Uw wereld is voor Hem. Ze is zijn akker, waarop al wat er bloeit en

rijpt, rijpt en bloeit voor Hem, opdat Hij, de Heere des oogstes, ook

van _dezen_ akker zijn oogst erlange.

En al de dagen uws levens merkt Hij op u, uitziende naar dat oogenblik

der voleinding, tot Hem de vrucht zijns werks toekomt.

* * * * *

o, Wel hem, wien het in die ure des oogstes gebeuren mag, dat hij

straks, op de wanne gezuiverd, een kostelijke vrucht van den akker der

wereld voor den Heere zijn God mag zijn.

Dan maait de sikkel niet om te verderven, maar zamelt in voor Gods

eeuwig Koninkrijk. Dan is er een groeien en bloeien geweest, dan was er

een rijpen en gedijen. En dan wordt het einddoel bereikt: de voleinde en

voltooide vrucht, die dan een nieuwe toekomst tegengaat, om naar nieuwe

ordinantie God den Heere te dienen in zijn heilig bestel.

Alle man zie toe.

De sikkel, die de volle korenhalmen maait, maait ook het opgeschoten

_onkruid_ weg, en maait ook weg de leege of vervuurde halmen, waaruit

geen koren op den dorschvloer springen zal.

Dan ging het niet _naar_ Gods Woord, maar _tegen_ Gods Woord.

Dan was er geen groeien, maar verbasteren; geen rijpen en gedijen, maar

vermageren en verschrompelen.

En als dan de dag des oogstes komt, dan is het oordeel zoo onafwendbaar.

De wanne, door Gods heilige hand geschud, schift zoo onherroepelijk het

_koren_ van het _kaf_.

VIJFTIGSTE ZONDAG.

»BROOD UIT DEN HEMEL!«

Ik ben dat levende brood, dat uit den

hemel nedergedaald is; zoo iemand van dit

brood eet, die zal in der eeuwigheid

leven. En het brood, dat Ik geven zal, is

mijn vleesch, hetwelk Ik geven zal voor

het leven der wereld.

Joh. 6:15.

_Alle_ goede gave is afdalende van den Vader der lichten en in zooverre

belijden we, dat _al_ ons brood uit den hemel komt. De bede: »Geef ons

heden ons dagelijksch _brood_« klimt op tot onzen Vader, die _in de

hemelen_ is, en _uit_ dien hemel ons de verhooring van onze bede

nederzendt.

God schept het, God zendt het, God schenkt het. En als in een vroom

gezin des morgens of des avonds dat kostelijk brood weer genomen is, dan

wierd het nimmer zonder dankzegging genoten.

Ook in het brood op onze tafel is God alleen groot.

Maar neemt dat weg, dat het in de woestijn van Paran toch iets anders

was, toen er _geen_ tarwe groeide, en _geen_ meel gemalen wierd en men

_geen_ deeg kneedde noch _brood_ biek, maar het Manna van den grond

opraapte en in zijn Gomer saamlas, en het _on_gemalen en _on_gekneed en

_on_gebakken at?

Dat Manna was veertig jaren voor Gods oude Bondsvolk het »dagelijksch

brood«; stipt »dagelijks« hun toegemeten; waar ze hun disch meê

verrijkten en waar ze hun kinderkens meê spijsden; en waar ook zij voor

dankten, als het genoten was.

In zooverre stonden ze dus met ons gelijk.

_Hun_ overkwam en _ons_ overkomt _gelijke_ weldaad. Want _zij_ waren

en _wij_ zijn uit onszelven volkomen onmachtig, om ons leven te

onderhouden. Zoomin als zij het Manna, kunnen wij de tarwekorrel

uit onszelven voortbrengen. En dat zij, zoowel als wij, behalve dit

»dagelijksch brood« nog den _zegen_ op dat brood behoefden, blijkt wel

het duidelijkst uit het bedorven Manna in den Gomer van wie te veel had

saamgelezen. Dat _Manna_ kon niet voeden, maar walgde, omdat het stonk.

En toch, hoe sterk ook de overeenkomst was tusschen _hun_ brood en _ons_

brood, dat beide malen van den Vader der lichten nederdaalt, toch voelt

elk, dat er tusschen dat Manna en ons gebakken brood ook weer een

aanmerkelijk _verschil_ bestaat.

