Toen de Heere bij Hosea van dat »kaf op den dorschvloer« sprak, gold

zijn zieldoordringend woord dan ook niet den Kanaäniet, noch den Tyriër,

maar _Israel_. Lieden, die het bondszegel droegen, gesproten uit

Abraham, en die bij Dans en Bethels altaren nog zeer vromelijk voor den

Heere Jehovah op de knieën vielen, ook al symboliseerden ze Hem in een

miniatuur-rund van goud.

Denk dus niet: het _kaf_ slaat op de _wereld_ en het _koren_ zijn _wij_.

Van de wilde massa, die zichzelve op goddelooze paden verliest, is hier

geen sprake. Lieden, die brutaal-goddeloos zijn, kunnen geen _kaf_

heeten; want het _kaf_ zit met het _koren_ dooreengevlochten, en de

ruwe, wilde wereld woont op mijlen afstands van de tente, waar de

aanbidders van Jehovah saamkomen.

_Kaf_ en _koren_ doelt altoos op menschen, wier leven dooreengestrengeld

is; aan wie men het zoo niet aan kan zien, dat de eene koren is en de

andere kaf. En het sterkst doelt dus dat vreeslijke zeggen van het »kaf

op den dorschvloer« op de hypocrietisch-vromen, die onder de _echte_

vromen vermengd en verstrengeld zijn.

Die mannen uit Israel, op wie Hosea in Jehovahs naam dat brandmerk van

»kaf op den dorschvloer« zette, waren dan ook nog aanbidders van

Jehovah,--alleen, _ze dienden er den Baäl bij_.

Wel den Heere dienen,.... maar een aantrekkelijken afgod er bij.

Gedeelde harten; gesplitste zielen; tweeslachtige en daarom

huichelachtige naturen. Neen, niet Jehovah geheel verlaten. Jehovah óok.

Maar natuurlijk, dan moest Baäl er bij geduld worden.

En Baäl nu, dat is de dienst van den lust, van het vleesch, van het

geld, van al wat ijdel is en bekoort in de wereld.

En die zoo knielt voor Jehovah en toch zoo Baäl nahunkert, die is kaf.

Vlak bij het koren. Er meê dooreengevlochten. Tot het op den dorschvloer

komt. En dan komt er de onnutheid van aan het licht. Dan gaat het ten

vure!

* * * * *

Kaf en koren! Het legt de vraag van uw eeuwig in Christus verkoren zijn

zoo snijdend aan uw hart.

Van der Groe gaf eens zijn _Toetssteen_ uit der valsche en ware

genade, om de onzekerheid weg te nemen. Hij zag tweeërlei gevaar.

Tobbende zielen, die altoos vreesden kaf te zijn, en die den troost der

verlossing dierven, _daar ze toch koren waren_. Maar ook anderen, die er

vast op gingen koren te zijn, en toch zoo vreezen deden, dat ze _kaf op

den dorschvloer_ zouden blijken.

o, Het gezelschap der gezaligden in den hemel zal zoo veelszins anders

zijn saamgesteld dan wij het ons hadden ingebeeld. Er zal er zoo

menigeen bij zijn, van wie wij het nooit gedroomd hadden. Vooral uit de

vroeg gestorven lievelingen zullen we bloemen ontloken zien, aan wier

geur we ons nooit hadden verkwikt. Maar ook, er zal zoo meer dan éen

gemist worden, op wie wij bergen gebouwd hadden.

Als de Heere schift, is het zoo heel anders dan naar de schifting der

menschen. De zeven duizend onder Achab, van wie Elia nooit iets gemerkt

had. Och, wie zal zeggen, wat er soms, bij reeds geloken oogen, nog

tusschen het Eeuwige Wezen en de stervende ziel, eer ze stierf, omging!

Maar maant dit dan niet de gerusten in Sion, om weer telkens de

verfrissching van hun zegel te zoeken? Maant het niet, om onder uw

huis den grond, waarop het staat, eens nauwkeurig te bezien, of het

wel de Rotssteen is, en niet de bedrieglijke zandgrond, die, als de

waterstroomen komen, wegkruit, afslaat en verzinkt?

