sluit in uw hart die booze machten achter traliën op. En nu speelt de
klauw wel tusschen de traliën door, maar tot moorden kwam het in uw hart
niet.
En gij? Dankt ge daarvoor? Integendeel, gij vijlt aan die traliën. Gij
zoudt die tijgertjes uit willen laten! Gij zoudt dat uitkomen van dien
boozen trek willen _zien_.
Maar nogmaals, uw God is ontfermende! En Hij slaat uw hand met uw vijl
af. En zoo, zoo alleen zijt ge burgerlijk braaf gebleven en bleef het
wild gedierte wel in u, maar het kon niet woeden!
En als dan uw God en Vader, enkel door tusschentredende genade, het
ergste belette en voorkwam, zult gij dan zeggen: »Op _mij_ is niets aan
te merken, die wilde macht in _mijn_ hart brak nog nooit los«?
* * * * *
Het is zoo, ge kunt ook wel langs anderen weg ontdekkend licht
ontvangen, en tot zielsverbrijzeling komt het dan eerst, als reeds de
enkele gedachte, dat het geen liefde voor uw God is, die u drijft, u
pijn doet en door het hart schrijnt.
Ge hebt gelijk: tot dieper indaling in uw zonde komt ge eerst, als ge
uzelven in uw natuurlijken vader, in Adam, vondt, en voeldet, hoe gij
het waart, die in hem tegen uw God en Souverein gerebelleerd hebt!
Maar toch, soms is het goed, om aan de hand van wat Job uitriep, tot
besef van uw zonde te komen.
Het mag niet, dat ge in zelfstreelende eigengerechtigheid u boven den
schuldigen tollenaar verheft. Ge moogt niet uit de hoogte van uw
burgerlijke deugden op den gevallen man en op de gevallene vrouw
neerzien. Ge _moet_ leeren verstaan, dat de wilde boosheden, die uit hun
hart uitbraken en uitschoten, ook in uw hart wel terdege huizen. En dat
het eenige, waardoor ze in u rustig bleven en geen kwaad vermochten te
stichten, _die traliën der genade waren_, waarachter uw God ze, u ter
behoudenisse, opsloot.
Een Augustinus, uit den moordkuil van wiens hart ze zoo schriklijk
uitbraken, is niet slechter dan gij. Gij zijt niet beter dan hij. En al
het verschil tusschen u en hem is, dat God _hem_ een tijdlang losliet,
om heel de kerk te herinneren, wat er in _elks_ hart huist, en _u_
tegenhield, dat ze in u achter de traliën opgesloten bleven.
o, Spot toch met die genade van uw barmhartigen Vader niet! Als zijn
hand even ophield die traliën geklonken te houden, zoo vreeslijk zouden
ook uw boosheden naar buiten uit kunnen slaan. Hoor toch, wat de Schrift
zegt: »_Die sta, zie toe, dat hij niet valle!_«
En daarom, misleid uzelven niet langer.
Wat vraagt ge: Wat dan toch uw zonden zijn? Hoe meent ge dat? Hoevele uw
zonden zijn, die uitbraken? Vraag liever: Hoevele uw zonden zijn, die
God tegenhield en het uitbreken belette?
o, Als het daartoe mag komen, dan wordt uw standpunt zoo heel anders.
Dan kunt ge den gevallen man en de gevallene vrouw niet meer verachten,
maar zult ge, bij al de verfoeiing voor hun schriklijk kwaad, eer
vragen: »Heere! wat onderscheidt mij, dat Gij mij niet losliet?«
Dan zal er een besef in u komen, dat ge in hun zonden _uw_ zonden ziet.
In den tijgerklauw, die uit hun hart uitkwam, den verscheurenden aard
en het wezen zien van die tijgertjes in uw eigen binnenste, en ge zult
ophouden er meê te spelen.
Ge zult niet meer vragen: »Wat zijn dan mijn zonden?« maar schrikken van
uw eigen hart, waarin zooveel wilde boosheden zitten opgesloten!
En dank, elken avond en elken morgen nieuwe dank zal van uw lippen naar
den hooge klimmen, dat uw God zoo ontfermend was, om u zoo wonderlijk
_voor uw eigen hart_ te bewaren.
