetzelfde gevoel van absoluut alleenzijn,
als ik het vroeger in den laten herfst in de bergen boven de wolken
wel kende. Weg zijn van alle anderen, van al het slechte, met zichzelf
alleen zijn en met zijn tenminste zoo goed mogelijke goddelijkheid.
Toen ik aan het vuur der koelies trad, zei Aris: "Vannacht moet er
weer eens iemand in de boot slapen, anders wordt onze bagage gestolen;
oerwoudmenschen kun je nooit vertrouwen...."
"Holloeki, wil jij?" vroeg ik.
Holloeki grijnsde, en tenslotte was ik natuurlijk weer de waaghals,
terwijl mijn mannen onder een overhangenden stam een veilig plekje
om te slapen vonden.
Ik zat lang wakker en overeind. Boven het donkere woud glansde een
bleeke rotswand uit. Ik dacht: Hoe lang zal ik zoo nog moeten reizen,
hoe ver is de terugkeer naar huis en hoe--onzeker.
Zoo lief en trouw deze boy's ook hun meester aankijken, zoo gevaarlijk
zijn ze ook. Ik kon het met den besten wil van de wereld Holloeki niet
als een zonde aanrekenen, wanneer hij bij het afwasschen de borden
weleens eenvoudig vlug in de beek stak en ze naderhand met een lap
uitwreef. En nog veel minder mocht het mij gelukken hem zijn onbewuste
fouten af te wennen. Maar een dubbele troost vond ik dan altijd weer
in het feit dat hij het water, dat ik werkelijk gebruiken moest,
angstvallig goed kookte, èn in een stelling der bacteriologie, die
in een afgelegen vakje van mijn brein merkwaardig lang was blijven
liggen en nu heel nuttig en van pas af en toe om den hoek riep:
Op metaal sterven microben vlug!
Nadat we nog twee dagen lang door volkomen onbewoonde hooge puntige
bergen getrokken waren, ten laatste tegen een met vlakke vuursteenen
overdekte, gelijk een bergweg in het licht der zon wit-glanzende
helling waren opgeklauterd, waar de koelies de boot als een handslee
voorttrokken, bereikten we opeens een lieflijke, open vallei met
een heel menschelijk dorpje, dat tusschen de hooge granieten, maar
sierlijk gevormde groote bergketen en het wilde stakige kalklandschap
vredig gebed lag, diep in de bergen.
Er woonden Siameezen en Chineezen. De eersten hadden de vrouwen en
hutten bijgedragen, de Chineezen de kracht en de bijen-vlijt, en op
deze wijze vormden ze daar een levensgemeenschap achter de bergen,
die alleen daardoor werd verstoord, dat een vretende ziekte aan bijna
elk van hen knaagde!
In hun afgelegenheid voelden ze, dat ze op den Westkant van het
schiereiland thuis hoorden en spraken vol trots over den weg
daarheen--anders zouden ze immers jammerlijke achterlandbewoners zijn.
Zelfs een paar reusachtige waterbuffels bezaten ze, die onmogelijk
vanaf de Oostkust de rivier op gekomen konden zijn.
Maar toen ik den volgenden ochtend opbrak om den weg naar de Westkust
te zoeken, de twee beste gidsen mee, bleven we midden in het woud
steken, en hooge, steile bergen deden de transport-kansen naar het
Westen aan zee volkomen te niet, vooral, omdat de heele streek,
er ook om andere redenen niet zeer herbergzaam uitzag.
Een eerste, vlugge blik zei me: Valt niet aan te denken! Maar ik deed
toch een heelen tijd alsof.... hoofdzakelijk omdat ik Liem Tjoeangs
hulp voor de terugreis noodig had.
Hoewel ik gevaar liep Aris' gunst er bij in te boeten en op hem den
indruk van domheid te maken, liet ik toch hier en daar graven, op
plaatsen, waar met den besten wil van de wereld geen erts te hopen
of zelfs maar te verwachten was. En ik ging een paar maal zitten,
veegde mijn bril af, haalde met veel omhaal mijn notitieboekje voor
den dag en schreef er een zinnetje in neer.
