heeft een hoogere kracht op en in hen gewerkt. Ze hebben zielservaringen
genoten, die een echt kind Gods hun soms benijden zou. En toch, toen het
op de vuurproef aankwam, bleek het niet het echte werk geweest te zijn.
Ze vielen weer uit, uit wat eigenlijk nooit hun kinderdeel geweest was.
En vreeslijk was het einde van deze vergeefs bewerkte, kort daarop weer
afvallig gewordene, en nu onredbare zielen.
* * * * *
Reeds de Heere zelf wees op deze bewerkte en toch ongeredde, straks
onredbare zielen, in zijn gelijkenis van den Zaaier.
Naar de scherpe teekening, die Jezus van hen gaf, bestaan ze zelfs in
drie categorieën: personen, die slechts zeer even door genade aangedaan
worden; personen, in wie de genade een oogenblik opbloeit en een
schijnvertooning maakt; en eindelijk personen, in wie er nog meer dan
begin van bloei, in wie er zelfs een begin van vruchtzetting was, maar
in wie de pas gezette vrucht door de doornen en distelen der wereld
wordt verstikt.
Zulke door genade aangegrepene en toch niet tot den wortel bevestigde
personen zijn dus volstrekt geen hoogst zeldzame uitzonderingen.
Integendeel, van de vier categorieën, waarop de Heere de genade werken
laat, rekent Jezus er drie tot deze doelloos bewrochten, en is slechts
éen categorie de waarlijk bevruchte, die vrucht draagt, dertig-, zestig-
en honderdvoud.
Nu tellen die personen, die aan den weg bezaaid zijn, nauwlijks meê. In
hen toch was het zulk een nauwlijks waarneembaar werk, dat niemand zich
licht in hen vergissen zal.
En ook is niet zoo breed de categorie der in de doornen bezaaiden,
eensdeels, omdat de vervolgingen thans zoo fel niet meer zijn, en
anderdeels, omdat de verstikking van den rijkdom slechts het
levensgevaar van enkelen onder Gods kinderen is.
Maar breed is en blijft de categorie, die Jezus in het midden plaatste;
de categorie der tijdgeloovigen, waar vanouds Christus' kerk steeds op
wees; mannen en vrouwen, die geen eeuwig leven hebben, maar slechts voor
een tijd zijn.
Slechts voor een tijd, _omdat ze geenen wortel in zichzelven hebben_.
* * * * *
Want immers op dien _wortel_ komt het juist aan.
Of ge in iemand al het gevoelsleven gaande maakt, en zoo gevoelsstroomen
in hem opwekt, dat hij even ontrust wordt, en u het oor leent, en nu wel
meê wil loopen op den weg naar Jezus toe,--och, dat lijkt wel schoon, en
maakt soms wel een roerenden indruk, maar het mist allen grond en
degelijkheid.
De zonde is wat diepers dan het gevoel, en de dood, die uit de zonde
geboren wordt, vreet wat dieper in uw persoon in dan de oppervlakte van
uw gevoelsstroomen.
Heel uw persoon, uw wezen, uw ik, in het diepste van uw bestaan, is
aangetast, en gaat gewisselijk, zoo God het niet keert, ten verderve.
Op vernieuwing van heel dat ik, heel dien persoon, heel dat wezen, op
een van nieuws ontvangen en geboren worden komt het daarom aan.
En wat woudt ge dan in zulk een ontzaglijken strijd, die tusschen God en
Satan op den bodem van het menschenhart wordt uitgestreden, volstaan met
een cachet, dat ge er op drukt; met een vroom stempel, dat ge er op zet;
met trillingen en bewegingen in de oppervlakte; met een schijngeloof
zonder kennis; en met een napraten en nadoen van anderen, zonder
innerlijke wezenheid in het hart?
* * * * *
Waarvoor strekt en dient de wortel?
Immers juist, om als de oogenblikkelijke levenskracht is opgeteerd,
aanstonds weer nieuwe frissche levenskracht te kunnen toevoeren.
Vergelijk den bloemruiker met den ceder op den Libanon, en al het
verschil tusschen het wortellooze en wat een wortel bezit, spreekt u
toe.
o, Het is zoo, schoon geuren die bloemen en prachtig schitteren die
kleuren. Zij zijn begeerlijk en schoon voor het oog. Wie onzer kan de
bekoring van zulk een ruiker soms weerstaan?
