éen_ van zijn weldadigheden; vergeet ze niet, 't is God, die ze u
bewees!«
En toch, wat komt er van het herdenken van Gods trouw in ons leven, wat
onder ons zingen, wat onder ons bidden vaak terecht!
Zoo soms, als we, bij een nieuwen mijlpaal van ons leven aangekomen, ons
nederzetten om den weg te herdenken, dien we afliepen, is er zin en
behoefte in ons hart, om ons althans de _groote_ uitreddingen van ons
leven weer tebinnen te brengen.
En wat is dan de eerste uitwerking van deze overdenking bij Gods kind?
Is het niet, dat hij schrikt bij het opmerken, hoe hij tal zelfs van
wondere uitreddingen schier geheel uit zijn geheugenis had laten
wegvloeien?
Hij leeft nu weer terug in zijn verleden. Hij doorleeft nog eens met
beving in het hart de bange stormen, die hij is doorgekomen. En nu
komt het hem weer voor den geest, hoe hij toen worstelde om redding,
nauwlijks op redding meer hopen dorst, en toen eindelijk toch die
redding kwam, danken kon met een innigheid, alsof hij althans deze
weldadigheid zijns Gods nimmer, nimmermeer zou kunnen vergeten.
En toch, nu hij er weer aan denkt, nu ontdekt hij tot zijn zelf
beschaming, hoe er desniettemin twee, drie en meer jaren van zijn leven
konden voorbijsnellen, dat hij er toch niet aan gedacht had, het toch
uit zijn herdenking had laten wegglippen, en den herhaalden dank voor de
verleende genade schandelijk had verzuimd.
En dat niettegenstaande hij sinds zoo keer op keer Psalm 103 had
gezongen. o, Dan heette het weer uit de volle borst: »Vergeet niet éen
van zijn weldadigheden!« en die dat zong, zong er zijn eigen oordeel in
uit.
* * * * *
Helaas, zoo zijn wij, hulpelooze, koude, ongevoelige, zondige wezens.
God de Heere goed genoeg, om te worden aangeloopen in den dag der
benauwdheid. Een heerlijk God, om in den nood onze Redder te zijn. En,
o, zoo gretig zijn vertroostend aangezicht gezocht, als de ziel in ons
overstelpt is.
Maar als Hanna haar kind maar heeft, of Hizkia maar weer van ziek gezond
wordt, of Jonas maar weer uit het ingewand van het dier gered is, dan is
het, of het _vergeten_ van Gods weldadigheden ons opzet en het _niet_
herdenken van zijn trouw onze toeleg was.
Ge zoudt zoo zeggen: zulk een angst had u zoo diep geroerd, zulk
een wondere redding u zoo machtig aangegrepen, dat het niet uit uw
gedachtenis weg moest _kunnen_ gaan. En toch, niet lang meer, of heel
andere dingen verdrongen de heugenis van de goedertierenheden des
Heeren, en gij gingt in vergetelheid van zijn liefde uw weg.
o, Dat gedachtelooze roepen: »Heere! als Gij mij zult hebben uitgered,
zal ik Uwer in eeuwigheid gedenken!« het getuigt zoo tegen ons.
Ons innerlijk wezen staat zoo diep zelfs beneden de gelofte, die over
onze lippen kwam.
En dan viel er nu alleen nog maar sprake van die wondere, machtige,
aangrijpende weldadigheden des Heeren, die zoo onuitwischbaren indruk op
ons hadden gemaakt, en die op de hoogtepunten van ons leven ons dan ook
weer overstralen met haar lieflijken glans.
Maar in ons zingen lag _veel meer_.
Wij zongen: »Vergeet nooit _éen_ van zijn weldadigheden,« en we voegden
er nog bij: »Vergeet ze niet, _het is God_, die ze u bewees!«
En nu nog eens de vraag: Wat is daarvan terechtgekomen?
Want er volgt, ja: »Die al uw krankheden geneest«, maar er gaat aan die
herinnering van onze uitredding uit nood en dood nog iets heel anders
vooraf.