Ge zijt aan de plante vast; wel u, maar dat was ook het kaf eens. Ge

leeft dicht bij de vromen; maar doet dat ook het kaf niet bij het koren?

Ge beschut Gods kerke; maar eilieve, heeft ook het kaf met zijn huls en

spriet het koren niet gedragen?

* * * * *

o, Denk toch aan _den dorschvloer_!

Dagen, weken, maanden lang tiert het stil en rustig op den akker. De

sikkel ligt te roesten, de dorschvlegel is opgeborgen, de wanne is vol

stofs.

Het schijnt aan geen dorschen toe te komen.

Maar eindelijk, eindelijk breekt de dag des oogstes toch aan. En nu

verandert opeens alles op den akker van gedaante. De rust heeft uit. De

sikkel doet de halmen buigen. En in haaste dragen de maaiers schoof bij

schoof uit.

En nu viert de dorschvloer zijn triomf, en _de schijn_ van het kaf heeft

uit, en het koren wordt uitgescheiden, en het kaf verliest alle waardij.

Bij busselen vol gaat het ten vure.

De dorschvloer der geesten nu komt even wis, als ook deze velden hun

vrucht zullen voldragen hebben.

Dan is het de ure _des oordeels_. En dan zal de Zoon des menschen staan

men de wanne in de hand, om _zijn_ dorschvloer te doorzuiveren.

Lezer! hebt ge grond, vasten grond voor uw zekerheid, dat gij dan geen

kaf op den dorschvloer, maar koren op de wanne zult zijn?

EEN-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.

»DE HEERE ZAL MIJ AANNEMEN!«

Want mijn vader en mijne moeder hebben

mij verlaten, maar de Heere zal mij

aannemen.

Psalm 27:10.

Vader en moeder nog te hebben is een schat, ook op mannelijken leeftijd;

zelfs dan, als uw hand reeds eigen brood won; en u voor de nooddruft uws

levens niets van uw ouders meer toekomt.

Ge leeft dan wel niet meer bij hen en onder het ouderlijk dak. Gij

bouwdet uw eigen huisje en werktet misschien zelf reeds voor vrouw en

kinderen, die u geschonken werden. Maar _ze zijn er dan toch nog_, die

vader en die moeder, uit wier vleesch en bloed u het vleesch en bloed

toekwam en uit wier hand en liefde ge zoo lange jaren geleefd hebt.

Maar, helaas, ook die rijke schat is niet bestemd om altoos duurzaam te

zijn, en voor den een vroeger, voor den ander spade, slaat ten leste het

somber uur, dat vader en moeder den laatsten adem uitbliezen, en nu de

grafzerk hen dekt.

En dan hebben ze ons verlaten en zijn heengegaan; God geve, naar zaliger

gewesten en tot hun eigen gewin. Maar _wij_ hebben ze niet meer, en dat

stille rustpunt voor het leven, dat het denken aan het ouderlijk huis

nog bood, is dan weg. Een ander inwoner trad er in, en heeft voor ons

teeder gevoel dit huis ontheiligd.

En dan weten we wel, het _moest_ zoo en het _kon_ niet anders. Maar

toch, het laat een leemte, het slaat een wonde, die niet geneest, in ons

hart. En als ten leste reeds lange de nachtwind over het graf van vader

en moeder is heengegaan, kan nog, bij het denken aan onze lieve ouders,

zulk een pijnlijk heimwee ons door het hart schrijnen.

Zoo had ook David, lang na Isaï's dood, nog zoo vaak heimwee naar zijn

vader, die van hem ging; maar, en dat is het heerlijke, dit verleidde

den Godsman niet, om sentimenteel bij de groeve te gaan weenen.

Neen, de man naar Gods harte kende een beteren en een hoogeren uitweg.

»Mijn vader,« zoo zong hij in zijn weemoed, »mijn vader en mijne moeder

hebben mij verlaten; maar ik heb een anderen Vader in den hemel; want de

Heere zal mij aannemen, d. w. z. _aannemen als zijn kind_.«

* * * * *

In een _vaderlijk_ huis worden we geboren en naar een _Vaderhuis_ gaat

de gezaligde door zijn sterven heen.

Goddelijk schoone speling van de heilige ordinantie onzer schepping.