Ja, uw diepste bede zal 't zijn: »o, God! _blijf_ mij bewaren. Laat de
boosheden van mijn eigen hart toch niet tegen mij los!«
ACHT-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
»GIJ EN UW HUIS!«
En zij zeiden: Geloof in den Heere
Jezus Christus, en gij zult zalig worden,
gij en uw huis.
Hand. 16:31.
Onzichtbare banden zijn zoo raadselachtig en toch trekken ze soms zoo
sterk.
Gij zult nederzitten in een spoorcoupé, dat ge als haringen gepakt
opeenzit, en men u links en rechts drukt, en dat ge toch als een vreemde
en zonder aanraking temidden uwer medereizigers zijt; terwijl ge op
hetzelfde oogenblik aan vrouw of kind zult denken, die urenver van u
afzitten, en ge met hen u op 't innigst verbonden gevoelt.
Ze zijn zoo geheimzinnig, die verborgene banden; die wondere banden van
het hart; en die nog teederder banden des geestes.
Ge merkt er niets van, en ge ziet er niets van; ge kunt ze naspeuren
noch tasten; en toch zijn ze er; en hun trekking is zoo machtig; dan
vooral, zoo ze door de banden van het bloed worden gesteund.
Zie slechts om u in uw gezin.
In een vol uitgegroeid gezin was eerst alleen een vader en moeder; en
nu is hun kroost geschonken; en bloeien de olijftakken aan hun tafel.
Maar al lijkt zulk een huisgezin op een plant, toch is het anders dan
een plant. Want immers van een plant kunt ge de stukken niet uit elkaar
nemen, of ze hebben niets meer met elkander uitstaande. Stekken, van
een boom afgenomen, keeren nooit meer naar dien boom terug, en geplukte
vruchten vergeten heur oorsprong. Maar zoo is het met een menschelijk
huisgezin niet. Zulk een gezin lijkt wel een plant, die allengs in
stukken uit elkaar loopt; maar zoo, dat de uiteengeloopen stukken toch
nog met onzichtbare banden of vezelen aan elkaar verbonden blijven.
De telegraaf komt er nog het naast bij. Als te Parijs de magnetische
draad in den grond wordt gestoken, en men steekt het andere uiteinde van
dien draad te Amsterdam in den bodem, en de toestel werkt, dan heeft er
opeens, onder den grond door, een verbinding plaats van de electrische
kracht. Het trekt van die punt, die te Parijs in den grond steekt,
tot naar die punt, die bij ons in den bodem ging. Men noemt dat een
strooming. Men merkt en weet, _dat er_ een verbinding is. Maar het is
een verbinding, die aan onze waarneming ontsnapt. En zoo nu, en sterker
nog, is het ook met de banden van het bloed, vooral indien de banden
van den geest er op werken mogen. Want of het eene kind dan in het eene
en het andere in het andere werelddeel is, als door een electrischen
stroom, die ongezien door de lucht trekt, blijven dan die harten toch op
den versten afstand verbonden. En als 's avonds de knieën worden gebogen
en uit alle stad en dorp de gebeden naar den hooge opklimmen, dan werken
al die stroomingen, dan trekken al die banden, en dan is het éen roepen,
éen bidden naar den hooge voor wie van zijn lieven verwijderd is en toch
voor zijn lieven liefde voelt in zijn hart.
* * * * *
Toch kan niet genoeg geklaagd, dat de trekking dier geheimzinnige
onzichtbare banden niet nóg sterker is; niet genoeg getreurd, dat juist
in onze dagen de onderlinge verkleefdheid en saamhoorigheid vaak zoo
flauwelijk werkt.
Ge hebt wel recht, dat familiebanden niet kunnen blijven doortrekken,
als te sterk geestesverschil de zielen uiteendrijft. Of heeft niet de
Heere zelf gezegd: »Wie niet haat zijn vader en broeder om mijnentwil,
is mijns niet waardig«? Niet ook waar, dat Ruth's zeggen: »Uw volk is
mijn volk« steeds weerklank vond in het vroom gemoed? o, Schrijnen moge
het u soms door de ziel, maar er is niets tegen in te brengen: als de
eene Jezus belijdt en den andere het kruis een ergernis is, dan kunnen
die twee niet saamgaan, ook al heeft eenzelfde moeder ze gebaard.
