Doch al geven we grif toe, dat ge daarin een schild voor uw borst hebt,

vergeet niet, dat Satan u ook bizonderlijk aanport, meer dan de lieden

der wereld, en dat Satan voor den val van een David hooger prijs biedt

dan voor den ondergang van een goddelooze.

En dit nu overwegende, dat ge van _eenzelfden klomp_ zijt met den diepst

gevallene en verst afgewekene, en dat Satan nog zeer bizonder op u loert

bovendien, o, dan komt er een toevluchtnemend roepen naar die eeuwige

Genade, die uit dien klomp u tot een kind van God herschiep, om veilig

bij Hem te schuilen.

En dan herleeft de moed!

Want immers, als ge er dan om u heen zoo enkelen ziet, die _bizonder

sieraad_ ontvingen, of leest in het historieblad van kinderen Gods, die

zoo _zonderling begenadigd_ wierden, dan past ge dat »_van eenzelfden

klomp_« ook op hen toe.

Ook zij waren geen _geboren_ heiligen, maar door God alleen bevruchten

en bewrochten.

Zoo kon genade zich in leem van dienzelfden klomp verheerlijken.

En daarom, hoe dor en moedeloos ook ingezonken, als ik een handvol leem

van dienzelfden klomp ben, waarvan God de Heere zulke vaten der eere

schiep, o, dan durf ook ik, kleine, wegschuilende, vergetene in den

lande, nog hopen.

»Van dienzelfden klomp« bereidt God de Heere zich de vaten der eere nog.

EEN-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

»EEN ÉENIG ZONDAAR VERDERFT VEEL GOEDS.«

De wijsheid is beter dan de

krijgswapenen; maar een éenig zondaar

verderft veel goeds.

Pred. 9:18.

»Zondaar« en »zondaar« is twee.

De Schrift spreekt van »zondaren«, om er meê aan te duiden alle kind des

menschen, dat in Adam viel en in erfschuld geboren is. Zóo als het in

Rom. 5:19 heet, dat »door de misdaad van éenen velen tot _zondaars_ zijn

gesteld geworden«; of ook als de heilige apostel Paulus zegt, »dat

Christus voor ons gestorven is, toen wij nog _zondaars_ waren«.

Maar toch kent de Schrift ook een ander gebruik van het woord »zondaar«,

dat niet op _allen_ slaat, maar alleen op hen, in wie de zonde

_buitengewoon_ zeer is uitbrekende. Dan staan aan den eenen kant de

lieden, die God vreezen, en aan de andere zij de kinderen Belials, de

»dwazen«, de »ijdele lieden«, de »spotters«; en die laatste soort, die

de verzenen tegen de prikkelen slaan, heeten dan »zondaren« in bepaalden

zin.

Dat hoort ge al dadelijk in den eersten Psalm, als het heet:

»Welgelukzalig is de man, die niet staat op den weg _der zondaren_.«

Aan Davids gebed, als hij roept: »Raap mijn ziel niet weg met _de

zondaren_.« Aan Jesaja's profetie, dat Gods volk in Jeruzalem weer

jubelen zal van vreugd, maar »dat er verbreking zal zijn _der

zondaren_«. En dat merkt ge eveneens in allerlei uitspraak van den

Christus zelven: »Indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt

gij? want ook _de zondaren_ doen hetzelfde«; of als Jezus profeteert,

»dat Hij zal overgeleverd worden in de handen _der zondaren_«. Iets wat

telkens weerkeert, als er sprake is van »tollenaren en _zondaren_«,

waarmeê, gelijk duidelijk is, lang niet _alle_ menschen zijn bedoeld.

Verwar die beiden dus nooit.

Zondaren zijn we allen, van nature _allen_ kinderen des toorns; maar

onder deze zondaren is een geslacht, dat nog in _bizonderen_ zin een

soort erger _zondaren_ onder de _zondaren_ vormt.

Lieden, die zich aankanten tegen het heilige. Die de heerschappijen

weerstaan en lasteren. Die er lust in hebben om veel goeds en schoons te

verderven. Menschen, in wie ge een in het oog vallende werking van den

duivel bespeurt.

* * * * *

Van dat soort lieden nu zegt Salomo, »dat _een éenig zondaar veel goeds

bederft_«.

