Neen, de heilige apostel zegt uitdrukkelijk: »Gij zijt _schuldig_ om
_elkander_ lief te hebben.« Let wel: »elkander«, wat volstrekt _niet_
beduidt, dat ge er zoo enkelen uit zult kiezen, en dat gij dan die
enkelen, en die enkelen u zullen liefhebben. Neen, _elkander_ liefhebben
beteekent in de pen van den heiligen apostel, dat _alle_ kinderen Gods
schuldig zijn _alle_ andere kinderen Gods lief te hebben.
De Heilige Schrift wil, dat gij erkennen zult: »Deze personen, hoe
onaangenaam en afstootend ook in zichzelven, heeft God de Heere
uitgekoren en verwaardigd, om ze met _zijn_ liefde te begiftigen.« En
omdat God ze, evenals u, met _zijn_ liefde begiftigt, moogt gij den
neus niet voor hen optrekken, of met een onverschillig gezicht bij hen
voorbijgaan, maar _moet_ gij ook op _hun_ liefde prijs stellen en hun
wederkeerig _uw_ liefde geven.
* * * * *
Zoo ge dit nu _niet_ doet, dan hebt ge, hoe ge er ook van opgeeft, toch
wezenlijk _den Heere uw God_ niet lief.
Om deze reden niet.
Uw God heeft goedgevonden deze personen uit te verkiezen. Hij was
daartoe de Vrijmachtige. Hem beliefde dit zoo. Hij heeft ze u als
voorwerpen van uw liefde gegeven en beschikt. En dat wel, overmits zulks
zijn heilig Goddelijk en koninklijk privilege is.
Immers omdat Hij God is, is Hij, en Hij alleen, vrij in zijn keuze, en
is Hij, uw God, gerechtigd, te bepalen, wie de voorwerpen van _uw_
liefde zullen zijn.
En als gij dat recht nu aan uw God betwist, en volhoudt: »Neen, maar
ik zal _zelf_ bepalen, wie ik lief zal hebben,« dan randt gij het
koninklijk beschikkingsrecht van uw God aan; iets wat met uw liefde voor
Hem onbestaanbaar is.
Of, om het u anders te doen gevoelen, uw God begiftigt die personen met
_zijn_ liefde. Weigert gij dit nu ook te doen, dan blijkt hieruit, dat
uw liefde _een andere keus_ heeft dan Gods liefde, en dus van een ander
gehalte en karakter is. En overmits nu de echte liefde alleen door God
in onze harten kan worden uitgestort, zoo blijkt, dat uw liefde _niet_
uit God is. En overmits nu de Heere alleen met zijn eigen liefde kan en
wil geliefd worden, zoo voelt ge ook hieraan, waarom in dat geval uw
liefde voor God niet echt en niet waarachtig is.
Een overweging, waaraan de heilige apostel nog deze toevoegt, dat de
leden van het lichaam van Christus uit God geboren en Gods kinderen
zijn; en dat het nu niet aangaat te zeggen: Ik heb wel _den Vader_, maar
niet _zijn kinderen_ lief, overmits juist aan de liefde voor iemands
kinderen de liefde voor hun vader gekend wordt.
* * * * *
Tot deze, niet door u, maar door God bepaalde liefde, wekt de Heere u
reeds in het maatschappelijk leven op.
_Hij_ koos voor u _uw vader en moeder_, niet gij voor uzelven. En op
grond van die keuze, die Hij voor u, en niet gij voor uzelven deedt,
stelt Hij den eisch in zijn gebod, dat gij uw vader en moeder lief zult
hebben; niet omdat gij zooveel beminnelijks in hen vondt, maar omdat God
ze u tot voorwerpen van uw kinderlijke liefde gesteld heeft.
Evenzoo koos God voor u _uw kinderen_, en schonk Hij allerminst aan
u het recht en de macht, om te bepalen, wie en hoe uw kinderen zijn
zouden. En van deze, niet door u gekozenen, maar door Hem voor u
alzoo geboren kinderen, eischt Hij in zijn heilig gebod, dat ze u de
voorwerpen van uw _ouderlijke_ liefde zullen zijn.
