schimpen, en gaat _bidden_.
Het _gebed_, dat is voor hém het wapen van het _woord_, gelijk de _spot_
het wapen des woords is voor wie een hater van God en zijn volk is.
En dan heet het: »_Wees ons genadig, o Heere! wees ons genadig, want wij
zijn der verachting veel te zat. Onze ziel is veel te zat des spots der
weelderigen, der verachting der hoovaardigen!_«
* * * * *
Wel u, zoo het daartoe, als ge tegenover den spotter staat, bij u komen
mag.
Want als het op schimpen gaat, is hij uw meester, uw meerdere, u te
machtig. Spotten kan hij onvergelijkelijk beter dan gij.
Maar _bidden_, dat kan hij op zijn beurt niet. Dat is het wapen, waarin
gij meerder oefening hebt. Als het op dát wapen aankomt, zijt gij _zijn
meester_.
En dan overwint ge, niet omdat ge onaandoenlijk wordt, of u aan den spot
went; maar omdat hij u met zijn spot geen enkele wonde kan vlijmen, of
op hetzelfde oogenblik wordt door uw Vader, die in de hemelen is, balsem
in deze uw wonde gedruppeld.
Ja, meer nog!
Gelijk de storm en het onweder de natuur verfrisschen, en koorts soms
het lichaam bevrijdt, zoo voelt gij dan ook, na zulk een strijd met den
spot der weelderigen te hebben doorgestaan, u rijker en innerlijk
sterker door meerdere genade.
En gelijk de held van achteren roemt in zijn wonden, die hem in den
strijd voor het vaderland wierden toegebracht, zoo zoudt ook gij van
achteren die wonde, u door den spotter in de ziel gevlijmd, niet willen
missen.
Want zulk een wonde is u dan een heilsteeken, een waarmerk van de
echtheid uws geloofs geworden.
Het dieplood is in de wateren uwer ziel neergelaten, en zie, de eeuwige
Ontfermingen openden zich onder u.
ZEVEN-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.
»HIJ ZAL JERUZALEM NOG VERKIEZEN.«
Roep nog, zeggende: Alzoo zegt de Heere
der heirscharen: Mijne steden zullen nog
uitgespreid worden vanwege het goede;
want de Heere zal Sion nog troosten,
en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.
Zach. 1:17.
Er wordt, God zij lof, in onze dagen weer _van 's Heeren volk_ ook in
deze landen gesproken.
Bijna was dit er uit.
Men hoorde er de sprake nog van in de achterbuurten; het geluid ervan
viel nog te beluisteren in de heggen en stegen; maar in het voorportaal
was zulk zeggen _contrabande_ geworden. Van »Christenen«, van »lieve
menschen«, van »geloovigen«, mocht daar nog gerept worden. Maar van _een
volk_ des Heeren niet meer.
Dat was tale Kanaäns; evenals dat men van _Sion_ sprak, doelende niet op
den bergtop vanouds, maar op de kerk van Christus in onze dagen.
Men duldde die wijze van spreken niet meer. Men wierd er korzel tegen
in. Schier wierd er meê gespot. Stellig er de neus voor opgetrokken. Het
moest uit zijn met die »ziekelijke« termen, als riekend naar bedorven
mystiek.
Alle taal was goed. Taal, gebeeld uit het erts der philosophie. Taal,
soms onverstaanbaar door allerlei nieuwmodische termen. Alleen maar, de
_Schriftuurlijke_ taal wierd buiten de gemeene sprake gesloten. Of waar
de Schrift nog meê mocht spreken, daar moest het dan althans uit het
Nieuwe Verbond zijn, maar uit het Oude Verbond stellig niet.
En zoo wierd dan ook het spreken over »een volk Gods« in den ban gedaan.
Daar sprak Farizeïsme, daar sprak aanmatiging, daar sprak harde
veroordeeling van anderen in.
Wat hoefde dat ook?
Het moesten altegader »vormen van onzen tijd« worden, en onze tijd wist
van een »volk« in ons »volk« niets.
* * * * *
Thans betert dit weer eenigszins.