Want wel gaat deze stelling ook door van Adam, die als een éenig zondaar

al het goed van Gods schepping verdierf. Maar zóo heeft Salomo het niet

bedoeld.

De zaak bij Salomo is deze.

Hij nam het leven waar. Hij bespiedde het leven in maatschappij en

huisgezin, en bevond nu telkens, hoe soms _éen, die kwaad wilde_, heel

een kring van anders rechtschapen lieden aanstak.

Gelijk hij elders sprak, dat Ȏen doode vlieg heel een kostelijken

nardusbalsum bederven kan«, zoo ook zegt hij daarom hier, dat soms _éen

kwaad persoon_ heel een kring van anders betrekkelijk goede personen

aansteekt.

En gold dit in Salomo's dagen, het geldt nog.

Ook nu nog heeft elk wijs man er een open oog voor, hoe _in een gezin_

éen kind, dat kwaad wil, soms een vloek voor heel het huis wordt. Hoe

éen boos kind van slecht karakter soms heel een school bedorven heeft.

Hoe éen verdorven karakter op een ambacht soms voor al de werklieden,

die er werkten, ten verderve wierd.

Het is gezien onder _dienstboden_, die saam dienden, hoe éen verkeerde

dienstmaagd niet enkel het geluk en den vrede, maar ten leste ook den

beteren toon der anderen ten kwade deed keeren.

Het is gezien in onze _kazernen_, hoe éen slechte, nietswaardige vloeker

soms een heele zaal onder den vergiftigden adem van zijn spot en zijn

ongeloof bracht.

Het is gezien, hoe op _ziekenzalen_ éen enkele deugniet voor alle

overige kranken de interessante persoon wist te worden, en ze onder de

macht van zijn boosheid kreeg.

Het is gezien, hoe op een _kantoor_, waar het dusver goed toeging, éen

enkele ingedrongen schelm heel de rest aanstak in woorden en slechte

manieren.

En zoo is er onder menschen bijna geen saamwerking, geen saamwoning,

geen saamleven denkbaar, of altoos doet zich hetzelfde vreeslijke

verschijnsel voor, dat _éen eenig zondaar_, o, zoo vaak de goeden ten

val brengt, en dat, o, maar zoo zelden de goeden macht krijgen over den

deugniet.

Dat merkt men aan boord van een _schip_. Dat merkt ge in de

_studentenwereld_ aan onze hoogescholen. Dat merkt ge op de _fabriek_

onder het werkvolk.

o, Salomo heeft het leven zoo diep gepeild!

Hij wist het wel: _Een éenig zondaar bederft veel goeds_.

* * * * *

Nu ontkent ge dit niet; maar _rekent ge er ook genoeg mede_?

Immers, dit beseft ge, is wat Salomo zegt waar, dan legt het naar alle

kanten aan wie God vreest verplichting op.

Aan een ieder, die lieden in dienst neemt, teneinde ze met anderen saam

te laten werken, de verplichting, om met dat in dienst nemen niet

lichtvaardig te werk te gaan, maar wel te onderzoeken, of ge zoo ook

»een éenig zondaar« in uw huis of in uw fabriek zoudt brengen.

De verplichting, om, als het uitkomt, dat ge »een éenig zondaar« onder

uw dak of onder uw macht _hebt_ opgenomen, terstond te waken en toe te

zien. Hem te weerstaan. Hem den teugel aan te leggen. Te waarschuwen

tegen hem. En baat niets, hem, eer hij verder kwaad sticht, te

verwijderen.

o, Er wordt soms ook door kinderen Gods zoo gewetenloos gehandeld. Dan

hebben ze door Gods gunste goede dienstboden of goed werkvolk gekregen;

en plaatsen ze er toch, gedachteloos en roekeloos, zulk een Ȏenig

zondares« of zulk een »éenig zondaar« bij. En als nu straks de geest

onder hun dienstboden verpest of onder hun werkvolk verdorven is, wie

zal dan de zielen dier bedorvenen van hun hand eischen? Is het niet de

Heere?