Zoo ook koos niemand zijn broeders en zusters, maar ontving ze van God
den Heere. Ook hier koos Hij voor u, niet gij voor uzelven. En toch
eischt de Heere, dat ge, op grond van _zijn_ keuze, en niet van uw
goedvinden noch van uw sympathie, uw broeders en zusters zult
liefhebben.
En ditzelfde nu, wat in het gewone gezin reeds zoo machtig en
aangrijpend door God den Heere gepredikt wordt, datzelfde predikt Hij nu
ook, op nog sterker wijs en in machtiger zin, aan zijn kerk.
Die kerk is het lichaam van Christus. Die kerk is de saamvergadering der
geloovigen. Hypocrieten nu daargelaten, zijn de leden dier kerk door den
Heere uitgekozen en saamgevoegd. Met wie ge in dat lichaam Christi zijn
zult, staat niet aan u, maar stond alleen aan uw God te beoordeelen.
Ook deze uwe broeders en uw zusters koos Hij, _niet_ gij. En het is nu
van deze aldus door Hem voor u gekozen broeders en zusters, dat _Hij_ u
den eisch stelt: »Gij zijt _schuldig_ ze lief te hebben.«
* * * * *
Natuurlijk is deze eisch niet _onredelijk_ bedoeld.
Van al de leden van dat groote, heerlijke lichaam van Christus kent gij
er maar _zeer enkelen_. Alleen diegenen, die in uw tijd leven. Onder hen
alleen degenen, met wie gij in aanraking komt, of van wie ge hoort. En
onder dezen nog slechts de kleinere helft van genoeg nabij, om met een
oordeel der liefde te bekennen, dat ze waarlijk besloten zijn in zijn
Genadeverbond.
Ook blijft die eisch des Heeren _redelijk_ in dien anderen zin, dat
een sterker hechten aan den een dan aan den ander niet is uitgesloten.
Persoonlijke geestelijke sympathie laat zich niet dwingen, maar is als
de magneet, die vanzelf trekt, waar een verwant metaal in de nabijheid
komt. Ook binnen dezen kring der broederliefde blijft er dus altoos
plaats voor nauwere persoonlijke vriendschap, voor geestverwantschap in
enger zin en warmer sympathie des harten. Mits maar, en daarvan gaat
nooit iets af, ook al die anderen voor u voorwerpen uwer liefde blijven,
waaraan ge om Gods wil liefde _schuldig_ zijt.
Een zonde is het daarom in u, zoo dikwijls er belijders des Heeren in uw
stad of dorp of omgeving u bekend zijn, van wie ge naar den aard en in
het vertrouwen der liefde acht, dat ze wel waarlijk genade ontvingen
en met u in hun sterven éen weg zullen uitgaan, en als ge dan toch de
Kaïns-gedachte te hunnen opzichte hebt en denkt: »Wat gaan mij deze
broederen aan?«
Ze gaan u wel terdege aan, omdat God ze voor u als voorwerpen uwer
liefde, aan wie ge liefde _schuldig_ zijt, heeft uitverkoren.
Ge _moet_ ze liefhebben, en dus ook, waar ge geen veelvuldige
persoonlijke aanraking met hen hebt, toch hunner in liefde gedenken.
En ook al verschillen dan de formatiën van het kerkelijk instituut,
waaronder gij leeft en waaronder zij leven, gij zult en moogt nimmer
vergeten, dat ze desalniettemin saam met u leden van de kerke Christi
zijn, leden met u van hetzelfde lichaam, ranken in eenzelfden wijnstok.
Uw Avondmaal is zelfs geen Avondmaal, zoo ge niet in deze uwe liefde al
de leden van het lichaam Christi omvat.