Bovendien ze waren immers echt, die bloemen. Geen gemaakte, maar door
God gewrochte bloemen. Slechts éen ding ontbrak haar, dat ze geen wortel
hadden, en _omdat_ ze geen wortel hadden, waren ze slechts _voor een
tijd_.
En evenzoo immers is het bij die opmerkelijke schijn-Christenen. Rijk
aan sieraad ontmoet ge hen op den weg. Geur en fleur geven ze van zich.
Het is wel, zooals Paulus zegt, dat ze des Heiligen Geestes deelachtig
zijn geworden.
Soms verrukken ze u door de uitademing hunner zielen.
En toch, hun bloei is slechts voor enkele dagen. Dan verbleeken en
verdorren ze. Omdat deze schijn-Christenen _geen wortel_ hadden,
waarmeê ze leven uit God konden indrinken, bloeiden ze slechts voor een
tijd.
Zie het maar aan den ceder, die met zijn diepe wortels zoo degelijk in
wezen tegen de geplukte bloem overslaat.
Bij hem soms minder geur en minder fleur, maar een wortel, die diep
indringt, en daarom den ceder de jaren verduren doet, ja, tot een beeld
van het eeuwige maakt.
En zoo nu is Gods _echte_ kind.
Ook voor eeuwen, ja, voor eeuwig; alleen om dien wortel, waarmeê hij in
God wortelt.
Zij het zoo ook u!
VIJF-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
»GIJ LEGT MIJ IN HET STOF DES DOODS!«
Mijne kracht is verdroogd als eene
potscherf en mijne tong kleeft aan mijn
gehemelte; en Gij legt mij in het stof
des doods.
Psalm 22:16.
Eens, toen er nog geen mensch bestond, lag er op deze aarde ziellooze
doode stof. En van die stof greep Gods almogendheid een handvolle en
nog een handvolle, en vormde er een menschelijke gestalte, met been en
spier, met bloed en zenuw, uit. Altegader wijsheid, kracht, schoonheid,
die Hij in die doode stof inschiep. En toen dit menschelijk lichaam
gereed lag, schiep diezelfde God er de ziel in, waarop het lichaam was
aangelegd. En zoo verrees die door Gods almacht wonderkunstig bewerkte
stofklomp, en wat daar in het Paradijs stond en voor het eerst omzag en
waarnam en luisterde, was de door God geschapen _mensch_.
Zoo was die mensch niets dan stof, met bijvoeging van de wijsheid en de
almacht Gods, die scheppend op die stof gewerkt had.
Zoolang diezelfde almacht hem in dat stof hield en behield, bleef hij
dus. Maar liet God hem los, of ging hij van zijn God af, wat wierd er
dan anders van hem dan nogmaals stof?
En daarom, toen de mensch in zijn hoovaardij dát aandorst, en den band
met zijn God afsneed, toen kwam de vloek ook: »Stof zijt ge en tot stof
zult ge wederkeeren, dewijl ge daaruit genomen zijt!«
Uit dien hoofde blijft het niet bij het uitblazen van den adem en het
geven van den jongsten snik. Neen, de vernedering moet nog dieper
doordringen. Wie God verlaat, moet terug naar den toestand, waarin hij
verkeerde, eer zijn God hem riep en schiep. En daarom volgt er na ons
uitblazen van den adem nog een graf, dat ons in zijn schoot ontvangt.
Dan opent de aarde zich. Die stofbodem, waarboven Gods almacht ons
verhief; dien we met onzen voet vertreden hebben; waarover we koninklijk
heerschten; maar die nu zich wreekt, en ons opwacht, om over ons te
heerschen.
Het graf ontbindt, verteert, verslindt u. En de ruste kan niet komen,
eer het weer wierd, wat het oorspronkelijk was: _niets dan stof_.