Maar omdat de banden van het bloed ook in uw huis, als het op beslissen
komt, nooit de banden van den geest overheerschen mogen, daarom moogt ge
toch nimmer die banden van het bloed gering achten.
Die banden van het bloed zijn geleidingen, waarlangs iets uit het hart
van den een in het hart des anderen uit kan gaan. Er kan langs die
geleidingen _een vonk van zonde_ schieten uit de ziel des eenen in die
des anderen; maar ook, er kan langs diezelfde geleiddraden _een zegen_
overgaan uit hart in hart.
En dit nu is het kwaad onzer dagen, dat de kerk van Christus op die
banden des bloeds, als instrumenten van zonde of van zegen, zoo weinig
let.
Het wordt alles te _geestelijk_ opgevat.
Ook gij hebt wel _een huis_. Paulus' zeggen tot den stokbewaarder: »Gij
en _uw huis_,« is voor u ook wel verstaanbaar. Maar nu denkt ge allicht:
»Als die kinderen van mijn bloed zalig zullen worden, zal tóch dit werk
van den Heere moeten komen; wat kan ik er aan doen?« En zoo staakt ge
het woord van vermaning; zwijgen wordt regel; alleen in natuurlijke,
wereldsche dingen werken de banden des bloeds nog; maar overigens,
dat er in die banden des bloeds een kostbaar instrument gegeven is,
om ter zaligheid ook voor uw huis werkzaam te zijn, dat hebt ge nooit
ingedacht; dien blik hadt ge er nooit op; daar liet ge u niet meê in.
En dit nu is een zonde, die bestraft en bestreden moet.
In _uw macht_ heeft God de Heere de zaligheid van _uw huis_ zeker _niet_
gesteld. Hij is een jaloersch God, en geeft zijn eere aan geen andere.
Hij baart weder, Hij alleen, en alleen God de Heere zelf kan aan uw
kind, aan uw vrouw, aan uw broeder _het geloof_ geven. Maar _onder uw
plicht_ staat niettemin het vermaan en het smeeken der liefde. En als
God de Heere u dan niet los in het midden der uwen stelt, maar u met
heel uw huis door heilige, teedere, geheimzinnige banden des bloeds zoo
verbindt, dat er langs al die banden en draden iets van u op hen _kan_
uitgaan, dan _moet_ ge uw arbeid te werk stellen, ook al bleek in de
uitkomst, dat het al arbeid en moeite tevergeefs was geweest.
o, Dat er in onze Christelijke gezinnen toch dieper besef opwaakte van
deze heerlijke roeping!
Eertijds zag men soms reeksen van geslachten, waarin de zegen der genade
telkens van vader op kind als overging, en thans is het, of schier uit
elk huis het ongeloof zijn prooi komt wegsleepen.
Dit gaat niet om goed en have, maar 't gaat om de levende zielen.
En daarom kan er niet sterk genoeg op aangedrongen, dat we voor dat
diepgaande kwaad toch het oog zullen openen.
De kerk van Christus vraagt om _geslachten_, die den Heere dienen in
godzaligheid. De kerk van Christus vraagt om geheele _huisgezinnen_,
die den Heere in onverderfelijkheid mogen aanroepen. Ze wil, ze vraagt
ook van u, dat ook in uw huis _de banden des bloeds_ niet als een
ongebruikt instrument zullen liggen.
God schiep ze, die banden.
Ze geven u geleiddraden. Ze bieden u aansluiting. Ze stellen u in
gemeenschap met wie om u zijn.
o, Laat langs die draden, laat door die aansluiting, laat, dank zij die
gemeenschap, dan ook in uw huis de gloed eener meer dan aardsche liefde
voor man en vrouw en kroost, voor broeder en zuster werken mogen.
Een liefde, die naar Boven lokt, die, God geve het, meêtrekt naar den
hemel!
