zooals ze is; ziet door de nevelen heen; ziet tot op den bodem en tot
in den verkankerden wortel; nu, ja, komt én die wereld én haar eigen
verleden, haar eigen wezen, en het wezen van wat ze het liefst op aarde
had, kortom alles, zoo naakt, zoo ontbloot, zoo onooglijk uit, dat ze
het gelaat liefst afwendt en maar liever _niet_ ziet, om door het zien
niet bij vernieuwing te lijden.
En dan komt de ondoorgrondelijke Barmhartigheid en zet in dien somberen
muur voor u _kristallijnen vensteren_.
En als ge daar doorheen gluurt, o, dan wordt het opeens alles zoo geheel
anders getint.
Dan ziet ge uw pijnlijk verleden gedekt met witte wol. Dan ziet ge den
strijd en de woeling des levens gedoopt in den glans eener eeuwige
heerlijkheid. En zelfs op het droefste levenspad ziet ge dan den felst
gejaagden pelgrim nog wandelen in het licht van Gods vriendelijk
aanschijn.
En ziet ge dan op naar boven, o, door die kristallijnen vensteren
gezien, is die hemel dan niet meer droevig rood, noch grauw van nevelen,
maar tintelend met vonken van eeuwige heerlijkheid, en u tegenstralend
met bekoorlijken gloed.
* * * * *
Het is wel zoo, dat Gods kind _niet altoos_ die heilige genieting
smaakt. Och, zoo dikwijls vergeet hij dat kristallijnen venster geheel,
en trekt zich terug in een hoek, of verbergt zich achter de gordijnen
van zijn legerstede, of blijft nederhurken in de laagte; en natuurlijk,
dan ziet hij niets van dat schoon, en gunt dat kristallijnen venster hem
zijn glansch niet.
Het inzinken is ons vaak lief. Verre beneden onzen staat te leven
schijnt soms ons klein geloof te bekoren. En dan zijn we weer
pessimisten. En dan wenkt ons de hope niet meer. En bestoven door onze
eigen weerstrevigheden, mompelen en morren we dan tegen ons lot, en soms
zelfs tegen onzen God.
Een nog levende boom kan soms zoo schrikkelijk verdord en kaal en door
den stormwind of door wormen en rupsen gehavend wezen.
Maar daarin hebt ge dan toch geen rust.
Temidden van die matheid der ziel komt dan weer de heugenis van wat ge
eens door de kristallijnen vensteren gezien hebt. En ze trekken u weer,
tot ge eindelijk uit uw hoek uitkomt, of uit uw legerstede weer opstaat,
en ja, dan is uw eerste gang weer naar die kristallijnen vensteren, om
in die pracht en in dien glans van Gods vertroostend aangezicht u weer
te verlustigen, en uw ziel leeft weer op.
Soms bestelt God de Heere daartoe een helpende hand.
Dan is er éen, die aan dat kristallijnen venster stond en er doorgluurde
en genoot, en het uitriep en het uitjubelen moest: »Hoe Goddelijk, hoe
verrukkelijk schoon!«
En als hij op datzelfde oogenblik dan u in uw somberen hoek hoorde
klagen en morren, dan drong hem de liefde soms, om u toe te roepen: »Kom
herwaarts toch bij mijn kristallijnen venster! o, Door dit venster des
geloofs is alles zoo schoon!«
Zoo lokte soms een moeder haar dochter, een vader zijn zoon, een zuster
haar broeder!
Engelendienst en liefdedienst tevens!
Tot ze saam voor het kristallijnen venster stonden, en toen naar dien
zaligen hemel gluurden, en als uit éen mond Hem verheerlijkten, die hun
dat _kristallijnen venster_ schonk.
VIER-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.
»MET MIJNE ZIEL HEB IK U BEGEERD!«
Met mijne ziel heb ik U begeerd in den
nacht; ook zal ik met mijnen geest, die
in het binnenste van mij is, U vroeg
zoeken.
Jes. 26:9.
Tweeërlei gebod komt tot uw ziel.
Van den eenen kant heet het: »Gij zult _niet_ begeeren!« en toch van den
anderen kant wordt u gezegd: »Bidt zonder ophouden.« En bidden, wat is
dit anders dan _begeeren_? Sterk, dringend, met al de aandrift der ziel
_begeeren_, en niet rusten, eer ge uw begeerte hebt.