En welken zegen ge ook aan uw kerkformatie dankt, zoo deze ook
tengevolge had, dat ge om harentwil u opsloot in eigen kring, en afsloot
van al Gods andere kinderen, dan zou deze uwe kerkformatie, hoe zuiver
en onberispelijk ook, u tot een oorzaak van zonde worden, en deze zonde
zich wreken aan uw geestelijk leven.
En daarom over de muren en omheiningen onzer kerkformatiën moet elk kind
van God al Gods kinderen de hand der broederlijke liefde reiken; niet
met een koel Platonische, maar met een warme, vurige, Christelijke
liefde.
En zelfs waar soms bittere kerkelijke twist ons dreigt te scheiden, er
mag nooit een wortel der bitterheid opspruiten.
Ge blijft _schuldig_ elkander lief te hebben. En met _elkander_ blijft
hier _elk ander_ kind van God bedoeld.
TWEE-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
»WEE DEN GERUSTEN TE SION!«
Wee den gerusten te Sion, en den
zekeren op den berg van Samaria; die de
voornaamsten zijn van de eerstelingen der
volken, en tot dewelke die van het huis
Israels komen.
Amos 6:1.
Met zijn zielsoog te staren in een wereld, die God niet vreest, is
schriklijk; maar veel schriklijker nog is het, door Sions straten te
wandelen en te zien, hoe de gerusten in Sion zichzelven misleiden.
In de booze, ruwe wereld kunt ge de boetbazuinen nog opsteken, en als in
de dagen van Noach gerechtigheid prediken, en heur zonde haar aanzeggen
in haar aangezicht.
Die wereld vreest God niet, en smoort de stem van haar conscientie, en
leeft voor ijdelheid en zingenot, en vertreedt het recht met den voet.
En ze _weet_, dat ze het doet. En daarom, hoe fel ze ook tegen uw roepen
inschreeuwt, toch raakt de roepstem van boete en bekeering, die ge in
haar midden doet uitgaan, haar innerlijk bewustzijn. Ze _weet_, dat ze
zichzelve verlaagt.
Maar aan de gerusten in Sion is geen speld vast te krijgen. Immers niet
zij zijn het, die op de paden der wereld omdolen; integendeel, Sion is
hun lust en keuze. Alleen Jeruzalem is schoon in hun oog. Aan Jeruzalem
hangt al hun glorie.
Blaas de boetbazuin in de wereld, en zij, de gerusten in Sion, juichen u
toe. Treed op als prediker der gerechtigheid, en zij vouwen dankend de
handen, dat er weer een woord der bestraffing naar de wereld uitgaat.
Van Sions tinne zien ze in heiligen trots op de wereld buiten Sion
neder, en jubelen er in, als er over die wereld weer een oordeel uitgaat
of de boetprediker die wereld aangrijpt in haar weerspannig en misdadig
woelen.
Slechts éen ding, ge moet _hen_ niet te na komen. Ge moet u niet
inbeelden, dat ook voor hen het woord van vermaan en bestraffing nog
noodig kan zijn. Van een onweder, dat over de wereld kan losbarsten,
hooren ze gaarne; maar in Sions gevelspitse en in Sions toren slaat het
weerlicht van dien storm der elementen nooit in.
Och, al wat ge de wereld kunt toeroepen, is immers, dat ze naar Sion
heur schreden zal wenden, dat ze in Sion mocht geboren worden. En nu,
_zij zijn_ immers in Sion. Zij denken er niet aan, om Sions poorte weer
uit te treden.
Wat wilt ge dan?
Waarom zouden ze in Sion ongerust zijn?
* * * * *
En _geestelijk_ verstaan, _is_ dat ook zoo.
Als ge door de poorte en muren van het uitwendige Sion doordringt naar
de verborgen heiligheden van het geestelijk Sion, dat in almachtige
genade gegrondvest ligt, dan is er voor onrust geen plaats, voor
ongerustheid en bezorgdheid geen oorzaak.