Niet bijgeval is het, maar een heilige ordinantie, dat we uit vader en

moeder geboren wierden. Het had ook anders kunnen zijn. God de Heere had

ons allen stuk voor stuk, evenals Adam, uit het stof der aarde opeens

volwassen kunnen scheppen. Maar dat wilde de Heere niet; dat deed Hij

niet. Neen, Hij bestelde het door zijn wondere macht in dier voege, dat

Hij het beginsel van den mensch, die komen zou, inschiep in den mensch,

die er reeds was, en zoo den eenen mensch uit den anderen deed geboren

worden.

Zoo ontstond op aarde een vader en moeder.

Ze wierden dit niet door eigen keuze; maar door en krachtens deze

heilige ordinantie des Heeren, en tegelijk wierd door diezelfde

ordinantie de mensch, die nu volgde, _kind_.

God heeft Adam _vader_ en Eva _moeder_; Abel _kind_ gemaakt, en sinds

datzelfde wonder alle eeuwen door herhaald.

Het was in Gods gedachte, eer het op aarde verwerkelijkt wierd, en lang

eer het eerste menschenhart in vader- en moederweelde van kindervreugde

blij geklopt heeft, had God de Heere deze geboorte en dezen band en deze

weelde bedacht en zich voorgesteld.

Ook al wat uit die geboorte en band en die weelde later uitvloeide, was

dus in Gods bestel besloten en is uit dit bestel ons toegekomen.

Die inrichting, dat het kind eerst volkomen machteloos is, en zoo weer

sterven zou, zoo het niet geholpen wierd; die moederborst, die gereed

is, om de dorstige lipjes te besproeien; die sterke aanhankelijkheid

van de jonge kraamvrouw aan dat wichtje; dat tobben met het kindeke,

eer het iets spreken of loopen kan; die arbeid, die er in het zweet des

aanschijns voor moet afgesloofd, om het te kleeden en brood te geven; en

straks te ontwikkelen, iets te doen leeren, en te vormen; en wat ge er

uit de ziekekamer en het bidvertrek nog bij kondt voegen,--dat alles

ligt als in kiem in die éene gedachte Gods: een _kind_ uit een _vader_

en _moeder_.

En als nu straks ook in dat kindeke besef ontwaakt van wat het is, een

_vader_ te bezitten en een _moeder_ rijk te zijn, en er vormt zich

aanhankelijkheid en verkleefdheid, trouw en liefde, volgzaamheid en

gehoorzaamheid, kortom die duizend banden, waarmeê het _kinderlijk_

besef aan _vader_ en _moeder_ verbonden is, dan is ook die weelde van

het hart niets dan uitvloeisel uit de Goddelijke gedachte. Altegader

goede gaven, van Boven van den Vader der lichten afdalende.

* * * * *

Maar hierbij blijft het niet.

Neen, God de Heere riep al dit schoons niet uit niet tot aanzijn, als

een bloem des velds, die eerst wel sierlijk pronkt, maar straks

verwelkt.

Neen, deze heilige ordinantie van den _vader_ en het _kind_ heeft

hooger, heeft eeuwige beduidenis.

God schiep den mensch naar zijn beeld, naar den beelde en de

gelijkenisse Gods schiep Hij hem. Let wel, niet enkel in zijn persoon,

maar ook in zijn optreden. En als straks de eerste mensch _vader_ wordt,

is dit aardsche en _vergankelijke_ vaderschap niets dan een afdruksel

van het _eeuwige_ Vaderschap des Heeren HEEREN.

En al wat er nu in dat vaderschap op aarde uitkomt, is niets dan

afdruksel, afschaduwing, afbeeldsel van dat eeuwige Vaderschap

Gods. Alleen het splitst zich. Adam deelt zich in Adam en Eva. En de

rijke volheid van het Vaderschap des Eeuwigen valt in het vader- en

moeder-zijn uiteen, om saam in zijn onderlinge verbinding af te beelden

en te vertolken het uit God geteeld en geboren worden; het door God

gedragen en getroeteld worden; het door God gevoed en verzorgd worden;

het door God gekleed en gedekt worden; het door God gevormd en

ontwikkeld worden; ja, het gemind en geliefd worden door _den Vader_,

die in de hemelen is.