Tjoeang nam me elken keer vol wantrouwen op, Holloeki scheen al
geroken te hebben, dat deze streek maar matig in mijn smaak viel. Het
is verbazend moeilijk, zijn diepste denken voor zijn bedienden te
verbergen.
Holloeki merkte al aan de manier waarop ik voor mijn bord soep ging
zitten, hoe het ermee zat....
Als Liem Tjoeang mijn aanteekeningen, die ik daar schreef, had kunnen
lezen, was ik nu misschien dood.
De eerste aanteekening, geschreven op een aardheuveltje, op een met
mos-begroeiden steen, heelemaal in doorngekronkel:
"Maccaroni is eigenlijk het eenig menschelijke op zulke reizen door
de wildernis!"
En de tweede notitie, bijna net zoo belangrijk:
"Het huwelijk is misschien de beste troef, die in het spel "leven"
wordt uitgedeeld. En goede troeven bewaart men lang."
Altijd wanneer het hachelijk en saai in het leven wordt, wanneer
een mensch zichzelf mislukt vindt en de eene teleurstelling na
de andere op hem neerbonkt, ontwaakt in hem een laatste verborgen
(galge-)humor, erbarmt zich over hem en is zoo vriendelijk om het
armzalige menschje ergens anders vandaan, het doet er niet toe vanwaar,
de noodige energie om voort te leven te verschaffen. Het leven is
enorm ver-ziend en voor langeren duur (langeren duur dan het soms
wel schijnt) ingericht. Telkens is er iets dat troost brengt.
Ook Liem Tjoeang had onder den last van zijn (door mij af-)geknapte
hoop zwaar te torsen. Gelijk een koning was hij het oerwoud
ingetrokken, zeker van zijn toekomst, behaaglijk, als aan den vooravond
van het afsluiten zijner levenszaak, en nu had deze er eigenlijk zeer
onooglijk en heelemaal niet buitengewoon verstandig uitzienden toean
al zijn droomen omvergeworpen.... Als hij een beetje minder fatterig
gekleed was geweest, zou ik medelijden met hem gehad hebben.
Doch hij vond nog dienzelfden avond een laatste sprankje hoop terug
en het middel om weer opnieuw in een roes te geraken.
Gedurende den terugtocht den volgenden ochtend zat hij op ons
scheepje met een grauw-blauw-geel-groenachtig gezicht, als iemand,
wiens kortelings pas op een zwaren veldtocht veroverde schoonvader
onverwacht plotseling over den kop is gegaan.
Door middel van Holloeki deed hij nog een laatste krampachtige poging
om te doorgronden of mijn meening over het land misschien tòch nog
gunstig was.
Maar inplaats van daar op in te gaan, vroeg ik Holloeki:
"Kan een krokodil op een boom klauteren?"....
"Neen toean! Dat kan een krokodil niet."....
"Laat hem dan asjeblieft in het water blijven!"...
Kostelijk vond ik de vluchtige bezoeken in Bangkok, de hoofdstad. Zoo
eens drie dagen lang, meer dan duizend kilometer met den trein door de
wouden te suizen, het hart vol van laaiende droomen, het plan voor een
concessie van een rijk stuk land in mijn zak, langs hutten en dorpen,
door woud, woud, bosch, over verre, met zoutkristallen bedekte steppen
dichtbij zee, waaruit uitgeholde, door de golven weggevreten kalkwanden
grauwig omhoogschieten.
Opeens weer iets van beweging en snelheid in zich te bemerken, te
voelen, dat het koortsdonkere, onontwarbare slakkengang-woud dus toch
niet het eenige op de wereld is.
Op den derden middag van de reis door de open rijstvelden op Bangkok
toe te vliegen, op het leven toe, langs de in het avondlicht van den
drogen moesson woestijnbergblauwe, als een maanlandschap voor mij
uitliggende Radboeri-heuvels.
Te zien hoe de dorpen statiger en de menschen veelvuldiger
worden. Vonken-sproeiend snelt de razende trein door den avond.... Op
de groote stad toe....
In de duisternis van het door duizenden flakkerlichten
bestraalde station-gewemel aan te komen. Onder te duiken in dit
Siameesch-Chineesch-Maleisch-Hindostansch stemmengeroes.
