Ik zit in vage avondstemming, geweven uit een beetje spleen, wat meer
melancholie, en heel veel verveling op een bankje voor de Quai du
Midi, daar waar de visschers van Nice hun barkjes omhoog, op de kade
zelve, getrokken hebben, beducht voor boos weér, want de zee schuimt
hoog op en de wind waait straf. De kraag van mijn overjas op, en mijn
handen in de zakken, en mijn pet getrokken tot over mijn oogen, zit ik
te staren en, wat weemoedigjes en alleen, te droomen over de
schuimziedende golven. Het zal van nacht wel gaan spoken over de
Middellandsche wateren.
Plotseling, links en rechts, verschijnen de beide heeren, Bébert le
Boucher en André le Pêcheur. Ik was zoo in trieste stemming,
winddoorhuiverd, verloren, zoo weg gedoken in pet en in kraag, dat ik
hun twee impozante figuren niet had zien naderen, hun twee diepe
stemmen niet had hooren opblageeren, zoo dat ik opschrik, nu ik ze
plots herken, links en rechts, ik zittende, op het midden des bankjes.
- Zoo, monsieur le duc, zegt André le Pêcheur; zijn we fier van avond
en kennen we de oude jongens niet?
- Is de duc lijdende aan ongelukkige liefde, dat hij zoo eenzaam in de
zee zit te kijken? blageert Bébert le Boucher.
Ik strek twee handen uit, die duchtig worden geschud in pooten van
heb-ik-jou-daar.
- Wel heeren, zeg ik; het doet me pleizier je te zien. Fier is de duc
niet, dat weet je, maar hij lijdt veel aan distractie. Is er van avond
iets te doen, dat jullie zoo broederlijk en collegiaal samen loopen?
Of kom je een oogenblik mij gezelschap houden en zitten aan mijn
zijden?
Zij zetten zich links en rechts, Bébert le Boucher en André le Pêcheur
en ik verzeker u, dat er niemand meer bij kan op het bankje. Het is
warmpjes, gezellig en tjopvol, met ons drieën. Mijn slankheid, als
pièce-de-milieu, wordt indrukwekkend geflankeerd door, links, Bébert
le Boucher en, rechts, André le Pêcheur. Ik maak liever eens een
grapje met deze jongens, of drink met ze een borrel in een bar, dan
dat ik standjes met ze kreeg. Ik voel mij tusschen hen beiden als een
klein, niet volgroeid jongentje, waarop met minzamen spot, maar toch
met goedgunstige straatvriendschap glimlachend beschermend wordt neêr
gekeken. Des te beter. Liever maar niet vechten met die twee bazen. Uit
speelschheid zelfs, geloof ik, zouden ze je dood drukken, zoo als ik
een muskiet vernietig.
Wij wisselen opmerkingen over den wind en het weêr en Bébert en André
zijn het eens met mij, dat het boos weêr zal gaan worden.
Zij noemen mij "monsieur le duc" of meestal "duc," omdat Bébert
mij eens heeft gevraagd:
- Jij bent immers een "duc?" Ze hebben me gezegd, dat je een "duc"
was.
- Natuurlijk ben ik een duc! heb ik geantwoord met aplomb. En André,
die wel beter wist, maar veel houdt van in het ootje te nemen, staafde
mijn bewering:
- Natuurlijk is die een duc! heeft André aan Bébert verzekerd.
Zoo dat ik geloof, dat die domme Bébert gelooft, dat ik een "duc" ben,
en authentiek.
Bébert le Boucher is van het Noorden, van Amiens, geloof ik. André le
Pêcheur is van het Zuiden, van Marseille, zoo niet van Nice. Beiden
worstelaars van beroep, was Bébert eenmaal slagersjongen, en is André
nog altijd visscher. Bébert is, hoewel een blagueur, somber; André is
vroolijk, grappig en guitig. Het Noorden en het Zuiden. Ik hoû niet
veel van Bébert, maar ik heb een zwakje voor André.
- Duc, zegt André; kom je van nacht meê op zee, in mijn boot: La Jeune
Jeannette??
- Ja wel, hoor! zeg ik. Kom maar eens kijken, of ik er niet zijn zal.
Zeg, André, slaap je van nacht in de "Jeune Jeannette?"
Want André, in den zomer, slaapt in zijn boot, op de kâ getrokken,
onder zwoel wellustige sterrenachten.
Bébert maakt grapjes over la Jeune Jeannette, die nachtelijke
rustplaats van André, grapjes, die ik den lezer laat raden, maar ter
kuischheid wille omsluier met de vaagheid van het minder dan halve
woord.
Neen, André, van nacht, zal niet slapen in den ronden schoot van zijn
"Jeune Jeannette"--een mooi barkje, wit en rood geschilderd--want de
wind is hèm zelfs te bar, om niet zijn kamer in de Vieille-Ville op te
zoeken.
- Duc, zegt André weêr; ga je straks meê naar de Place Garibaldi? Là-bas,
nous rigolerons tous les trois!
- Wat is daar dan te rigoleeren? vraag ik.