Immers, gebakken brood is een brood, waar _onze arbeid_ aan kleeft.

Daar moet de akker voor omgespit of omgeploegd; daarvoor moet geëgd en

gewied, gemaaid en gedorscht, gemalen en gemengd, gebakken en gesneden;

tot het dan nogmaals vermalen wordt door ons gebit.

Hun Manna daarentegen daalde _geheel gereed_ uit den hemel neder. Daar

viel niet voor te sloven noch te slaven, dat was gekneed noch gebakken.

Daar was _niets voor te doen_, en zelfs geen geld bij inkoop voor uit te

geven.

Het viel zoo uit den hemel.

Een ieder had het maar voor het oprapen.

En klein in zijn korrel als het was, smolt het, zonder de moeite des

gebits zelfs, in den mond.

Al komt dus óok ons brood uit den hemel, het komt toch niet uit den

hemel _als_ brood.

En hierin alzoo was het Manna van ons brood onderscheiden, dat ons brood

door den mensch zelven gekneed en bereid wordt uit wat God te zijner

beschikking stelde; terwijl omgekeerd dat Manna een _gereed_ brood uit

den hemel was, waar de mensch _niets_ aan af of toe had te doen.

* * * * *

Hierin nu ligt de symboliek van het Verbond _der werken_ en het Verbond

_der genade_.

Als onze mensch in het Paradijs Satan terug had geslagen en, door Gods

wet te volbrengen, eeuwig leven had verworven, zou dat eeuwige leven

toch een goede gave van den Vader der lichten zijn geweest; maar bij

manier van _ons_ dagelijksch brood.

Terwijl omgekeerd onder het Verbond der genade het eeuwige leven ons

eveneens van den Vader der lichten toekomt, maar nu bij manier van het

_Manna in den woestijn_.

_Gerechtigheid_ is het voedsel der ziel, en alleen hem, dien naar

_gerechtigheid_ dorst en hongert, spreekt Jezus zalig.

Maar naar den Paradijsstand zou dit brood der gerechtigheid, evenals ons

gewone brood, slechts verworven zijn door rustelooze inspanning. Door

ook op den akker des zedelijken levens te arbeiden en te worstelen in

het zweet des aanschijns. Om alzoo eerst na veel ploegens en veel malens

en veel knedens de vrucht der gerechtigheid te genieten voor den honger

der ziel.

Maar zooals nu Israel in de woestijn plotseling niet meer ploegt, en

niet meer zaait, en niet meer maalt, maar opeens het Goddelijk Manna

gereed vindt liggen als een brood, dat uit den hemel is neergedaald, zoo

ook gaat het onder het _Genade_verbond toe.

Ook in het Genadeverbond staat Gods volk in een dorre, vale woestenij,

en wordt tot dit volk gezegd, dat het niet meer ploegen noch maaien,

malen noch kneden zal, en af zal zien van elke poging, om zichzelf een

brood der gerechtigheid te verwerven; want dat God aan zijn volk een

Brood der gerechtigheid, _dat geheel gereed is_, uit den hemel doet

nederdalen; een Brood, dat zij maar voor het opnemen hebben.

En nu komt de Christus en zegt: »De vaderen hebben het Manna gegeten in

de woestijn, doch dit was slechts een zinnebeeld, want zij zijn toch

gestorven.«

Maar dan ook: »Ik ben het wezenlijk Manna. Ik ben dat eigenlijke Brood,

dat uit den hemel is nedergedaald. Want wie Mij eet, zal niet sterven in

der eeuwigheid.«

Zoo is dus Jezus het Brood der gerechtigheid, dat uit den hemel gereed

en toebereid voor u is nedergedaald.

En wie nu naar gerechtigheid hongert, kneedt en bakt geen brood van

eigengerechtigheid meer, maar eigent zich door het geloof, als door den

mond der ziel, dit »Brood uit den hemel« toe.

En zoo wandelen we dan met een »kleed der gerechtigheid«, dat nooit

verteert, en met een »schoeisel der gerechtigheid«, dat nooit veroudert,

de woestijn van dit leven door, en ons Manna der gerechtigheid is ons

elken morgen gewis.

