»Een weinig slapens,« roept de Heilige Geest door Salomo, »een weinig

sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende,--en uw armoede zal

u overkomen als een wandelaar en uw velerlei gebrek als een gewapend

man!«

En zie wel toe, dat ge dit nu niet aanstonds op het geestelijke

overbrengt. Neen, het geldt eerst van uw beroep en van uw huislijk

leven.

Door vlijt en arbeid zegen, en bij loom en tragelijk voortsukkelen,

tegenspoed in uw zaken en achteruitgang u op de hielen nazittend.

Rusteloos tuchtigt daarom Gods Woord den luiaard, den tragen droomer,

den ijdelen tijdverspiller, den zondaar, die aan Gods hoog gebod, dat

ge in het zweet uws aanschijns brood zult eten, weerstand biedt en het

veracht.

»Die niet werkt, zal niet eten,« roept de heilige apostel daarom aan de

eerste Christenen toe; en wel verre, dat het een Christen voegen zou,

in log en lui nietsdoen zijn kracht en zijn tijd te verkwisten, laat

veeleer de eisch van »het zweet des aanschijns« ook voor hem geen

oogenblik af.

»Het zweet des aanschijns« wil niet enkel zeggen: _werken_; maar: _hard_

werken; zóo werken, dat men de spanning van zijn kracht merkt, en na de

sterke inspanning aan ontspanning in den slaap behoefte gevoelt.

Stellig deugt er dus iets niet in onze maatschappelijke toestanden,

die een lui en werkeloos nietsdoen bij duizenden aankweeken, en een

Christenmensch heeft stellig ook daardoor tegen zulk een misstand te

protesteeren, dat hij én _zelf_ werke én een ieder in zijn huis en kring

_doe_ werken; niet voor de leus, maar wezenlijk; zóo, dat het een werken

zij, dat den geest spant.

Zoo moet man en vrouw, zoon en dochter, jongeling en oude van dagen

werken. De akker onzer krachten mag niet braak blijven liggen. Rust

roest.

En de uitkomst toont dan ook, dat gezinnen, dat familiën, dat natiën,

waar gewerkt, waar, door ieder in zijn kring en op zijn wijze, terdege

gewerkt wordt, tot in het zweet des aanschijns, wiesen in macht en in

welvaart toenamen; maar dat den luiaard, hetzij dan een man, of een lui

gezin, of een lui en loom geworden natie de eere afgaat en de ondergang

opwacht.

En dat nu is het, wat ook Salomo in het Spreukenboek uitroept: »Ik ging

voorbij den akker eens luiaards, en ziet, hij was gansch opgeschoten van

distelen en met netelen bedekt. Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter

harte, ik zag het aan en nam onderwijzing aan.

Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al

nederliggende, zoo zal uwe armoede u overkomen als een wandelaar, en uw

velerlei gebrek als een gewapend man!«

* * * * *

Toch blijft die onderwijzing niet steken bij uw beroep.

Ook in uw geestelijk aanzijn dringt diezelfde onderwijzing door.

Want ook daarbinnen is u een akker, in het verborgene uwer ziele

toevertrouwd, en ook op dien akker gaat de vaste regel door, dat de

nijvere vlijt er bloemen plukt, en de geestelijke luiaard gestoken wordt

door zijn eigen netelen.

Met de werkheiligheid en de eigen verdienste heeft dat niets te maken;

en onze geestelijke zielsluiaards, die onder vrouwen en mannen zoo

gereed zijn, om met een schimpwoord tegen de werkheiligheid hun zondige

verspilling van geestelijke kracht toe te dekken, mogen toezien, dat de

zoo verachte werkheiligen van Ninevé hen niet voorgaan in het Koninkrijk

der hemelen.

Neen, tot zijn wedergeboorte brengt niemand iets, ook maar het

allergeringste toe, en wie op den geestelijken akker, dien God de

Heere hem toevertrouwde, het houweel of de spade en straks den sikkel

hanteert, die weet uitnemend wel, dat het zaad, dat hij strooit, van

God is, en dat van God de krachten zijn, die in dien akker op dat zaad

werken zullen, en van God de zon, en van God de regen, en van God de

wasdom en het gedijen; maar inmiddels mag hij niet in zijn hutje blijven

droomen, maar moet hij er uit, dien akker op, en de hand aan den ploeg

slaan, en arbeiden den lieven langen dag in het licht zijns Heeren,

opdat Gode de eere zij.