De diepe, gapende afgrond, waar dit sterke begeeren uit opkomt, is _uw
hart_. De Heilige Schrift noemt dit: »Het _diepe_ hart.« Bodemloos diep.
Zoo diep, dat God zelf _de eeuw_ in uw hart heeft gelegd.
En dat hart (en hier merke toch een iegelijk scherpelijk op), dat diepe
hart is _leeg_.
Van nature is er in uw hart niets in. Uw staat als schepsel brengt
dat met zich. Een schepsel heeft niets. En ook al staat gij onder de
creaturen het hoogst, creatuur blijft ook gij toch; en daarom _kunt_
ge van nature niets in u hebben. In den Heere HEERE is het _wezen_;
niet in u. En hol, ledig, naakt en ontbloot te zijn is uw aard, die u is
ingeschapen. Zoo sterk, dat zoo te kwader ure allerlei inbeeldingen in
uw hart zijn ingebroken, al uw heil juist daarin gelegen is, dat ge weer
_ont_ledigd wordt en komt tot verloochening.
Wie het zich anders voorstelt, bedriegt zichzelven, en tot dien komt de
Heere en zegt het hem aan: »Gij zegt, ik ben rijk en verrijkt geworden
en heb geens dings gebrek, en ge weet niet, dat ge zijt arm en naakt en
blind!«
* * * * *
En _diep_ hart, en dat hart _ledig_;--en toch, ook dàt is nog het
ontzettende niet.
Neen, al het aangrijpende, al het onrustbarende, al het noodlottige van
uw hart verstaat ge dan eerst, als ge er nu bijvoegt: _en dat er op
aangelegd is, om geheel vol en vervuld te zijn_.
Een gansch wonderbaar hart: diep, geheel ledig, en toch op
onverzadigbare wijze smachtende naar _vervulling_. Zooals het luchtledig
de lucht inzuigt; zooals de dorre aarde den plasregen inzuipt; zooals
een oog, dat in donker doolt, het licht indrinkt; zoo ook zuigt uw hart.
Noem dat zuigen van uw hart nu _hongeren_, noem het _dorsten_, noem het
_begeeren_; maar onder wat naam ook aangeduid, het is toch altoos dat
éene zelfde hart, dat uit zijn diepe gapende kolken en ledige gewelven
roept en schreeuwt om inhoud, om vervulling, om iets, waarmeê het zijn
ledige ijlheid verslinden en stillen en bedaren kan.
Uw hart _moet_ dus begeeren.
Een hart, dat _niet_ begeert, is dof en dood en in het levend lijf
gestorven.
En zoo kan uw hart niet kloppen, niet geprikkeld worden, niet trillen,
of al zijn uitgang is éen begeeren, éen schreiend roepen uit zijn
innerlijk ledig, om vervuld te worden met wat het derft en mist.
Wordt dat begeeren nu waanzin, dan heet het _gieren_, zooals Habakuk
roept: »Wee dien, die met kwade _gierigheid giert_ voor zijn huis«
(2:6). Zoo spreken we nog van »gieren van het lachen«, als we onszelven
niet meer meester zijn. Zoo is »gieriglijk« handelen een handelen uit
onzinnigen hartstocht. En »gierigheid« is niet maar »tuk op geld zijn
en bang om geld uit te geven«, neen, een gierigaard is een jammerlijk
mensch, die geen meester meer over zijn begeeren is; en »gierigheid«
daarom de wortel van alle kwaad, omdat _gierigheid_ zeggen wil: al het
diepe begeeren van zijn hart naar het goud der wereld laten uitgaan
insteê van naar de heilschatten Gods.
* * * * *
Is het nu wél met uw ziel, dan zal u een _zeer sterk_ begeeren
prikkelen. Prikkelen bij dag en bij nacht. En u nimmer rusten laten.
Maar dat begeeren zal uitgaan naar den Heere HEERE; naar _zijn_ Naam en
gedachtenis; naar _zijn_ diamanten en peerlen; naar het sieraad en het
schoon van _zijn_ geducht paleis.