En dan naar de stad te varen op den grooten stroom en geheel verward
plotseling in het schelle electrische licht van het moderne Europeesche
hotel te staan.... Nauwelijks twee dagen daar, weer weg. In het
oerwoud.
Weer de Menam op naar den trein bij het aanbreken van den dag. Tusschen
al de drijvende planken-hutten en vlot-huisjes door, die net zoo goed
als de grootste steenen paleizen een rustig thuis kunnen bieden. Dat
is, wat in de haast aan deze woningen opvalt. Lotosbloemeneilanden,
die langzaam den stroom afdrijven.
Boven het huizengewemel in huiver-verwekkende koelheid een grasgroene
ochtend.
Links de glas-en-tegelbouw van den Tjengtempel, grijs als een rotsberg
in de lucht opstekend, en rechts het vele torentjes rijke silhouet
van het paleis des konings, dat met gouden, groene, blauwe en roode
glinsterende tegels in het morgenlicht te fonkelen staat.
En daarboven: duizenden aasgieren en meeuwen----. Op de maat van den
motor langs den voorkant van een tempel met zijn eeuwenoude, als uit
het hersenstof van oergoden gesneden legenden van "het goede en het
kwade", die je dringend aanzien, tot nadenken dwingend, en die niet
zijn zooals de broze speelgoedtempels in Europa, die men toevallig
kent, doch anders, Oostersch-oeroud en daarom nieuw.
In den dwang van zijn beroep zoo vluchtig en zonder er zich in te mogen
verdiepen langs al deze wonderen heen te haasten en daarna urenlang
in den trein alleen of wel met onverschillige evenmenschen zich door
het eindelooze, eentonige oerwoud in de wildernis terug te vervelen,
treurig en verbitterd, omdat in het leven tijd en geld en gelegenheid
nooit daar ter beschikking zijn, waar men met deze kostelijke dingen
iets zou kunnen beginnen....!
Heete dagen en koele nachten bracht ik op zee door. Door lauwe
avonden dreef mijn boot onder den eentonigen slag der riemen
stroomafwaarts. Van den oever klonken luide stemmen aan, als wij
tusschen de in palmentuinen verspreid liggende hutten doorgleden, waar
in den schijn van groote houtvuren bruine vrouwen, in de zwoelheid van
den nacht het bovenlichaam ontbloot, bezig waren met het rhythmische,
als een spel bekorende werk van het rijstdorschen, waar naakte kinderen
ravotten en vanwaar de bedwelmende geuren van zeldzame vruchten en
bloemen zich over ons en het gelukkige land uitgoten.
Dan lei zich al dat schoone, heerlijke als een zachte deken om mij
heen en door het ononderbroken zachte trillen der boot moe wordend,
viel ik in een diepen slaap, waaruit ik pas werd wakkergeschud,
wanneer Foe Seng, de oude verweerde visscher, aan de monding der
rivier het knarsende zeil uitzette.
En als ik dan onder het dakje van mijn drijvend huisje te voorschijn
krabbelde, nog een beetje stram en stijf, lag deze schoone wereld
groot en vreemd-hoog voor mij uit; ontzaglijke wolk-kasteelen stonden
aan den hemel, de zee strekte zich oneindig ver uit en door de teêre
nevelsluiers in het Oosten brak stralend de ochtend....
Hoe dikwijls ben ik zoo uit den moerassigen, met mangroven begroeiden
benedenloop eener rivier de wijde zee opgevaren, die na al de zwoele,
koortsige onaangenaamheden van het binnenland voor mij openging,
zooals voor iemand de zon over een groot geluk opgaat; de zee, die
met haar frissche bries telkens opnieuw en al sterker het symbool
voor mij werd van al wat sterk en gezond was.
Meer dan een dozijn keeren heeft Foe Seng mij door de Golf van Siam
in zijn Chineesche jonk met de donkere roodbruine vischvlottenzeilen
gevaren. Soms schoten we koen en pijlsnel op één kant vooruit,
een anderen keer droogden onze beenderen in de windstilte van den
tropenmiddag. Dan teekende het palmenstrand zich scherp en schoon
van kleurschakeering tegen de schitter-witte streep der kust af,
terwijl in dampig-sprokige verte de blauwe Siameesche bergen daar
hoog boven uitrezen.