Ook scholen komen hier in het gedrang. Wie _school_ houdt, draagt een

ontzettende verantwoordelijkheid. Vele ouders vertrouwen u hun kinderen

toe. En alles loopt wel. Maar nu wordt u ook een kind aangeboden uit

een ruw gezin, ofwel »een éenig zondaar« uit een goed gezin. Dan _kan_

dat éene kind de doode vlieg voor uw school worden. De vonk, die alles

aansteekt. En daarom, zie toch toe, dat ge voor zulk een gevaar een

open oog hebt; waar ge het merkt, zulk een verkeerde onder den druk

der beteren brengt; en lukt het u niet het kwaad te stuiten, liever

onverwijld hem van uw school afdoet, dan dat ge door dien Ȏenigen

zondaar« uw andere kinderen laat vergiftigen. Vooral kostscholen mogen

wel dubbel toezien.

En die regel gaat door, door ook voor wie _weezen_ onder zich heeft,

of het commando over een kazerne of een schip in zee heeft, of aan

het hoofd van een groot kantoor staat. In al die verbindingen toch

dreigt hetzelfde gevaar. Altoos de kwaden, die de goeden bedreigen en

vergiftigen willen, en altoos aan u die heilige roeping, om openlijk

voor de goeden uit te komen, en den goeden den hoogen toon te

verschaffen, de verkeerden tegen te staan, en scherp te waken, dat geen

oogenblik in zulk een kring de _spotter_ de gevierde man worde, en wie

God vreest, zich voor zijn God gaat _schamen_.

De _kerke Gods_ staat onder hetzelfde gebod. Een enkele vonk vuurs, zie,

hoe grooten hoop hout ze aansteekt. Een weinig zuurdeesem verderft het

gansche deeg. Vandaar de roeping van Gods kerk, om streng en ernstelijk

_tucht_ te oefenen. Het kwade _mag_ de heerschappij niet hebben.

En wat nog het bangste is, ook in het huisgezin zelf kan dit kwaad

schuilen. In een anders vroom gezin kan éen kind zijn, dat niet deugen

wil. En laat ge dat éene kind begaan, dan steekt dat éene kind aldra

heel uw huis aan.

Daarom is het zoo roekeloos en gewetenloos, als ouders hierover

heenloopen en er geen onverzoenlijken strijd tegen voeren, of erger nog,

er voor uit den weg gaan, en de vreeze Gods uit hun huis laten wijken,

om onaangenaamheid met zulk een boos kind te mijden; of nog erger, het

bedrijven van het kwade door dat kwade kind dulden in hun eigen huis.

Dit mag _nooit_.

De banier des Heeren moet in het aangezicht van zulk een verkeerd kind

juist fier en moedig opgeheven blijven. Er moet _tegen_ en _voor_ zulk

een kind gebeden. Er moet rusteloos aan zulk een kind gearbeid worden.

En bovenal, de andere moeten gewaarschuwd, moeten geïsoleerd, moeten

gesterkt worden. En dan eerst, als aller oog voor het gevaar van dat

verkeerde kind geopend, en de liefde om het te herwinnen, ontvlamd is,

dán kan het verkeer weer vrij en open zijn.

Dan bant zulk een éenig zondaar den Heere niet langer, maar komt de naam

des Heeren over hem.

TWEE-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

»~MIJN~ WOL EN ~MIJN~ VLAS.«

En Ik zal wegrukken ~mijn~ wol en ~mijn~

vlas, dienende om haar naaktheid te

dekken.

Hosea 2:8.

Ook de kleeding, waarmede we ons kleeden, heeft voor het Godsrijk

beteekenis: en dat die beteekenis zoo spaarzaam beseft wordt, is, omdat

de ijdele mensch zoo weinig met God in zijn kleeding rekent.

In de wereld der Heilige Schriftuur is dat heel anders.

Daar is het in den hof van Eden God zelf, die den mensch, toen hij het

eerst zijn naaktheid en zijn schaamte gevoelde, met de wol der lammeren

dekte. God de Heere, die in zijn wet waakt, dat het kleed »van de huid

des armen« nooit geroofd worde. God Almachtig, die in de woestijn

uitwerkt, dat Israels kleederen niet verouden. De Heilige Israels, die

in de priesterkleeding zijn majesteit symboliseert; en geen kleed van

tweeërlei stof om de lendenen zijns volks gedoogt. Onze Vader in de

hemelen, die de leliën des velds bekleedt, en veel meer u bekleeden zal,

o, kleingeloovigen! En eindelijk, de God van alle barmhartigheden, die

door het bloed zijns lieven Zoons u bekleeden wil met den mantel des

heils.