Toen Adam met zijn ledig, diep hart in het Paradijs zich voor het eerst
bewust wierd, dronk dat diepe hart met éen diepe, volle teug op eenmaal
den adem des levens uit God in. En Satans gruwel was juist, dat hij
Adams hart straks zuigen liet naar de wereld.
»Heere! mijn hart blijft onrustig,« riep Augustinus uit, »tot het rusten
kan in U!«
Schoon, kostelijk en toch niet diep genoeg gezegd.
Neen, ons hart moet niet in God rusten, maar het moet uit God _zijn
inhoud_ hebben; met den Naam des Heeren vervuld worden; het moet rusten,
doordien het God in zich ontving; en dan zelfs nog niet rusten, maar
altoos opnieuw begeeren; om met frissche teug nogmaals en altoos weer in
te drinken de schatten van zijn God.
Daarvan zegt Jesaja: »Mijn ziel heeft U _begeerd_ in den nacht,
en in den morgenstond zal ik U vroeg zoeken.« Daarvan zegt de
Psalmist: »Heere! voor U is al mijn _begeerte_!« Daarvan getuigt de
Spreukendichter: »De _begeerte_ der rechtvaardigen is alleenlijk het
goede.« En daarvan durft de zanger in Psalm 27:4 betuigen: »Eén ding heb
ik van den Heere _begeerd_, dat zal ik zoeken, dat ik alle dagen wonen
mocht in de tente des Heeren!«
Ge ziet dus wel.
_Niet_ werkeloos, _niet_ in zichzelf tevreden, neen, altoos dorstend,
altoos hongerend, altoos vragend, roepend en begeerend moet uw hart
wezen.
Alleen maar, al zijn begeeren moet wezen _éen begeeren naar God_.
* * * * *
»Gij zult _niet_ begeeren!« keert zich dus tegen den mensch, die
_valsch_ begeert.
Niet zooals dolende godgeleerden zeggen, dat iets te begeeren op
zichzelf nog geen zonde is, en dat de zonde eerst komt, als ge in uw
ziel aan die valsche begeerte wilt toegeven. Zoodat dan ook Jezus heet,
wel begeerd, maar niet toegegeven te hebben.
o, Neen, het gebod is volstrekt: »Ge zult _niet_ begeeren.« En zoo God
iets anders bedoeld had, dan zou dat er ook staan. Maar nu staat er:
»Gij zult niet begeeren,« en is dus het begeeren zelf _zonde_.
Zonde, om dat verlangen van het leege hart naar vervulling uit te
strekken naar de wereld in plaats van naar het Eeuwige Wezen.
Niet alsof ge niet trek en neiging in u mocht gevoelen, om het goede des
levens te genieten; mits het maar zij een genieten uit Gods hand, en
nooit in plaats van Hem, en tegen Hem in, en om van Hem af te leiden.
En ieder mensch kan wiskunstig zeker weten, of zulk een trek en neiging
gezond en onschuldig, dan wel een zondig begeeren is, zoo ge maar
onderzoekt, of het tegen God ingaat, of in gebed en dank tot Hem
opklimt.
* * * * *
En dat nu is eerst de ware proefsteen, waaraan ge den diep jammerlijken
toestand van uw afvallig en afkeerig hart bekennen kunt, zoo ge ook maar
van éen enkelen dag eens nagaat en onderzoekt, waar uw hart heel dien
dag naar gejaagd, naar gehongerd en om geroepen heeft.
En ja, dan zijn er uitgangen naar boven; dan zijn er ontwakingen, dat
het kind zeggen mag: »Heere! mijn ziel heeft U begeerd in den nacht!« en
dan zijn er insluimeringen, dat men met zijn God mag inslapen.
Maar helaas, van de vier en twintig uren, die elk etmaal heeft, hoeveel
minuten dorst het hart naar den levenden God en hoeveel uren hongert het
niet naar de goederen en genietingen der wereld!
»Zoekt de dingen, die boven zijn,« roept de heilige apostel, »en niet de
dingen, die op de aarde zijn.«
En toch....
