Louis Couperus

Ik zit in vage avondstemming, geweven uit een beetje spleen, wat meer

melancholie, en heel veel verveling op een bankje voor de Quai du

Midi, daar waar de visschers van Nice hun barkjes omhoog, op de kade

zelve, getrokken hebben, beducht voor boos weér, want de zee schuimt

hoog op en de wind waait straf. De kraag van mijn overjas op, en mijn

handen in de zakken, en mijn pet getrokken tot over mijn oogen, zit ik

te staren en, wat weemoedigjes en alleen, te droomen over de

schuimziedende golven. Het zal van nacht wel gaan spoken over de

Middellandsche wateren.

Plotseling, links en rechts, verschijnen de beide heeren, Bébert le

Boucher en André le Pêcheur. Ik was zoo in trieste stemming,

winddoorhuiverd, verloren, zoo weg gedoken in pet en in kraag, dat ik

hun twee impozante figuren niet had zien naderen, hun twee diepe

stemmen niet had hooren opblageeren, zoo dat ik opschrik, nu ik ze

plots herken, links en rechts, ik zittende, op het midden des bankjes.

- Zoo, monsieur le duc, zegt André le Pêcheur; zijn we fier van avond

en kennen we de oude jongens niet?

- Is de duc lijdende aan ongelukkige liefde, dat hij zoo eenzaam in de

zee zit te kijken? blageert Bébert le Boucher.

Ik strek twee handen uit, die duchtig worden geschud in pooten van

heb-ik-jou-daar.

- Wel heeren, zeg ik; het doet me pleizier je te zien. Fier is de duc

niet, dat weet je, maar hij lijdt veel aan distractie. Is er van avond

iets te doen, dat jullie zoo broederlijk en collegiaal samen loopen?

Of kom je een oogenblik mij gezelschap houden en zitten aan mijn

zijden?

Zij zetten zich links en rechts, Bébert le Boucher en André le Pêcheur

en ik verzeker u, dat er niemand meer bij kan op het bankje. Het is

warmpjes, gezellig en tjopvol, met ons drieën. Mijn slankheid, als

pièce-de-milieu, wordt indrukwekkend geflankeerd door, links, Bébert

le Boucher en, rechts, André le Pêcheur. Ik maak liever eens een

grapje met deze jongens, of drink met ze een borrel in een bar, dan

dat ik standjes met ze kreeg. Ik voel mij tusschen hen beiden als een

klein, niet volgroeid jongentje, waarop met minzamen spot, maar toch

met goedgunstige straatvriendschap glimlachend beschermend wordt neêr

gekeken. Des te beter. Liever maar niet vechten met die twee bazen. Uit

speelschheid zelfs, geloof ik, zouden ze je dood drukken, zoo als ik

een muskiet vernietig.

Wij wisselen opmerkingen over den wind en het weêr en Bébert en André

zijn het eens met mij, dat het boos weêr zal gaan worden.

Zij noemen mij "monsieur le duc" of meestal "duc," omdat Bébert

mij eens heeft gevraagd:

- Jij bent immers een "duc?" Ze hebben me gezegd, dat je een "duc"

was.

- Natuurlijk ben ik een duc! heb ik geantwoord met aplomb. En André,

die wel beter wist, maar veel houdt van in het ootje te nemen, staafde

mijn bewering:

- Natuurlijk is die een duc! heeft André aan Bébert verzekerd.

Zoo dat ik geloof, dat die domme Bébert gelooft, dat ik een "duc" ben,

en authentiek.

Bébert le Boucher is van het Noorden, van Amiens, geloof ik. André le

Pêcheur is van het Zuiden, van Marseille, zoo niet van Nice. Beiden

worstelaars van beroep, was Bébert eenmaal slagersjongen, en is André

nog altijd visscher. Bébert is, hoewel een blagueur, somber; André is

vroolijk, grappig en guitig. Het Noorden en het Zuiden. Ik hoû niet

veel van Bébert, maar ik heb een zwakje voor André.

- Duc, zegt André; kom je van nacht meê op zee, in mijn boot: La Jeune

Jeannette??

- Ja wel, hoor! zeg ik. Kom maar eens kijken, of ik er niet zijn zal.

Zeg, André, slaap je van nacht in de "Jeune Jeannette?"

Want André, in den zomer, slaapt in zijn boot, op de kâ getrokken,

onder zwoel wellustige sterrenachten.

Bébert maakt grapjes over la Jeune Jeannette, die nachtelijke

rustplaats van André, grapjes, die ik den lezer laat raden, maar ter

kuischheid wille omsluier met de vaagheid van het minder dan halve

woord.

Neen, André, van nacht, zal niet slapen in den ronden schoot van zijn

"Jeune Jeannette"--een mooi barkje, wit en rood geschilderd--want de

wind is hèm zelfs te bar, om niet zijn kamer in de Vieille-Ville op te

zoeken.

- Duc, zegt André weêr; ga je straks meê naar de Place Garibaldi? Là-bas,

nous rigolerons tous les trois!

- Wat is daar dan te rigoleeren? vraag ik.