* * * * *

Geestelijke vlijt noemt de Heilige Geest in de Schrift: _naarstigheid_,

en elk lezer en minnaar der Schrift weet, hoe gedurig het vermaan _om u

te benaarstigen_, door den Heiligen Geest herhaald wordt.

Geen dofheid en dompheid en loomheid. Dat baart het geestelijk moeras.

Maar toewijding en inspanning van kracht. Een weer oprichten van de

slappe knieën en de trage handen, om kloek, om manlijk, om in al de

spanning van uw heilige geestdrift te dienen den Heere uwen God.

Dienstknechten en dienstmaagden uws Heeren zijt ge, en een dienstknecht

en dienstmaagd zijn er, niet om stil te zitten en niets te doen, maar om

te dienen, dienende te arbeiden naar het hun gegeven gebod en rusteloos

in den dienst huns Heeren bezig te zijn.

»Mijn Vader,« sprak de Heere, »werkt tot nu toe, en Ik werk ook!«

En zie, hoe een Paulus gearbeid en gezwoegd heeft, volijverig in den

dienst zijns Heeren tot zijn einde toe.

En zoo dan is ook onze roeping niet om te sluimeren als kinderen des

nachts, maar om te arbeiden als kinderen des daags. De nacht komt,

waarin niemand werken kan.

En zoo moet er dan in naarstigheid en volijverig ook in uw geestelijk

aanzijn gearbeid. Gearbeid in uw geloof. Gearbeid in uw hope. Gearbeid

in uw liefde. Volijverig nagespeurd alle u van God gegeven kracht en

talent, en die kracht en dat talent niet in de aarde begraven, maar met

woeker aangewend.

Geen plekje op dien akker mag onbebouwd blijven.

En wat bij den Farizeër zelfbespotting was, bij u moet het hooge

waarheid en werkelijkheid worden: gij hebt voor uw God zelfs te

vertienen de munt, de dille en de komijn.

* * * * *

Want, en dit is nu Salomo's leering voor elk kind van God, ook bij den

geestelijken luiaard blijft niet enkel de akker van binnen braak liggen,

en wordt aan God den Heere zijn oogst en vrucht en tiend van zulk een

hart onthouden, maar wat niet minder erg is, zoo er geen graan in de

opgeploegde voren wordt gestrooid, is heel de akker _voor de netelen_.

Stilstand van groei is er ook in den akker uwer ziele niet. Wie dat

waant, bedriegt zich. Neen, de werking der sluimerende krachten gaat ook

op dien geestelijken akker bij dagen en nachten rusteloos door.

En zoo gij niet zaait, is er altoos een ander, die zaaien wil. Satan

staat altoos over de heg van uw akker te gluren, en zoo gij maar in wilt

sluimeren, zal hij zich wel over den braak liggenden akker ontfermen.

Dat merkt ge dan ook aan uzelven, dat merkt ge aan uw omgeving wel.

Uw geestelijke arbeid strekt niet enkel, om de goede krachten te

oefenen, te ontwikkelen, te doen rijpen; maar ook, en stellig niet

minder, _om te wieden_, d. w. z. om het opgeschoten onkruid, eer de

netel er aan uitgroeide, uit den bodem uwer ziel uit te trekken.

Wie in Gods gunste op den akker zijner ziele wakend, biddend, strijdend,

in het zweet zijns aanschijns arbeiden mag, merkt dan ook van achteren,

dat hij twee vruchten tegelijk van dien arbeid plukken mag. Vooreerst

doordien er wasdom in Christus kwam. Maar ook ten andere, doordien de

distels en de netels minder wierden, en de macht van het booze getemd

bleek.

Maar koost ge de paden van den geestelijken luiaard, o, zie dan wel toe!

Dan toch zullen u deze twee geestelijke kwaden overkomen: ge zult

verarmen en verachteren in genade, en tegelijk zullen de netelen welig

op gaan schieten.