Vreemd, niet waar?--om ons dagelijksch brood zullen we bidden, voor onze

spijs zullen we danken; maar hoe zeldzaam klimt gebed en dank op ook

voor _het kleed_, dat ons verwarmt, en _het gewaad_, dat ons dekt!

* * * * *

En toch, ook uw kleeding is een gave Gods.

Bijna alle stof voor het kleed, waarmeê de mensch zich dekt en opschikt,

is saamgevat in wat de Heere bij Hosea roept: »_Mijn_ wol en _mijn_

vlas!« De _wol_ als saamvatting van alle stof, die ons uit het rijk der

dieren toekomt; het _vlas_ als aanduiding van al wat we voor kleeding

nemen uit het rijk der planten. Wol der lammeren, of gelijk het in

Spreuken 27:26 heet: »De lammeren zullen zijn tot uw kleeding«, en dus

ook het spinsel van de zijdeworm, de pels van het wouddier, het leder

voor ons schoeisel, en de vederen, die ons de vogels bieden. Dat uit

het dierenrijk. En daarnaast het vlas, en dus ook het katoen en wat

plantvezels meer in weefsel verwerkt worden. En van dat alles nu zegt

God de Heere bij Hosea: »Dit alles is _mijn_ wol en _mijn_ vlas, dat

_Ik_ u schenk, om uw naaktheid te dekken.«

Gij, nietige mensch in uw naaktheid, kunt geen enkel haar wol op het

lam, geen enkele vlok vlas op het land laten groeien. Ik, de Heere, doe

alle deze dingen.

En als dan uw kleed allengs weer veroudt, en de versleten plek laat

de koude weer door, dan laat Ik, de Heere uw God, telken jare de

afgeschoren wol op de lammerenhuid weer aangroeien, en gebied Ik den

akker, dat het vlas weer uitschiete uit de kiem.

Zoo maakt de Heere alle wol en alle vlas; zoo is Zijns alle zijde en

alle veder. Hij doet het alles uitspruiten, en zooveel millioenen als er

zich met kleederen dekken, die allen zijn gekleed met een kleed, dat God

voor ze bereid heeft.

* * * * *

Dit verrijkt het leven, zoo ge het inziet en er inleven gaat. In een

geheel nieuwe wereld straalt de majesteit des Heeren voor u uit. Al die

keurige eigenschap van _zijn_ wol en _zijn_ vlas, om u te dekken, zonder

dat het deksel u bezwaart, en u te omkleeden, en dat toch de uitwaseming

van uw huid niet wordt afgesloten, u te omhullen, en dat toch uw

gestalte als mensch niet teloor gaat, dat is al _zijn_ werk.

Het werk van denzelfden God, die zoo schoon en prachtig de leliën

bekleedt, en de vogelen des hemels met vederen bedekt, en zoo ook voor

de kinderen der menschen stof voor hun kleeding verordineerd en

geschapen heeft.

Heel een nieuwe, rijke wereld, om zijn wijsheid en majesteit in te

bewonderen.

Te bewonderen ook dit, dat er een gewaad van hoogen prijs is voor den

man van vele goederen, en toch ook een kleed, dat duurzaam en van lagen

prijs is, voor den arme in zijn nood.

Gij voedt, Heere! al wat leeft, maar ook, Gij dekt al wat koud en naakt

is.

Hoe groot zijn uw werken. Gij hebt ze met wijsheid gemaakt. De aarde is

vol van uwe goedertierenheid!

* * * * *

Draagt ge nu den naam des Heeren ook in die wereld van uwe kleeding in,

dan krijgt ge het oog op een nieuwe barmhartigheid uws Gods, en is er

nieuwe oorzaak om voor te danken.

Maar er komt dan meer!

Immers, zoolang de wereld van uw kleeding buiten God ligt, wordt ze u in

den regel een oorzaak van zonde.