Of aan den horizon stak een onweer op en de oude man stuurde op
den oever aan, tot het anker grond greep. Dan lagen we rookend bij
elkaar onder het zonnescherm van gevlochten rotang, golven sprongen
op met witte schuimkammen, het onweer greep ons en schudde ons heen
en weer, en zoodra de zee weer glad en rimpelloos begon te worden,
lei hij zijn koperen opiumpijp weg en vatte het stuur weer aan.
O, en hoeveel keeren heb ik met Seng in stoïcynsche rust en evenals
hij zonder eenige bekommernis om den tijd voor de monding eener rivier
op den terugkeer van de vloed gewacht, vastgeloopen in het zand....!
Gelijk een bruine visscher stapte ik dan in de kleine kano, mijzelf
met de pagaai door de avondlijke wateren roeiend. Scharen zwart en
wit gestreepte ooievaars stonden als voetballers voor den aanvang
van het spel in het rond, donkerroode meeuwen met scherp-gekartelde
vleugelpunten krijschten, stoere booglijnen langs den hemel schietend
en schuddebollende kraanvogels zetten zulke diep-ernstige, geleerde
gezichten, dat alleen de brillen ontbraken om ze tot profaxen te maken.
Aan den oever zochten grijze steltvogels naar voedsel, op bliksemsnelle
pootjes zigzagsgewijs heen en weer rennend als gek-geworden wandelaars.
Eentonig vloeiden de slappe golven van de eb af en aan. Zware
zeilschepen lagen kiel-droog op hun kant. Lange stangen, het
kenteeken van al deze zee-oevers, staken de lucht in, reeksen palen
van Siameesche vischtuigen staken hooger uit de zee op dan bij hoog
water en vielen daardoor in het oog.
Zoetjes-aan kwam dan de vloed, langzaam stijgend, de eerste lichte
booten kwamen over de versperring aan de monding der rivier heen, mijn
schipper gaf ook mij een teeken en eindelijk, na een paar uur varen
de rivier op, wenkte mij op vasten bodem een schuilplaats, en werd
ik eindelijk verlost uit de engheid van mijn kleine Chineesche jonk.
Met gloeiende kleuren hebben zich beelden van tochten met buffelwagens
in mijn geheugen geprent.
Terwijl in het Zuidelijkste deel van Siam regelmatige dagelijksche
regens vallen, keert verder in het Noorden ieder jaar een maandenlange
droge periode weer, die het land in een soort steppe verandert. Dan
denderden en kolderden mijn reiswagens, eigen melodieën zingend, over
de steenhard verbrande rijstvelden. Onder het stof bedekt knarsten en
dreunden de gevaarten over ruwe wegen of tot aan de assen in het weeke,
het wielengeratel dempende zand, door breed-gehoornde waterbuffels of
sterke Indische ossen, met hun vetknobbel in den nek, voortgetrokken.
Het spaarzame kreupelhout was verzengd, bladeren bedekten den grond
als in een Noordelijken winter.
Vroeg, wanneer de nacht nog in het oerwoud draalde, togen we op
weg. Boschbranden kleurden den horizon rood, asch-strepen van in
de onbeschrijflijke droogte als lucifers van het eene einde tot het
andere verbrande boomstammen lagen over den weg. Allerwegen tusschen
zwart-geschroeide boschjes smeulde de grond onder een donzige laag
grijze asch.
Het landschap was als gehuld in zwijgen, was als verziekt; en ook
wanneer de zon opging was nergens eenig leven. Geen vogel zong er,
en wij allen versmachtten bijna, al op den vroegen morgen. Lang
voor den middag werd halt gehouden. Dan renden menschen en dieren
naar de regenputten, waarin het water geel en laag stond. Taaie en
traagzaam voortsluipende uren heb ik gedurende broeiend-heete middagen
doorgebracht. Zoutige, grauwe kleuren lagen over het stoffige lage
land, flikkerende hitte broeide over de kale schaduwlooze, in het
steile licht der zon onherbergzaam en vijandig om ons heen staande
wouden. Mijn huid werd als van leer. Het water verdampte in mijn
beenderen.