Uit de heggen weer naar de straten, uit de achterhoeken weer naar het
voorportaal overgebracht, komt het spreken van het »volk des Heeren«
thans weer in zwang.
Men voelt en tast weer, dat, zoo Immanuel onze _Koning_ zijn zal, er
voor Immanuel dan ook een _eigen volk_ zijn moet, en dat het toch niet
aangaat, dezen Koning, die zich een eigen volk tot den prijs van zijn
bloed heeft gekocht, om menschen te believen, van _zijn volk_ te
berooven.
Jezus onze _Koning_, en wij zijn _volk_; men doorziet weer, dat dit
niet is te scheiden. En dat men ook wel van _kerk_ en ook wel van
»geloovigen« spreken mag en moet, maar dat deze beiden ons geenszins
van de verplichting kunnen ontheffen, om ook te spreken van _'s Heeren
volk_.
Doch nu prikkelt dit dan ook tot bitterheid. Nu keert zich hier de woede
tegen van wie dien naam bannen wilden. Nu heet het, dat wie dien naam
gebruiken, zich inbeelden, zelven _al_ het volk te zijn; dat ze de
broederen afsnijden; en dat ze dies een scheur trekken door het lichaam
van Christus.
Ge hoort het wel, hoe de Ethischen vooral de laatste tijden ons dit
voorwerpen.
Dit nu maant tot scherp zelfonderzoek. Het werpt de vraag aan uw
conscientie toe, of er ook iets van aan is, dat ge bij dit roepen over
»'s Heeren volk« meer aan eigen verheffing boven anderen, dan aan de
eere van den _Konings_-naam van Immanuel hebt gedacht.
Zelfs doet het vermoeden, dat er wel onvoorzichtiglijk en ongeestelijk
aanleiding zal gegeven zijn, om ons van min kiesch en min teeder gebruik
van dien naam te verdenken, zoo niet te beschuldigen.
* * * * *
Evenwel, hoe groot ook die verkeerdheid ware, aan de zaak doet dit niets
af noch toe.
Immers niet uw misbruik van de Schrifttermen, maar alleen de termen der
Schrift stellen hier den regel.
Nergens leert Gods Woord ons, dat we onze wijze van spreken moeten
inrichten naar onze verkeerdheid; maar overal wil de Schrift, dat we de
heilige sprake zelve ten richtsnoer nemen.
En wat toont ons dan de Schrift?
Dit, dat wie van het volk zijn, keer op keer alles bederven; dat
Sion bijna stelselmatig de verzenen tegen de prikkelen slaat; en dat
Jeruzalem soms aan Sodom en Gomorra gelijk is,--en dat desniettemin _het
volk_ er komt, en _Sion_ het heilige draagt, en dat de Heere _Jeruzalem_
nog verkiest.
Het is nergens in deze heilige Schriftuur: Zie, wat heilige personen, en
wat vroomheid in Sion, en wat een godzalig Jeruzalem,--en deswege is de
Heere dat volk en dat Sion en dat Jeruzalem, genadig. Neen, het is
altoos _ondanks_ die personen, en in spijt van wat _Sion_ is, en in
weerwil van wat _Jeruzalem_ van zich merken laat, enkel maar _om den
raad des welbehagens_.
_Vrijmachtig_ is dat volk geroepen; _vrijmachtig_ dat Sion verheven;
_vrijmachtig_ dat Jeruzalem uitverkoren. En wat nu ook dat volk, dat
Sion, dat Jeruzalem doe, _dat blijft zoo_. Van die vrijmachtige keuze
is geen appèl of herziening. Die raad gaat door. Die beslissing van
eeuwigheid blijft. En hoe ook Jeruzalem tegenworstele, _Hij zal nog
Jeruzalem verkiezen_.
* * * * *
En hierin nu juist ligt de rust voor uw hart bij dat verwijt der
broederen, alsof we onszelven tot _'s Heeren volk_ stempelden, en dat
onszelven alleen.
Zie toch, 's Heeren volk is zijn volk niet om wat het zelf is, maar
alleen om de banier, waarbij het te hoop loopt, en om het veldteeken,
waarbij het neerknielt en zweert.
