Den volgenden dag, blauwe lucht, en zonnefeërie, na den storm. Dat
wisselt zich af in Nice als met dekoratie na dekoratie.
Weêr neemt de duc, blij om het mooie weêr, en nieuwsgierig naar de
Place Garibaldi, het eene trammetje na het andere.
En waarlijk, daar op een bankje, zit... de Lion du Littoral!
Arme Lion, wat ziet hij er uit!
In een oud, bronsbruin jasje, een gelapte broek, en touwen pantoffels,
zit de Lion in éen gedoken. Zijn kop is hem gevallen op de borst, zijn
wangen zijn hol, zijn haar is dun en grijs, en al zijn zijn schouders
breed, en al bombeeren zijn armen nog van biceps in de te nauwe
mouwen, de Lion ziet er uit als een zóo vervallen en ellendige leeuw,
zoo een oude leeuw van den Littoral, zoo een afgejakkerde kampioen
van Marseille tot Genua toe, dat des ducs gevoelig teêr hart samen
krimpt, met die heel oncomfortabelen kramp, die de duc ondervindt
om allerlei: bedelaars, oude trampaarden, ellendig geduldige trekezels,
oude meiden, oude akteurs en oude worstelaars: àlle oude en afgeleefde
artiesten, gymnasten en lastdieren, voor wie de duc zoo gaarne
toevluchtsoorden zoû willen stichten, met villa's en parken, voor de
menschen, en warme stallen en weiden, voor de beesten. Helaas, de duc
heeft nooit iets gesticht: zijn hertogelijk fortuin is zeer ge-entameerd,
en hij moet zich vergenoegen met--als hij niet een luttele aalmoes geeft
aan den mensch, of een blik van meêlij aan het lijdende beest--heel hard
weg te loopen, om hun misère niet te zien. Het is niet mooi van den duc;
het is struisvogelpolitiek; het zoû beter zijn flink op te treden
tegen den karrevoerder, voor het oude lastdier, en tegen de
maatschappij, voor de oude artiesten, meiden en worstelaars. Maar de
duc is, hoewel gevoelig van harte en erg sentimenteel, niet bepaald
krijgslustig en energiek in het "optreden"; de duc keert liever ter
zijde dan op, en zoo komt het, dat hij nooit veel veranderd heeft aan
de treurige dingen des levens, die zijn week hart soms doen krimpen
van akeligheid.
Gij lezer, oordeel met zachtheid den duc: hij is in alle geval
oprecht.
- Zoo, Theofile, zeg ik: ben je terug? Dat doet me pleizier je te zien
O God! Wat een blik! Het hoofd heeft zich opgericht, zoo moê, zóo moê,
en twee waterige oogen zien mij aan. De Lion drinkt, dat is zeker, en
niet alleen punch als Bébert, of anisetjes als André. De Lion is
verslaafd aan de "groene fee".
- Dag meneer, groet hij met kelderstem. Is u ook al in Nice?
Ik ga naast hem zitten. Het is niet prettig dat te doen, want het
jasje is heel oud en riekt kwalijk. Maar ik bedenk, dat ik het soms in
de komedie of in een salon wel eens een half uur uithoû naast een
vrouw, die mij wee maakt met musc, en ik blijf stoïcijnsch zitten
naast den leeuw Theofile.
- Theofile, zeg ik. Waar ben je geweest?
- Genua, Ventimiglia, Menton, somt de Leeuw triestig op.
- Heb je veel geworsteld?
Hij lacht bitter en zijn waterige oogen ... tranen. O de blik vol
tranen van dien ouden man.
- Wat is er, Theofile? Kom, zeg mij eens wat er is?
- Ach, meneer, wat zoû er zijn ... Er is het einde, dat is alles.
- Het einde? ...
- Het is gedaan.
- Hoe gedaan?
- Als ik het van daag niet doe, doe ik het morgen.
- Wat??
Hij heeft een gebaar van een touw om den nek te slingeren en dan òp te
trekken.
- Maar waarom kerel, waarom?
- Meneer, ik ben oud.
- Hoe oud ben je?
- Ik ben ... acht-en-veertig.