Allerlei oude zonden, waarvan de zaadkorrels in uw hart reeds verstikt

schenen, zullen op gaan schieten. Allerlei boosheid zal vurig en giftig

u met haar stekende netels dreigen. En als een gewapend man zal uw eigen

zonde tegen u overstaan!

* * * * *

En meest komt daar door genade dan nog een keer in, als God de Heere

zulk een geestelijken luiaard eens met de stem zijns donders op doet

schrikken.

Want komt het daartoe niet, dan verslimmert het met zulkeen steeds

verder.

De netelen nemen toe; ze wassen dicht ineen; ze worden als een hegge

en woud om hem; en ten leste wordt het in zulk een verdorven hart

in letterlijken zin, wat Salomo van den akker zeide: met netelen

_overdekt_.

VIJF-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

»ONZE LIPPEN ZIJN ONZE.«

Die daar zeggen: Wij zullen de overhand

hebben met onze tong; onze lippen zijn

onze! wie is heer over ons?

Psalm 12:5.

Er kleeft in de lippen van een mensch een ongemeene macht; zelfs al

laten we geheel buiten rekening »de lippen der vreemde vrouw, wier

gehemelte gladder dan olie is, en wier treden de hel vasthouden.«

Onze lippen zijn het instrument van _het woord_. Ons oog kan flikkeren

en toornen. Maar wat is het vuurschieten van het oog, vergeleken bij den

donder der lippen, als de hartstocht van drift en woede losbreekt van de

lippen des mans!

Nu hebt ge ook die lippen van uw God. Ze zijn zijn kunstig maaksel. Uw

menschelijk sieraad, zooals geen vogel, hoe fijn gesnaveld ook, of geen

engel het ontving. Iets van uw schepping naar den beelde Gods. In u en

op uw lippen een woord, gelijk het Woord eeuwig bij God en God was.

En gelijk in Gods schepping alles door dat eeuwige Woord gemaakt is,

zoo is er ook geen maaksel door menschen gewrocht, of ons menschelijk

woord wrocht er in. Eerst _denkt_ ge; dan _spreekt_ ge het uit; en dan

_volvoert_ ge wat gesproken wierd.

Vandaar die ontzettende macht der lippen; en wee hem, die deze

ontzettende macht, die God tusschen zijn lippen legde, misbruikt en

verderft.

Ge kreegt die lippen van uw God, om er uw naaste in liefde meê toe te

spreken; om er uw beleid en uw wetenschap meê te openbaren; en in en

boven dat alles, om er uw God meê te loven.

Diep achter die lippen schuilt uw hart, en van den stroom, die uit uw

hart opwelt, zijn die lippen de monding, waardoor het leven van uw

binnenste in den oceaan, die zich om en vóor u uitbreidt, wegvloeit.

Nu moet uit God dat leven in uw hart zijn. Die stroom, van de bergen van

Gods heiligheid in uw ziel neergedaald, moet opwellen en door uw lippen

naar buiten uitvloeien; en al wat uitvloeit moet óf rechtstreeks óf over

en door uw naaste in lof en dank terugvloeien naar God.

Daarom heet het bij Jesaja: »Ik schep _de vrucht der lippen_, vrede

dengenen, die verre, en vrede dengenen, die nabij zijn, spreekt de

HEERE«; jubelt de psalmist van den Middelaar: »Genade is uitgestort _op

uwe lippen_«; roemt het volk bij Hosea: »Heere! wij zullen U betalen _de

varren onzer lippen_«; en dankt David na zijn uitredding: »Mijn mond zal

U roemen, o, mijn God! met _vroolijk zingende lippen_!«

* * * * *

Uw lippen kreegt ge dus, om liefde uit te ademen in het woord tot uw

naaste; uw lippen, om de zonde te bestraffen; uw lippen, om te zegenen,

om te bidden, om te belijden, om te danken, om zingend in psalmen den

Naam van uwen God groot te maken.

Doch zie nu, wat de zonde deed.

o, Van meet af wist Satan wel, wat machtig instrument hem in die lippen

ten dienste stond. Daarom begon hij bij Eva met een gesprek; lokte haar

tot een uiting der lippen; en heeft van die ure af steeds in die lippen

zijn kracht gezocht.