NEGEN-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
»VAN UWEN HOUTHOUWER TOT UWEN WATERPUTTER.«
Uwe kinderkens, uwe vrouwen en uw
vreemdeling, die in het midden van uw
leger is, van uwen houthouwer tot uwen
waterputter toe.
Deut. 29:11.
In onze dagen is Engelands gewezen minister een houthouwer, en water uit
onze waterleiding in een kruik opvangen kan ook een vrouw van eersten
stand doen.
Maar in Israels oude dagen was het zoo niet. Toen het hout van verre
saamgelezen moest in het wilde woud en het water uit de verre beek moest
aangedragen, was houthouwer en waterputter een zeer slavelijke en zure
arbeid, en omdat het een arbeid was, die geen zier talent en kennis
eischte, nam men er lieden voor van het laagste soort.
»Houthouwers en waterputters« duiden dientengevolge in de Heilige
Schrift aan die pariahs, die op de laagste sport van de maatschappelijke
ladder stonden. Wie nergens voor deugde, kreeg een bijl in de hand of
een kruik op den rug. Houthouwen en waterputten kon een ieder nog!
En kom hier nu niet met valsche denkbeelden van »gelijkheid« tegen op;
want de maatschappij leeft nu eenmaal op een ladder en staat niet op een
gelijk, effen vlak.
Dat moge de Communist willen en de Nihilist beweren; maar al hun
razernij stuit af op het feit, dat de menschen hoogst _ongelijk_ geboren
worden, en dientengevolge hun leven lang zeer _ongelijk_ zijn.
Met de keurigste opvoeding kunt ge aan een kind, dat zonder genie
geboren wierd, geen genie instorten. Talenten worden niet aan den
boom gehangen, maar liggen in kiem en wortel. En wie kan dan het feit
loochenen, dat de kracht van denken, de kracht van willen, de kracht van
handelen, waarmeê de eene mensch begaafd is, soms tien- en twintigmaal
die van anderen, soms onder de zonen van éenzelfde huis, overtreft?
Vandaar de ladder, en aan die ladder de sporten. En nu zijn er sommigen,
die op de hoogste sporten staan, anderen, die in het midden hun stand
hebben; maar ook velen, voor wie er niets aan te verhelpen is, dat ze
hun leven lang nooit van de laagste sporten afkomen. En dat nu zijn onze
houthouwers en onze waterputters.
* * * * *
Die ladder schiep _God_ alzoo; maar omdat Hij niet alle mensch even hoog
plaatste, maar velen op de laagste sport doet leven, gaat dan ook
heerlijk zijn barmhartigheid uit, om over die laagst geplaatsten te
waken.
Wie hooger op die ladder staat, doet zoo gaarne aan wie lager geplaatst
wierd de zool van zijn schoeisel voelen; en dat nu wil God de Heere
niet.
Integendeel, niemand is door Hem op een hooger sport geplaatst, om wie
vlak onder hem staat, neer te drukken; maar omgekeerd, juist met het
gebod der liefde, om hem, zooveel het kan, naar zich op te trekken.
Niemand is, omdat hij hooger staat, een zier meer of beter of van hooger
waardij in zichzelven. Niemand heeft zich te verheffen. En wie op de
hoogste sport staan mag, is en blijft in alles, met uitsluiting van
allen eigenroem, even diep afhankelijk als hij, die nog met éen voet op
den grond en nog pas met den anderen op de laagste sport trad.
En daarom is er in de woelzieke ontevredenheid, die zich steeds sterker
onder de lager geplaatsten openbaart, ongetwijfeld een deel zondige
vermetelheid en hoovaardij, die hen belet, vrede te hebben met Gods
vrijmachtige beschikking over hen; maar toch is er ook in een
aanmerkelijk deel rechtmatige klacht tegen de vermetelheid en
hoovaardij, waarmeê de hooggeplaatsten op hen neerzien.
* * * * *
Wat nu 's lands wet en burgerordening hierin te voorzien heeft, dient
elders besproken; maar wat op het heilig erf wel aan 's Heeren volk op
het hart mag gedrukt, is, dat ze toch vooral in eigen huis en in eigen
kring en bovenal in het heilig Huis des Heeren de barmhartigheden des
Heeren door de hardheid en ingebeeldheid huns harten niet weerstaan.