* * * * *

Zet uw zinnen op deze heerlijke beeldspraak, en leer er uit, hoe ge met

dit Manna der gerechtigheid handelen zult, en hoe ge met dat Brood uit

den hemel zult doen.

Immers daarmeê, dat het Manna neerdroop in de woestijn, was Israel nog

niet gespijsd. Dat het daar in rijke golven op den bodem lag, voedde

Israel nog niet en kon zijn honger niet stillen.

Neen, _elken morgen_ moest de Israeliet uitgaan en zijn Manna

_opzamelen_, en thuis in zijn tente gekomen, dit Manna _eten_. En zoo

eerst hield het zijn leven in stand.

Ook u helpt noch baat het dus, of het Brood der gerechtigheid in Jezus

al uit den hemel is neergedaald, en voorwerpelijk, _buiten_ u, geheel

gereed ligt.

Neen, ook gij moet dat Manna der gerechtigheid _opzamelen_, tot u

_nemen_ en _eten_. »Tenzij dat ook gij het vleesch van den Zoon des

menschen _eet_ en zijn bloed _drinkt_, hebt ge geen leven in _uzelven_!«

Het moet opgezameld door de kennisse van het Woord, en het moet gegeten

en toegeëigend door den mond des geloofs.

En die geloofswerking moet er niet maar _eens_ zijn; zoodat ge u

herinnert eens vóor jaren geloofd _te hebben_. Neen, elken morgen moet

ge als Israel uitgaan, om opnieuw voor dien dag het Manna der

gerechtigheid in te zamelen en uw ziel te voeden met den Zoon des

menschen.

Ge hebt dat Manna tot u te nemen _in uw Gomer_, d. w. z. ge hebt

elken morgen den Christus weer u toe te eigenen naar uw nood voor

dat oogenblik, naar uw behoefte voor dien dag. Niet een voorraad voor

denkbeeldigen nood, maar te eten het vleesch en te drinken het bloed van

den Zoon des menschen, naar den nood en den honger uwer ziel op elk

oogenblik, in elken strijd des levens, in elke aanvechting en in elke

benauwing.

_Telkens_ honger, en _telkens_ voor uw honger dat Brood uit den hemel u

gewis.

Het leven en de welstand en kracht uwer ziele elken dag opnieuw door de

geestelijke sterking van dat Brood uit hen hemel onderhouden.

Ja, meer nog.

Een Israeliet zamelde in de woestijn ook _voor zijn gezin_ op. Liefde en

roeping moest er in werken.

En zoo ook is het uw roeping, uit den Zoon des menschen op te zamelen,

niet enkel voor uzelven, maar _ook voor de uwen_.

Ook waar bij anderen de honger nog niet sterk genoeg prikkelde, om op

dat Manna der gerechtigheid uit te gaan, wil de eeuwige Liefde, dat ook

gij in liefde _anderer zielsnood_ gedenken zult.

Bovenal den nood der ziele bij uw eigen kroost.

EEN-EN-VIJFTIGSTE ZONDAG.

»DE ONVERWELKELIJKE KROON.«

En als de overste Herder verschenen zal

zijn, zoo zult gij de onverwelkelijke

kroon der heerlijkheid behalen.

I Petr. 5:4.

Een wondere taal spreekt ons in Gods schepping toe. In het Paradijs moet

dat nog veel heerlijker geweest zijn. Heel Gods schepping gaf toen éen

sprake van Gods macht en glorie, en de mensch in het Paradijs was met

een oog en oor begaafd, om er dat lied der eere uit op te vangen en te

verstaan.

Maar al zonk het leven der natuur, sinds om de zonde ook over haar het

floers van den vloek wierd gespreid, toch geeft ook zoo die schepping

ons nog een kostelijke sprake, die ons een spiegel van het hemelsche is.

Zie het plantenrijk.

Hoe laag vangt het niet aan. Een mos, een gras, een varen. Als de wind

er over gaat, verdord; als de zon ze treft, verzengd. Maar ginds tiert

reeds meerder. De heistruik geeft haar tinten. Er is een kiem en een

stengel en twijg. Straks groent aan die twijg het loover. Slank en

statig verheft de palmboom zich. En eindelijk vindt heel het plantenrijk

zijn heerlijkheid in bloesem en bloem!