Hoor maar, hoe de heilige apostel het van de kinderen der zondaren zegt:

»Slangenvenijn is _onder hunne lippen_ en hun keel is een geopend graf.«

Of, zooals er in Psalm 140 nog scherper staat: »Heet addervergift is

_onder hun lippen_.«

En als de klier van dat booze gift onder de lippen van den zondaar

openberst, dan spuwt hij gif, en dan spat om hem heen de nijd, en de

laster, en de achterklap, en de oorblazing, en de krenkende, de

smadende, de schimpende, de scheldende taal.

Dan is het, zegt de psalmist, of er zwaarden uit die lippen uitglippen,

en alsof de booze mensch zich inspant, om zijn naaste in zijn hart te

snijden.

Ja, dan keert zich die schriklijke boosheid der lippen ten leste tegen

God zelf; en die lippen, die God gaf om Hem te loven, onderstaan het,

Hem, den Almachtige, te vloeken en uit te dagen en uit te braken de

godslasterlijkste verwensching.

En als men dan zegt: »Mensch! houd uw lippen toch in!« dan is het hooge

antwoord: »_Onze lippen zijn onze!_ en met mijn lippen braak ik uit, wat

ik wil!«

En al raast _gij_ nu niet derwijs in waanzinnigen vloek, dat doet er

niet toe.

Elk woord van nijd; elk woord, dat bitter is; dat grieft en krenkt; dat

anders dan om der waarheid wille zeer doet; dat lasterlijk is; of ook

maar achterklapt; het is al uit éen bron. Het is uit dat venijn, uit dat

addergif, dat door de zonde uwer lippen is aangebracht.

Schriklijk misbruik van die lippen, die niet uwe zijn, maar die uw God u

heeft geschonken.

* * * * *

Toch is niet elke droppel van dat venijn _wrang_. Er zijn ook _zoete_

droppels in dat addergif. En als dát venijn werken gaat, dan wordt de

lip _vleiend_.

Van die vleiende lip heeft de psalmist in het twaalfde lied reeds

geklaagd.

Dan heeft men een doel. Men wil zich indringen. Men poogt iemand, als de

spin het vliegje, te omwoelen. En als ge dat nu met open woorden deedt,

zou hij zich loswringen uit uw rag. Maar nu neemt ge klevend rag, dat

hem streelt; dat hij prettig vindt; waar hij gaarne naar luistert. En

zie, nu is uw slachtoffer in uw macht. Uw vleitaal bedwelmt hem. En

gij bereikt uw doel. Boos is uw opzet, maar de gevleide drinkt het als

lieflijke bedoeling in. En zoo slaat ge twee vliegen in éen klap. Ge

krijgt gedaan wat ge wilt, en voor een volgend maal blijft de kans voor

u open.

Misschien keert hij, om weer gevleid te worden, vanzelf, uit eigen

aandrift, zich naar u toe.

o, De vleier is zulk een gevaarlijk zondaar!

Alleen maar, hij gebruikt zijn lippen niet als »zwaarden«; neen, hij

vangt u, gelijk de vogelaar, in een strik, waar gijzelf invliegt. Salomo

heeft in zijn Spreuken er u reeds voor gewaarschuwd. »De strik van den

booze,« zei hij, »is in de misdaad van zijn lip.«

* * * * *

In den vleier schuilt _de leugenaar_.

En dat is de diepste gruwel, dien het venijn der lippen werkt. De lip

van een zondaar is _valsch_.

Soms laat hij in drift en woede het booze hart langs de monding der

lippen uitvloeien. Maar lang niet altijd. Hij heeft ook de kunst

geleerd, om, onderwijl de stroom uit zijn hart naar de lippen dringt,

dien tegen te houden, en iets uit zijn lippen voort te brengen, wat niet

alzoo in zijn hart is.

Die kunst is de macht van het liegen, van de valschheid, van het

bedriegen van den naaste, en het willen bedriegen van een alwetend God.