Ze dient u dan tot pronk en opschik. Ze kweekt ingenomenheid met uzelf

en ijdelheid. Of ook, ze verleidt u tot slordigheid, onreinheid en

achteloosheid! Op zichzelf een wereld vol zonde, waarvan de vernielende

kracht nauwlijks te berekenen valt. Lees maar, hoe de Heere in Jesaja 3

dat misbruik in de wereld der kleeding bij den man en de vrouw van

Jeruzalem aantastte.

Voor niet weinigen zelfs wordt het een _worsteling_; vooral bij

_vrouwen_, en het meest bij _jonge_ vrouwen, die God met _schoonheid_

sierde. Dat het wordt: Hebt _gij_ uw kleed? of heeft uw kleed _u_? Dat

de bezigheid om altoos schooner kleed te dragen, heel het hart en heel

den zin inneemt, en het kleed een afgod in uw droom, een afgod in uw

kamer, ja, een afgod om uw leden wordt; en ten leste dat schijnbaar zoo

onschuldige kleed uw tijd rooft, uw gedachte verzinlijkt, uw ik

bewierookt en uw ziel vermoordt.

* * * * *

Doch komt de Heere ook in de wereld uwer kleeding in, dan wordt dit

alles nieuw en anders.

Als ge daar dan al uw kleederen voor u ziet liggen, dan hoort ge de stem

des Heeren: _Mijn wol en mijn vlas!_ en ge verheft u niet, maar dankt.

_Zijn_ wol en _zijn_ vlas! En daarom kunt ge uw kleed niet ongebruikt

wegbergen, terwijl een arme bij bittere kou, uit gebrek aan deksel,

verkleumen zou.

_Zijn_ wol en _zijn_ vlas! En daarom vereischt uw kleeding zorg, en mag

het kleed niet verwaarloosd. De stof mag het niet verteren, vuil het

niet verslijten, de mot het niet opeten. Ook voor _dit_ goed des Heeren

moet gewaakt.

_Zijn_ wol en _zijn_ vlas! En daarom moet Hij er in gediend en _mag_ het

niet misbruikt voor zondige ijdelheid, veel min om zondige gedachten in

anderer zin op te wekken.

_Zijn_ wol en _zijn_ vlas! En daarom, als er nieuw gewaad of nieuwe

kleedij in ons huis wordt ingedragen, niet het ik in hoogheid gekitteld,

maar Hem er de dank en de eere voor.

Ja, _zijn_ wol en _zijn_ vlas! En dus ook onze magazijnen met kleeding

van allerlei wol en vlas, _zijn_ voorraadschuur, waarin Hij den

winkelier slechts als instrument en uitdeeler gebruikt.

o, Met dat éene diepe woord: _Mijn_ wol en _mijn_ vlas, op heel de

wereld onzer kleeding toegepast, hoeveel zonde wordt dan niet

uitgebannen, hoe machtig het leven niet verrijkt!

DRIE-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

»IN EEN EERBAAR GEWAAD.«

Desgelijks ook, dat de vrouwen, in een

eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid

zichzelven versieren, niet in vlechtingen

_des haars_, of goud, of paarlen, of

kostelijke kleeding.

I Tim. 2:7.

Zie toe, dat ge niet in zondige overgeestelijkheid scheidt, wat God

saamvoegde, en uiteenrukt, wat Hij verbond.

Het gevaar om in die zonde te vallen is zoo groot.

Als ge merkt, en uit de ervaring uwer onbekeerde jaren weet, hoe een

schepsel buiten God er bijna altoos toe vervalt, om te doen, alsof hij

geen _ziel_ had en alleen _lichaam_ was; en dan voor dat lichaam slooft

en slaaft; om dat lichaam maar te laten eten, en dat lichaam te laten

drinken, en dat lichaam in pronk en kleedij en allerlei wellust te laten

genieten; o, dan is het zoo natuurlijk, dat een mensch, na bekeerd te

zijn, nu overslaat in het andere uiterste; en denkt: »Als ik maar voor

_mijn ziel_ zorg!« en onder dien indruk zijn _lichaam_ en wat _des

lichaams_ is, verwaarloost.

Dan sluipt er ongemerkt een soort minachting voor dat ongeestelijke

lichaam in de ziel. Men draagt het als iets overtolligs met zich om.

Eens is het toch voor het graf en voor het verderf in den kuil bestemd.

Wat zou ik mij om dat lichaam veel bekommeren?