Van die tengere grasspriet tot de prachtige, geurende bloem,--aldus

klimt in die plantenwereld de ladder des levens. Die bloem is het

rijkst, is het volst, is het heerlijkst. In die bloem is de gedachte der

plantenschepping voleind.

En gelijk nu het plantenleven is, zoo ook is ons menschelijk leven. Ook

in ons leven schuilt het mos achter den steen, en schiet het ijle gras

van ons aanzijn op.

Maar die dorheid laat ons geen rust, in die ijlheid kan ons hart geen

vrede vinden.

Neen, ook in ons roept het alles _om_, dorst het alles _naar_ de bloem,

die aan ons leven uit moet komen.

En als er dan soms in ons menschelijk leven personen zijn, die óf soms

óf een enkel maal, ook die volheid van leven en bloei schijnen bereikt

te hebben, dan drukken we hun als zinbeeld _een bloem_ op het hoofd, en

_die bloem_ om ons hoofd noemen we een _krans_ of een _kroon_.

* * * * *

Zoo worden er allerlei kransen of kronen gedragen.

Een diadeem of kroon draagt een vorst op aarde, naardien in hem het

leven van heel het volk zijn volste, rijkste uiting vindt. Een

krans lei men om de slapen der overwinnaars in den wedstrijd, omdat

in hen de spierkracht of de dichtkracht of het kunstvermogen het

schitterendst uitblonk. Ook omkranst men een bruid, omdat de volheid

van het maagdelijk leven het schoonst en het kostelijkst tiert in de

ure, dat ze huwen zal.

Dat zinbeeldig spraakgebruik wettigt ook Gods Woord. »Een kloeke

huisvrouw is den man een _kroon_« (Spr. 12:4). »Der wijzen _kroon_ is

hun rijkdom« (14:24). »De grijsheid is een sierlijke _kroon_« (16:31).

»De _kroon_ der ouders zijn de kindskinderen« (17:6). »De _kroon_ onzes

hoofds«, klaagt Sion, »is afgevallen« (Klaagl. 5:16).

Ja, meer nog, 's Heeren heilig Woord neemt deze kroonsymboliek over en

teekent er u de voleinding der heerlijkheid in.

Aanschouw den Nazireër maar, met het als _kroon_ ongeschoren hoofdhaar,

gelijk hij voor Gods aangezicht wandelt.

Zie op den hoogepriester, die met de heilige kroon op het hoofd voor

heel het volk bij den Almachtige intreedt.

Merk op, hoe den Messias wordt toegezegd »een kroon van het zuiverst

goud« en hoe op Hem »de kroon bloeien zal«.

Ja, bij Jesaja verstout zich de Heilige Geest, en waagt het, den Heere

zelven de kroon zijner uitverkorenen te noemen. »Te dien dage,« zoo

staat er, »zal de Heere der heirscharen u tot een heerlijke kroon zijn

en tot een sierlijken krans.«

* * * * *

Dat is het aangrijpende, bezielde en daardoor bezielende, dat Gods Woord

onderscheidt van alle versiering der volken.

Want, och, ook die omdolende en afgedoolde volken vlochten wel kronen en

kransen; maar voor hen was er geen hooger eere en geen hooger leven dan

macht en glorie, eere en roem bij menschen, een tieren en bloeien in ons

van wat toch straks vergaat.

Maar nu komt Gods Woord en grijpt u in de ziel aan, en tast u in den

wortel van uw leven, en toont u, terwijl gij _waant_ te tieren, hoe dor

en ijl en leeg het van binnen is; maar ook nu brengt het u de profetie,

dat, als Hij op dat dorre hart maar het water des levens sprenkelt, en

als Hij daar van binnen maar instraalt met de koesterende warmte van de

Zonne der gerechtigheid, dat dan ook _dat leven in uw binnenste_ tieren

en groeien en bloeien gaat; en dat eens ook aan die plant uwer ziel de

bloem zal ontluiken, die heel uw persoon heiligend en zaligend, als

kroon u op hoofd zal bloeien, en wel een kroon, die onverwelkelijk is en

nooit vergaat.