- Voor den donder, já, souligneert Bébert; we moeten dáar eens flink

lol hebben.

- Maar wat is er dan te doen op de Place Garibaldi? vraag ik.

- Kan je het niet raden? vraagt André.

- Kom, duc, zegt Bébert; ràadt je het dan niet?

Ik haal mijn schouders op: ik heb geen imaginatie van avond.

- Le Lion du Littoral is er terug! zegt Bébert en buldert het uit

van het lachen, als of hij zich met den naderenden storm wil meten.

Ik schrik op en kijk hem aan. Ik hoû niet van Bébert, van dien

blonden, uitwendig somberen kolos: hij is niet te vertrouwen; hij is

een bruut, zonder meer; als hij worstelt, doet hij altijd de

verbodene trucs en wordt brutaal en zoo nijdig als hij verliest, dat

de andere sterke heeren hem vreezen. In die immense klomp spieren,

tusschen dien kolossalen rug en kolossale borst, klopt niet het goede

hart van de meeste heel sterke mannen.

- Is de Lion terug gekeerd? vraag ik, een beetje angstig.

- Ja, zegt André; en van avond spreidt die al weêr zijn tapijtje op de

Place Garibaldi en daagt die de heele wereld uit. We hebben het bij

toeval gehoord, en we zijn van plan ons eens te amuzeeren.

- André, zeg ik; mag de duc je eens even wat zeggen?

Ik hoû van André. André is ook één spiermassa, maar hij is een

prachtige vent in zijn kracht. En zijn roze vleezig gezicht is niet de

sombere bruutkop van Bébert, met die loensche, groene oogen, en dien

onvertrouwbaren lach om zijn rossen stekelsnor; de kop van André is

loyaal en prettig om naar te kijken; zijn bruine oogen zijn groot en

open; zijn geschoren mond heeft een trek van franchise, en terwijl de

handen van Bébert zware biefstukken zijn, zijn die van André de

groote, van werk vereelte, pooten van een heel sterken, maar eerlijken

jongen.

- Wel, duc, wat woû je dan zeggen? zegt André.

- Bébert, zeg ik en wend mij tot den bruut; mag de duc jou ook wat

zeggen?

- Vooruit er meê! zegt Bébert.

- Welnu dan; ik vind jullie twee beroerde jongens, als je dien armen

Lion gaat plagen.

- En waarom? stuift Bébert op, als een orkaan en blaast, loenschende

groen, in mijn gezicht. Waarom zouden wij dien Lion niet eens op zijn

donder mogen geven? Waarom moeten wij ons zijn verwaandheid laten

welgevallen? Wat beteekent het, dat hij zich noemt den Lion du

Littoral, als of er niemand is dan hij, die worstelen kan tusschen

Nice en Genua! Hij zal er van lusten van avond!

- Duc, zegt André; Bébert heeft gelijk. De Lion is een verwaande

vent, en we zullen hem van nacht op zijn donder geven.

- André, zeg ik; en jij, Bébert, ik herhaal, dat jullie beroerde

jongens bent, als je van avond worstelt met den Lion. De Lion is

misschien verwaand, maar dat doet er niets toe: de Lion is een arme,

oude kerel, die vroeger zijn triomfen heeft gevierd, net zoo goed als

jullie nu. De Lion heeft veel verdriet gehad; dat wijf van hem is een

feeks; zijn eigen zoon heeft hem eens afgeranseld; zijn dochter

"fait le pavé." Als jullie voor dien armen, ouden kerel, al is hij dan

ook wat verwaand, omdat hij vroeger champion is geweest, niets

voelt, en hem daarbij nog onmogelijk wilt maken op de Place Garibaldi,

waar hij een paar centjes verdient met gewichten heffen en een

"copain" te leggen--dan vind ik jullie twee beroerde kerels, en wil

ik jullie niet meer kennen.

- Hoor den duc, hoor den duc! buldert Bébert en blageert door van dit

en van dat.

- Kom, duc, we mogen wel eens een grapje hebben, met den Lion! zegt

André. We zullen, eerst Bébert en dan ik, zijn défi aannemen, en hem

éen voor éen netjes leggen op den grond, met beide schoudertjes op

zijn tapijtje, zonder hem pijn te doen, heel voorzichtigjes weg.

- En hem zoo onmogelijk maken, en hem prijs geven aan het gejouw van

al dat gepeupel daar. Jullie weten heel goed, dat hij alleen maar

worstelt met types, die hij een paar sous geeft, en die zich na een

paar grepen zus of zoo laten vallen, en jullie weten heel goed, dat de

oude man geen partij voor jullie is. Als jullie het doen, wil ik je

nooit meer zien. ...

- Kom, duc, zegt Bébert, die zich herinnert, dat de duc soms wel eens

royaal kan zijn en tracteert; zoo hoog moet je het niet opnemen. We

willen alleen maar een grapje hebben, maar als je zoo een zwak

gevoelentje hebt voor dien ouden Lion, nou... dan zullen we het niet

doen, hoor; dan gaan we alleen maar eens kijken. ...