Pas laat op den middag, als de ergste gloed voorbij was, maakten
we ons op om verder te gaan. Vaak lag de volgende regenput meer dan
een dag loopen verder, zoodat het water in bamboestangen meegedragen
moest worden.
Als stoere beelden uit de oergeschiedenis der menschheid waren
sommige beelden uit dit zwerftochtenbestaan: Grof-getimmerde
wagens. Kampvuren. Nomaden en jagers. Hoevele nachten heb ik daar
halfnaakt op de vlakke aarde gelegen, warm en heet als de aarde zelf
en vol van in den koelen avond opschietend leven.
Eindelijk sliep ik dan doodelijk vermoeid in, om kort na middernacht,
als de maan hoog en helder aan den hemel stond, weer op te breken.
Nooit is mij de afhankelijkheid der bruinen van dag en van nacht
en hun tegelijk zoo heerlijke absolute onbekommerdheid om den tijd
meer tot bewustzijn gekomen dan daar; nooit heb ik dieper gevoeld,
dat onstilbare lust tot zwerven tot de primitieve eigenschappen der
menschenziel behoort, dat hij een erfdeel is, ons allen geschonken,
dat wij deze neiging uit verouderde tijden van onze voorvaderen op
onzen levensweg hebben meegekregen....
Op een avond zonk de zon bloedrood in het Westen weg en reeds steeg
onnatuurlijk groot de gele schijf der maan op. De lucht was klaar en
droog als in de woestijn. Mijn wagens waren tot een kamp bijeengezet.
Daar kondigde knarsende wielenmuziek de komst van een nieuwe karavaan
aan. Blauwige damp, de rook der kampvuren, had zich verspreid en hing
in de verdroogde kronen der boomen als een sluier.
Ik zat tegen een der logge wielen geleund, toen de vreemde voertuigen
vlak naast de mijne zich tot een kring bijeenvoegden. Een-en-twintig
spannen in een stofwolk. Onder de zonnedaken vermoedde ik menschen,
een heel dorp dat naar betere weigronden trok.
Mannen sprongen van de dissels, ossen loeiden verlost, zigeunerleven
ontwaakte en weldra was de lucht doortrokken van den scherpen reuk
van brandende aarde.
Uit een der wagens stapte een mooie vrouw. Voor mijn oogen kliefde
ze hout, legde vuur aan, kookte, gaf een zuigeling de borst, en af
en toe sprak ze in karige, maar zeer melodieuze zinnen. Haar huid was
kastanjebruin, haar vrouwengezicht teeder en mild in den maannacht....
Lange avonden werden mij tot droomen,
door den weerschijn van het kampvuur
op de koperbruine, gladde huid eener vrouw zalig vervuld.
Avonden, waarop ik urenlang vol aandacht zat
en fabelachtig diep vermocht te tasten
in het mysterie van het leven.
Wanneer ik van deze tochten door de wildernis vermoeid en uitgeput
naar S. in mijn hoofdkwartier terugkeerde, woonde ik in een huis,
dat ik nooit zal vergeten. Het was in den gebruikelijken stijl der
tropische bungalows gebouwd, mijn firma had het van de regeering
gepacht en het was (misschien juist daardoor) in den loop der tijden
erg vervallen. Zon- en maanlicht hadden er vrijen toegang, de witte
mieren bouwden hun brokkelige tunnel-weggetjes muur-op, muur-af en
den houtboorkevers was het al bijna gelukt, den voornaamsten steunbalk
te doen breken.
Met zijn vele hoekjes en uitbouwsels, met zijn open veranda die zoo
groot was als een danszaal, en het ver-overstekende dak was Rong Pie
Boen, zooals de ruïne heette, alles eerder dan gezellig en 's nachts
een echt spookslot.
Mijn veldbed stond daar in een bedompt kamertje, van echt Chineeschen
afgesloten bouwtrant (boven den paardenstal) waar het inslapen net
zoo'n geweldig kunststuk was als het "op tijd wakker worden."
En ook verder heeft dit huis maar weinig vriendelijke herinneringen
in mij achtergelaten.