* * * * *
Dit nu heeft ook de Messias voorgevoeld en vooruit doorleden, toen de
Heilige Geest David tot den lijdenspsalm uitdreef, en hij zong van den
bittersten kruisdood, en, in zijn uitroepen ook in dien smaad van het
graf verzinkend, klaagde: »o, Mijn God! _Gij legt mij in het stof des
doods!_«
Voor ons gaat dat bij trappen. Eerst krank; dan sterven; en dan het
graf. Maar voor den blik van Messias was dat éen rechtstreeks doorgaande
lijn van vernedering en vernietiging _tot in het graf_. Eén opwoeling
_van het stof des doods_, dat Hem verstikken zou.
Stof en Geest staan tegen elkander over.
Het stof is het vormelooze, onbezielde uit de ure, toen de aarde nog
woest en ledig was en duisternis op den afgrond. De Geest was toen nog
niet scheppend in de stof gedrongen om haar te bezielen. De Geest van
God was nog zwevende _over_ de wateren.
Maar op Gods bevel dook die Geest in het stof; en zoo kwam het leven van
heel de schepping er, tot het eindelijk zijn kroon ontving in den
mensch.
Zoo moest dan het stof den Geest dienen, en de Geest is geroepen, om het
stof te bezielen en te beheerschen.
Tot er een breuke in dat geestelijk leven komt. Want dan kentert het rad
der geboorte. Het slaat om. De macht wordt aan het stof hergeven, en het
gaat alles terug naar wat »woest en ledig« was. Het wordt alles weer
stof.
En in die schriklijke vernieling moest ook Messias in.
Als Middelaar in het eeuwig Raadsbesluit gesteld, was het zijn lot,
het wel en wee van ons menschelijk geslacht te huwen. Eens de glorie,
waartoe het geroepen was; maar eerst de verderving, waartoe het was
gedoemd.
Hij zou onze natuur aannemen; maar in gevallen en geknakten staat.
Gelijk ze onder den doem lag, om in dood en graf te verzinken en tot
stof weder te keeren. En in dien loop en weg moest Messias ingaan, om
juist in de groeve des doods verzonken, met het stof te strijden, en in
het graf zelf de macht van het stof te binden door zijn verrijzenis.
* * * * *
Dat was het eindpunt, waartoe het komen moest. Dat de diepste diepte,
waarin Hij had weg te zinken. En eerst als die diepte der versmading
bereikt was, zou Hij met de diep ingedrukte veerkracht des Geestes
koninklijk triomfeeren over het graf, dat ook Hem vernielen wilde.
Het stof heeft over Jezus geen macht gehad. »Gij zult niet toelaten, dat
uw Heilige de verderving zie!« had het in Psalm 16 weerklonken. En die
toon der hope wierd profetie.
Het is bij Jezus doorgegaan tot de scheiding van ziel en lichaam. Zelfs
is zijn afgescheiden lichaam in het graf gelegd. Maar verder kwam het
niet. Het stof kon dat lichaam _niet_ ontbinden, _niet_ verteren; _tot
stof_ wierd het niet!
Hij werd in het stof des doods gelegd. Besloten in een graf. Besloten
achter een deur van steen. Maar in de worsteling, die toen volgde, leed
het stof de nederlaag. De Geest des levens overwon en het stof des doods
wierd overmocht.
En ook nu ging het naar den wortel.
Gelijk in Adam de wortel van ons geslacht geknakt en in de macht van
het stof weggezogen was, en deswege een iegelijk onzer den tol der
ontbinding aan het stof moet betalen, zoo ook ging het hier te werk.
In Christus triomfeerde _de wortel_ des nieuwen levens, en in Hem
zegepraalt over het stof, al wat in dien wortel gehecht is.
* * * * *
Ontzettend moet het voor den Middelaar geweest zijn, eer Hij triomfeeren
kon, in die diepte om onzentwil weg te zinken.
Hij klaagt het met zulk een toon, waar weedom des harten in kermt: »Gij
legt Mij in het stof des doods!«
En toch, er sprak in dat woord toch ook vertrouwen.
Hij wierd niet door dat stof getrokken, maar _God legde Hem er in_.