»Laat de valsche lippen stom worden,« bad David. »Valsche lippen«, zegt

Salomo, »zijn den Heere een gruwel.« Ja, tot zijn eigen volk getuigt de

Heere bij Jesaja: »Uwe ongerechtigheden maken scheiding tusschen u en uw

God, want uw lippen spreken valschheid.«

Want, helaas, zóo diep wortelt de leugen in ons, dat men met

bedrieglijke lippen zelfs voor zijn God verschijnt.

En dan klaagt de Heere: »Zij eeren Mij met de lippen, maar hun hart is

verre van Mij!«

* * * * *

En dat alles nu spruit altegader uit dat éene voort, dat we denken, ook

al zeggen we het niet: »_Onze lippen zijn onze!_ In wat we met onze

lippen doen, zijn we vrij!«

o, Kom daar toch van terug, en zie het beter in. Neen, neen, onze lippen

zijn _niet_ onze, maar _van Hem_, die ze ons schiep.

Want zie, zoolang ge denkt: »Onze lippen zijn onze,« houdt ge uw lippen

voor goed, en denkt ge er niet op, hoe uw zonde die lippen, die God u

rein gaf, met gif en met venijn verontreinigd heeft.

Dat voelde Jesaja plotseling, toen hij voor den Heere verscheen.

»Heere!« riep hij uit, »ik ben een man van onreine lippen!« en toen kwam

er genade en heeft de Heere Jesaja's lippen gereinigd.

Dan zijt ge bang voor uw booze lippen, om geen woord onbedachtelijk

voort te brengen.

Dan leert ge met den Psalmist smeeken: »Heere! behoed de deuren mijner

lippen en zet een wachter voor mijnen mond!«

o, Zelfs eer ge bidden zult, is het u dan behoefte om te vragen, dat »uw

gebed met onbedrieglijke lippen mocht gesproken zijn!«

En dan gaat het beter, en wordt het anders.

De ervaring getuigt er van en de belofte bezegelt het u.

Want, ja, er zijn er geweest, en er zijn er nog, wien God de lippen

besneden heeft, wien Hij het venijn onder de lippen heeft uitgebrand, en

van wier lippen voor nijd en bitterheid weer liefde en vrede afvloeide.

Als men u dan vloekt, dan zegent ge. En als men u wondt met haat, gaat

ge in het gebed.

Kostelijke vrucht des Heiligen Geestes!

o, Heere! geef die vrucht des Geestes aan al uw kinderen, en ga de

lieflijke reuk van de varren der lippen weer voor U op!

ZES-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

»HET GELD VERANTWOORDT ALLES.«

Het geld verantwoordt alles.

Pred. 10:19_b_.

Vooral onze negentiende eeuw is _slavin van het Geld_ geworden.

Ook wel in vroegere eeuwen was het Geld een macht. Een macht, die den

een in een vrek omschiep, den ander tot diefstal en moord verlokte, en

een derde tot een verkoopen van lijf en eer bewoog; maar toch, het Geld

was nog geen _koninginne_ geworden.

Dit komt daar vandaan, dat de inklevende macht van het Geld, om, als

leefde het, nieuw geld uit zichzelf voort te brengen en te genereeren,

toen nog slechts in kindschen staat van ontwikkeling was. Wat men nu »de

macht van het Kapitaal« noemt, leefde nog niet in het bewustzijn der

volkeren. Het ging nog om klinkende munt.

Maar thans wierd dit anders. Onder den naam van _Crediet_ heeft het Geld

zijn _schaduw_, zijn _beeld_ op den wand geworpen; en vergt nu, dat de

zonen onzer eeuw, niet enkel voor het wezenlijk _goud_, maar ook voor

deze _schaduw_ van het goud knielen zullen.

Hierdoor heeft het Geld zijn rijk meer dan _vertienvoudigd_. Het Geld en

zijn schaduw, of het goud en zijn crediet, maken nu saam _de_ geldmacht

uit. En gelijk ge door verderaf te gaan staan, uw schaduwbeeld al

grooter, en eindelijk reusachtig groot kunt maken, zoo heeft het Geld

deze zijn credietschaduw al grooter, al onmetelijker, al reusachtiger

doen uitgroeien, en is, dank zij dezen aanwas van het crediet, allengs

tot die oneindige afmetingen genaderd, die thans het _Kapitaal_ den

indruk doen maken van een afgod.