Van den vroegen ochtend tot laat in den zwoelen middag kwamen
Chineesche handelslieden om bij mijn firma te loven en te bieden,
soms onbegrijpelijk taai en ernstig en tot in der eeuwigheid pratend,
soms ook zoo vreemd krijschend, dat ik in het begin nooit precies wist,
of het vriendelijk bedoeld was of dat ze vloekten.
Oude, dorre mijneigenaars met donkergroene armbanden van jaspis kwamen
in inktzwarte, voorname gewaden op bezoek, en mooie jeugdig-frissche
Chineezen, op zijn Europeesch toegetakeld en vonkelend van gouden
zegelringen en horloges, met zijden, maar bespottelijk bovenop de
broekspijpen (ten toon) gelegde sokophouders en andere sieraden.
In het sombere kantoor zaten twee ambtenaren--ook weer Chineezen--die
ongelooflijk handig en met een onbeschrijfelijk geduld uit het
Siameesch in het Engelsch, uit het Engelsch in het Chineesch, uit het
Siameesch in het Maleisch en heen en weer en heen en weer vertaalden,
brieven schreven om geld en brieven lazen over geld.
Ook de vele dikke boeken, die in een kast stonden, schreeuwden geld,
en elk woord dat er gesproken werd was geld; den eenen keer waren het
Engelsche ponden, den anderen keer werden Siameesche tikals opgeteld
of iets in Singaporsche dollars uitgerekend. En de andere blanken,
die er buiten mij nog waren--niets dan vroegere Europeanen (dat is
een juiste diagnose voor hen)--ook die waren geld, hoewel meestal
pas in de toekomst.
Daar sloeg ik soms zoo'n diepen blik in het afschuwelijke nuchtere
bedrijf van "Handelsonderneming in het Oosten," dat ik weg moest
hollen, om bij den aanblik der dichtbije kokospalmen tot bezinning
te komen. Als ik dan door de schaduwrijke lanen der wondermooie
palmentuinstad het vrije, open rijstland betrad, lag er iets als
een doorzichtige inktblauwe middag over het land, of de duistere
overblijfselen van een overgedreven onweer hingen in flarden om de
in ijle nevelen vervagende toppen der woudbergen.
Inplaats dat ik, van mijn moeitevolle tochten huiswaarts keerend een
thuis vond, bleef alles mij vreemd en koud aan dit vreeselijke huis,
ja, zelfs vijandig, en vervuld van de ziellooze beestigheid, die
zich overal in het Oosten voordoet, waar de invloed der Europeanen
doordringt. Geen vriendenwoord vernam ik daar ooit, nauwelijks een
zweem van meegevoel heb ik er ondervonden, dag-in dag-uit moest ik,
alle wilskracht en zelfbeheersching verzamelend, probeeren anders te
schijnen dan ik in waarheid ben, en krampachtig vermijden ooit iets
te laten doorschemeren van mijn groot verlangen naar "wijsheid", naar
"schoonheid" en naar "goedheid".--
Deze telkens weerkeerende indrukken, iederen keer wanneer ik voor
een paar dagen in het hoofdkwartier kwam, waren zoo sterk, dat ik
ook 's avonds, als het woeste zakengedoe verstomde, het gevoel van
verlatenheid, het gevoel onder iets vreemd-spookachtigs te lijden,
niet heelemaal van mij af kon zetten.
Ik herinner me nog zoo goed hoe dat gebeurde. Hoe ik van dag tot
dag stiller en meer vergiftigd werd door dit leven om mij heen, hoe
ik avond aan avond slapeloos te woelen lag op het smalle bed onder
mijn klamboe, mij dof verzettend tegen een ontzaglijke zwarte macht,
die mij al onverbiddelijker wilde neerhalen naar die wereld van
ellende. (Nu weet ik, dat mij destijds een geheimzinnige onbewuste
angst "net zoo te worden als die" kwelde).
Uit zulke nijpende dagen groeiden onvergetelijke nachten voor mij,
die ik in dit ontzettende huis heb doorgebracht. De kalme wijsheid,
die van dien eenen nacht, dien ik hier tracht te schilderen uitging,
zal ik nooit meer vergeten.