De palmboom is onder de boomen der aarde de voor uw oog geteekende

kroondrager. En nu, de Psalmist jubelt het u immers toe: »De

rechtvaardige zal in de voorhoven onzes Gods als een palmboom bloeien!«

* * * * *

Drieërlei kroon kan uw hoofd sieren, en sieren met eere.

Reeds hier op aarde een kroon en krans door de dankbare toewijding van

hen, dien ge weldeedt, u op het hoofd gedrukt. En waar u zulk een kroon

of krans gereikt wordt, daar legt ge die eerbiedig en dankend op het

altaar van Hem neder, die u de talenten en de eere en de genade schonk,

om alzoo uw broederen te dienen.

Een heel andere kroon wacht u na uw ingang in het Huis onzes Gods

daarboven. Een kroon, die u ook gereikt wordt, maar dan door den

rechtvaardigen Rechter. Een kroon van goud, zooals de Openbaring u

toezegt. De kroon voor het kruis, dat ge op aarde droegt. Vergelding na

verdrukking. Eere na smaad. Een verhooging door de hand uws Gods, als

op aarde om zijns naams wille de wereld u vernederd had.

Van _die_ kronen zingen de gezaligden, »dat ze al hun kronen nederwerpen

voor het heilig Godslam«. Want Hem, die de doornenkroon om hunnentwil

zich op de bloedige slapen liet drukken, Hem komt van elk zijner

verlosten die kroon der eere toe.

* * * * *

Maar dan is er nog een derde kroon, »de kroon des levens«, de

onverwelkelijke kroon der heerlijkheid, en die kroon zullen al Gods

geroepenen eeuwiglijk dragen.

Want die kroon is niet zinnebeeld van hun glorie, maar de uitbotting

zelve van het leven der heerlijkheid, waarvan eens de genadebloem ook

aan hun ziel, aan hun persoon, als uitkomst van heel hun aanzijn

ontluiken zal.

Die kroon zal zelf de bloem huns levens zijn.

In het blad en in de kleuren en geuren van die bloemenkroon huns levens

zal het vezelennet uit de gerechtigheid Christi, en fleur en geur uit de

hun ingestorte heiligheid opbloeien.

Die kroon is het beeld Gods, waarnaar ze geschapen waren; waaraan

ze ontvielen; waarin ze hersteld wierden, en dat dan in zuiverheid

uitstralend, naar het woord van Jesaja, in wezenlijken zin, hun de Heere

zelf tot een kroon der sierlijkheid op het hoofd zal zijn.

Neen, _hier_ wordt die kroon nog niet gezien.

Hier is ze slechts aan dien Eéne gegeven, die voor ons de kroon van

doornen gedragen heeft.

Maar bij ons schuilt ze nog in den knop. Bij ons kan ze in dezen killen

dampkring van zonde en ongerechtigheid nog niet ontluiken.

Die ontluiking komt eerst in dien morgenstond, als de eeuwige lente

voor ons ingaat, en de wind des daags ons de conscientie niet meer zal

ontrusten, en eens de liefde Christi al de koestering onzer ziele zal

zijn.

En daarom, op aarde ziet Gods kind het stil en lijdzaam aan, als ieder

om hem heen met een eereteeken op de borst of met een krans om de slapen

schittert, en hij eer onder smaad bedolven wordt.

Och, het is hem beter zoo!

Op die aarde, waar zijn Heiland met de doornenkroon aan het kruis zijn

_Lamma Sabachtani_ moest uitstorten, kan die smaad hem soms liefelijk

zijn.

En voorts, de dagen zijn immers kort. Straks gaat ook hij als pelgrim

huiswaarts. En dan zullen Gods engelen hem kronen.

Kronen met »een kroon des levens«, die door genade _onverwelkelijk_ is.

TWEE-EN-VIJFTIGSTE ZONDAG.

»VOLSTANDIG TOT DEN EINDE.«

En gij zult van allen gehaat worden om

mijnen naam; maar die volstandig zal

blijven tot het einde, die zal zalig

worden.

Matth. 10:22.

Om toe te komen tot de zaligheid, moet ge niet alleen eens _een poort

door_, maar al de dagen uws levens _een weg langs_.