Acht-en-veertig! En hij noemt dat oud! Er graaft zich iets om mij als een
afgrond. Ik ben niet veel jonger dan hij. Ben ik oud? Het wordt mij
kilkoud in mijn aderen.
- Dat is toch niet oud ... Theofile, zeg ik, bijna smeekend.
- Oud, voor een worstelaar, meneer. Het gaat niet meer. De goeie
tijden zijn voorbij. In een wedstrijd beteeken ik niets meer. De
directie's willen me zelfs niet meer toelaten. Ik werk wat op mijn
tapijtje. Ik hef wat gewichten. Maar het geeft niets meer. Ze kijken
en lachen even, en geven een sou en gaan weg. Mijn vrouw ... is weg.
- Is je vrouw weg??
- Ja. Ze is er van door, met een jongen kerel. ... Ik ben bijna blij
voor hem.
- En je zoon?
- Mijn zoon werkt. Hij worstelt in Milaan. Maar hij vergeet zijn vader
en eens.
- Ja, dat weet ik, Theofile, maar ik dacht, dat het bijgelegd was. Je
zoon was driftig en je beschouwde hem nog een beetje als een kleine
jongen. Ik dacht, dat Jean toch verzoend was met je?
Hij schudt triestig het hoofd.
- Ik hoor niets van hem.
- En je dochter? vraag ik, om meer te weten.
- Ziek, in het hospitaal. Te Genua.
O God, wat vind ik dat alles vreeslijk! En ik kan toch niets daar aan
doen! Wàt kan ik doen!
- Kom, Theofile, zeg ik; je moet je niet zoo laten neêrslaan, we worden
allemaal oud. Je moet nu langzamerhand uitscheiden met worstelen, en ik
ben overtuigd ... ik meen, ... ik zoû misschien ... met een meneer
kunnen spreken, die veel invloed heeft ... om je een bureau-de-tabac te
bezorgen; zoû je dat willen?
Hij schudt het hoofd, zóo triestig, zóo triestig.
- Neen, meneer. Het is heel braaf, om dat voor me te willen doen. ...
- Er is niets braafs aan; ik kèn juist een meneer, die invloed heeft,
en. ...
Hij schudt het hoofd langzaam, langzaam van neen en nog eens neen.
- Neen, meneer, ik ben athleet. Ik kan niet tabak en postzegels
verkoopen. Mijn spieren, dat is mijn leven. Mijn worstelen ... dat is
mijn kunst. Twee jaar geleden nog hield niemand het tegen mij uit. Wàs
ik de Lion du Littoral. Nu ... ben ik oud en slap en rheumatiesch, en
niets meer waard. En na gisteren avond ... is het uit.
- Wàt is uit? vraag ik en spring op. Vertel mij, Theofile, wàt is er
gebeurd?
Hij lacht, zóo bitter, zóo bitter!
- Wat er gebeurd is? zegt hij. Bébert heeft volstrekt met me willen
worstelen. ...
- Bébert!
- En na even met me gespeeld te hebben als de kat met de muis ... me
gelegd ... me zoo gemeen gelegd ... wel niet met een truc ... maar
toch ... toch ... me gelegd ... mij ... mij ... den Lion ...
den Lion du Littoral. ...
Een snik schokt hem zijn holle, breede borst. Een razernij ziedt in
mij op: het bloed vliegt als met een congestie naar mijn hoofd. ...
De Lion is weêr in een gezonken.
- Maar hij is ook jong en sterk; ik ben oud, ik ben slap en niets
waard meer. Gisteren avond, toen het niet meer regende, is het
gebeurd. Ik had mijn tapijtje gespreid, en poogde nog een paar sous te
verdienen. Ik bewaar mijn gewichten, daar, bij den bistro in die
buvette, en ik haalde ze te voorschijn, en daagde de omstanders
uit ... Voor een thune (vijf francs); vroeger beloofde ik een zigue
(louis-d'-or), aan wien me kon leggen, ik meen zoo op straat, niet in
een serieuzen wedstrijd ... Nu, meestal biedt zich niemand aan, want
ik ben nog wel een "costaud," al ben ik niet meer, die ik was ... Maar
gisteren avond, daar zag ik in eens, toen ik het publiek had
uitgedaagd, en zou gaan lutteeren met mijn copains--voor de frime;
die krijgen dan eén balie van me (eén franc), als ze zich laten
leggen--daar zag ik in eens uit de arkaden te voorschijn komen Bébert, en
met hem waren André le Pêcheur, en Lucien, die pommade-vent, met twee
meiden. Nu, dacht ik dadelijk, die komen alleen om me te embêteeren.