»Vergeet,« zingt de Psalmist, »geene van zijne weldaden,« en dan volgt
er onmiddellijk dit heel andere: »_Die al uwe ongerechtigheid
vergeeft._«
En nu, het is zoo, die »genadige vergeving van onze zonden« heeft op ons
een minderen indruk van weldadigheid gemaakt; maar waarom anders, dan
omdat de nood onzer ziel ons minder bang dan de angst voor doodgevaar
beklemd had?
Want op zichzelf voelt ge toch wel, dat Gods weldadigheid in het
»vergeven van _al_ uw ongerechtigheid« nog veel machtiger was, dan in
het redden van uw leven.
»_Al_ uw ongerechtigheid«; o, wie zal uitspreken, hoe hoog die berg
onzer zonden opgestapeld lag, en wie spellen, wie gissen, hoe machtig,
hoe wonderbaar het ontfermen was, dat ons _al_ deze ongerechtigheid
vergeven kon en _al_ onze zonde wegwierp in de diepte der zee!
»Barmhartig en genadig is de Heere, lankmoedig en groot van
goedertierenheid. Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn
behouden. Want zoover het Oosten is van het Westen, zoover doet Hij onze
overtredingen van ons!«
* * * * *
En dan, de allergrootste weldadigheid des Heeren, is dat niet zijn
liefde, waarmeê deze Vader in de hemelen zijn verkorenen van eeuwigheid
heeft gemind in den Geliefde?
En als Hij ook u dan deed komen tot de erfenis der vromen, wien
de vreeze zijns naams bekoort, is dan niet juist daarin u een
»weldadigheid« bewezen, die in lengte en breedte zeer verre alle andere
»weldadigheid« uws Gods teboven gaat?
En toch, wie is er, die niet ook voor _die_ weldadigheid den dank in
zijn ziel vaak besterven liet, en ophield ook daarvoor te danken?
o, Dan genieten we wel in zijn heil, en we jubelen wel in ons
kindsrecht; maar zoo, dat wij die vromen zijn, die ons nu aan ons
heilgoed te goed doen, zoo maar niet er ons op verheffen.
Dan wordt het »kind zijn« ons gewoonte. Alsof het zoo bij ons hoorde.
En alsof het ons niet uit louter barmhartigheid geschonken ware. En
we vergeten, hoe we hebben tegengestaan. Erger nog, hoe we tegen zoo
oneindige liefde in toch den Heiligen Geest nog telkens bedroeven
konden!
En zoo mag het toch niet zijn!
Daardoor verarmt Gods volk aan rijkdom van genade. Waar het danken
verstomt, versterft ook het diep besef der Eeuwige Liefde in ons
binnenste.
De stomme lippen brengen een oordeel over onze ziel.
En daarom heeft de oude Psalmdichter zijn roepstem nog eens onder 's
Heeren volk laten uitgaan, en het hun nog eens in de ziel doen dreunen,
dat ze toch de weldadigheden huns Gods niet vergeten zouden.
En als ge in uw machteloosheid dan klaagt: »Niet _éen_ van zijn
weldadigheid vergeten, dat _kan_ ik niet,« o, bid dan, bid dan met en
voor Gods volk om indachtigmakende genade ook voor de weldadigheid
uws Heeren.
En wat weldaad ge ook vergeten moogt, vergeet die éene weldaad, dat Hij
uw ziel uit den dood in het leven bracht, _nooit_.
ACHT-EN-DERTIGSTE ZONDAG.
»HET ONGOEDERTIEREN VOLK.«
Doe mij recht, o God! en twist Gij
mijne twistzaak; bevrijd mij van het
ongoedertieren volk, van den man des
bedrogs en des onrechts.
Psalm 43:1.