Men spreekt veel van de aanbidding van het _gouden kalf_. Doch ten

onrechte. Wat Israel in de woestijn aanbad, was volstrekt niet de

Geldmacht. Al wat Israel bedoelde, was een zichtbaar teeken van Jehovah

voor oogen te zien, en daartoe maakten ze dit beeldje van goud; dat hun

geen geld _bracht_, maar waarvoor ze integendeel hun geld _offerden_.

Maar wat thans _wel_ insloop, het is de aanbidding van het _Kapitaal_,

van het geld, in zijn dubbelen vorm van goud en crediet. Naar die macht

hongert en hunkert schier een iegelijk. Voor wie die macht bezit,

ontbloot een ieder eerbiedig het hoofd. Om die macht aan zich te

trekken, en priester of priesteresse der fortuin te worden, is geen

zedelijk offer in veler oogen te groot.

* * * * *

Ook Gods volk heeft hier op te merken.

En dan moet het belijden, dat ook deze schriklijke macht niet door

Satan, maar door God geschapen is. Satan schept niets. Het goud in de

mijn en het stofgoud op den bodem der stroomen is 's Heeren maaksel. Hij

schiep het zilvererts. Zijns zijn alle diamanten en robijnen. En meer

nog, alle gaven van scherpzinnigheid, vindingrijkheid en machtig beleid,

waardoor de geldwolven de schoven van den akker der volken in hun schuur

optassen, is verstandelijk vermogen, dat God in hen schiep, werken doet

en in hen in stand houdt.

Ja, ge moet nog verder gaan. Het geheele denkbeeld van _Geld_, als een

algemeen ruilmiddel, dat, in zichzelf tot het verschaffen van genot

onbekwaam, toch het vermogen om u alle genot te verschaffen in zich

draagt, is niet een booze vinding van den mensch, maar uit de ordinantie

der schepping zelve voortgekomen. Eén waardemeter voor alle waardij lag

in den aard der dingen.

Alleen maar, de mensch heeft ook deze macht misbruikt en doen ontaarden.

Insteê van deze geweldige macht onder den band der gerechtigheid en der

barmhartigheid te stellen, heeft hij deze macht aangewend, om te gaan

zitten in Gods stoel, en zijn hart te zetten als Gods hart.

Een groot kapitalist, die met den stroom der wereld afdrijft, voelt zich

_als een god_. Wat zou hem deren! Voor zijn geld kan hij alles! Voor

zijn geld ligt heel de wereld aan zijn voeten; om zijns gelds wille

aanbidt hem al wie van zijn geld leven moet.

In het Geld voer de hoovaardij, en toen eens de hoovaardij er in was

gevaren, wierd het Geld middel om teugelloos aan zijn driften bot te

vieren; anderen op den nek te trappen; en als een Djaggernaut de volken

te vertreden onder de raderen van zijn zegekar.

_Geld_ of _God_ wierd de vraag, waarvoor onze eeuw op haar Karmel kwam

te staan.

Wie zal God zijn? De Vader van onzen Heere Jezus Christus, of... deze

schriklijke Mammon?

* * * * *

Nu kiest natuurlijk elk kind van God, als zoo de vraag staat, met Elia

voor Jehovah. Maar werkt die keuze ook in het hart en in het leven door?

Reeds bij Israel waren er zoo velen, die op elk Pascha weer naar

Jeruzalem trokken, maar om, als Pascha achter den rug was, in stilte

weer naar de hoogten en naar de bosschen te sluipen, en daar de knie

voor het Baäl-beeldje te buigen.

En zoo is het, helaas, nog.

Nog lichter gaat een kemel door het oog van een naald, dan een rijke in

het Koninkrijk der hemelen. En ongelooflijk en onbegrijpelijk is het,

wat tal van lieve Christenen nog altoos slaven en slavinnen van hun geld

zijn.

Altoos meer schrapen. Niets wagen, als het geld in gevaar kan komen. En

als er geld meê te verdienen is, een deur meer open in hun conscientie.