Gods Woord is ook in dezen deele zoo teeder, en als heel Israel voor
Gods aanschijn treedt, en alleen de aanzienlijken uit elk huis schijnen
meê te rekenen, komt Mozes het hun in 's Heeren naam aanzeggen, dat ze
ook hun vrouwen, ook hun kinderkens, ook hun vreemdelingen, maar ook, om
hen vooral niet te vergeten, _hun houthakkers en waterputters er bij
zullen roepen_.
En nu, wat wordt tegen deze ordinantie der ontferminge Gods niet nog
altoos in Christus' kerk gezondigd!
Och, dat het toch anders mocht worden!
Hoe lange jaren zijn door de schandelijke wijze van verhuren van
zitplaatsen in het heiligdom niet alle armen van het Evangelie
afgesloten geweest! En hoe is er niet eerst, toen de kerken leeg liepen,
weer plaats ook voor de houthouwers en waterputters gekomen!
o, Het is zoo, achteraf konden ze staan, op de koude blauwe zerken.
Och, al waren ze Gods vroomste kinderen, in zijn Huis wierden ze
geminacht. De wereld in het Huis des Heeren ingedragen. Nogmaals de
vooraanzittingen der aanzienlijken. De man van Jakobus met den gouden
ring aan zijn vinger, nog altoos de u zoo scherp veroordeelende type.
En als er dan in die kerk wierd omgegaan om »armengeld«, en dat
geld wierd straks uitgedeeld, o, zeg zelf, wat viel er dan te
merken van ambtsdragers van Koning Jezus, die in zijn Naam aan zijn
bruiloftskinderen het goed van hun Koning uitdeelden; en hoe bijna
altoos was het dan een aalmoes, die schier hoonde en beleedigde!
* * * * *
Dit nu oordeelt en veroordeelt de Heere.
En veroordeelt Hij niet alleen in het Huis des gebeds, maar ook in uw
eigen woning.
Hoogheid, die laag neerziet, en inbeelding, die minacht, wordt nooit
tegenover den mindere door God den Heere geduld.
Ook die houthakker, ook die waterputter is _zijn_ schepsel, en door Hem
op uw weg gesteld, opdat ge iets, niet van _uw_ vernederende, maar van
_zijn_ opheffende ontferming aan hen zoudt oefenen.
Wie den mindere weldoet, is de knecht, die in naam van zijn Koning iets
uitreikt, en die mindere, die het ontvangt, is de beweldadigde van zijn
Koning.
De verhouding dus juist omgekeerd.
Maar zoo moest het dan ook in onze eigen woningen wezen, vooral op
heilig terrein.
Dat wel zorgen voor de zaligheid zijner eigen ziel, en ook wel voor het
zieleheil van zijn kroost, maar zonder zich ooit er om te bekreunen, of
zijn dienstbaren en minderen in de duisternis wandelen, of het licht des
levens zien, is een smet op uw Christelijk karakter en een vlek op uw
huislijk leven.
God _wil_ dat niet.
Neen, zijn verbond is ruim in ontfermingen, en zijn genadeverbond omvat
naar de huishouding in het zichtbare de grooten met de kleinen, de
rijken met de armen, de heeren met hun dienstbaren.
Voor beiden éen weg en éen Heiland en éen hope des eeuwigen levens.
o, Het is wel zoo, dat die »houthouwers en waterputters« door veel
onbescheiden taal de verhoudingen wel eens omkeeren, en dat daardoor uw
zin voor ontferming vaak wordt afgestompt.
Helaas, de zonde der brutaliteit woedt schriklijk.
Maar kan, kan ooit _hun_ zonde _uw_ schuld wegnemen? En nog moet er
gevraagd, of niet de verwaarloozing en schuld onzer vaderen in de vorige
eeuw oorzaak is, dat deze zonde der onbeschoftheid zoo voortwoekerde!
Doch wie hier ook de diepst schuldige zij, het heft _Gods ordinantie_
niet op, en die ordinantie is, dat vrouw en kinderen en dienstbaren in
alle oefeningen van het genadeverbond door u worden saamgenomen.