En zoo ook omgekeerd, als God Abel _kind_ maakt, en na hem alle mensch

eerst _kind_ maakt, dan heeft ook dat _kind_-zijn eeuwige beduidenis.

Want ook dat _kind_-zijn uit _vader_ en _moeder_ is niets dan afdruksel

en afschaduwing van wat ge zijn moet voor uw God. Afbeeldsel, opdat ge

in deze schilderij van het huisgezin zoudt zien en er van zoudt leeren,

hoe ook gij u door God hebt te laten dragen en voeden, alleen voor uw

God hebt te leven, en voor uw God hebt te staan in die verkleefdheid en

aanhankelijkheid, in die gehoorzaamheid en volgzaamheid, in die trouw en

die liefde, die ge aan »vader en moeder« geleerd hebt.

Worden nu »vader en moeder« ten grave uitgedragen, dan houdt die heilige

leerschool op; want leerschool was ze; meer niet. Dit alles moest teniet

gaan en zich terugtrekken, om eindelijk het volle schoon der werkelijke,

eeuwige liefde te doen doorbreken, als Hij u tot _zijn eigen kind_ zou

gemaakt hebben, en ge Hem, den Heere, als _uw wezenlijken en eeuwigen

Vader_ zoudt hebben leeren minnen.

Zoo werkt de _natuur_ voorbereidend en afbeeldend voor de _genade_!

En als dit eenmaal mag beseft worden, dan treurt het kinderhart niet in

wanhoop bij het graf, dat vader en moeder omsluit; maar dankt het voor

de liefdeweelde, die het genoot, en meer nog voor de heilige les, die

het in die liefdeweelde geleerd heeft, om nu eerst recht _wezenlijk

kind_ te worden, en nu tot zijn _wezenlijken Vader_ te komen.

»Mijn vader en mijne moeder hebben mij verlaten, maar de Heere zal mij

[tot zijn kind] aannemen!«

_Kind_ te zijn is onze eeuwige roeping.

Indien gij niet wordt als dit kindeke, voor u geen zaligheid!

En nu maakt de Heere ons eerst kind van onzen vader, die ons

gegenereerd, en van onze moeder, die ons gebaard heeft. En dan ontwaakt

al spoedig het streven, om den kinderschoenen te ontwassen, en _geen_

kind meer te zijn.

En dat _moet_; want het eerste _kind_-zijn kon niet duren en is

voorbijgaand.

Maar dan ontsluit God de Heere allengs het oog voor het _eeuwige

kind_-zijn, en in zijn wondere liefde wordt Hij u als een _eeuwige_

Vader openbaar.

Dit is dus de samenhang tusschen dat vergankelijke en dat eeuwige

kindschap.

Die aardsche _kinder_weelde de afschaduwing en de teekening, het bestek

en de aanduiding van wat het eeuwige _kind_schap wezen zou.

En zoo werkt alles harmonisch op elkander.

Als _kind_ geboren, om eens als _kind_ van een _beteren Vader_ te

sterven, en eeuwig in het _Vaderhuis_ daarboven _kind_ van den _Vader_

in de hemelen te zijn.

TWEE-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.

»IN EEUWIGHEID NIET DORSTEN.«

Maar zoo wie gedronken zal hebben van

het water, dat Ik hem geven zal, dien

zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het

water, dat Ik hem zal geven, zal in hem

worden eene fontein van water, springende

tot in het eeuwige leven.

Joh. 4:14.

Het water is in zijn kabbelen en perelen, in zijn wellen en vloeien, in

zijn schuimen en bruisen een der schoonste stukken uit de schepping

onzes Gods.

In alle vormen voegt het zich. Als damp wordt het vervluchtigd; straks

tot sneeuw en hagel, tot rijm en ijs verhard.