En waarachtig, Bébert wou met me lutteeren; het heele publiek
lachte ... En wat kòn ik doen, wàt kon ik doen?? Ik ben de Lion du
Littoral. ...
Een hevige hoestbui overvalt hem en hij schrapt en spuwt, naast
mij: ... zoû hij tering hebben? Hij hoest zóo akelig. ...
- Ik ben de Lion, herhaalt hij. Ik kon Bébert niet weigeren.
Nu ... heeft hij me gelegd ... Hier ben ik niets waard meer, hier op de
Place Garibaldi is geen sou meer voor me te verdienen ... Als ik het
van daag niet doe, doe ik het morgen.
Hij schetst weêr dat gebaar met een touw ... zoo òmslingeren ... en
dan trekken.
Ik voel mij heel oncomfortabel van binnen. Mijn hart doet mij wee en
ik voel als een fyzieke kramp, die mij ziek maakt en, na mijn roode
razernij van zoo even, slap en energieloos. Ik voel dat dadelijk in
mijn knieën. ...
Ik sta op. Ik heb den Lion eenige woorden van troost pogen te zeggen,
die niet veel uitwerken. Ik heb hem iets in de hand gedrukt, dat meer
uitwerkt, en hem gezegd, dat hij van middag even bij mij passeeren
moest, om een broek en een jasje te halen.
Zullen mijn luttele weldaden den Lion nieuwe levenskracht geven? Ik
ben zeker van niet. Er is zelfs geen twijfel in mij. En vol weemoed
wandel ik naar de zee, langs de heerlijke bloemenmarkt, de
kleurprachtige groentenmarkt, langs de uitstallingen van curieuze
visschen. Zelfs al die kleuren en geuren in de zon wekken mij niet op.
Al die rozen en mimoza's, die violieren en anjelieren en irissen; al die
oranje en purperen aubergines en poivrons; die prachtige roze uien; en
heel die byouterie-schat van de Middellandsche zee: die visschen met
parelmoêren, azuren en violet-zilveren en rood-gouden schubben, die
beesten met ál de glauke tinten van het water over rug en aan buik, al die
vroolijkheid van het geding en geroep ... dat alles, wat ik anders zoo lief
heb, omdat het bont, kleurig en vroolijk is in den genereuzen gloed van
de morgenzon, die zoo mooi langs de oude huizen der oude stad felle
schijnsels en lila schaduwen smeert ... dat alles wekt mij niet op. Mooi
pogen de vischvrouwen mij met armdikke palingen, als blauwzwarte slangen,
te bezweren mijn voordeel toch niet voorbij te loopen; mooi reiken de
bloemenverkoopsters mij haar tuilen rozen en mimoza's onder de neus,
de kleuren en geuren bedwelmen mij niet: ik sla zonder eén woord het
gouden mimoza-stuifsel àf van mijn mouwen, en ik koop geen vijgen, zoo
als ik wel eens doe--van die heerlijke, slanke cou-de-dames,--om ze
te snoepen, in den Tuin, op een bankje, onder het standbeeld van den
Maarschalk Masséna.