Wie in dat Sion inging, die _is_ geborgen. Dien treft geen pijl van den
vijand daarbuiten meer. En dien kan niemand meer rukken uit de hand en
uit de macht van Sions gezalfden Koning.
Maar dat zijn »de gerusten in Sion« niet, tegen wie Gods heilige
profeet toornend ingaat. Die zóo in Sion gerust mag zijn, dien is zijn
gerustheid een oorzaak van lof; een wondere genadegave van zijn Heere
en Koning, een zalige, van God uitgaande geloofswerking in zijn hart.
Neen, een heel ander Sion is het, waar de profeet zijn woord tegen
slingert.
Een Sion, dat niet in- maar _uitwendig_ is. Een Sion, waarin gezongen
wordt: »Des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn wij!«--Kortom, een
Sion, waarin alles een vorm, een gestalte, een gedaante heeft, die
naar het voorbeeld van het inwendig Sion is afgemeten; maar zonder
_dat er zekerheid voor het wezen is_. Een Sion in uw denkwereld en
in de belijdenis uwer lippen, een Sion van gemoedsaandoening en
gemoedelijkheden, een Sion van levensusantiën en zelfgekozen kringen;
maar zonder dat het brullen des Heeren HEEREN er in wordt gehoord, en
het suizen van den wind des Almachtigen.
* * * * *
En nu verwerpen we dat uitwendig Sion niet.
Integendeel, al wat het inwendig Sion toehoort, spreekt ook zoo, getuigt
op gelijke wijs, weet te roemen in gelijke ervaringen, en schikt zich
naar dezelfde levensusantiën; alleen maar, indien het echt werk is, zijn
dit wel vormen, waar zich het leven in uit, _maar is het het leven zelf
niet_.
Dan schuilt het leven _daarachter_; dan komt het leven daarin uit; dan
straalt het daarin door, dan houdt het zich daarachter verborgen; en al
dit uitwendig spreken en belijden en meêloopen is slechts een middel,
waardoor het straalsgewijs naar buiten treedt.
Doch als er dat _niet_ achter zit; als het een vorm _zonder_ wezen;
een looze kalkwand is, maar geen muur; een geschilderde vroomheid in
prachtige kleuren, maar zonder dat de geur des levens er van uitgaat;
dan is Sions naam geen schild, maar een schriklijk gevaar; en is er
geen erger toestand denkbaar dan van iemand, die in zulk een Sion als
een geruste voortleeft en in zulk een denkbeeldig Jeruzalem als een
verzekerde slapend meê afdrijft op den stroom.
Dan vindt ge soms heele gezinnen, waar alles orthodox toegaat, en heele
geslachten, die voor Sion staan ingeschreven, en heele dorpen, die bij
Sion gerekend worden, ja, heele landstreken, die onder Sions schapen
haar kudden doen weiden, en dat er aldoor geroepen wordt; »Vrede, vrede,
en geen gevaar!« en dat ze denken; »Wij zijn rijk en verrijkt geworden
en hebben geens dings gebrek,« en dat er toch eigenlijk niets dan _een
moeras_ is van wateren, die eens vloten, maar nu _stilstaande_ wateren
zijn geworden, omdat de adem des Heeren er het woud niet meer doorademt.
* * * * *
Toch behoeft het kennersoog zich tusschen die echte Sionieten en die
valschelijk gerusten in Sion niet te vergissen. Immers hun uiting is
juist tegenovergesteld.
Voor die valschelijk gerusten is hun vroom vormleven het een en al;
maar naar den levenden God vragen ze niet. Ze drinken uit de beek en ze
weiden op de velden; maar om den Herder hunner ziele roepen ze niet. Hun
Sion is een gekunsteld, geen wezenlijk Sion. Een Sion onder een glazen
stolp, waar geen stofje inwaait; maar niet het echte Sion, waarin het
trillen en dreunen van de majesteit des Heeren HEEREN wordt gevoeld.