Het besproeit den akker; het verfrischt den dampkring, het draagt de

scheepkens, het omsluit het heir der visschen, het reinigt wat bezoedeld

is; het lescht den dorst.

o, Dat wondere water, dat oor en oog en tong gelijkelijk weldadig

aandoet, het kan vreeslijk worden; want als de golven worden opgestuwd,

schrikt de schepeling; en als het breekt door dam en dijk, vernielt het

hoeve en akker; maar in zijn aard is het water zegenend, reinigend,

benedijend. In ons lage land, waar schier alles water is, waardeert ge

dien wonderen rijkdom niet zoo; maar in hooger streek, waar het schooner

uitkomt en meer moeite vergt voor zijn genieting, is het water een

natuurpracht, een zegenende engel, een weelde der volken.

En dat rijke, schoone water, in welks spiegel de natuur al haar weelde

afkaatst, dat water koos de Heilige Schrift ten beeld voor het ruischen

van uw geestelijk leven.

In uw heiligen Doop is dat sterksprekend beeld ook aan u persoonlijk

beteekend.

»Dorsten« is de vaste Schrifttaal voor wie dat geestelijk goed zoekt en

derft.

En Jezus zelf sprak het immers tot de Samaritaansche waterputster uit

Sichar: »Wie drinkt van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal niet

dorsten in eeuwigheid.«

Ja, noemt niet de Eeuwige zelf zich in zijn Godspraak »een Springader

des levenden waters«? (Jeremia 2:13.)

* * * * *

Op velerlei wijs biedt het water zich u aan voor uw dorst: Water, dat

vliet; water, dat vanzelf welt, en water, dat ge putten moet.

Water, dat welt, leeft. Het is niet in ruste, maar borrelt aldoor op.

En dit wellend, levend water vooral koos de Schrift u ten beeld voor

den stroom, die geestelijk door de wereld der menschenkinderen trekt.

Komt ge nu in een bergstreek, gelijk Jezus bewoond heeft, dan spreekt

dit beeld u, o, zoo wonderbaar toe.

In zulk een streek heeft niemand water in huis. In huis geen put of pomp

of waterleiding. In het gansche huis geen drup waters, dan voorzoover

het in kannen of vaten is aangedragen.

Maar middenin het dorp is de bron, staat de fontein, springt de

springader. En naar die bron komt een ieder met zijn vuil geworden

kleeding, en wascht ze; en komt een ieder met zijn leege kruik of kan,

en vult die;--of ook, wie dorst heeft, legt zijn lippen aan de opening,

waar het water uitborrelt, en drinkt.

Schoon en heerlijk beeld van den Zoon des menschen, die in het midden

zijner gemeente staat. En tot Hem komt elke getrokkene om rein te

worden; en tot Hem, om zijn dorst te lesschen, en tot Hem, om water te

verzamelen, dat hij uitdrage naar zijn huis.

Maar lang niet elk dorp op de bergen is zoo gelukkig, om althans éen zoo

sterk wellende fontein van levend water te bezitten; en in de Schrift

leest ge telkens, en zoo ook bij Sichar, van een welput, waar het water

niet uit opborrelde, maar uit _geput_ moest worden; en wee hem, dien

dorstte en die bij deze bron zat, maar niet had, om mede te putten!

Geestelijk genomen is dan de stroom des levens wel nabij u, en wel is in

u de dorst, en de kennis van het oog, dat uit die bron u de lessching

moet komen; maar de macht des geloofs ontbreekt, en met het oog op het

water daar in de diepte, vergaat ge van dorst.

* * * * *

Maar hetzij die Springader reeds vanzelf voor u opborrelt en u als

overvloeit met zijn wateren, hetzij ge nog puttende zijt, om met moeite

u den beker te vullen, toch is die Fontein van wateren _buiten uw eigen

woning_ nog het hoogste niet, wat God u beschikt heeft.

o, Als in zulk een dorp, waar geen druppel waters in eigen huis is,

en het al elken morgen, elken middag en elken avond weer in kruik en

kan moet aangedragen, een vreemdeling, van buiten komend, eens met

toovermacht een eigen fontein in ieders huis kon doen ontspringen, hoe

zou al het vermoeide volk in luiden jubel uitbarsten en hem zegenen,

dien brenger van hun geluk.

En zoo toch is het hier.