- Je moet zelfs niet gaan kijken, zeg ik, verteederd, omdat Bébert

toch beter is dan ik dacht. Want als de Lion je ziet, onder het publiek,

dan krijgt hij het land. ...

- Hoor eens, duc, zegt André; als Bébert niet wil, omdat jij het

liever niet hebt, dan zal ik den Lion ook niets doen, maar ons zelfs

te verbieden eens te gaan kijken op de Place Garibaldi, dat is te

sterk, hoor! We hoûen wel van een pretje.

De wind is heftig opgestoken. De lucht is dreigend van wolken.

- Als jullie me beloven den Lion niets te doen, zeg ik; dan trakteer

ik in den Rocher de Cancale.

Zij vinden dit een goed idee, en omdat, ten eerste, groote droppelen

vallen, en ten tweede ik de beide heeren verre van de Place Garibaldi

wil houden, sta ik op en begeven wij ons alle drie naar een

bar-en-restaurant, de Rocher de Cancale, dicht bij, waar de visschers

gewoon zijn een borrel te pakken.

Het is heel donker geworden, de regen ruischt neêr en de lucht is

zwart.

- De Lion zal zijn tapijtje niet spreien, zegt Bébert, achter mijn

rug, tegen André en ik zie ze wel knipoogen, en wantrouw vooral

Bébert.

In den Rocher de Cancale buigt de dikke waard ons te gemoet.

Het lokaal is heel vol, nu het regent. In een hoek zitten visschers te

kaarten. Op een tafel zitten twee meiden, en smoezen, nu wij binnen

komen, met haar types: éen herken ik, dat is Lucien l'Impair,

een gevaarlijke vent, maar niet zóo kwaad als hij soms gevaarlijk kan

zijn. Ik groet Lucien, die mij terug groet, en de eene meid smoest:

- Wie is dat?

- Dàt? hoor ik Lucien zeggen. Dat is een duc.

- Is dat een duc? vragen de meiden, geïnteresseerd.

- Dat is een duc, zegt Lucien: en schàtrijk.

- Dire qu'il y a des types, qui sont duc! zegt de andere meid vol eerbied.

De waard heeft ons ingeschonken, brandende punch voor Bébert en mij,

terwijl die gekke André weêr een anisette-tje lebberen wil; die

groote, sterke vent lebbert altijd aan een anisette-kelkje en likt het

uit met zijn tong, op gevaar, dat hij het kelkje stuk likt. In mijn

rug hoor ik de meiden ons kritizeeren: een duc, die met twee lutteurs

in den Rocher een borrel komt pakken, dat vinden ze eigenlijk gek,

maar ze hebben eerbied, voor mij, omdat ik duc ben, en voor Bébert en

André, omdat ze zoo geweldig sterk zijn.

- Nou, de duc is goed bewaakt! hoor ik de eene meid zeggen.

En de andere:

- Beter, als dat hem de Lion zoû bewaken!

- Welke Lion? vraagt Lucien.

- Le Lion du Littoral! giechelen de meiden.

- Is hij terug? roept de waard, met glimmende wangen en oogen.

Het gesprek is algemeen, want de opmerkingen over mij, duc, zijn ook niet

met halve stem geweest.

- Jawel, verzekeren om strijd Bébert en André; de oude Lion is terug.

- Waar heeft die zoo lang gezeten? vraagt de eene meid, die ze, om

haar kuif, Polichinelle schijnen te noemen; de andere heet Escalopine,

of dewel: kalfs-oestertje.

- En dagen jùllie hem uit? vraagt Lucien.

Gebulder en gejuich. En de gitten oogen van Lucien schitteren al van

pleizier; trouwens, hij schittert heelemaal in het gaslicht, van pommade

en van valsche brillanten, op zijn das en aan zijn pink.

- Neen, antwoordt goedig André. Het zoû te vergeefs werk zijn. De Lion

du Littoral overwint ons allen.

Gebulder en gejuich. Er krimpt iets van angst in mij, om dien ouden,

armen Lion. Maar Bébert slurpt punch na punch en André lebbert kelkje

uit na kelkje en ze zullen den Lion van avond wel niets doen; hij heeft

zijn tapijtje niet eens gespreid, omdat het stortregenen zal. Hij zal niet

eens zijn centjes verdienen kunnen. Het gesprek is heel druk en grappig

geworden tusschen de meiden, Lucien en de beide lutteurs, en ik maak van

hun bulderpret gebruik, om den waard te betalen en de deur uit te wippen.

- Duc! Duc! hoor ik roepen.

Maar de duc is weg, kraag op, pet neêr, door den regen naar de tram,

om naar huis te gaan. ...

Neen, toch niet, vlug gewipt in een andere tram, om te zien, eventjes,

op de Place Garibaldi.

De regen stroomt niet meer, als de duc op de plaats arriveert.

Hij ziet rond. ...

Maar geen tapijtje, geen Lion zijn te zien.

Zoo dat de duc, gerust gesteld in zijn teeder hart, de tram juist

pakt, die hem naar zijn hertogelijk kwartier voert.

Korte Arabesken: Bébert le Boucher en André le Pêcheur · 第 3 / 5 题