Het is niet _in_ ons, maar _buiten_ ons; en wat er in ons van te zien
komt, is »naar de werking van dien Christus, die in ons werkt met
kracht«.
De banier van zijn waarheid is het kenteeken, waaraan dit volk gekend
wordt; en al loopt wie die banier omklemt nog in armelijke lompen en al
is zijn gelaat nog bezoedeld en al wankelt zijn voet, dat doet er niet
toe en kan de zaak niet verkeeren; het is de waarheid, het is de
kennisse des Heeren, het is het welbehagen Gods, dat hier beslist.
Waar nu die banier wappert, en bij die banier voor den Koning wordt
geroepen, daar loop ik naar toe, als ik bij 's Heeren volk wil zijn.
En dan zie ik _niet_ op die personen en niet op hun leidslieden, en
dan peil ik nog minder hun hart, maar dan roep ik met hen: _Jehovah
Tzidkenu_, om met al het volk te belijden, dat onze gerechtigheid niet
onze, maar buiten ons in den Immanuel is.
Wat zou het ook zijn, zoo iemand, van »'s Heeren volk« roepend, daarmeê
te kennen wilde geven: »Deze alle zijn in Sion geboren!« Weet ge dit
dan? Zijt ge dan kenner der harten? Hebt ge dan de gangen van ieders
wedergeboorte nagespeurd? Kunt gij iemands staat beoordeelen? Moogt gij
gaan zitten in Gods stoel en uw hart zetten als Gods hart?
En als ge dat niet kunt en niet moogt, en niemand kan het, wat anders
dan de banier der waarheid, in haar wapperen, zal dan aanduiding en
kenteeken zijn van de plek, waar 's Heeren erfvolk vergaêrt?
o, Wacht u toch voor dat bouwen op indrukken van »liefheid« en van
»vroomheid«. Ge kunt er zoo schromelijk in mistasten. Dat staat aan
ons niet. _God_ keurt. En al is er een oordeel ook van den geestelijk
ingeleide, waardoor de eene Sioniet den anderen verstaat, toch kan
dit het kenmerk nooit wezen. _Gods volk_ wordt alleen gekend aan zijn
banier. Niet persoonlijk, maar _als volk_. Of het saam om die banier
vergadert, en saam bij die banier neêrknielt, om te roepen voor de eere
van zijn Koning en op dien Koning alleen te zien. Jehovah Tzidkenu!
* * * * *
En nu mag het zijn, dat er bij die banier onder dat volk staan, die
_niet_ van het volk zullen blijken te zijn. De oude regel van _Ammi_
en _Lo Ammi_. Maar dat staat aan ons niet te schiften. Die voor dat
schiften de wanne in de hand heeft, om zijn dorschvloer te doorzuiveren,
is de Heere.
Ook omgekeerd kan het zijn, en zal het zoo zijn, dat altoos enkelen,
soms zelfs velen, die wel van het volk zijn, van bij het volk wegloopen,
de banier vergeten, het geklank van den Koning smoren op de lippen, en
tijdelijk omdolen in Damascus en Tyrus; maar ook daar hebt gij niet meê
te rekenen.
Als ge van het volk spreekt, telt ge niet, en rekent ge niet, en sluit
ge niet uit noch in. Die sluit en niemand opent, is alleen Hij, die den
sleutel Davids heeft.
Maar niets van dit alles kan noch mag u van de wijs brengen.
Er is een volk des Heeren.
Dat volk moet bij de opgestoken banier gezocht worden.
En daarom voegt ge u bij wie die banier omringen, en al het verdere
verblijft aan uw Heere!
ACHT-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.
»ZIE, DE DIENSTMAAGD DES HEEREN.«
En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des
Heeren; mij geschiede naar uw woord. En
de engel ging weg van haar.
Luk. 1:38.
Vervult vooral in onze dagen de Christenvrouw haar roeping tegenover
haar Verlosser en Heere?
Het historieblad verhaalt ons van zoo wonderschoone, zielsinnige en aan
kostelijke vrucht zoo rijke toewijding aan den Heere, die eertijds uit
zoo menig vrouwenhart en in zoo menig vrouwenleven geblonken heeft.