Uw Heiland wil u levend water _in uw eigen woning_ doen ontspringen,

dat ge met de Samaritaansche, maar in geestelijken zin, roepen zoudt:

»Heere! geef mij van dat water, dat ik niet meer hier behoef te komen om

te putten.«

Niet meer als op Sion, het heiligdom daar verre, en daar hoog alleen

de beekjens, die verblijden de stad Gods, maar aanbidding in geest en

waarheid; niet meer in Jeruzalem of bij den put Jakobs, maar in ieders

huis en hut en stulp; overal waar harten voor zijn glorie kloppen, en

waar zijn Woord den dorst der zielen lescht.

* * * * *

En toch, ook dat was voor den rijkdom van Gods genade nog niet rijk

genoeg.

Nóg sterker zegt Jezus het: Het water, dat Ik u geven zal, zal niet maar

in uw eigen huis, maar _in uzelven_, in uw _persoon_, in de diepte uwer

eigen _ziel_, worden tot een _fontein_ van wateren; en in wien het alzoo

wierd, dien kwelt geen dorst meer in der eeuwigheid.

o, Wel u, zoo het ook in uw eigen zielsleven tot dat hoogste mag gekomen

zijn.

Niet alleen, dat de Fontein welt en de wateren uit de Springader

_daarbuiten_ ruischen; en ook niet enkel, dat er een springader van

geestelijke wateren _in uw eigen woning_, middenin uw eigen gezin

ontsprong; maar rijker nog, dat het _tot in uzelven_ doordrong; dat er

leven onder den bodem uwer eigen ziel ging ritselen; en dat binnenin u

de wateren uitborsten, die het dorstig land overvloeiden, en u drenkten

en u zoo zalig genieten deden in de weelde uws Gods.

Christus niet maar in het midden der gemeente; Christus niet maar in het

midden van uw huiselijk leven; neen, maar de Christus binnenin u; woning

in u makende. De Springader des levens altoos nabij!

Want ook dan komt er nog wel trek naar en behoefte aan die geestelijke

wateren in u op; maar het wordt geen pijnlijk dorsten, geen branden van

de lippen meer; want eer ze branden konden, heeft de liefde Christi ze

reeds besproeid.

Een Fontein van levende wateren, en dus nooit meer een dorst, die brandt

en verschroeit, dan door schuld van eigen ongeloof. En, zelfs onder dat

ongeloof en kleingeloof door, Christus in u toch in het verborgene den

wortel van den stam uw levens besproeiende.

o, Dat is het zalige.

Bij wien het zoo is, dien dorst niet meer in der eeuwigheid.

DRIE-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.

»UWE GLASVENSTEREN KRISTALLIJNEN.«

En uwe glasvensteren zal Ik

kristallijnen maken, en uwe poorten van

robijnsteenen, en uwe gansche landpale

van aangename steenen.

Jes. 54:12.

Het glasvenster is de opening in den wand, waardoor ge uitziet naar

buiten. Is het glas van dat venster met ijsbloemen bevroren, dan

glinstert en spiegelt het, maar geeft geen doorzicht. Is het met vocht

bevlekt en met stof bezoedeld, dan vervalscht het uw uitzicht en tint

alles somber en grauw. Maar ook, is het glas in uw vensteren zuiver

spiegelglas, zonder spat of vlek of verwering, en is dat zuivere

spiegelglas van binnen en van buiten volkomen glad en stofvrij, dan

laat het uw blik niet alleen door, maar dan leent het glans aan wat ge

waarneemt.

Door heerlijk glas gespiegeld, is de omtrek, dien ge waarneemt, zelfs

nog schooner dan door het open raam.

Soms zelfs poogt men door een tint in het glas nog hooger uitwerking

te bereiken. Bij het walmen van het Bengaalsche kunstvuur tint heel de

omtrek zich soms zoo tooverachtig schoon. En als om dat schoone effect

na te bootsen, nam men eertijds vaak purpergetinte glasvensteren. Dan

scheen door dat paarsroode glas al wat te zien kwam in nog boeiender

kleuren voor te komen. Het gaf aan het vergezicht, waarin men zich

vermeide, een nog verhevener glans.