En daarom vindt ge dit verschil, dat die valschelijk gerusten in Sion
den kwaden dag altoos verre stellen; en zich de breuke van het huis
Jozefs niet aantrekken; en geen lijden om Sion en geen zorge voor
zichzelven kennen; maar als welvoldane en zelfgenoegzame kinderen
Abrahams zich vermaken binnen het gordijn van hun heilige tente; en
juist daardoor geen schok in de ziel en geen ritseling in het woud, en
geen erbarming met anderen kennen. Wat gaan hun de volken achter Bazan
aan? Niets kan in hun heilig Sion hen deren!
Maar zoo zijn degenen, die _wezenlijk_ rust in het echte Sion vinden,
niet.
Eer omgekeerd voelen zij keer op keer een onrust in de ziel, alsof de
fundamenten van Sion zelf schokten en dreunden. Hun stormt het gedurig
in de hooge spitsen der torens en in de toppen der boomen, die Sion
omringen.
Zij hooren God den Heere werken, en het naderen van zijn majesteit is
hun ontzaglijk.
Neen, ze zijn _niet_ gerust, dan door de spanning van de _onrust_ heen.
Want aldoor dreunt hun de stem huns Gods in het oor, en dan beven ze,
tot de volmaakte liefde straks de vreeze weer uitdrijft.
Zij merken zijn oordeelen en ze sidderen; en schrikken bij de gedachte
van wat uit de zwangere wolken van zijn majesteit straks de volken en de
natiën, en ook hun woonstede, ja, de kerke Gods, treffen zal.
Om hen gist alles en kookt alles. Het leeft en trilt en ritselt. Eén
machtig, majestueus golven van de mogendheid des Heeren in zijn
koninklijk bruisen.
En dan de vraag, of dat oordeel _tegen_ hen komt of _voor_ hen strijden
zal.
o, Straks overwint het geloof weer, en dan jubelen ze temidden van den
stormwind; maar toch, ze kennen ook de benepenheid des harten, als eigen
schuld en zonde hen zoo wreed omverwerpt.
En dan liggen ze neder »als dood aan zijn voeten«, tot Hij de hand weer
op hen legt en ze leven mogen.
En aan en in dien nood leeren ze het dan om allen hoogmoed en trotsche
verheffing over het medeschepsel hartgrondig te verfoeien, tot er in hun
ziele invloeit iets van Goddelijk mededoogen en van erbarmen met wie
Sion nog niet kent.
DRIE-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
»DEN MEDICIJNMEESTER NIET VAN NOODE.«
En Jezus zeide tot hen: Die gezond
zijn, hebben den medicijnmeester niet van
noode, maar die ziek zijn.
Mark. 2:17.
Er ligt in het omgaan met de lieden der wereld voor Gods kinderen groot
gevaar.
Niet enkel het gevaar, dat vanzelf spreekt, om door het schoon der
wereld en de begeerlijkheid der oogen verlokt te worden; maar nog een
heel ander gevaar, waar men in den regel _niet_ op verdacht is, en dat
ons daarom te eerder overvalt.
Dit bedoelen we: Als ge veel met lieden der wereld in aanraking komt,
die gansch _niet_ vroom zijn en eer met vroomheid lachen, dan gaat gij
van uw eigen vroomheid, ook al heeft ze, o, nog maar zoo weinig te
beduiden, toch allicht een hoogen dunk krijgen.
En bij hen vergeleken, _zijt_ gij dan ook vroom. _Gij_ vloekt niet, maar
bidt; _zij_ bidden schier nooit en vloeken niet zeldzaam. _Gij_ rekent
bij uw overleggingen met Gods Woord; _zij_ maken op dat heilig Woord
soms laffe glossen. De Sabbath brengt _u_ een getuigenis uit hooger
wereld; voor _hen_ is het veelal een dag van luidruchtigheid en pret.