»Ga in«, sprak Jezus, »door de enge poort«, maar Hij liet er op volgen,

dat niet alleen die _poort_ eng, maar ook _de weg_ nauw is, die ten

leven leidt.

o, Gewisselijk, op dien weg ten leven zal uw voet nooit staan, tenzij

ge eerst vooraf door die poorte u heenwrongt; maar toch, niet om het

doorgaan door die poorte is het te doen. Die poorte is slechts middel,

om op dien weg des levens te komen, en evenzoo is die weg zelf weer

niets anders dan de baan, die moet afgeloopen, om in de zaligheid in te

gaan.

En nu bestaat hier, daar hebt ge volkomen gelijk in, geen uit- en

inloop. Wie de enge poorte eens door is, keert niet meer terug, en ook,

wie door die poorte doorging, loopt zijn weg af ten einde toe. Er is

geen afval der heiligen.

Maar tweeërlei mag daarbij nooit vergeten.

Vooreerst mag nooit uw oog gesloten voor het ontzettend feit, dat zoo

velen een _verkeerde_ poort ingingen, in plaats van de enge, en nu

voorts zorgeloos voortdrentelen op een weg, waar geen leven op te vinden

is; en dat deswege roeping der kerke Christi is, om een iegenlijk

telkens weer te prikkelen, dat hij toch wel toezie, of de poorte, die

hij doorging, wel de echte, wijl de enge, is, en dat hij anders op

staanden voet van zijn doolweg terugkeere en alsnog de enge, de eenige

poorte des levens inga.

* * * * *

Toch is dit het eenige niet, waarop moet gelet.

Het vermaan van Christus' kerk doelt volstrekt niet op hen, die zich in

de keuze der poorte vergisten, maar ook wel terdege op die weinigen, die

de wezenlijke, de enge poort zijn ingegaan.

Immers, het is wel stellig zeker, dat ze, eens die poorte

binnengetreden, niet terug kunnen, noch ook op den weg des levens

duurzaam kunnen stilstaan; maar dat ze voor terugkeer behoed en op

dien weg des levens gehouden worden, gaat niet vanzelf, geschiedt niet

werktuiglijk, maar is gevolg van _een geestelijke macht_, die op hen

werkt; een macht, die van den Christus op hen uitgaat; en die Hij op hen

uitoefent door zijn Woord en zijn Geest.

En hier is nu de Goddelijke, wijl van God bestemde, werkkring voor

waarschuwing en vermaan, voor lof en blaam, voor bestraffing en

vertroosting.

Eens de enge poorte door, glijdt een heilige Gods niet langs den weg des

levens, gelijk een kogel door de lucht of een kegelbal langs de

loopplank vliegt.

Integendeel, als er nu verder niets aan hem geschiedde, zou hij wel

terdege terughunkeren naar Egyptes vleeschpotten en wel terdege, zij het

al onder beloften van terug te komen, nog even weer de enge poorte uit-

en de wereld willen ingaan.

En wel verre van op de heilige baan gestadig en rustig voort te

schrijden naar het voorgestelde wit, zoudt ge Gods eigen kinderen bij

hoopen zien stand houden bij de poorte; liefst even er door, om van hun

zaligheid verzekerd te zijn, maar toch ook liefst zoo dicht mogelijk bij

die poorte, om althans nog met aanschouwing van het oog van de wereld te

kunnen genieten.

En daarom nu, omdat Gods kinderen, aan zichzelven overgelaten, liefst

óf teruggingen óf talmden, daarom heeft Goddelijk ontfermen allerlei

prikkel en allerlei zweepslag bereid, om de gerusten in Sion weer

telkens te doen opschrikken, en ze voort te stuwen, voort te dringen,

of de loop om de kroon door al Gods kinderen mocht worden voleind.