De vrouwen overtroffen de mannen zeer verre.
Het was, of zij, fijner en teederder van aard, minder in de
beslommeringen van het machtige leven der wereld ingetrokken, en met
warmer gloed in de borst, dieper en klaarder verstonden, wat de liefde
Christi was, en macht ontvingen, om uit die liefde te leven.
Vooral in de eerste jaren der Christelijke kerk moet dit schoon zijn
geweest.
Als feit, door niemand betwist, schrijft de heilige apostel aan de kerk
van Corinthe (1 Cor. 7:34), dat de nog niet getrouwde meisjes zich
bekommerden, waarom? Om te trouwen? o, In het minst niet. Neen, maar _om
de dingen des Heeren, opdat zij heilig zijn mochten, beide aan lichaam
en aan geest_.
Roerend schoon en aantrekkelijk zijn de aandoenlijke overleveringen van
vrouwen, die zich ganschelijk aan den dienst des Heeren gaven. En nog
treffender de verhalen, die ons bereikten van zoo menige jonge maagd,
die als martelaresse haar bloed voor haar Heere vergoot, en door geen
foltering noch wreedheid van haar innige, vurige liefde voor den Heere
was af te brengen.
Er gistte en blonk iets in haar van die liefde, die sterker dan de dood
is; een liefde, wier gloed al de wateren niet konden blusschen.
En al geeft de heilige apostel toe, dat de _gehuwde vrouw_ meer wierd
afgeleid en meer in de zorgen van het gezin opging, toch, hoe schoon en
boeiend zijn niet de historiën van vrouwen, die haar mannen sterkten in
het geloof, verwarmden door heur liefde, en de vonke der hoop in hen
aanbliezen; of, op andere wijs weer, zonen voor Christus' kerk kweekten,
in wier manlijk gemoed zij een indruk wisten in te prenten, die ons in
een Augustinus nog danken doet voor wat de Christus ons in Monica
schonk.
* * * * *
Kan dit thans nóg gezegd? Nog in die mate gezegd? Voor elk op haar wijze
gezegd én van de jongedochter én van de gehuwde vrouw?
o, Gewisselijk, er valt ook nu nog te roemen. Voor veel in de
Christenvrouw is ook nu nog te danken. Er blinkt nog adel van hart. Er
gloort nog koestering van liefde. Er vonkt nog iets hemelsch in menig
hooger blikkend oog!
Nog altoos is in menig gezin en in zoo menige familie een jongedochter
met een hart vol liefde, of een vrome moeder in Christus, of een
Godgewijde maagd het cement, dat de steenen in den muur saamhoudt.
En toch, al sluiten we daar het oog niet voor, toch vragen we: Is er
geen oorzaak, om over verachtering van den invloed der vrouw ten goede
te klagen?
Gaat niet in maar al te veel gezinnen de levenwekkende adem meer van den
vader dan van de moeder uit? Vindt ge niet maar al te dikwijls bij den
jongeling warmer trouw en kloeker gehechtheid aan de zaak des Heeren dan
bij de jongedochter?
Of ook, waar de vrouw het misschien nog in aantal wint, is er daar toch
geen tekort in diepte van opvatting, in de verloochening der toewijding,
in dat overgegevene en over alles heen komende der zichzelve nooit
ontziende liefde?
Van Eva zoo dikwijls te veel, van Maria soms nog zoo weinig.
Is het niet, of de zondige ontwikkeling der wereld het er op toelegt,
om de vrouw vooral in beuzelarijen te doen opgaan; te verstrikken
in nietigheden; te dempen en uit te dooven; te blusschen de hooger,
heiliger vonk; en háar vooral als slachtoffer te kiezen voor het bederf
van karakter en zielstrek?
We vragen slechts.
Ga die vraag slechts rond in elken kring. Worde ze gesteld in elk
huisgezin. Geve elke jongedochter of gehuwde vrouw er voor zichzelve het
antwoord op.
Van elke Christenvrouw moet het gelden kunnen: _Zie, de dienstmaagd des
Heeren!_
En nu, hoevelen telt ge er, van wie dit in waarheid kan worden gezegd?