Vandaar bij enkele Christenen soms een zoo schromelijke verwaarloozing

van de reinheid en zindelijkheid; verwaarloozing in kleeding en deksel;

en als gevolg hiervan verwaarloozing in de huishouding; slordigheid in

alle gedraging; ongeregeldheid ook, tot schuldmakens toe, in zijn

geldelijke zaken.

Men heeft dan voor dat _uitwendige_, voor alles wat met _het lichaam_

samenhangt, ómdat het vergankelijke en wereldsche dingen zijn, geen hart

en geen oog.

Men mengt er zich in, voor zooveel het hoognoodig moet; maar plicht en

roeping werkt er niet; en tot op zekere hoogte acht men niet zelden zulk

een schuldige verwaarloozing nog wel een niet te versmaden teeken van

vroomheid en geestelijken zin.

* * * * *

Dit nu mág niet.

Wat God vereenigd heeft, zal de mensch niet scheiden. Ge zijt niet ziel,

maar gij zijt ziel _en lichaam_. Ge bestaat niet anders. God schiep u

zoo. En al klaagt ge nog zoo bitter over de slavernij, waaronder dat

»lichaam des doods« u doet gebukt gaan, altoos moet er ook voor dat

lichaam de juichtoon op volgen: »Ik danke God door onzen Heere Jezus

Christus!«

Hij is ook een »Behouder des lichaams«. Ook dat lichaam is door Christus

tot den prijs van zijn bloed gekocht. Eens zal Hij ook dit uw sterfelijk

lichaam aan zijn verheerlijkt lichaam gelijk maken. En onze kerk schreef

zoo roerend schoon boven het voorportaal van haar Catechismus, dat

»Christus eigen te zijn« troost biedt; indien het zijn mag, in leven en

sterven _met lichaam en ziel_ het eigendom van Christus te wezen.

Hiermeê is dus niet enkel de kastijding van het vleesch en de

monnikspij, maar ook elke verwaarloozing van het lichaam geoordeeld. En

een Christen gaat een weg van zonde op, zoo hij het beneden zich durft

achten, om ook aan spijs en drank, aan kleeding en deksel, aan zijn huis

en hof, en ook aan zijn geldelijke aangelegenheden, een stuk tijds, een

deel van zijn kracht en een zekere mate van zijn inspanning te wijden.

_Over_geestelijkheid is _on_geestelijkheid. Te willen zorgen voor de

ziel, als had ze geen lichaam, is zorgen voor een ziel, die niet

bestaat.

Toch ontleene Gods kind hieraan nooit ook maar van verre een vrijbrief,

om, overslaande in het tegendeel, nu weer de wereld achterna te

hunkeren, en de ziel op éen lijn met het lichaam, of zelfs bij het

lichaam achter te stellen.

Dat mag evenmin!

Uw ziel, uw geestelijk leven blijft altoos _hoofdzaak_, en nooit mag het

lichaam anders gelden dan als _dienend instrument_.

Vandaar dat Jezus' heilige apostel er zoo op aandringt, dat een kind des

Heeren zelfs tot in zijn kleeding toe _des Heeren_ zal zijn.

Ge zult geen naaktlooper zijn, zooals de razende dolheid der

Wederdoopers het eens wilde. Ge zult geen slordige plunje aanschieten,

zooals de valsch-mystieke dweper het zich veroorlooft. Maar ge zult nog

veel minder als een pronkende pauw rondloopen. Neen, ge zult u kleeden

in _een eerbaar gewaad_.

Die eisch van _eerbaarheid_ voor uw gewaad ligt in den oorsprong van

_alle_ kleeding; want vergeet nooit, dat alle kleeding haar oorsprong

vindt _in de zonde_; dat in het Paradijs, waar geen zonde was, van

kleeding geen sprake viel; dat eerst uit de zonde het bewustzijn van

naaktheid en schaamte sproot; en dat in het Kanaän daarboven geen ander

dan een lichtgewaad denkbaar is. Zelfs de ruwheid van den dampkring, die

ons de noodzakelijkheid van warme en soms zeer dikke kleeding oplegt,

bestond in het Paradijs niet en is als een deel van den vloek over de

aarde gekomen.