Weer lag ik in mijn kamertje. Het was bedompt en donker om mij heen en
alleen door een paar spleetjes in den muur drong spaarzaam maanlicht
in bleeke strepen naar binnen. Het heele huis beefde van koortsend
leven. Tjok, tjok lachten de melkig-witte gekkohagedissen van het
plafond af, vleermuizen joegen onder het dak, van tijd tot tijd even
gauw een uitstapje makend door het luchtgat in mijn kamerdeur. Mijn
honden, door de schaduwen van het geweldige gebouw verschrikt, renden
onophoudelijk als door booze geesten bezeten over den houtzolder,
en als ik dacht eindelijk te kunnen inslapen, kraakte het ergens in
het hout; houtwormen, aan de rusteloosheid van den tijd herinnerend,
krabbelden in de muren en dan opeens begon een mug te gonzen, vlak
bij mijn linkeroog--vast al in het net!
Onder het huis stampten voortdurend de hengsten. Ginds in het dorp
blafte een heele troep half-uitgehongerde paria-honden, die niemand
voedsel geeft en niemand doodslaat, jammerlijk, ellendig en zonder
ophouden. Af en toe vernam ik een stem van de straat, en niet te
stuiten en oneindig in zijn veelheid en veelvoudigheid drong het
piepen en gonzen van den tropennacht door de dunne houten wanden heen,
in een niet te stelpen stroom in alle toonaarden.------
Europeanen in het Oosten, die slapeloos neerliggen, zeggen tot den
djaga, den Indischen bewaker van hun huis: Vooruit, haal een meisje!
Kort en als van-zelf-sprekend zeggen zij dat; en de djaga haalt het
verlangde, zooals bijvoorbeeld een kellner de krant brengt, die je
hebben wilt.
Zou ik werkelijk nog langer stompzinnig alleen------in dit ongastvrije
huis--------------Ik zou zoo'n bruintje bij mij willen nemen, zooals
men een zeldzamen vogel in een kooi neemt, zooals men weerschijnende
vlinders met een zacht doekje voorzichtig vangt, om vol bewondering
te bekijken en te aanbidden.
Zou dat niet schitterend zijn?
Ik zou haar in mijn kamertje willen ontvangen: Zoo ben je daar
eindelijk! en haar liggend en loopend en kruipend bekijken, gelijk
een echte kunstenaar. Zooals een schilder zou ik voor haar willen
gaan zitten, op bed, cigaretten rookend.
Zou er dan niet een beeld ontstaan, een met Mata hari's kleuren
geschilderd, een met gloed overgoten, levend-echt beeld,--en dat zou
dan voor altijd van mij blijven. Ik zou het met mij mee mogen nemen
door heel mijn leven, met mij mee naar Europa, waar de zon zoo bleek
schijnt, waar niemand van bruinen droomt en alles zoo jammerlijk
wit is.
Heb ik niet allang het eene na het andere mijner Westersche
vooroordeelen aan het Oosten moeten prijsgeven? Ben ik,
niettegenstaande mijn dertig jaar, niet nog aldoor bereid om "bijdragen
voor mijn algemeene ontwikkeling" te verzamelen?....
Ongeduldig stampten de hengsten in den stal. Tjok, tjok klapten
met hun tong de hagedissen op hun klaverbladachtige pooten; late
schouwburgbezoekers--bezoeksters! wauwelden in de dorpsstraat hoog
en luid en zeker van wat de toekomst ze brengen zou.
Toen moest ik opeens aan het hooge, in het maanlicht nu zeker
spookachtig wit opglanzende grafmonument uit overoude tijden
denken, dat vlak achter het huis stond, kegelvormig en spits en
alsof het speciaal hier neergezet was als vermaner: "O, gij domme,
slechts kort levende menschjes met uw doodelijke verlangens en
angsten".--------------
Is het zonde, bruin heerlijk te vinden? Is bruin niet bruin, omdat
wit enkel maar wit is! Is het slecht van mij "Ja!" te zeggen, als Tsin
mij vraagt: "Toean, mag ik je een Siameesch sprookje vertellen, mag ik
bonte vlinders voor je vangen, om je pleizier te doen....?" .... ben
ik toen niet met een onverwachten ruk opgestaan, ben ik niet langs
den muur geslopen, heb zachtjes de deur opengemaakt....:
"Djaga, ga, en roep Tsin!"