Er is, Gode zij lof, nog een kring op aarde van lieden, onder wie
goedertierenheid gekend wordt; die zich ontfermen over een ellendige;
die den hongerige niet zonder brood van hun deur wegzenden; die bij
het zien van anderer smart zelven smart gevoelen; en het weenen met
de weenenden verstaan. Engelen der vertroosting, die ge meest onder de
geloovigen, maar toch ook onder de ongeloovigen vindt. Gevoeligen van
ziel, in wie de toon van het menschelijk hart zijn weldadigen klank
blijft geven. Soms te zeer enkel gevoelslieden, dat meer weekhartigheid,
dan de geestkracht eener heilige liefde hen drijft. Maar toch ook in
dien eenigszins ziekelijken vorm goedhartigen van inborst, die, o,
zooveel tranen gedroogd hebben, en temidden van het hebzuchtige en,
o, zoo zelfzuchtige leven u vaak met uw geslacht hebben verzoend.
Maar, helaas, zoo is de groote menigte niet. De gemeene lieden worden
zelden diep geroerd. Bij het zien en het hooren van menschelijk lijden
sluipt er even een trilling door hun gevoel. Vluchtig worden ze een
enkel oogenblik bewogen. Maar dan heeft het ook uit. Tot een eigenlijke
_aandoening_ zelfs komt het maar hoogst zelden. En om zich anderer
lijden _aan te trekken_, hebben ze het te druk; deden ze te veel
teleurstelling ook in het medelijden op; en wat ook iets zegt, hebben
ze te zeer genoeg en te over aan hun eigen leed. En zoo ontwikkelen ze
in hun ziel de ontferming niet. Het zoet der barmhartigheid is, o, zoo
zelden, en dan nog maar even hoogst oppervlakkig, door hen gesmaakt.
Toch is er nóg erger.
Er is ook een »_on_goedertieren volk« op aarde. Hardere naturen, die
zelfs die eerste trilling van het medelijden niet kennen, en eer in hun
boos en bitter hart in anderer leed vermaak scheppen.
In den diepsten grond van hun hart ontevreden met eigen lot, verbitterd
tegen het leven om zich heen, is het hun een zoet der wrake voor de
ziel, als het ook anderen tegenloopt en bij anderen de nood nog banger
schreit. Het is, of anderer schreiender smart hún lot een oogenblik met
een vriendelijker glans bestraalt.
Een leedvermaak, vermaak in anderer lijden, is de sombere, booze neiging
van hun hart geworden.
Zóo bitter, dat ze drang in zich gevoelen, om, als ze geen leed _zien_,
leed te _veroorzaken_.
Geluk te _verstoren_ is voor dit ongoedertieren volk zoet.
Een wonde open te rijten is hun wellust.
* * * * *
Dan vooral geniet dit »ongoedertieren volk«, als het zijn hatenden zin
koelen kan aan wie voor den Heere koos.
»Verlos mij van het ongoedertieren volk!« klaagde de Psalmist in zijn
zielsbenauwing, en nóch eer hij zong, nóch na zijn zang, is er ooit een
ziel geweest, die voor God riep en voor Jehovah streed, of ze heeft aan
de giftige pijlen van dit ongoedertieren volk ten mikpunt gediend.
Toen Noach zijn arke bouwde, heeft dat ongoedertieren volk hem met zijn
spot en schimp vermoeid. Toen Lot nog in Sodom woonde, heeft dat
ongoedertieren volk dezen rechtvaardige gekweld. Toen David voor Absalom
vluchtte, heeft dat ongoedertieren volk van Jeruzalem hem nageroepen.
Toen Israel naar Babylon toog, heeft dat ongoedertieren volk in Edom
het staan beschimpen en het stof der aarde tegen hen opgewoeld. Toen
Stefanus als eerste bloedgetuige stierf, heeft dat ongoedertieren volk
de steenen op zijn lijk opgehoopt. En toen de Man van smarten zijn kruis
naar Golgotha's heuvel sleepte, heeft datzelfde ongoedertieren volk
geroepen: »Zijn bloed kome over ons en onze kinderen,« en straks, nog
terwijl Hij den bangen doodsstrijd streed, Hem getergd met zijn
duivelschen spot.
En gelijk het den Herder der schapen gegaan is, zoo ook is het den
schapen zijner kudde vergaan.
Lees maar, wat de historie, vooral de historie der martelaren, u van de
wreedheid van dat ongoedertieren volk weet te verhalen.