* * * * *

Maar is dat zoo, dat het gewaad strekt, _om de schaamte onzer naaktheid

te bedekken_, dan volgt hieruit immers vanzelf, dat elk gewaad of

kleedingstuk, dat strekt om _niet_ te verbergen, maar te doen

_uitkomen_, tegen het eerbare indruischt.

Naar gelang dan ook in de eerste jaren der Christenheid de invloed

van het Evangelie won, week het oneerbare in de kleederdracht der

heidenwereld voor soberder snit en eerbaarder vorm. En toen nogmaals het

gewaad zijn eerbaren plooi verloren had, is het de macht van datzelfde

Evangelie geweest, dat in de dagen der Reformatie, met name in de

Calvinistische kringen, stilheid van kleuren, soberheid in versiering en

eerbaarheid van vorm heeft teruggebracht.

Steeds ging de kleedij in eerbaarheid met den invloed van het kruis van

Christus op en neder.

Won die invloed veld, dan wierd het gewaad soberder en _eerbaar_. Daalde

die invloed, dan kwam de heidensche weelde en pronkzucht met den

_oneerbaren_ vorm terug.

Vandaar ook nu weer die smakelooze uitbotting, in wat door kleedij en

opschik het oog bekoren en de zinlijkheid streelen en de ijdelheid

prikkelen kan. Sommige vrouwen vooral gaan letterlijk in dezen

afgodendienst van de _Godin der kleedij_ op. Het neemt heur hart in.

Ze spreken er van. Het prikkelt heur begeerlijkheid. Het wekt heur nijd

en heur jaloerschheid op. En wie het sierlijkst gewaad om kan hangen,

acht zich het voorwerp van aller bewondering, als ze uitgaat langs de

straten.

Zelfs naar onze »kleynere luyden« en naar het platteland dringt die

koorts der pronkzucht door.

Parijs, waar het Evangelie bijna alle macht verloor, geeft den toon aan.

Weinig zedelijke vrouwen schrijven de wet der mode, en door die mode

het gewaad, aan alle vrouw in Europa voor. En alleen Engeland, waar het

Evangelie nog eenige macht behield, weet door beter snit en fijner smaak

en stiller kleur een eenigszins eerbaar gewaad te bieden.

* * * * *

Ligt ook hier dan niet een roeping voor onze kerken en voor onze

huisvaders en huismoeders?

Neen, we bepleiten geen zonderlingheid. We ijveren niet voor een

terugkeer tot de neepjesmuts. Och, ook in die zonderlingheid kan

zelfbehaagzucht en duivelsche ijdelheid spreken.

Een _anders_ gekleed gaan dan een ieder zich kleedt, kan ook de

aandacht doen trekken, en het doen _trekken van de aandacht_ is voor het

jeugdig vrouwenhart immers de groote klip.

Maar wat wel kan en moest, is drieërlei.

Vooreerst biedt de mode altoos stiller en hooger kleuren, schriller en

zediger vorm, en uit die veelheid kon men in ons Christelijk gezin toch

altoos het sobere en stille kiezen, om het hooge en schrille te mijden.

Dan, vormen van gewaad, die er opzettelijk op aan zijn gelegd, om de

eerbaarheid der kleedij tot een bespotting te maken, zijn altoos te

mijden, al droeg een ieder ze.

En ook, waar stof van goed, dat snel vergaat, door zijn ondegelijkheid

prikkelt om gedurig weer nieuwe kleeding te maken, en aan dit bereiden

van nieuwe kleeding al uw kostelijken tijd te verdoen, die toch zooveel

degelijker gebruikt kon, ligt het daar niet op der Christenen weg, om

door de keus van degelijker stof den tijd uit te koopen, en te maken,

dat niet aldoor de lieve lange dag aan dit kleene onderdeel van het

leven weggaat?

Het zijn maar wenken.

Maar wenken, die toch een vingerwijzing kunnen zijn.

Een Christenvrouw, die in haar kleedij opgaat, dient een afgod en werpt

zichzelve en haar belijdenis weg.

VIER-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

»MET NETELEN BEDEKT.«

En ziet, hij was gansch opgeschoten van

distelen, zijne gedaante was met netelen

bedekt, en zijn steenen scheidsmuur was

afgebroken.

Spr. 24:31.

Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath · 第 12 / 19 段