Neen, ik loop droefgeestig door ... Het is zoo mooi en zoo vroolijk en
zonnig; die blauwe lucht, die heerlijke morgenzon, al hoog toe naar
het midden, als een gouden genade om je heen ... en ik ben treurig,
ik voel mij diep treurig. O, die vreeslijke smart om de dingen en
menschen, die eindigen, die knakken, die kwijnen, die zich nog voort
sleepen, belast met àlles wat de ouderdom geeft: ziekte, moedeloosheid,
troosteloosheid, tot eindelijk wanhoop toe! Die vreeslijke smart van oude
paarden nog te moeten zien trekken zware wagens vol steenen; die smart de
oude Caroline nog iederen morgen en avond haar pavé af te zien loopen,
van af de Jetée tot de Dames-de-France en terug, lonkend hier, lonkend
daar, met dien lonk zóo moê, en zoo oud, met dat vervallen gezicht, te
veel geverfd onder dien immensen hoed, en die bijna knikkende
knieën ... o God, om haar een louis te geven en te zeggen: ga nu naar bed
en blijf den heelen dag slapen. ... O, die vreeslijke smart, om oud en
gebrekkig en ellendig te worden die vloek van God, die drukt op den
mensch; die vloek, waarmeê God den mensch verpletterde, te gelijker tijd,
dat hij de natuur zegende, want de natuur wordt niet oud: zij is altijd
jong, eeuwig; zij herleeft ieder jaar, ieder oogenblik. ...
O, ik loop zoo droefgeestig door ... Nu maar geen kenissen ontmoeten
en lief moeten praten; liever maar alleen op een bankje zitten, met
die onweêrhoudbare tranen de oogen vol. Het is niet om mij, ik ben
gelukkig; er is zoo veel liefs òm mij; ik ben nog door het leven
bedorven geworden; het is niet om mij. Het is, omdat het zoo is. Omdat
wij oud worden en zachtjes gesloopt, en geknakt. Het is, om Sarah
Bernhardt, die ik een maand geleden gezien heb in den Aiglon, als een
lijk, dat nog sprak en liep, vertoonende een jong mensch van zeventien
jaar ... De weêrgâloos magnifieke en zoo lang geniaal jeugdige vrouw
en artieste ... Dat ik, stil in een hoekje, grien op een bankje, is
van daag niet om mij ... maar om een oud paard, dat ik mij heug, om
Caroline, om Sarah Bernhardt. ...
En om den Lion du Littoral ... den ouden leeuw Theofile. ...
De zee schuimt met elegante golfjes aan.
Het is of de zee, na hare woede van gisteren, weêr elegant wordt, met
kanten en parelenschitterende golfjes--zoo als het betaamt aan een
zee van een dure seizoen-plaats; een mondain zonne-stadje.
Het is of de golfjes een lief ballet dansen, of zij blauw gerokte
danseresjes zijn, met schuim van kanten volants, waarover pailletten
gezaaid zijn.
De zon giet haar warme douche neêr over mijn rug.
Dat troost mij een beetje.
Plots ... daar zie ik de beide heeren: Bébert le Boucher en André le
Pêcheur.
De roode razernij ziedt weêr in mij op.
Maar ik overmeester mij en wil mij niet driftig maken; je weet niet,
die heeren zijn zoo sterk. ...
En daarom vergenoeg ik mij door heel duidelijk, als ik ze zie naderen,
hun mijn rug, al verzittende, toe te draaien.
Zij naderen; zij smoezen, achter mijn rug.
En een beetje van ter zijde loerende, bespeur ik ... Bébert, die het
er liever niet op waagt, en zich, handen in de zakken en rug
gebombeerd, uit de voeten maakt. ...
Bébert is bang voor mij!!
Nu, daar heb ik dan toch pleizier van!
En wat doet André? ...
André is genaderd ... Staat voor mij.
- Dag, duc! zegt André joviaal.
- Bonjour! antwoord ik, héel koel.
- Mooi weêr! zegt André en zet zich naast mij.
- Héel mooi! beâam ik, met een glaciale stem.
- Kom duc, zegt André; wat is er? Ben je boos?
- Minstens vind ik jullie twee misselijke kerels! antwoord ik, niet
meer voorzichtig.
André kijkt mij aan en bedenkt: de duc weet er alles van; de duc heeft
den Lion gezien.
- Ik heb niet met den Lion geworsteld, verontschuldigt zich André.
- Neen, maar Bébert wel, en jij bent meê gegaan.
- Nou, dat is toch zoo erg niet. Daarom hoef je toch niet zóo boos te
zijn, duc.
- Jawel, André, ik ben wel boos. Ik heb het jullie gezegd. Ik wil
jullie niet meer kennen.
- Kom, duc, het was maar een grapje. ...
- Dan moet het jou maar eens overkomen, als je zoo oud bent als de
Lion nu, en als je spieren slap zijn geworden.