En nog, ga maar rond onder Gods volk in onze steden en dorpen, en altoos
weer zult ge het droef verhaal beluisteren van de hardheid van hart,
waarmeê dat ongoedertieren volk zijn verblinde bitterheid aan de sekte
van den Nazarener heeft gekoeld.
Zelfs onze kinderen weten daarvan.
Want datzelfde ongoedertieren volk zit ook op de schoolbanken, speelt
ook de spelen der jeugd mede.
Och, waar ge aanklopt, in onze kazernen, op onze schepen, in onze
kantoren, schier altoos is dat ongoedertieren volk er vertegenwoordigd,
op krenking van wie voor Jezus kiezen dorst belust.
* * * * *
En dat kán niet anders.
Het is en blijft Kaïn tegen Abel. De innerlijk ontevredenen van hart,
die, bewust of onbewust, door bittere vijandschap tegen den Heere onzen
God gedreven worden, en nu ze God zelf niet deren kunnen, Hem pogen te
treffen in den man, in de vrouw, in het kind, dat durft opkomen voor
zijn Naam.
Voor een beest, dat lijdt, zullen zulke lieden nog een meewarig oog
hebben; voor dieven en moordenaars zullen ze het verblijf in den kerker
nog zacht zoeken te maken; voor gewonden in den krijg zullen ze het
Roode Kruis nog om den arm spelden; alleen maar voor de gekenden des
Heeren kennen ze geen ontferming. Tegen hen spitst al hun
ongoedertierenheid zich op het uiterste.
Dan huwt zich hun wreede zucht naar leedvermaak aan hun vijandschap
tegen het heilige. En zoo vlamt in hen op die diepe goddelooze haat,
die er in geniet, om een Abel, een Lot, een Stefanus te krenken en zeer
te doen. En dan gaat het, al naar de tijden zijn, tot moord toe, of het
blijft bij kwetsing, kwelling, grieving, terging, om maar zeer te doen
en, kan het, schade te berokkenen in eer en naam en goed.
Dan woedt er hartstocht in dat ongoedertieren volk.
Een hartstocht, die, pas verzadigd, straks opnieuw om voedsel vraagt,
en eigenlijk nooit verzadigd, nu reeds zestig eeuwen gebrand heeft, van
Kaïns nijd tot op den schimp, waaraan thans nog 's Heeren volk is
blootgesteld.
Dit is een plage voor Gods volk. Een levensplaag, die hen vervolgt tot
aan hun graf, en die soms na hun dood nog knaagt aan hun nagedachtenis.
Een plage, door menschen ons aangedaan, maar die komt uit Gods hand.
Door Hem over ons beschikt. In zijn wijsheid voor ons noodig gekeurd.
En de vrage is maar, hoe 's Heeren volk onder dien druk van het
ongoedertieren volk verkeert.
Het mag er tegen bidden. De Psalmist zelf gaat er in voor: »Heere!
verlos mij van het ongoedertieren volk!« En wee u, zoo ge er ongevoelig
voor wordt, en zoo uw ziel er zich tegen afstompt!
Maar wat niet mag, is, dat ge er bitter tegen in zoudt worden. Wat zonde
voor God zou zijn, is, als ge er _zelf_ ongoedertieren door wierdt, om
leedvermaak in de smarten dier boozen te hebben.
De tegenstelling moet altoos blijven: _zij_ het _on_goedertieren, maar
_gij_ het _goedertieren_ volk.
»Als dan uw vijand hongert, spijst hem; zoo hij weent, vertroost hem.«
Het kind moet het beeld zijns Vaders dragen. En Hij, onze Vader in de
hemelen, is de ondoorgrondelijke in eeuwige ontfermingen.
In ontfermingen, immers ondoorgrondelijk niet het minst ook over u?
NEGEN-EN-DERTIGSTE ZONDAG.
»MIJNE SCHAPEN!«
Mijne schapen hooren mijne stem.
Joh. 10:27.
Onze kerk belijdt in hare Confessie, dat heel de natuur om ons heen als
een boek met letterkens is, »die ons de onsienlicke dinghen Godes ten
aanschouwen gheven«.
En dit is schoon gezegd.