Och, wie onzer leerde ook _voor_ de »houthouwers en waterputters« in
zijn eigen huis of op zijn eigen werkplaats bidden?
_Met_ hen bidden ging nog, maar _voor_ hen!
Om hun zieleheil!
Om hun eeuwige behoudenis!
Dat men toch toezie. God laat zich niet bespotten; en Hij heeft het
alzóo, en niet anders verordend.
Ook dit nog. Gij, die het deedt, leerdet ge het ook uw kinderen doen?
Onze kinderen verheffen zich zoo gaarne boven onze dienstbaren, en o,
juist die tergende kinderhoogheid heeft zoovelen der lager geplaatsten
van de liefde Christi vervreemd!
DERTIGSTE ZONDAG.
»UIT DENZELFDEN KLOMP.«
Of heeft de pottenbakker geene macht
over het leem, om uit denzelfden klomp
te maken het eene vat ter eere, en het
andere ter oneere?
Rom. 9:21.
Het gevaar, om in hoogmoed tegenover de lieden der wereld te vervallen,
is voor Gods kinderen zoo ontzettend groot.
Men ziet het onderscheid dan toch tusschen hen en zich. Men ergert zich
aan wat zij uit lust en onder lach en spot drijven. Men zou het in hun
midden niet kunnen uithouden. Het zou de ziel pijn doen. Het zou het
teeder gevoel kwetsen. En het zou ons zijn, of ons de goudvederen uit
onze wieken wierden uitgerukt.
Het is dan ook niet te loochenen: de lieden der wereld leven anders.
Zien op andere dingen. Zijn in geheel andere gedachten bezig. En wat ook
niet verheeld noch verbloemd mag: bij veel althans, dat Gods kinderen
van de kinderen der wereld onderscheidt, mag vrijuit beleden, dat de
kinderen der wereld het slechtste deel kozen, en dat de kinderen Gods
_in hun streven en bedoelen althans_ gelijk hebben.
Stond dat niet vast, waaraan zouden we dan het recht ontleenen, om een
oordeel over de wereld te hebben? En zoo we dát misten, hoe zouden we
haar ooit haar oordeel kunnen aanzeggen en ze tot bekeering kunnen
vermanen?
Daar ga dus nooit iets van af. Er _is_ onderscheid. Een sterk sprekend
onderscheid zelfs. En wat beginsel, drijfveer en bedoelen aangaat, is
stellig de keuze der wereld te veroordeelen en alleen de keuze van Gods
kinderen goed.
In zooverre mag er nooit aarzeling of onzekerheid in ons zedelijk
bewustzijn heerschen. Dat moeten we zoo inzien en gelooven. We moeten
het aandurven en zeggen durven ook. Met dat te verzwijgen breken we onze
kracht.
Maar, en dit springt terstond in het oog, juist hierin dreigt dan ook
het ontzettend gevaar van zelfverheffing en hoovaardij.
Vergeet ge toch ook maar éen oogenblik, dat al wat ge boven de wereld
vooruit hebt, u _uit genade_ toekwam, en dat al wat ge in die wereld
veroordeelt, in kiem in uzelven schuilt, dan kruipt de duivel van den
hoogmoed in uw hart en uw ziel is vergiftigd.
* * * * *
Daarom is het zoo goed, dat apostolisch zeggen van »_denzelfden klomp_«
ons gedurig in het oor te laten dreunen.
Gelijk een pottenbakker een klomp klei of leem van den bodem grijpt en
op het wiel drijft, om er een vaas als vat der eere, of een vuilnispot
als vat der oneere van te maken, zóo, zegt de heilige apostel, heeft
het God den Heere beliefd, ook met u te doen. Gij, kind van God, en
die volop in de wereld levende man, die tot allerlei uitgieting van
ongerechtigheid komt, gij zijt niet maar van éenen bloede en van éen
maaksel, maar ook van éenzelfden klomp. Het is éen leem, wat in hem
en in u wordt gevonden, en al hetgeen _hem_ van u en _u_ van hem
onderscheidt, is niets anders dan het Goddelijk welbehagen, dat u
bewrocht met een genade, die aan hem niet alzoo wierd besteed.