Ga het leven der Christenen maar na. Sla ze maar gade bij het doen van
zaken. Wat zeg ik, raadpleeg uw eigen leven van éen enkelen dag maar.
o, Dát is onze diepe jammer juist, dat eindeloos begeeren van het holle,
leege, diepe hart, dat onstuimige, zij het ook bedekte begeeren van de
schijngenietingen en schijnschatten der wereld, en dat, o, zoo zeldzaam
_begeeren_, dat naar God uitgaat; dat het eens waarlijk was: »Gelijk een
hert schreeuwt naar de waterstroomen, zoo schreeuwt mijn ziel naar U, o
God!«
* * * * *
Neen, God de Heere wil geen hart, dat _niet_ begeert. Het _moet_
begeeren. Al uw begeeren moet _bidden_ worden. Bidden en goed begeeren
is éen. En het is volkomen eender, of Jezus zegt: »Al wat gij _bidden_
zult in mijn naam, dat zal Ik u geven,« of: »Al wat ge _begeeren_ zult
in mijn naam, zult gij ontvangen.«
»Tot uw Naam is de begeerte onzer ziel,« roept 's Heeren volk in zijn
geloofstaal en Jakobus: »Al wat gij begeeren zult _in het geloof_, zal u
geworden.«
En daarom, houd dezen regel vast.
Verboden is u elk _begeeren_, dat ge in geen _gebed_ durft omzetten; en
ook geen gebed deugt, of het _begeeren_ uwer ziel moet er in uitvloeien.
En daarom is het gebed 's Heeren volk zoo van noode.
Want, neem dit vooral ter harte, wat 's Heeren ingeleide kinderen bij
ervaring kennen: Er is geen middel zoo doeltreffend, om het booze
begeeren ten onder te houden, als veel in het gebed te zijn.
Als ge in het gebed gaat, dan merkt ge wel, of uw hart ook met booze
begeerten bezig is.
Als ge in het gebed uitvloeit, dan merkt ge wel, wat begeerten ge in den
hoek van uw harde hart wegstopt, en wat ge naar voren schuift, om het
voor den troon der genade neer te leggen.
o, Veel gebeds ontdekt u niet alleen, hoe het met uw begeeren staat, het
_heiligt_ ook uw begeeren, door u met schaamte over uw zondig begeeren
te overgieten, en het begeeren naar heiligheid sterker te prikkelen.
VIJF-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.
»VLAS EN VONK.«
En de sterke zal wezen tot grof vlas,
en zijn werkmeester tot eene vonk, en zij
zullen beiden tezamen branden, en er zal
geen uitblusscher wezen.
Jes. 1:31.
Om ons heen in de wereld woelt een macht, die menschen vernielt.
Keer op keer komt ons het droef gerucht ter oore van weer een jongen
man, een jonge vrouw, van wie men hoort, »dat ze weg zijn«; »dat het met
hen uit is«; dat ze zedelijk vernietigd zijn; dat ze als zedelijke
karakters niet meer meêtellen.
Zulke personen waren eens aanminnige kinderen, die dartel speelden op
moeders schoot. Glans blonk in hun oog. In hun hart waakte edeler besef
op. Ze hebben de ure gekend, dat ze bloosden over hun eerste kleine
leugen. Hun conscientie was nog teeder.
Maar nu zijn ze op; ze zijn weg; ze zijn een uitgebranden haard gelijk.
Schimmen, geen menschen meer.
Ze zijn er nog; maar het is, alsof ze er niet meer waren.
Ze zijn zedelijk, ze zijn als personen, ze zijn in hun karakter
vernietigd.
Vernietigd tot onherkenbaar wordens toe.
En hoe kwam dit nu anders, dan door hun aanraking met de wereld en
in die wereld met de booze, duivelsche, vernielende macht der zonde,
waarmeê de Satan, die een menschenmoorder van den beginne is, er reeds
zoo duizenden gedood heeft voor de hel?
o, Ze is ontzettend, die macht des verderfs, die vernietigende,
zielmoordende macht, die rondwaart.
Als een vlinder vliegt ze uit. Even komen de vleugelen uwer ziel er meê
in aanraking. Ge zengt ze. Reeds kunt ge u niet meer op de wieken des
levens verheffen. Met verzengde vleugelen valt ge neder. En straks wordt
ge geheel verbrand, en vindt men niets dan uw verkoolde mummie.
* * * * *
Het vuur is iets ijslijks.
Eens uitgebroken, woedt het voort en voort, al wat het ontmoet in vuur
omzettend.
En voor zoo ontzettenden brand is _éen vonk_ genoegzaam.