Ik verzit weêr, en draai hem mijn rug toe.
Hij loopt om, en zet zich aan de andere zijde, en glimlacht guitig mij
in het gezicht. Wat heeft die een uiïg smoel! Net een groote kwâjongen.
- Duc, zegt André; ben je dan heusch boos?
- Ja.
- Wil je me nooit meer zien?
- Bébert niet en jou ook niet.
- Drink ik nooit meer eens een borrel met je?
- Ik heb van jullie gesoupeerd, hoor! zegt de duc, in argot.
André begint verontrust te worden. De duc meent het. En het zoû jammer
zijn, want de duc tracteert wel eens op een kelkje anisette en daar is
André dol op.
- Kan ik het niet meer goed maken? fleemt André, en steekt zijn poot
uit.
De hertogelijke hand gaat die poot niet te gemoet. Maar de duc zegt:
- Jawel. Je kàn het goed maken. Als je wilt.
Hoe dan? vraagt André, bepaald blij om die mogelijkheid, dat geopende
perspectief van een "zinc" in een bar, waarop zoet kelkje gevuld wordt na
kelkje.
- Dat zal ik je zeggen! zegt de duc, en zijn stem heeft iets
onvermurwbaars. Als je weêr goed vriend met me wilt worden, moet je van
avond worstelen met den Lion.
- Ik? zegt André. En waarom?
- Om den Lion je te laten leggen.
- Wat??? roept André uit. Ik? Moet ik worstelen met den Lion,
om ... Heb ik je goed begrepen??
- Héel goed! zeg ik. Je bent een vlugge jongen. Tweemaal zeggen is
niet noodig. Toch zal ik het doen: het tweemaal zeggen. Wil je goed
vriend blijven met den duc, dan worstel je van avond met den Lion, en
laat je door hem netjes leggen. En als je dat niet doet,--en nu ben
ik heel ernstig--hoef je nooit meer op een bankje naast me te komen.
- Maar duc, zegt André; het is je niet ernst! Ik kan toch mijn
reputatie niet naar de maan gooien!
- Zoo als je verkiest, zegt de duc, koud.
André staat op. De duc denkt al, dat hij het spel verliest.
Maar André, verontwaardigd over des ducs voorstel, loopt op en neêr,
op en neêr, het wilde beest gelijk.
- En wat krijg ik er voor? zegt André eindelijk, stil staande voor den
duc.
- Een goed souper daarna. Een lekkere bouillabaisse, in de Réserve, is
het hertogelijk antwoord.
- Honderd franc, zegt André, zijn oogen hebzuchtig in de mijne.
- Ga maar eens kijken of ik ze al niet thuis bij je gebracht heb,
onder je kussen.
- Duc, zegt André; het kost me mijn reputatie. Ik doe het voor honderd
franc.
- Kijk eens, André: je doet het voor een bouillabaisse ... of je doet
het niet. Net zoo als je wilt. Maar àls je het doet, doe je een goed
ding, maak je een medemensch gelukkig. Je verzoent je er tevens meê
met den duc, en je soupeert lekker. Doe je het niet, dan doe je het
niet, maar dan ben je een beroerling, net als Bébert, en is het uit
tusschen ons.
- Je bent een type! roept André.
- Het is mogelijk.
- Duc, zegt André; ik doe het.
- Zonder grapjes?
- Zonder grapjes. Mijn hand er op.
Ik schud zijn hand: auw!
- André je moet niet zoo knijpen: ik weet wel, dat je sterk bent.
- Ik heb niet geknepen.
- Kijk, hoe je mijn ringen in mijn vingers hebt geperst. Kom je dan
van avond, op de Place Garibaldi?
- Ja. Hoe laat?
- Om zeven uur. Heel ernstig, hoor. Denk er aan: om ácht uur,
bouillabaisse.
- Ik zal er zijn.
Weér handdruk; o God, die vingers, doen me zoo een pijn. Zoû André er
heusch komen? ...
Ik ben er niet zeker van. ...
Ik weifel en ik twijfel. ...
Voór zeven uur ben ik op de place en vind bij den bistro den ouden
Leeuw.
- Leeuw, kom eens hier. Hij komt, onder de arkaden.