* * * * *

»Volstandig ten einde toe« is daarom het parool van den hoogsten

levensernst, dat de Middelaar zijn jongeren reeds bij hun eerste

uitzending meêgeeft; en als op Patmos zijn laatste woord tot zijn knecht

Johannes weerklinkt, dan gaat nogmaals de last aan Christus' kerke uit:

»Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de krone des levens!«

Neen, het is niet een door de enge poort glijden, om nu vanzelf te

glijden al den weg lang. Er is voor Gods kinderen een worsteling

weggelegd, een loop, dien ze te loopen, een kamp, dien ze te aanvaarden,

dien ze te strijden hebben. Allerlei macht klemt zich aan hen vast, om

hen van Christus af te trekken, en allerlei macht gaat van Christus uit,

om hun geloof niet te doen ophouden. Zoo is er een worsteling _om_ Gods

kind tusschen Satan en Christus, en een worsteling _in_ Gods kind

tusschen zonde en heiligheid. En niet wie in dien strijd onderligt,

maar _wie overwint_, dien zal gereikt worden het manna, dat verborgen

is, en dien zal gegeven worden, met Jezus eens te zitten in den troon

zijner heerlijkheid.

* * * * *

»Volstandigheid nu ten einde toe« eischt _voortgang_ en is met

_stilstand_ onvereenigbaar.

Volstandigheid is voor Gods kind het volharden in zijn heilig opzet, om

steeds nader bij zijn God te komen; om weg te vagen de nevelen, die het

aangezicht zijns Vaders in den hemelen voor hem verborgen hielden; en om

niet enkel in machtige en aangrijpende gebeurtenissen, maar in al den

loop des levens den vijand zijner ziele af te weren, en te blijven nabij

zijn God.

Niet alsof dit altoos gelukken zou, o, Ware er nooit een onderliggen,

nimmer een uitglijden, nooit een verachtering in genade, er zou geen

worsteling in het leven van Gods kinderen meer zijn; en zelfs waar het

zoo langs een effen kabbelend stroompje _schijnt_ voort te glijden, weet

toch het hart het wel anders.

Maar dit is uw volstandigheid, dat ge, onderwijl ge wordt neergeworpen,

reeds weer kermt, om door uw God te worden opgericht; dat ge onder het

uitglijden de hand reeds weer grijpt, die u reddend wierd toegestoken;

en dat ge, door wat list of strik ook van uw God afgeraakt, het buiten

Hem niet uit _kunt_ houden; en daarom nog van het klein gebergte en

onder het neerdruischen van de watergoten, naar uw God roept, gelijk het

hert schreeuwt naar waterbeken, die het niet meer ziet, maar toch

klateren hoort van verre.

Bij een ingebeeld kindschap is er een enge poort van eigen maaksel, en,

eens die poort door, is er voorts tot aan den dood toe niets dan een

werkeloos nederzitten in zelfbehagende gepeinzen. Uit den dood tot den

dood, zonder een reuke des levens.

Maar gingt ge de echte poort door, o, dan trilt en tintelt het voorts

alles van leven en worsteling; dan is er strijd en onderliggen en een

weer overwinnen al de dagen, dat God u nog het aanzijn op aarde vergunt.

En dan schittert ze ons tot troost en den naam des Heeren tot prijs, die

van God gewerkte volstandigheid, waarvan de Christus het zijn jongeren

toeriep: »Wie volstandig zal zijn tot den einde, _die zal zalig

worden_«.

INHOUD.

ZEVEN MEDITATIËN OVER DEN SABBATH.

Bladz.

I. De Sabbath van God gegeven 5

II. De Sabbath door God verordend 9

III. De Sabbath door God geheiligd 12

IV. De Sabbath door God gezegend 16

V. De Sabbath door God gekeurd 19

VI. De Sabbath door God verzoend 23

VII. De Sabbath van God vereeuwigd 26

MEDITATIËN VOOR ELKEN SABBATH IN HET JAAR.

I. »Gedenk van hoedanige eeuw ik ben!« 31

II. »Een stofje aan de weegschaal.« 34

III. »Mijne ziel is voor U als een dorstig land!« 38

IV. »Zalig zijn de vreedzamen!« 41

V. »Onthoud het goed aan zijn meester niet!« 45

VI. »Ik zal ze louteren.« 48

VII. »Hebt uwe vijanden lief.« 52

VIII. »De oorblazer.« 55

IX. »God is meerder dan ons hart!« 59

X. »In vrede nederliggen en slapen!« 63

XI. »De bokken van de schapen.« 67

Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath · 第 18 / 19 段