Dan steekt die vonk aan, en lang smeult het, en eindelijk slaat het uit,
en de vernieling is niet meer te stuiten.
En ijslijker nog is het met dit vuur der zonde.
Een vonk van dit zondevuur der wereld spat op u over, en zoo ge die vonk
niet aanstonds wegblaast, wordt die éene vonk in een oogwenk tot drie
en meer vonken. En het smeult in uw ziel ongemerkt voort. En niet lang
meer, of de vlam slaat laaie uit, en gij, arme mensch, zijt verloren.
Daarom spreekt ook de Heilige Schrift van _die vonk_. Van die vonk in
verbinding met _vlas_, omdat vlas in een oogenblik vlam vat.
»De sterke,« zegt de Heere bij Jesaja, »zal zijn tot _vlas_, en zijn
werkmeester tot _een vonk_, en saam zullen ze branden, en er zal niemand
zijn, die het bluscht.«
Dát nu is die ontzettende vonk van de verdervende en vernielende macht,
die om u is, en zoo God het niet verhoedt, ook uw kleed vuur zal doen
vatten, tot ge reddeloos weg zijt.
* * * * *
Maar, God zij lof, er wordt door Gods engelen ook water aangedragen, om
dat schriklijk vuur te blusschen.
Er zijn ook wateren der genade.
Ze vloeien uit de Fontein des levens; ze stroomen uit de Springader
der barmhartigheden, en Gods engelen zijn gedienstige geesten, om die
blusschende wateren aan te dragen, en te beletten, dat de vonk en het
vuur van die vonk u niet verniele.
Nu nog is het heden der genade.
En zoo ge voor die vonk maar een oog hebt, en terstond het spatten van
die vonk op uw eigen ziel of op de ziel uwer kinderen ziet, en er is
toevluchtnemend geloof, en de smeeking gaat uit, dan _is_ er ook voor u
en voor uw kind nog redding.
Nu kan die vonk en die brand der zelfvernielinge nog worden gebluscht.
Althans, indien ge bekent _vlas_ te zijn; want anders werkt er geen
geloof en komt de smeeking om die blusschende wateren niet over uwe
lippen.
_Vlas_, en niet metaal en niet marmer!
Niet denken: »o, Voor mij kan die vonk geen kwaad; mijn ziel zal ze niet
deren; bij mij zal ze niets vuur doen vatten; ik ben als _marmer_ gehard
en als _metaal_ voor die vonk der duivelsche macht onaandoenlijk.«
Neen, maar _vlas_.
_Vlas_, dat opeens in volle vlam kan staan.
_Vlas_, dat met éen vonk in vuur kan omgezet.
Als _vlas_ zonder verweerkracht tegen die vonk.
Zoo er geen bluschwater ijlings komt, op eenmaal weg en verloren.
Wie vlas op zijn zolders heeft, is, o, zoo voorzichtig met licht, en
past wel op, dat er geen vuur bijkomt. Het is hem als een kruittoren.
Met éen vonk kon alles weg zijn.
En nu, zoo is ook uw hart, en daarom betaamt ook u zoo het uiterste der
voorzichtigheid.
* * * * *
Of erger nog, eens komt de ure, dat al uw voorzichtigheid u niet meer
baten zal.
Die ure, waarvan Jesaja roept, dat vlas en vonk zal branden, en dat er
niemand is, die blusschen kan.
De vreeslijke ure van het »onuitblusschelijk vuur«, dat eeuwige vuur in
de buitenste duisternis. Geen vlam, maar een eindeloos donkere walm.
En daarom, wat we u bidden, speel niet met dat vuur, en doe er uw kind
niet meê spelen.
De macht van die vreeslijke vonk is zoo ontzettend.
En opdat in die ure, die komt, uw ziel voor die vernieling gevrijwaard
blijve, zoek omringd te worden door de wateren, die blusschen kunnen, nu
nog in het heden der genade.
Wie wonen mag aan de wateren des levens, op dien heeft dat vuur dan geen
vat.
Dien deert het niet.
Die zal van verre dien vreeslijken gloed aanzien, maar hem zal geen haar
gezengd worden.
o, Wel u, zoo ge de reuke dier frissche wateren nu reeds van verre
riekt, zoo ge den Blusscher van het vuur der zonde kent, en de Heere als
een schild en rondas om u is geworden.