Maar toch kon men allicht nóg schooner zeggen, dat heel die wereld een
boek met sprekende beelden om ons uitspreidt, die ons in heilige
beeldspraak de verborgenheden van het eeuwige Koninkrijk, zoo er ons oog
maar voor geopend is, ontvouwen.
Daar ziet Jezus langs Galilea's glooiende heuvelen een herder met zijn
kudde omdwalen, en die schapen met hun witte wol boeien Hem; die schapen
met hun lammerkens er bij huppelend; en opeens ziet Jezus, door dat
uitwendige heen, in die kudde het wezen van zijn heilige kerk.
_Hij_, de goede Herder, en die kudde _zijn_ schapen, die Hem volgen
zullen, waar Hij ook henengaat.
Niet, dat Jezus er dat zoo bij dacht en bij manier van vergelijking het
er van maakte.
Neen, _Hij las het er uit_; het stond er in;--in die kudde met haar
herder stond, van het Paradijs af, het beeld van Christus en zijn kerk
geteekend.
De Heere onze God, die in zijn eeuwigen raad het bestek voor zijn kerk
had geteekend, was ook de God, in wiens denken het eerst het denkbeeld
van zulk een kudde met haar herder was opgekomen, en toen schiep Hij die
kudde en in die kudde de lammeren en de schapen, en in die schapen de
natuur der schapen, en onder die schapen onderling en met dien herder
een ongedwongen en instinctief levensverband, en dit alles schifte en
ordende en regelde Hij, naar het wezen zijner kerk moest zijn.
Zoo lag dan in die kudde het beeld der kerk van het Paradijs af
geteekend.
En nu, iets had de Heilige Geest hiervan reeds in David en in Psalm 23
en bij Zacharias en bij Ezechiël laten merken.
Maar toch, die het er in las, en het er aan zijn kerk in lezen leerde,
was de Heere.
»Ik ben de goede Herder en Ik ken mijn schapen,« dat was het voorlezen
aan zijn kerk van wat in dit keurig beeld der kudde bij de schepping
bedoeld was en van de schepping er lag.
* * * * *
Als God de Heere ons zulk beeld geeft, is het zoo rijk en zoo schoon.
Of als die schapen der kudde op elkaar dringen en niet van elkaar
te scheiden zijn, zoodat waar het eerste schaap gaat al de andere
opeendringend volgen en nakomen, en ge uit de verte éen veld van witte
wol ziet, en nauwlijks schaap van schaap onderscheiden kunt, spreekt
dan daarin _de liefde_ niet, die teedere, innige, aanhankelijke liefde,
die de leden Christi verbinden moet? Heeft dat dan aan de kerk niets te
vertellen van »de gemeenschap der heiligen«? En als dan de zonen van
hetzelfde huis zoo vaak verdeeld uiteenloopen, elk naar een kant, gaat
er dan van het instinct dier kudde niet een roepen uit, dat u een
verwijt brengt en u beschaamt?
Hebt ge in streken, waar kudden van duizend schapen en meer samen
weiden, des morgens bij het uitgaan uit den schaapstal het vroolijk
blaten wel eens beluisterd? En is dan dat blaten als met éen stem, met
éen geluid, niet als de morgenpsalm met éen akkoord door heel de kudde
voor heur Schepper aangeheven? En ook die éene stem, die zich uit aller
keel saampaart en als met éen akkoord door de velden dreunt, heeft zij
geen sprake voor de kerke Gods, dat ook zij in veel hooger zin als met
éen stemgeluid en in éen heilig akkoord haar lofpsalm voor haar God
heeft te jubelen?
Duiken niet, als de kudde langs een beek wordt geleid, al die
vriendelijke kopjes neêr, om aan eenzelfde stroomend water zich den
dorst te lesschen, en als er maar plaats is, plukken ze dan het groene
gras niet van eenzelfde weide?
En als ze zich moê hebben gehuppeld en de zon gaat hoog staan en het
uur van ruste is gekomen, leggen ze zich dan niet allen saam als in éen
kring om den herder neder, half tegen elkaar aangedoken en als leunend
op elkaar?