Zooals 's morgens soms de dageraad de natuur in purperen glansen doopt;

zooals des avonds soms de ondergaande zon pracht over heel de schepping

spreidt; zooals bovenal het dalend zonlicht soms de sneeuwwitte toppen

der Alpen doet gloeien; of ook het noorderlicht het firmament weet rood

te verven met een rood, dat niet dekt, maar plechtige diepte ontsluit;

zoo poogde men vaak ook door purpergetinte glasvensteren het tafereel

om zich heen te verlevendigen. In zacht purper weggedoken, scheen dat

tafereel zoo bemoedigend, zoo boeiend, zoo schoon!

En zoo nu ook zegt de profetie van Jesaja, dat God de Heere voor

zijn volk een woonstede bereidt, gegrondvest op saffieren; en die dit

bovenal tot heerlijkheid zal hebben, _dat het uitzicht naar buiten door

kristallijnen vensteren zal wezen_. Een uitzicht zoo boeiend en zoo

schoon.

Nu blijve de vraag hier onbeslist, wat stof hier met dat kristallijn

bedoeld is. Jesaja schreef _Kadkood_. En nu zegt de een, dat dit

_kristal_, de ander, dat dit een _robijn_, een derde, dat dit een

_karbonkel_ of _agaat_ aanduidt. Maar wat keurgesteente ook bedoeld zij,

dit staat vast: het doelt op een glasvenster, dat een _heerlijk_, een

_schitterend_, een _prachtig_ uitzicht geeft, en den aanblik van wat ge

waarneemt in glans en in schoonheid verhoogt.

* * * * *

Kennelijk doelt deze ontfermende profetie niet eerst op het Vaderhuis

daarboven; want er volgt op, dat de verderver komen zal, om te

beproeven, of hij Gods volk nog ten val kan brengen, en dat geschiedt in

den hemel niet meer.

En ook wordt er niet gedoeld op een _uitwendigen_ gelukstaat op aarde;

want er staat, dat de verschrikking, die komt, »niet eens tot hen

geraken zal«, terwijl het kruis, dat we onzen Heiland hebben achterna te

dragen, eerst van ons scheidt bij den dood.

Neen, dat huis op saffieren gegrond, met zijn ingangen van robijnen

en zijn kristallijnen vensteren, is de woonstede van geestelijken

gelukstaat, waarin _door het geloof_ soms reeds op aarde Gods lieve

kinderen zich verblijden mogen. Want aldus besluit de profeet: »Alle

tong, die in het gericht tegen u opstaat, zult gij verdoemen; dit is

de erve der knechten des Heeren, en hun gerechtigheid is uit Mij!«

En _nu_ verstaan we die kristallijnen vensteren, die een zoo geheel

andere tint werpen op wat we door die vensteren waarnemen. Want nu

beduidt het zien door die kristallijnen vensteren het zien op wat ons

in den zaligen glans van het geloof voor het zielsoog verschijnt, het

bezien van heel ons leven en van wat om en voor ons ligt in den glans

van den eeuwigen dageraad; een op en over alles zien glinsteren der

purperen, spelende stralen van de Zonne der gerechtigheid!

* * * * *

Aan onszelf overgelaten, zou er óf geen venster in den somberen muur, óf

niets dan een bestoven en bezoedelde glasruit wezen, die voor ons oog

alles nog grauwer, nog somberder, nog doffer tintte, dan we het zien met

het bloote oog.

Dan overkomt ons wrevel en moedeloosheid. Zoo donker is het pad voor ons

uit. Zoo met ongerechtigheid overvloeid is het eindweegs, dat we achter

ons hebben. Zoo weinig moedgevend, zoo triestig, zoo in grauwe mist

gehuld vertoont zich het leven. En zelfs als we naar het uitspansel

opzien, is er geen star, die ons vriendelijk tegenflonkert, maar grauwt

alles mat en dof.

o, Het leven van een ontdekte ziel zou haar tot stikkens toe benauwen.

Zoo hopeloos somber en droef als de wereld zich aan haar oog ontdekt.

Dat deed haar vóor ze ontdekt wierd geen pijn. Want och, toen staroogde

ze gedachteloos en merkte niet op; toen bleef ze hangen aan de

oppervlakte, gelijk een kind doet; toen vergaapte ze zich aan het

Bengaalsche vuur, waarmede de wereld aan haar ellendig ledig een schijn

bijzet.

Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath · 第 15 / 19 段