»_Van eenzelfden klomp_« is het woord, dat u zoo alle aanleiding tot
hoogmoed en zelfverheffing afsnijdt; want er ligt in dat woord _klomp_
iets zoo vernederends, zoo neerwerpends, zoo verlagends, dat ge opeens
al de verachting, die ge op den man der wereld woudt leggen, met dat
éene woord van _klomp_ op uzelven voelt terugvloeien.
In het leem en in de klei zelf zit niets. Het is alles éen, of ge dien
klomp hier of ginds opraapt. En gij, die als kind van God zeer terecht
inziet en belijdt, dat ge iets anders en _beters_ zijt dan die man der
wereld, zoudt opeens prooi van bittere zelfmisleiding worden, als ge ook
maar éen oogenblik denken gingt, dat dit betere dan ook uw naam beter
dan den zijnen maakte.
Want ongetwijfeld is, ja, een fijne vaas beter en hooger in waardij dan
een vuilnispot. Dat kan niet betwist, dat is zoo. Maar, en hierin ligt
het verschil, de meerdere prijs wordt door den kooper niet aan die vaas,
maar _aan hem, die die vaas maakte_, betaald. Want niet in die handvol
leem, maar in _zijn kunst_ ligt de hooge waardij, die de vaas verkreeg.
En het is dus geheel naar recht, dat ook de kunstenaar, die de vaas
wrocht, en niet die vaas zelf, de eere hebbe.
En zoo ook bij u.
Zijt ge kind van God, o, natuurlijk, dat ge dan veel hooger waardij
bezit dan een goddelooze. Maar die meerdere waardij komt Gode en niet u
toe; moet Gode en niet u betaald; en zoo gij u vermeet, die meerdere
waardij voor uzelven te nemen, pleegt ge roof aan den Heere uw God!
* * * * *
»_Van eenzelfden klomp_«, dat is dus de diepe gedachte, waar de
nederigheid in wortelt.
Want buiten Gods genade zijt gij niets beter dan de slechtsten. Nu
nóg zou, als Gods genade u losliet, het kwaad misschien veel erger in
u dan in hen uitbreken. Al de zaden en kiemen van zonden, die in hen
uitschoten, worden ook in uw hart gevonden. Och, de meest goddelooze man
der wereld laat u niets anders zien _dan wat gijzelf zijn zoudt_, zoo
God de Heere u had losgelaten.
En zoo komt dan uit dien nederiger zin vanzelf tevens de ontferming in u
op, die het laatste spoor van hoogmoed uitdrijft.
Ontferming met die kinderen der wereld, die God niet kennen, en daardoor
zoo ontzettend veel missen. Ontferming met die afgedoolden, in wie
gijzelf afdoolt, en in wier zonden gij de wonde van uw eigen hart
herkent. Ontferming met die lieden van »eenzelfden klomp« met u, in wie
ge niets ziet, dat aan uzelven vreemd zou zijn, en wien ge toebidt, en,
o, zoo innig graag toe zoudt willen brengen, diezelfde genade, die u
behouden heeft.
o, Heel uw houding onder de lieden der wereld wordt zoo geheel anders,
naar gelang ge als een beter soort wezen op die slechtheid der
slechtsten neerziet, dan wel, of ge, als met hen _van eenzelfden klomp_,
het schier niet vat en het u niet verklaren kunt, dat _gij_ van zóoveel
boosheid wierdt afgehouden.
* * * * *
Ja, nog meerderen zegen brengt die gedachte »_van eenzelfden klomp_« u.
Immers, het maakt u bang. Want ge _waart_ niet slechts van denzelfden
klomp, maar ge _zijt_ van dienzelfden klomp nog; en ziet dus in de
lieden der wereld, aan wat ontzettende gevaren van zonde en verleiding
ge nog steeds, evenals zij, zijt blootgesteld.
Niet alsof er in een Christelijk verleden niet ook een macht ter
behoudenis zou liggen. De gewoonte heeft macht ten kwade, maar ten goede
ook.