En dit wondere instinctieve liefdeleven, die gemeenschappelijkheid, dat
instinctief gezellige en saam doorleefde leven, is het niet een beeld,
heeft het niet een sprake Gods, die het »Vader! dat ze allen éen zijn
mogen!« zoo wonderschoon voor ons vertolkt?
* * * * *
En dan die ongeziene en toch zoo sterke band aan den herder!
Schier elk ander dier vindt zijn eigen weg; maar het schaap en het lam
is zonder den herder blind, en kent niets, en komt om!
Die herder hoort bij de kudde, zooals uw hoofd bij uw lichaam hoort,
zullen de leden werken kunnen. Zonder dien herder zijn het losse
schapen, maar is het de kudde niet. Het is die herder, die ze tot kudde
maakt.
En zooals er bij Ezechiël van de raderen der cherubijnen staat: »Waar
de Geest ging, daar gingen zij«, zoo ook is het met de kudde achter den
herder: »Waar de herder gaat, gaat de kudde na.« Het is éen beweging,
die zich van zijn voetstappen aan heel de kudde meêdeelt. Het is, of hij
leeft in die kudde en macht over ze heeft om ze in beweging te zetten.
En dat niet, omdat er _een mensch_ voor hem uitgaat. Beproef het maar,
om bij een u vreemde kudde voor herder te spelen, en geen schaap komt
van zijn plaats. Vreemd blaten ze u aan; maar hun instinct belet u,
macht over hen te oefenen.
Totdat de herder komt, en dan opeens toovert die herder leven en gang in
die kudde en alles trekt meê op.
En dat merken ze niet aan zijn kleed of gewaad, aan zijn staf of zijn
hond. Want trek hem vrij andere kleederen aan en geef een anderen staf
in zijn hand, en toch, _als ze zijn stem maar hooren_, gaat op eenmaal
heel de kudde hem achterna.
En nu, wat is dit wondere instinct? Waartoe schiep de Heere dit aan zijn
kudde in? Waarom anders, dan om ook daarin zijn Goddelijke teekening te
volmaken, en de kerke Gods als in beeld te doen zien, wat het tusschen
haar en den Oppersten Herder harer ziele moet zijn?
Aan Hem gebonden en aan Hem gewend en Hem volgend door niets dan door de
macht van zijn Woord!
* * * * *
En dan die wolf, die komt en de schapen moorden wil, en die huurling,
die haastig over de heining klimt en schapen wil stelen; en tegenover
beiden die echte, wezenlijke herder, die om niets dan om zijn kudde
denkt, en voor ze waakt en strijdt en zich desnoods door den wolf
verscheuren laat!
o, Die goede Herder, die zijn leven voor de schapen stelt, en zóo niet
ziet, dat de wolf uw ziel wil bespringen, of Hij is bij u!
Ja, als de wolf u reeds in de vacht had gegrepen, dan laat Hij u nog
niet los, maar omklemt u en houdt u met zijn sterke hand, en noch wolf
noch huurling kan u uit die sterke hand losrukken.
Dat merkt de wolf, dat merkt de huurling dan ook wel, en als wolf of
huurling den Herder er bij ziet, durven ze niet. o, Blijft bij Jezus
maar en laat Jezus bij u blijven, dan zijt ge niet maar veilig, maar
komt zelfs de Verleider niet op u aan.
En dan, als ge afgedoold en verloren waart, die Herder, die u opzoekt
en niet rust, eer Hij u weer heeft gevonden, en u op zijn schouders naar
de kudde terugdraagt.
En, om niet meer te noemen, bij die kudde de teere lammerkens, die als
het zaad der kerk zijn, en die nog niet zelf grazen kunnen, maar met
melk gevoed worden.
o, Is het toch niet heerlijk, in zóo éen levend beeld heel het wezen en
leven en lot en heil van de kerke Gods voor oogen te zien?
Dat we dan toch maar schapen der kudde wilden wezen en noch ooit dien
Herder noch ooit de aanhoorigheid tot zijn kudde vergaten!
Het is zoo, een schaap geldt voor onnoozel en een schaap is weerloos en
hulpeloos.