Het is alleen ontwikkeling, ontplooiing, uitwerking van het eeuwig
Raadsbesluit. Van datzelfde Raadsbesluit, waarin ook zijn triomf
besloten lag. En dat maakte, dat deze diepe treurpsalm (22) reeds
halverwege in den toon van lof en jubel omslaat: »Gij, die den Heere
vreest, prijst Hem; al gij zaad Jakobs, vereert Hem; en ontziet u voor
Hem, al gij zaad van Israel!«
Daarin ligt voor Messias de macht, om door te worstelen tot den einde.
Niets overvalt Hem. Niets overkomt Hem door de macht van de natuur of
van de zonde. Zelfs in zijn bangste lijden is Hij geen oogenblik buiten
Gods hand.
Gods Geest leidt Hem in de woestijn, om verzocht te worden van den
duivel; en straks is het dezelfde Vaderhand, die Hem den beker, den
schriklijken drinkbeker van den eeuwigen dood, aan de lippen zet.
Hij valt niet in het stof des doods. _God legt Hem er in._
En zoo ligt in zijn wegzinken de profetie van zijn opvaren in de hoogte.
Het is al uitvoering van het éene lijdensprogram; maar vlak na dat
lijdensprogram volgt in Gods Raadsbesluit het program van glorie en
zegepraal.
Door lijden tot heerlijkheid!
De poorte des Heeren, waar Hij door moet treden, om in te gaan in den
luister, die Hem beidt.
Hierin lag voor den Middelaar, in leven en in sterven, naar ziel en naar
lichaam, zijn eenige vertroosting.
En nog weet Gods kind op aarde het, hoe hij, achter Jezus aankomend,
daarin al zijn rust, daarin den moed om te dragen en te dulden, daarin
alleen de geestkracht vindt, om temidden van de bangste duisternis het
licht te grijpen, zoo hij, in de diepste smart verzonken, weten mag:
Niet bij geval, noch ook door den mensch mij aangedaan. _Gij, Heere! Gij
alleen legt mij in het stof des doods!_
ZES-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
»DE ONGERECHTIGE MAN ZIJN GEDACHTEN.«
De goddelooze verlate zijnen weg, en de
ongerechtige man zijne gedachten; en hij
bekeere zich tot den Heere, zoo zal Hij
zich zijner ontfermen, en tot onzen God,
want Hij vergeeft menigvuldiglijk.
Jesaja 55:7.
Er is tweeërlei soort van weg. Een weg, waar onze voet op gaat, en een
weg, waarlangs _onze gedachten wandelen_.
Die eerste is het pad onzes levens, waarop we ons in de werkelijkheid,
in de wereld, in maatschappij, in huis en kerk bewegen. Maar die andere,
die tweede weg doorkruist ons _inwendig_ leven, loopt door de wereld van
ons _hart_ en kronkelt zich door de diepten onzes gemoeds.
En nu ligt de zonde op _allebei_ die wegen.
Volstrekt niet enkel op onzen weg door het werkelijke leven, maar wel
terdege ook en even sterk op dien verborgen weg van ons hart.
Dat leven daarbinnen is toch ook een _wezenlijk_ leven. Zelfs in uw
verbeelding kan geen beeld voorkomen, of er is iets in uw hart, dat aan
dit beeld aanzijn gaf. Het heeft alles een oorzaak, alles een wortel,
alles een kiem, waaruit het opschiet. En hetzij ge droomt of phantaseert
of mijmert, of door hartstocht in uw binnenste gejaagd, of door drift in
uw nieren geprikkeld wordt, al wat op het veld uwer gedachten opdoemt en
gestalte gewint, bestaat wel niet voor de wereld, maar bestaat wel
terdege voor u... _en voor uw God_.
Zijn onbepaalde wetenschap bezet u van voren en van achteren; beluistert
u aan den uitgang uwer lippen, maar evenzeer in de sluiphoeken van uw
hart.
Ook in uw wereld, die binnen in u is, gaat zijn onbepaalde wetenschap
door.
En of ge nu al op uw pad door de wereld recht gaat, zoolang uw pad
_daarbinnen_ krom loopt, staat ge voor uw God in de schuld en voor uw
God geoordeeld.
Hij is uw God.
Hij heeft recht op u in uw loop door de wereld; maar eveneens recht op u
bij uw wandelen langs de paden uws harten.