Dan wordt, wat hier _vlas_ was, daar als diamant en als robijnen, en de
klove zal te breed zijn, geen vonk zal kunnen overspatten, en uw ziel
zal opbloeien en wassen in uw Heere.
ZES-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.
»DES SPOTS VEEL TE ZAT.«
Wees ons genadig, o Heere! wees ons
genadig; want wij zijn der verachting
veel te zat. Onze ziel is veel te zat des
spots der weelderigen, der verachting der
hoovaardigen.
Ps. 123:3, 4.
Daarmeê, dat God den mensch _de sprake_ inschiep, is het machtigste
wapen in onze hand gelegd.
Er is geen macht op aarde, die zoo ver reikt als de macht van _het
woord_. De dichter die zingt, de redenaar die wegsleept, de wijsgeer die
betoogt, de prediker die bestraft, troost en verteedert, beschikken over
oneindig grooter invloed dan de veldheer, die heele legerkorpsen
commandeert, en de vorst op den troon, wiens lijftrawanten elkander
verdringen.
Dit ligt daaraan, dat zich in ons menschelijk _woord_ het beeld
afspiegelt van het _eeuwige_ Woord. En wat zegt nu de Schrift? Maar
immers, dat door dit Woord al wat er is geschapen wierd; dat door dit
Woord van Gods kracht alle ding gedragen wordt en nog bestaat; en dat,
waar dit Woord ook nu nog onder menschen uitgaat, geen Damascener kling
met de scherpte van dit Woord te meten is, want dat het snijdender en
scherper is dan een tweesnijdend zwaard en doorgaat tot in pees en merg.
_Ons_ woord, als afschijnsel van dit _eeuwige_ Woord, moet daarom wel
een ontzettende macht bezitten. En dat is natuurlijk ook. Immers het
_zwaard_ is het wapen van het lichaam, in het stoffelijke, in het
uitwendige, in het zichtbare; maar het _woord_ is het wapen voor de
ziel, in het onzienlijke en geestelijke. Vandaar dat, zooveel machtiger
als uw _ziel_ is dan uw _lichaam_, zooveel hooger in macht ook de kracht
van het _woord_ staat boven de kracht van het _zwaard_.
De ziel is meer dan het lichaam; uw ziel draagt heel uw lichaam; ze tilt
uw lichaam op; ze speelt met uw lichaam; ze kan in vollen, koninklijken
zin heerschen over het lichaam. Dus is ook de aard van uw zielskracht
oneindig sterker dan de aard en de kracht van uw lichaam. Dat toont een
martelaar. Dat ziet ge aan den kranken lijder, die God looft temidden
van zijn pijnen. En zoo kan het niet anders, of ook _het wapen_, waar de
ziel over beschikt, moet veel dieper gaan en verder reiken, dan het
wapen van uw hand.
Niet bij een iegelijk. Dat spreekt vanzelf. Er zijn lieden, die hun
zwaard stomp lieten en linksch zijn in het hanteeren. En zoo zijn er
ook, die het »woord«, als het wapen van hun geest, niet slepen, noch ook
de macht verstaan, om er al zijn werking aan te geven.
Maar wat zegt dat?
Als ge van de macht van een _zwaard_ spreekt, spreekt ge van een zwaard,
dat wel gewet in de hand van den held rust. En evenzoo, als ge van de
macht van het _woord_ handelt, bedoelt ge niet het gemeesmuil van een
botterik, maar de bezielde taal, die uitstroomt uit den mond van wie
spreken kan.
* * * * *
Nu kan dat geestelijk wapen van het _woord_ gehanteerd, om voor God te
strijden en den zegen van zijn heil over alle creatuur te doen ruischen.
Maar het kan ook tot dolk geslepen, om te wonden, te kwetsen en te
dooden. En dat wil _de spot_.
Ge voelt toch, ook als een mensch zondaar is en kwaad wil, blijft die
macht van het woord hem bij; maar om nu in haar tegendeel te worden
omgezet. En zoo wordt het _woord_ op 's menschen lippen een wapen
_tegen_ God en menschen, om te vloeken en God te lasteren, om te tieren
en te morren, om te schelden en te schimpen, om te hoonen en te kwetsen
door bitterheid en spot.