* * * * *
En toch, het is het welbehagen onzes Gods, dat er niet alleen onder
ons, mannen, _dienstknechten_ des Allerhoogsten en _knechten_ des Heeren
zullen zijn, om dag en nacht te staan in zijn voorhoven; maar ook elke
Christenvrouw schiet tekort in haar roeping, zoo ze nog iets hoogers en
begeerlijkers kent, dan om dien schoonsten eerenaam van »_dienstmaagd
des Heeren_« te verwerven.
Gods_dienst_ is God te _dienen_, en wat vrouw zou zichzelve dan
gods_dienstig_ mogen achten of vroom noemen, zoo ze niet God den Heere
_dient_, en alzoo weet een »_dienstmaagd_ des Heeren« geworden te zijn?
Gehuwd of nog ongehuwd, moet immers de vrouw, die jubelt in haar
verlossing van zonde, inwonen in het Huis haars Gods, om in dat Huis Hem
te _dienen_ nacht en dag.
Niet door haar eigen huis uit te loopen. o, Er zijn er, die dat zeer
zeker doen moeten, en voor wie de dienst des Heeren bij gevangenen en
kranken en stervenden ligt. Maar in den regel moet _de dienst_ des
Heeren in het _eigen_ huis vervuld, door het _eigen_ huis en de _eigen_
woning als in het Huis des Heeren in te zetten.
En dan moet _al_ het leven _éen dienen_ van den Heere onzen God zijn.
Niet voor huis en have zorgen, en dan des avonds in een stil gebed of
op den Sabbath de dienst des Heeren _erbij_. Neen, _al het leven_ moet
in den dienst des Heeren ingezet. En het leven met vader en moeder,
met broeders en zusters, met dienstboden en vriendinnen, het moet al
geheiligd worden door dien eenigen, heiligen wil.
En dat wordt het, niet door drukke _veelbezigheid_, en nog minder door
jacht op _buitengewone_ dingen, en vooral niet door eigengerechtige
goede werken, maar door wat tintelt en gloeit in het hart.
In het hart zijn ook voor de vrouw en de jonge maagd de _uitgangen
des levens_. En de vraag is maar: Waar loopen die uitgangen des
levens naar toe? Naar behaagzucht? Naar streeling van eigen lust? Naar
interessantheid? Naar een gelukkige toekomst en schatting in het oog der
menschen?
Of wel, is van dat alles het holle, het ijdele _ingezien_? Ingezien, dat
dit alles _uit_ den dood en _voor_ den dood is? En gloort er nu een
andere geestdrift, een heiliger liefde, een uit den hemel ontstoken
vuur?
Dat vuur moet in de beenderen branden, zooals Jeremia het uitriep.
Dan is het geen gemaakt werk, maar tweede, heiliger natuur. Dan is er
belangstelling. Dan komt er onderzoek. Dan trilt er lust en liefde. Dan
gaat de dofheid van het oog weg. De behaagzucht wordt verachtelijk. En
dan is er ongezocht een vinden van het werk, dat de Heere u op de hand
legt.
En als het lot dan tegenloopt; of de toekomst wordt somber; en
bange offers worden van hart en leven gevraagd,--dan stemt dat niet
droefgeestig en melancholiek, noch maakt morrend en murmureerend; maar
dan is alles boodschap van nieuwe offerande, een engelenboodschap tot
het hart, dat de Heere _zijn dienstmaagd_ weer oproept en van noode
heeft, en uit het volle hart zegt ze het dan Maria na: _Zie, de
dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw Woord_.
o, Vooral bij het stroeve en stramme, dat het manlijk Calvinisme zoo
vaak op onze kringen stempelt, is _de dienst der vrouw_ in het Huis
haars Heeren zoo dubbel noodig.
We _kunnen_ ze niet missen, die smelting, die verteedering, die
koestering, die zachtheid, die de dienstmaagd des Heeren ook den man en
broeder schuldig is.
NEGEN-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.
»ZEND UW SIKKEL EN MAAI.«
En een andere engel kwam uit den
tempel, roepende met een groote stem tot
dengene, die op de wolk zat: Zend uw
sikkel een maai; want de ure om te maaien
is voor u gekomen, dewijl de oogst der
aarde is rijp geworden.