En daarom, als uw God u tot bekeering roept, dan zegt zijn Woord niet
enkel: »De goddelooze verlate zijn weg,« maar volgt er terstond op: »_en
de ongerechtige man zijn gedachten_.«
Nu zijn die »goddelooze« en die »ongerechtige man« niet twee personen.
Het is éenzelfde persoon, die een weg naar buiten en een weg naar
binnen heeft. En het is tot dien mensch met zijn _dubbele_ wereld en
met zijn _tweeërlei_ weg, dat het woord uitgaat: »Ge moet af van den
weg der goddeloozen in de wereld buiten u; maar ook af van den weg der
ongerechtigheid in uw eigen gedachten.«
* * * * *
Hier zit veel in.
Dit weet ge toch ook wel, hoe verrukt onze ziel reeds is, als ze alvast
in den uitwendigen weg overwon; en een ondeugd ingetoomd; een zwakke
steê in ons karakter bewaakt; een leelijke gewoonte bestreden; een booze
toeleg verijdeld wierd. o, Als er eens ontkomen aan de macht der zonde
is, dan jubelt het reeds zoo dankbaar van binnen. De zonde is zulk een
ontzettende »drijver«. Zijn geeselkoord is zoo scherp en zijn striemen
gaan zoo diep. De zonde dwingt zoo en spot zoo met alle beter voornemen.
En als er dan eens genade komt, en de zonde leî het af, en wij ontkwamen
den strik, om als een vogeltje vrij uit te vliegen, dan zong ook onze
ziel, als het vogelkijn zoo blij, haar lied, het lied _der verlosten_.
En daar dingen we niet op af.
Het is melodie in het oor van den Heilige daarboven, als dat lied der
bevrijding weer langs de velden klinken mag.
Alleen hierop komen we maar, dat ge er hiermeê nog niet van af zijt, en
dat het u niet baat, of ge het wint _in het leven_, zoo ge het aflegt
_in uw hart_.
En nu is de moeilijkheid hier groot.
Tot onzen dood toe blijven we hetzelfde onreine beginsel in ons
omdragen. De poel der ongerechtigheid gaat in onzen laatsten ademtocht,
maar ook dan eerst, van ons af.
Tot dien tijd blijft het dus altoos onder den bodem van ons hart een
gevaarlijke toestand. Hoe goed ook die bodem geplaveid zij, en hoe
sekuur ook de opening van den poel der zonde dicht zij geschroefd,
altoos blijft die poel er toch onder, en het onreine gas der zonde is
zoo aldoordringend, dat het door de hechtste afsluiting toch doorkomt.
Satan blaast in die gassen, en daardoor hebben ze zoo doordringende
kracht. Soms zelfs slaat plotseling heel het deksel van de opening af,
en vliegen opeens weer alle booze demonen door uw binnenste.
Maar goed, sluit dat laatste schriklijke geval nu uit, dan blijft er
toch altoos, wat onze Belijdenis noemt, een opborrelen uit de onzalige
bron in ons hart.
En hierdoor nu komt het, dat ge zoo licht denkt: »Aan dat opborrelen van
het onreine gas in mijn hart kan ik toch niets doen. Dat komt vanzelf.
Dat kan dus geen zonde zijn. Daar kan God mij niet om veroordeelen!«--en
dat ge alzoo denkende aan die onreine en onheilige gedachten den vrijen
loop laat.
* * * * *
En dit nu verbiedt de Heere u.
De ongerechtige man moet _ook zijn gedachten_ verlaten. Ge moet wel
denken, wel gedachten hebben; maar ge moet in de gedachten _des Heeren_
met uw ziel inleven; en om dat te kunnen doen, _uw gedachten_
prijsgeven.
En _uw_ gedachten, ja, dát zijn nu wel waarlijk die opborrelende gassen.
Die komen uit _uw_ hart, uit de bron van _uw_ wezen, uit den wortel van
_uw_ innerlijk bestaan, en wee u, zoo ge die gedachten koestert, zoo ge
er meê speelt, zoo ge er vermaak in krijgt, en er meê verkeeren blijft;
want dan zet ge er het zegel van uw begeeren en van uw wil op, en ge
zondigt tegen den Heere uwen God.