Een vreeslijk wapen, omdat er geen schild tegen beschermt. Het dringt in
u, eer ge er op verdacht zijt. Verraderlijk overvalt het u. En ge hebt
giftige wonden beet, eer ge zaagt, wat dolk tegen u wierd opgeheven.
o, De spot vlijmt zoo diep en zoo snerpend, zoo wreed en zoo wee!
Hij grijpt u in het merg van uw ziel en van uw wezen aan. Hij kerft tot
in den wortel van uw aanzijn. Spot ontzenuwt, ontmant en ontzielt.
En dat wetend, heeft Satan juist daarom vooral dat snijdende, giftige
wapen van den spot tegen Christus en zijn volk opgeheven. Tegen den
Christus, toen Hij stierf op Golgotha, toen ze Hem tergden en hoonden
aan het kruis.
En eveneens tegen zijn volk, tegen zijn kerk, tegen zijn martelaren en
kruisdragers. Altoos dat giftige wapen van den spot, of hij ze ook ten
val en van het geloof af kon brengen, omdat God ze niet uithielp.
Want dát is de spot, die dan tegen Gods volk gaat: »Gij Gods
lievelingen! en ziet, wij triomfeeren over u! Gij Gods gunstgenooten! en
ziet, hoe wij u in uw onbeholpenheid den voet op den nek zetten, en onze
lach zich verzadigt en dronken drinkt uit de aanschouwing van uw
armelijk aanzijn, en zich vermaakt met uw leed!«
Altoos weer dat duivelsch geroep: »Ha ha, waar of nu wel hun God mag
zijn!«
Zoo groeit de spot in het zeer doen, kwellen, beschimpen en uitlachen,
tot ge recht diep gekweld, gekwetst en gewond zijt, en de spotter ziet,
dat het gelukt is, u verdriet aan te doen; zoo te verdrieten, dat ge
zelf bitter en boos wierdt; ja, of het gelukken kon, om ook u aan het
schimpen te brengen. En dan hebben ze eerst recht volop schik in hun
duivelsch bedoelen; want u óók driftig, u ook bitter te maken, is hun
zaligste wellust.
Immers dan klimt het genot der spotzucht tot de hoogste hitte, als ze u
in uw machteloos wezen voor zich hebben, en dan in die machteloosheid
tot woede kunnen tergen.
* * * * *
En daarom klaagt Gods volk uit de diepte van het gewonde hart, en roept
het uit: _We zijn des spots veel te zat!_
Want, dat spreekt vanzelf, een kind van God is niet opeens door den
spot vermand. Als die spottende, sarrende, tong pas begint, dan weet
Gods kind wel: _Nu moet ik op mijn hoede zijn_, en neemt het zich zeer
ernstig voor: _Ik zal een wacht voor mijn lippen zetten_.
Een tijdlang gaat het dan ook. En soms is het prachtig om te zien, hoe
het vrome volk keer op keer genade ontvangt, om kalm en stil en lijdzaam
te blijven; en telkens den giftigen pijl weer uit de wonde trekt, niet
om dien terug te schieten op hem, die hem wierp, maar om hem te
blusschen in de wateren des heils.
Maar als het _lang_ duurt, dán wordt het gevaarlijk. Als de spotter ons
_rusteloos_ achtervolgt, en altoos nieuwe, in gif gedoopte pijlen in
zijn koker gereed heeft. Als er geen eind aan komt. En we zien, dat onze
lijdzaamheid hem prikkelt, om altoos dieper met zijn spot te wonden. Ja,
dan waakt de korzelheid op; de nieren worden in u ontstoken; en zoo God
ons niet hield, zouden we dan pijl tegen pijl willen inwerpen. Zoo zijn
we des spots _dan veel te zat_.
En dan _moet_ er ook iets gebeuren.
Dat kan de ziel zoo niet dragen. Tegen die zonde van het _woord_ in den
_spot_ moet dan ook onzerzijds met het wapen van het _woord_ gestreden.
De vraag is maar, met _welk_ wapen van uw woord?
En dan hebt ge de keus. Dan kunt ook gij doen wat uw hater doet, en uw
woord tot een giftige pijl toespitsen, of wel, ge kunt uw woord adelen
en bezielen tot een klank _des gebeds_.