- Leeuw, zeg ik; straks komt André le Pêcheur, denk ik. Dan moet je
hem uitdagen.
Hij wordt bleek.
- Waarom? vraagt hij met kelderstem. Ik fluister hem iets in.
Hij glimlacht.
- Neen zegt hij, ongeloovig.
Ik knik van ja, heusch van ja, hoor.
- Neen, zegt de Leeuw. Dat zal André zich niet laten doen. Als ik hem
leg, dan lég ik hem ook. Dan ben IK het, die hem leg. Maar ik zal hem
niet leggen ... ik ben slap, ik heb gedronken.
Ik ruik het . ...
- En ik wil niet met hem worstelen.
- Jawel, Leeuw, zeg ik; je moèt met hem worstelen, als hij straks
komt.
- Nou ... zegt de Leeuw, half zat. We zullen wel zien. Ik heb het
kostuum laten halen. Het zit me nauw, maar dat is de mode, zeggen ze.
- Ja, zeg ik, serieus. Nauw is de mode. Maar je moet het nu aandoen en
niet naar "tante" brengen.
- Het is al bij "tante," zegt de Leeuw. Heusch, meneer de duc, het was
me te veel naar de mode.
- Nu, dan maar niet aandoen, beste kerel, zeg ik wat treurig en kijk
naar zijn kwalijk riekend bronzen jasje en gelapte broek. Maar worstel
nu straks met André. Als je het doet, dan ...
- Wat dan?
- Dan krijg je wat van me.
- Dàn doe ik het!
Het is afgesproken. Wat stinkt de vent naar absinth!
Ik loop wat om, langs de zee, en weêr terug. De avond is gevallen als
ik weêr op de Place Garibaldi kom. Zie, de Lion heeft zijn tapijtje
gespreid; hij heeft zelfs een verlichting van acetyleen, die een
vreeslijk luchtje geeft. En hij staat, op zijn tapijtje, gewichten te
heffen. De tors naakt, is hij verjeugdigd. Toch doet hij mij
onweêrgeefbaren weemoed aan. Zijn lichaam--hij heeft alleen een
donkere onderbroek aan--is, hoe gespierd ook, gesloopt, vervallen,
met vreemde holtes tusschen de spieren en zoo grauw bleek mager van
tint, als of hij niet genoeg eet, en te veel drinkt. Zijn weinige
vleesch heeft een tint van absinth, is groen en groezelig in den
heen-en-weêrschijn der lampen. Zijn gezicht heeft iets verwaands,
zijn oogen kijken laatdunkend. Hij heft machinaal zijn gewichten.
Hij heeft mij gezien en groet mij. Hij pozeert nu voor zijn publiek,
dat niet groot is: een paar voyou's, enkele trambeambten, een paar
straatjongens.
- Wie onder het geëerde publiek wil zich meten met den Lion du
Littoral? Wie den Lion legt, zonder de bij de lutte verboden trucs,
ontvangt eén thune (vijf francs). Wie onder het ge-ëerde publiek. ...
Ik voel op mijn schouder een zwaar gewicht. Het is bedoeld als
vrienschapsgebaar, want mij omwendende, bons ik tegen André le
Pêcheur, die zijn handen op mij gelegd heeft.
- Je ziet, duc, ik ben gekomen, fluistert André. Eigenlijk vind ik het
beroerd wat je me gevraagd hebt te doen, maar je was zoo drommels
kwaad van morgen, dat. ...
- André, fluister ik; wat kan het je schelen ... hier, op de Place
Garibaldi! Doe het nu, niet waar, doe het in drie minuten: laat hij je
even leggen, en dan gaan we de bouillabaise eten.
Dat laatste geeft den doorslag.
- Wie onder het geëerde publiek wil zich meten met den Lion? blageert
Theofile, verwaand en laatdunkend. ...
Maar hij heeft André bespeurd. Hij wordt bleek.
- Ik! roept André.
Emotie onder het publiek, dat aanzwelt. Het is in eens propvol.
Ik ben den Lion genaderd en fluister hem toe:
- Ik ben overtuigd, dat je André legt ... Je bent "en forme" van avond:
ik zie dat aan je oogen. ...