Neen, wat ge doen moet, is allereerst, dat opborrelen zooveel doenlijk
beletten.
Het is toch _niet_ waar, dat ge daar niets aan doen kunt. Dat maakt de
duivel u wijs, maar leert Gods Woord u wel anders. Let er maar eens op,
hoeveel minder de opwellingen zijn den eenen dag bij den anderen
vergeleken, al naar gelang ge uw wachten hadt uitgezet.
Maar ook dan nog, als ze opborrelden, dan nog staat ge voor de keus, om
er onverwijld tegen in te gaan, of om ze vrij spel te laten.
Dan is er iets in die opwellende zonde, dat u streelt, u lokt, u
meêtrekt; maar ook iets, waardoor de Geest in u getuigt: »Weg daarmeê!«
En nu is het maar de vraag, of ge op het eerste oogenblik, terstond, zóo
als ze opkomen, daar de hand tegen inslaat, of dat ge er zekeren lust
aan hebt, om die zonde eerst even in uw hart te laten omloopen.
Doet ge dit laatste, dan zijt ge de macht kwijt, en de zonde omfloerst
u, ook al komt het niet tot de daad.
Maar ook, doet ge het eerste, wordt ge biddende, waakt ge, strijdt ge,
dan komt de Geest u te hulpe, en het onheilige gas ontsnapt.
* * * * *
Zelfs in het heilige moet ge bedachtzaam zijn.
Want ongetwijfeld moet ge uw verleden overdenken, en tot uzelven
inkeeren, en vrede bij uw God zoeken.
Maar wee u, zoo dat denken aan de zonde in uw verleden een soort spel
wordt.
o, De vaderen der kerk hebben er steeds zoo ernstig tegen gewaarschuwd,
om de voorgaande zonden toch in de diepten der zee te laten liggen,
waarin God ze genadiglijk geworpen had.
Want het is een feit, een schriklijk feit, dat menige overdenking van
zonden, die men vroeger beging, door de kracht der verbeelding, en de
werking der herinnering, en het terugleven in wat men vroeger deed,
feitelijk het roersel der zonde weer wakker maakte, de verbeelding
overmeesterde en in nieuwe zonde vrucht droeg.
»De goddelooze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten«
houdt ook in, dat ge God den Heere aan zult roepen, om u _de heugenis
uwer vroegere zonden_ geheel uit de ziel te snijden.
Uit te snijden, niet enkel, opdat ze u niet meer benauwen in vreeze,
maar ook wel terdege, opdat ze uw ziel niet met nieuwe zonden
bezwangeren.
ZEVEN-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
»HOEVELE ZONDEN HEB IK?«
Hoevele misdaden en zonden heb ik? Maak
mijne overtreding en mijne zonde mij
bekend.
Job 13:23.
Job heeft in zijn zielsangst schriklijke dingen uitgesproken, die we hem
niet mogen nazeggen. En toch ligt er ook in die wilde kreten van Job
voor u een diepe onderwijzing!
Dit komt daarvandaan, dat Job _zegt_, wat gij _denkt_; maar vaak denkt,
zonder het zelf te weten.
Hoor het maar, als Job in de wanhoop zijns harten voor zijn God
uitschreeuwt: »_Hoeveel misdaden, hoeveel zonden heb ik? Maak mij mijn
overtreding en mijn zonde bekend!_« Want dat roept Job uit, niet om
ontdekkend licht over het boos gedichtsel van zijn hart te ontvangen;
neen, maar wel terdege, alsof hij zeggen wilde: »Gij kunt mij niets
aantijgen; ik sta niet schuldig; er is geen zonde van aanbelang, die mij
door God of menschen kan bewezen worden!« Immers er gaat vlak vooraf:
»_Ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden!_«
Dat nu Job hierin tegenover Zofar recht sprak, mag u hier niet ophouden.
Tegenover de majesteit des Heeren HEEREN sprak Job dwaasheid! En alleen
in _dit_ opzicht raakt dit woord _u_.