Openb. 14:15.
Alles heeft zijn bestemden tijd. Voor elk ding, dat komen zal, is een
ure. Voor elke beslissing, die komen moet, toeft het juiste oogenblik.
Dat doet ons vreemd aan. Niet dan met moeite kan onze trage geest in dat
denkbeeld van een beslissend oogenblik inkomen. En toch toont heel de
schepping het ons.
Eerst snijdt de ploegschaar door den akker. Dan gaat de zaaier uit, die
zaaien zal, en strooit het zaad in de opgeploegde voren.
En als God dan van zijn hemel zonneschijn en regen neerzendt, geraakt
die bodem in gisting, dat zaad ontkiemt en schiet uit, en lange weken,
lange maanden verlustigt ons oog zich in dat groeien en gelen der
halmen. Van den morgen op den avond en van den avond op den morgen
gedijt het koren er in. En het schijnt wel, alsof dat koren geen andere
bestemming had, dan om dien akker met golvend goud te overdekken en
weelde te tooveren in de natuur.
En toch, dat was slechts _schijn_.
Zie maar, eindelijk speurt het kennersoog van den landman, dat het graan
nu in de airen _geheel_ gerijpt is. En hij neemt den wind en het getijde
waar, of er op droogte in den dampkring te rekenen valt. En is dat
gunstig oogenblik gekomen, dan gaat het bevel uit zijn mond aan zijn
knechten uit. En morgen, als nauw de zon is opgegaan, is dat halmenveld
ten doode gedoemd. Dat goudgeel graan heeft voor het laatst in den
zonneglans geblonken. Zie, daar daalt de sikkel neer, door vlugge, rappe
hand tegen de buigende halmen ingeslagen, en niet lang meer, of al het
prachtige halmenveld ligt bij handvollen op den bodem neergeworpen;
wordt straks tot schooven opgezet; en als weer de landman zijn
dienstknechten en dienstmaagden beveelt, rijdt kar en wagen den akker
op, en al het gemaaide koren wordt van den akker naar den dorschvloer
weggedragen; tot de wees en de arme komt, om zijn nalezing te houden. En
dan blijft er straks niets meer over dan die leege, zwarte, kale akker,
tot in zijn stoppelen omgeploegd.
Zoo veelzeggend, zoo veelbeduidend.
Eerst weken-, maandenlang dat stille, kalme, bijna onmerkbare rijzen en
rijpen. En dan opeens die dag des oogstes. Die sikkel, die in de halmen
slaat. En weg is alles, wat er stond.
* * * * *
In dat zaaien en rijzen, dat rijpen en maaien nu spreekt een stemme
Gods.
Zijn heilige Schriftuur wijst er telkens op. Ook wel in het beeld van
de rijpende en blauwende trossen aan den wingerd tot de wijngaardenier
de sappige druiven afsnijdt. Maar onder welk beeld ook, altoos keert
diezelfde gedachte weer, eerst dat langzame, stille worden en gedijen,
en dan plotseling die breuke, die voleinding, dat maaien of dat
afsnijden. Alles aanloopend op een einddoel, tot dat einddoel bereikt
is, en dan opeens dat ingrijpen van de hand des maaiers; die volheid des
tijds; die ure, dat het uit is met _wat achter was_ en dat _iets nieuws_
zijn aanvang neemt en straks begint.
Want als nu de sikkel in de halmen is geslagen, en alle schoof op den
dorschvloer is saamgebracht, dan is het wel uit met dat _eerste_ proces,
maar begint even beslist terstond een _tweede_ proces. Dan wordt die
halm gedorscht en uitgeklopt; het graan op de wanne gezuiverd; de
gezuiverde korrel stukgestooten of tot meel vermalen; en zoo rijpt door
een nieuw proces _het brood_, dat den mensch ter voeding zal zijn; om in
's menschen lichaam door een nieuw proces nogmaals een ander doel na te
jagen, en niet te rusten, eer het door menschenhand uitgestrooide zaad
tot den mensch is weergekeerd en _in zijn eigen bloed_ is omgezet.