Een toenemen der zonde, die niet kon uitblijven. Want het is _de_ zonde

onzer eeuw, en de Christenen, die in deze eeuw leven, en niet toezien

op de uitgangen van hun hart, moeten dus wel in veel verzoeking vallen.

Maar een zonde, die deswege niet minder _doodsgevaarlijk_ blijft.

Een doodsgevaarlijke zonde, let nu wel op, volstrekt niet enkel voor

de groote kapitalisten, maar sterker haast nog voor den jongeling of

de jongedochter, die _niets_ heeft; en die alle rangen en standen

der maatschappij derwijs heeft aangetast, dat dorst naar geld de

allesoverheerschende trek is geworden.

Het _geld_ boeit het oog; _geld_ prikkelt de zinnen; _geld_ vervult de

gedachten; er wordt op _geld_ gepeinsd en gezonnen; en de gedachte aan

_geld_ neemt zoozeer aller hart in, dat _geld_ te winnen voor velen het

rijkst ideaal, _geld_ te verliezen een nagel aan hun doodkist wordt.

Van de loterijen, de speelbanken, de roekelooze speculatiën zwijgen we

nu nog.

Wie zich daaraan bezondigt, is nog een schrede verder op den boozen weg.

Dit zijn menschen, die in koortsachtigen gelddorst aan het ijlen slaan,

tot God ze op hun weg ontmoet, hun plotseling uit de hand slaat al wat

ze saamschraapten, ze zoo ontnuchtert, en weer op de knieën voor _Hem_

brengt.

* * * * *

Wel mogen Gods kinderen daarom toezien, dat ze worstelen, om zich aan

deze zonde te onttrekken.

En dat op allerlei manier.

Een kind van God moet tegen deze geld_zonde_ de geld_deugd_ overstellen

in milde barmhartigheid voor 's Heeren huis en voor al wie in nood is.

Niet, dit versta men wel, door zijn geldafgod nog met het kroontje

van weldadigheid te sieren, zooals velen doen, die f 30,000 's jaars

opleggen, en dan... eenige guldens aan de armen toewerpen. Neen, maar

door welbewust en opzettelijk gedurig een stuk van den geldgod af te

breken en het te vergruizelen op het altaar des Heeren. Nu Satan het

geld tot zijn instrument maakt, moet Gods kind het geld dienstbaar

stellen aan de macht des Heeren. Rijk, mild en overvloedig geven is

genezing van een wonde in uw hart, is een uitgaan uit de verzoeking.

Daarom moet _een iegelijk_ geven. Ook wie weinig heeft. Want allen

hebben genezing van noode. En rijke kapitalisten, die reeds in het geld

zwemmen, moesten nooit iets opleggen, maar _al de winst_ van elk jaar

geven voor 's Heeren dienst! Daar ontvingen ze het voor. Ze

rentmeesteren den Heere.

Maar er is meer. Een kind van God moet dan ook weigeren meê te doen aan

de zonde van hen, die een geldwolf alleen om zijn geld eere en invloed

gunnen. Een man met geld, maar zonder liefde, zonder geloof, moet hem

niets, en een arm kind van God, dat liefde en lof ten offer mengt, moet

voor hem dierbaar en groot in zijn oog zijn.

Elk kind van God heeft toe te zien, dat hij nooit uit vrees voor schade

ook maar in iets zijn Heere verloochene, of den dienst zijns Heeren

onvervuld late.

Een kind van God moet om winste van geld niet te zeer verheugd, om

verlies van geld niet te zeer bedroefd zijn.

Hij moet er los van wezen, en te inniger kleven aan zijn God.

Want hoe ge het ook wendt of keert, op die tegenstelling komt het altoos

voor Gods kind weer neder.

Die Geldmacht is de _afgod der eeuw_, en Jehovah onze Gerechtigheid moet

_zijn_ God zijn. En dus moet ook ons geld aan de macht en het gebod, aan

den dienst en aan de eere van dien God onderworpen.

ZEVEN-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

»VERGEET GEENE VAN ZIJNE WELDADEN.«

Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet

geene van zijne weldaden.

Ps. 103:2.

Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath · 第 13 / 19 段