Want laat het u gezegd zijn: Wat bij dien wanhoopskreet over de lippen
van Job gleed, dat woelt telkens ook uit den bodem van uw hart op.
o, Gewisselijk, ge bekent wel zondaar te zijn; maar, zoo vraagt het
arglistig hart gedurig: _Waarin bestaat dan toch eigenlijk mijn zonde?_
Schuld _wilt_ ge wel belijden; maar _kunt_ ge schuld belijden? Voelt ge
een oordeel over heel uw persoon in uw binnenste gaan? En bij deze vraag
grijpt er bij den burgerlijk braven mensch altoos een worsteling in zijn
binnenste plaats: »Om oprecht te zijn, wat ik haast niet durf, wat zijn
dan mijn overtredingen? Als ik zoo diep schuld heb te belijden, _hoevele
zijn mijne zonden dan_?«
Natuurlijk, de ongelukkigen, die eerst zijn overgegeven in een
verkeerden zin, en in hun jeugd, of ook later zich tebuiten gingen aan
zonde van godslastering, van diefstal, van dronkenschap, van hoererij,
die vragen dat niet. Die hebben hun antwoord.
Maar zoo gij daarvoor bewaard bleeft, en genade uw voeten hield, dat ze
niet uitgleden, dan valt op die vraag het antwoord, o, zoo zwaar aan uw
geruste conscientie.
En als ge Job dan roepen hoort: »Waar zijn dan mijn zonden?!« denkt dan
ook uw ziel niet soms in zichzelve: »Och, wat Job vroeg, denk ook ik in
mijn binnenste, al durf ik het niet _uitroepen_, gelijk Job het
uitriep«?
* * * * *
Nu een vraag!
Waart ge nimmer in een dierentuin, waar achter de traliën kleine, lieve,
jonge tijgertjes speelden en sprongen, al rollend door elkaar? En dat
boeide u, niet waar! die lieve, spelende diertjes, waar nog geen kwaad
bij was.
o, Om de moeder-tijger zitten ze achter de traliën. Maar als die kleine,
lieve diertjes alleen waren, kondt ge gerust de traliën wegschuiven en
uw eigen jongen met die kleine tijgertjes stoeien laten. Ze zouden uw
jongen geen kwaad doen.
Ze spelen en stoeien nog maar en zijn zoo aantrekkelijk lief.
En toch, ge weet het. Als ge diezelfde lieve diertjes maar stil gaan en
groeien laat, komt uit diezelfde lieve beestjes toch straks de felle,
wreede, bloeddorstige tijgeraard tevoorschijn. En zoo ge niet toeziet,
verscheuren ze u en uw kind.
Heeft nu dit duidelijke beeld u niets omtrent de zondige gestalten in uw
eigen hart te zeggen?
o, Neen, ook in u zijn die zonden nog niet uitgegroeid. De muil is nog
niet opgesperd. De klauw nog niet uitgeslagen. Het vuur van den
bloeddorst vlamt nog niet in het oog.
Gij speelt nog met uw lieve zondetjes, in uzelven en in uw kind.
Er zit geen kwaad bij, denkt ge, en het vermaakt u meer, dan dat het u
angst aanjaagt en u beklemt.
En toch, wat zijn al die zondetjes in u dan kleine tijgertjes van
binnen, waar de schriklijk booze aard inzit? En wat drijft ge anders dan
roekeloos spel, met die booze wezentjes in u te koesteren en te
streelen?
Men vergeleek de zonde in u wel eens bij kiempjes, zaadjes van een boos
distelkruid, dat, straks opgeschoten, u de huid zou openrijten. Maar dat
is te zwak gezegd. Neen, er is erger, er is verscheurend wild in uw
hart. Die nog onuitgeroeide zonden in u zijn als tijgertjes, die eerst,
o, zoo lief, toch als heur aard en wezen uitkomt, zich zoo schriklijk
openbaren zullen.
Dan moordt het in uw hart!
* * * * *
En nu zult ge het onderscheid gevoelen!
In _uw_ hart, zoo goed als in dat van _ieder_ zondaar, zitten van binnen
al die booze machten in. En voor wat aan u ligt, doet ge alles, om die
booze wildheden van klein groot te laten worden. Gij lacht er tegen. Gij
stoeit er meê. Gij voedt ze met sterk voedsel. Het is, of ge haast naar
het oogenblik hunkert, waarop de booze aard mocht uitslaan.
Maar uw God is ontfermende!