En dat alles beschikte en bestelde en verordineerde God Almachtig. Hij,
die den tijd voor het zaaien en den tijd des oogstes heeft afgemeten.
Die aan het koren en het zuurdeesem de verwantschap schonk, om deeg
en brood te vormen. En die thans dat kostelijk brood met zijn zegen
achtervolgt, om het in ons om te zetten in bestanddeelen van ons eigen
bloed.
En dan is er in elk proces, dat daarbij plaats grijpt, altoos _dat
dubbele_. Eerst dat langzame rijpen en gedijen, en dan eindelijk het
plotseling oogenblik, waarin dat rijpen en gedijen zijn voleinding vindt
en Hij afbreekt wat er was, om uit wat Hij doet ondergaan, het nieuwe te
doen uitspruiten.
Altoos _zijn_ Woord, dat niet ledig tot Hem wederkeert, maar doet
hetgeen, waartoe Hij het uitzendt. Als sneeuw en regen daalt het vocht
uit zijn schatkamer neder. Dan drinkt de aarde het in en bemorst het.
Tot het in den bodem der aarde de zwangere graankorrel ontmoet. Die doet
ze dan zwellen en bersten en een kiem uitschieten. Het laat zich in den
halm opzuigen. Tot in de air dringt het vocht op. En als straks het
gedijde en gezegend brood insluipt in ons bloed, om onze levenskracht
te sterken, is er altoos nog een druppel van dat vocht in, dat God in
sneeuw en regen uitzond, om brood aan den eter te geven en zaad aan den
zaaier.
* * * * *
Eén ding vooral wil Gods heilig Woord, dat ge daarbij steeds voor oogen
zult houden. Het wil, dat ge bedenken zult, hoe het zoo toegaat met
_alle_ ding, dat _om_ u is, maar dat het zoo ook toegaat _met uzelven_.
Zooals die halmen op het veld opschoten en groeiden, en straks van dat
veld worden weggemaaid, zoo bloeien en rijpen ook de kinderen der
menschen op den akker van ons menschelijk leven; maar komt ook voor hen
de ure der voleinding, dat de sikkel in de halmen daalt, en hun plek,
die ze op het veld hielden, niet meer gekend wordt.
En ook hier weer dezelfde tegenstelling. Eerst weken-, maanden-,
jarenlang dat stille, gestadige, schijnbaar altoosdurende voortrijpen en
voortgelen op den akker; en dan plotseling die keer in den toestand, dat
inslaan van den sikkel in de halmen. En dan is het uit en buigt ook hun
hoofd zich neder, tot straks hun plaatse ledig is.
Een tegenstelling, een plotselinge overgang, die, hoe dikwijls ook
gezien, ons toch altoos zoo verrassen blijft, dat bijna niemand er op
verdacht is, als de sikkel ook tot hem komt. Het scheen zoo zoetelijk
voort te varen. Zoo ongemerkt scheen zich een nieuw eindweegs aan elk
afgelegd eind van den weg vast te knoopen. De voortgang was geleidelijk,
zoo gestadig, zoo duurzaam. Na elken avond altoos weer een morgen; na
elken winter altoos weer een lente met haar bloemen, die ontloken, en
haar vogelen, die in de takken hun lied voor God zongen. Ach, waarom
zou er dan een einde aan komen? Waarom zou er geen eindelooze voortgang
zijn?
En toch, dat einde komt, omdat God leeft en over u gebiedt en over u
beschikt, en omdat Hij u dit stille groeien en gedijen schonk, niet om
dat groeien noch om dat gedijen, maar _opdat er een oogst voor Hem zou
zijn_.
Want zooals de landman het oogenblik beidt, waarop dat groeien uit zal
hebben, en zijn woord tot zijn dienstknechten: »Zend den sikkel uit en
maai« uit kan gaan, zoo toeft en beidt ook God de Heere bij elk van zijn
menschenkinderen, steeds uitziende naar dat bestemde oogenblik, naar die
beschikte ure, waarop het rijpen uit zal hebben, en de vrucht van al
zijn zorge, die Hij aan u besteedde, kan ingedragen in zijn Koninkrijk.