Maar is er zoo ook niet een erkentenis van eigen geestelijke blindheid
en hulpeloosheid en weerloosheid, waartoe het bij u komen _moet_, zult
ge in de kudde Christi een plaats vinden?
Een schaap der kudde te zijn, o, het klinkt vernederend, en toch dát
juist is het, wat uw Herder van u vraagt.
VEERTIGSTE ZONDAG.
»ALS KAF VAN DEN DORSCHVLOER!«
Daarom zullen zij zijn als eene
morgenwolk, en als een vroeg komende
dauw, die henengaat; als kaf van den
dorschvloer, en als rook uit den
schoorsteen wordt weggestormd.
Hosea 13:3.
Er ligt een onbeschrijflijk diepe ernst in dat zeggen der Schrift, dat
een mensch, die Jezus niet toebehoort, als _kaf op den dorschvloer is_.
Kaf is niet onnut, vuil, noch weg te vagen stof. Veeleer is kaf eens
bloeiend groen aan den halm geweest.
Er wierd in de opgeploegde voren tarwegraan door den zaaier gestrooid en
de egge trok de voren weer glad. En toen broeide de zaadkorrel in den
bodem der aarde; en uit die korrel sproot de kiem op; en die kiem schoot
tot een halm omhoog; en aan den top van dien halm botte de aire uit, en
in die aire geelde het kostelijk graan.
Daarna is de maaier op dat goudgeel graan ingegaan, en sloeg er den
sikkel in, en bond het in schooven. En zoo kwam de schoove op den
dorschvloer, en de dorscher sloeg er de graankorrels uit de hulzen. Toen
lag het daar onderscheidenlijk, los de graankorrels, en daarom hetgeen
van aire en halm was overgebleven, en dat overgeblevene was _het kaf_.
Straks komt de wanne, en kaf en koren liggen voor het laatst vereenigd
op de gespannen vacht; en op die wanne blijft dan het wichtig graan
liggen en wordt in de korenmaat opgevangen; maar het kaf is te licht
bevonden, en verstuift bij het schudden op den wind, of wordt straks in
een hoek weggeworpen.
Eens heeft datzelfde kaf dus tier en sap gehad. Eens groende het aan den
halm rijk en weelderig, en stal veel meer het oog dan het graan, dat in
de huls verborgen zat.
o, Hoe scheen, wat nu kaf wierd, toen schoon en sierlijk!
En nu, waartoe anders is het nut, dan om te verstuiven op den adem des
winds, of met vuur verbrand te worden?
* * * * *
Er is meer nog.
Wat op den dorschvloer als kaf wegstuift, was aanvankelijk met het
tarwegraan zoo innig dooreengevlochten. Ge kondt niet zeggen, waar het
kaf uitscheê en het tarwegraan begon. Het was al aan éen halm; saam éen
plante. En niets scheen aan te duiden, dat het met kaf en koren een zoo
geheel onderscheiden afloop zou hebben. Ze schenen lotgemeen; en toch
op den dorschvloer heeft dat een einde. Dan komt er onherroepelijke
schifting, en gaat het koren in de schuur en is het kaf voor het vuur.
Zooals Jezus het van die twee op den akker zeî: »Twee zullen op den
akker zijn. En de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden!«
Dat is de schriklijke schifting tusschen _koren en kaf_.
Die twee waren misschien een vader en een zoon; een dochter en haar
moeder. Twee, die bijeenhoorden; die elkaar liefhadden en omstrengelden;
die elkaar hielpen en gesteund hadden. Juist zooals het kaf het koren
doet. Want, merk er op, het kaf is de moeder en het koren de dochter.
Eens heeft die huls en spriet en halm het koren, het sap uit de aarde
toegevoerd; dat koren geschut voor de felle zonnestralen.
En toch, zooals Jezus zeî: »De eene wordt aangenomen, en de andere zal
verlaten worden,« zoo ook gaat het op den dorschvloer. De dorscher neemt
het koren aan en brengt het in zijn voorraadschuur, en het kaf _laat
hij_.
Het kaf is voor den wind. Of als het voor den wind te wichtig is, wordt
het straks een prooi der vlammen.
* * * * *