- Voor den donder, já, souligneert Bébert; we moeten dáar eens flink
lol hebben.
- Maar wat is er dan te doen op de Place Garibaldi? vraag ik.
- Kan je het niet raden? vraagt André.
- Kom, duc, zegt Bébert; ràadt je het dan niet?
Ik haal mijn schouders op: ik heb geen imaginatie van avond.
- Le Lion du Littoral is er terug! zegt Bébert en buldert het uit
van het lachen, als of hij zich met den naderenden storm wil meten.
Ik schrik op en kijk hem aan. Ik hoû niet van Bébert, van dien
blonden, uitwendig somberen kolos: hij is niet te vertrouwen; hij is
een bruut, zonder meer; als hij worstelt, doet hij altijd de
verbodene trucs en wordt brutaal en zoo nijdig als hij verliest, dat
de andere sterke heeren hem vreezen. In die immense klomp spieren,
tusschen dien kolossalen rug en kolossale borst, klopt niet het goede
hart van de meeste heel sterke mannen.
- Is de Lion terug gekeerd? vraag ik, een beetje angstig.
- Ja, zegt André; en van avond spreidt die al weêr zijn tapijtje op de
Place Garibaldi en daagt die de heele wereld uit. We hebben het bij
toeval gehoord, en we zijn van plan ons eens te amuzeeren.
- André, zeg ik; mag de duc je eens even wat zeggen?
Ik hoû van André. André is ook één spiermassa, maar hij is een
prachtige vent in zijn kracht. En zijn roze vleezig gezicht is niet de
sombere bruutkop van Bébert, met die loensche, groene oogen, en dien
onvertrouwbaren lach om zijn rossen stekelsnor; de kop van André is
loyaal en prettig om naar te kijken; zijn bruine oogen zijn groot en
open; zijn geschoren mond heeft een trek van franchise, en terwijl de
handen van Bébert zware biefstukken zijn, zijn die van André de
groote, van werk vereelte, pooten van een heel sterken, maar eerlijken
jongen.
- Wel, duc, wat woû je dan zeggen? zegt André.
- Bébert, zeg ik en wend mij tot den bruut; mag de duc jou ook wat
zeggen?
- Vooruit er meê! zegt Bébert.
- Welnu dan; ik vind jullie twee beroerde jongens, als je dien armen
Lion gaat plagen.
- En waarom? stuift Bébert op, als een orkaan en blaast, loenschende
groen, in mijn gezicht. Waarom zouden wij dien Lion niet eens op zijn
donder mogen geven? Waarom moeten wij ons zijn verwaandheid laten
welgevallen? Wat beteekent het, dat hij zich noemt den Lion du
Littoral, als of er niemand is dan hij, die worstelen kan tusschen
Nice en Genua! Hij zal er van lusten van avond!
- Duc, zegt André; Bébert heeft gelijk. De Lion is een verwaande
vent, en we zullen hem van nacht op zijn donder geven.
- André, zeg ik; en jij, Bébert, ik herhaal, dat jullie beroerde
jongens bent, als je van avond worstelt met den Lion. De Lion is
misschien verwaand, maar dat doet er niets toe: de Lion is een arme,
oude kerel, die vroeger zijn triomfen heeft gevierd, net zoo goed als
jullie nu. De Lion heeft veel verdriet gehad; dat wijf van hem is een
feeks; zijn eigen zoon heeft hem eens afgeranseld; zijn dochter
"fait le pavé." Als jullie voor dien armen, ouden kerel, al is hij dan
ook wat verwaand, omdat hij vroeger champion is geweest, niets
voelt, en hem daarbij nog onmogelijk wilt maken op de Place Garibaldi,
waar hij een paar centjes verdient met gewichten heffen en een
"copain" te leggen--dan vind ik jullie twee beroerde kerels, en wil
ik jullie niet meer kennen.
- Hoor den duc, hoor den duc! buldert Bébert en blageert door van dit
en van dat.
- Kom, duc, we mogen wel eens een grapje hebben, met den Lion! zegt
André. We zullen, eerst Bébert en dan ik, zijn défi aannemen, en hem
éen voor éen netjes leggen op den grond, met beide schoudertjes op
zijn tapijtje, zonder hem pijn te doen, heel voorzichtigjes weg.
- En hem zoo onmogelijk maken, en hem prijs geven aan het gejouw van
al dat gepeupel daar. Jullie weten heel goed, dat hij alleen maar
worstelt met types, die hij een paar sous geeft, en die zich na een
paar grepen zus of zoo laten vallen, en jullie weten heel goed, dat de
oude man geen partij voor jullie is. Als jullie het doen, wil ik je
nooit meer zien. ...
- Kom, duc, zegt Bébert, die zich herinnert, dat de duc soms wel eens
royaal kan zijn en tracteert; zoo hoog moet je het niet opnemen. We
willen alleen maar een grapje hebben, maar als je zoo een zwak
gevoelentje hebt voor dien ouden Lion, nou... dan zullen we het niet
doen, hoor; dan gaan we alleen maar eens kijken. ...
- Je moet zelfs niet gaan kijken, zeg ik, verteederd, omdat Bébert
toch beter is dan ik dacht. Want als de Lion je ziet, onder het publiek,
dan krijgt hij het land. ...
- Hoor eens, duc, zegt André; als Bébert niet wil, omdat jij het
liever niet hebt, dan zal ik den Lion ook niets doen, maar ons zelfs
te verbieden eens te gaan kijken op de Place Garibaldi, dat is te
sterk, hoor! We hoûen wel van een pretje.
De wind is heftig opgestoken. De lucht is dreigend van wolken.
- Als jullie me beloven den Lion niets te doen, zeg ik; dan trakteer
ik in den Rocher de Cancale.
Zij vinden dit een goed idee, en omdat, ten eerste, groote droppelen
vallen, en ten tweede ik de beide heeren verre van de Place Garibaldi
wil houden, sta ik op en begeven wij ons alle drie naar een
bar-en-restaurant, de Rocher de Cancale, dicht bij, waar de visschers
gewoon zijn een borrel te pakken.
Het is heel donker geworden, de regen ruischt neêr en de lucht is
zwart.
- De Lion zal zijn tapijtje niet spreien, zegt Bébert, achter mijn
rug, tegen André en ik zie ze wel knipoogen, en wantrouw vooral
Bébert.
In den Rocher de Cancale buigt de dikke waard ons te gemoet.
Het lokaal is heel vol, nu het regent. In een hoek zitten visschers te
kaarten. Op een tafel zitten twee meiden, en smoezen, nu wij binnen
komen, met haar types: éen herken ik, dat is Lucien l'Impair,
een gevaarlijke vent, maar niet zóo kwaad als hij soms gevaarlijk kan
zijn. Ik groet Lucien, die mij terug groet, en de eene meid smoest:
- Wie is dat?
- Dàt? hoor ik Lucien zeggen. Dat is een duc.
- Is dat een duc? vragen de meiden, geïnteresseerd.
- Dat is een duc, zegt Lucien: en schàtrijk.
- Dire qu'il y a des types, qui sont duc! zegt de andere meid vol eerbied.
De waard heeft ons ingeschonken, brandende punch voor Bébert en mij,
terwijl die gekke André weêr een anisette-tje lebberen wil; die
groote, sterke vent lebbert altijd aan een anisette-kelkje en likt het
uit met zijn tong, op gevaar, dat hij het kelkje stuk likt. In mijn
rug hoor ik de meiden ons kritizeeren: een duc, die met twee lutteurs
in den Rocher een borrel komt pakken, dat vinden ze eigenlijk gek,
maar ze hebben eerbied, voor mij, omdat ik duc ben, en voor Bébert en
André, omdat ze zoo geweldig sterk zijn.
- Nou, de duc is goed bewaakt! hoor ik de eene meid zeggen.
En de andere:
- Beter, als dat hem de Lion zoû bewaken!
- Welke Lion? vraagt Lucien.
- Le Lion du Littoral! giechelen de meiden.
- Is hij terug? roept de waard, met glimmende wangen en oogen.
Het gesprek is algemeen, want de opmerkingen over mij, duc, zijn ook niet
met halve stem geweest.
- Jawel, verzekeren om strijd Bébert en André; de oude Lion is terug.
- Waar heeft die zoo lang gezeten? vraagt de eene meid, die ze, om
haar kuif, Polichinelle schijnen te noemen; de andere heet Escalopine,
of dewel: kalfs-oestertje.
- En dagen jùllie hem uit? vraagt Lucien.
Gebulder en gejuich. En de gitten oogen van Lucien schitteren al van
pleizier; trouwens, hij schittert heelemaal in het gaslicht, van pommade
en van valsche brillanten, op zijn das en aan zijn pink.
- Neen, antwoordt goedig André. Het zoû te vergeefs werk zijn. De Lion
du Littoral overwint ons allen.
Gebulder en gejuich. Er krimpt iets van angst in mij, om dien ouden,
armen Lion. Maar Bébert slurpt punch na punch en André lebbert kelkje
uit na kelkje en ze zullen den Lion van avond wel niets doen; hij heeft
zijn tapijtje niet eens gespreid, omdat het stortregenen zal. Hij zal niet
eens zijn centjes verdienen kunnen. Het gesprek is heel druk en grappig
geworden tusschen de meiden, Lucien en de beide lutteurs, en ik maak van
hun bulderpret gebruik, om den waard te betalen en de deur uit te wippen.
- Duc! Duc! hoor ik roepen.
Maar de duc is weg, kraag op, pet neêr, door den regen naar de tram,
om naar huis te gaan. ...
Neen, toch niet, vlug gewipt in een andere tram, om te zien, eventjes,
op de Place Garibaldi.
De regen stroomt niet meer, als de duc op de plaats arriveert.
Hij ziet rond. ...
Maar geen tapijtje, geen Lion zijn te zien.
Zoo dat de duc, gerust gesteld in zijn teeder hart, de tram juist
pakt, die hem naar zijn hertogelijk kwartier voert.