Als iemand aan zijn sterven toe is, komt bij _u_ althans de vraag op,
of hij behouden zal worden; terwijl _zij_ enkel met de zorge voor zijn
lichaam bezig zijn. Ook in den gewonen omgang brengt _gij_ nog wel eens
een vraag over het zielsleven te berde; _zij_ spreken over zaken, over
uitgaan, over een roman, dien ze lezen, en het weer. Geen twijfel dus,
of als het op vroomheid aankomt, zijt ge, _bij dezulken vergeleken_, al
vrij ver op den weg, en keert ge, wel voldaan over uzelven, uit hun
gezelschap huiswaarts. En tehuis gekomen, glijdt niet zelden de klacht
over uw lippen: »Lieve vrouw, wat is het in die wereld toch een
goddelooze boel. Van vroomheid schijn noch schaduw!«
En dat _is_ ook zoo. In de kringen der wereld is men geestelijk _zeer_
krank; haast zoudt ge zeggen: krank _tot den dood_; en bij deze
doodelijke krankheid vergeleken, zijt gij nog een heele held.
* * * * *
Maar zijt ge daarom _gezond_?
Eens kwam in een kring van een kloeken man en vrouw met zes frissche
kinderen, de een voor den ander met den blos van kracht en van
gezondheid op de koonen, een armelijk meisje van zeventien jaar om hulp
voor haar zieke moeder en zieke zusje vragen. Dat meisje zag er zelve
doodsbleek, vermagerd en met blauwe kringen onder de oogen uit. Haast
had ze geen kracht, om zich op te houden. En bij dat kerngezonde
gezelschap vergeleken, scheen _zij_ doodziek.
Van harte was men dan ook bereid om te helpen. Haar zou een versterking
voor haar zieken, wat geld, en ook een dokter worden nagezonden.
En die dokter komt, klopt aan de deur en wordt ingelaten, en gaat nu bij
dat meisje zitten, en voelt haar den pols, schrijft een recept en wil
heengaan, toen het meisje opeens zei: »_Dokter! u vergist u, ik ben de
gezonde_, maar mijn moeder en mijn zusje liggen zoo ziek!«
En dat zeggen: »Dokter, u vergist u, _ik ben de gezonde_,« kwam bij dat
doodzwakke zieltje nu uit liefde voort. Ze dacht aan zichzelve niet,
maar alleen om die _nog erger_ kranken, die in de bedsteê op het stroo
lagen.
Maar zooveel blijkt er dan toch uit, dat »ziek« en »gezond« al zeer
betrekkelijk is, en afhangt van uw maatstaf.
Bij die ingezonde kinderen vergeleken, was dat doodzwakke meisje al
_zeer krank_; maar vergeleken bij die nog zooveel _erger_ zieken in de
bedsteê, was zij weer _de gezonde_.
En dit nu mag elk minnaar des Heeren wel op zijn eigen _vroomheid_
toepassen.
Meet ge u af naar hen, die in het gestoelte der spotters zitten, of
staan in den raad der goddeloozen, o, gewisselijk, dan zijt gij, met uw
zeer kleine vreeze des Heeren, al een wondervroom en zeer godzalig man.
Maar als ge, uit dien kring der wereld uitgeraakt, eens verkeeren moogt
onder lieden, die wezenlijk zeer nauw van conscientie zijn en ingeleid
wierden in Gods verborgen omgang, hoe bleek en uitgeteerd lijkt dan uw
gestalte niet! Dan zijt gij weer _de zieke_, die den Medicijnmeester
_hoog_ van noode hebt.
* * * * *
Maar zijn dan die stillen en godzaligen in den lande _de gezonden_? En
hebben die dan tenminste den Medicijnmeester _niet_ meer van noode?
Och, reeds die vraag toont, hoe weinig ge ze kent en verstaat.
Het is zoo, soms sluipen er ook in zulke gezelschappen hypocrieten
in, die een vroom praatje zoo letterlijk weten na te vertellen, dat ge
er heusch meê in de war raakt. Maar de geestelijke hoogmoed komt bij
dezulken toch al spoedig door de gaten van hun opgelapt kleed gluren; en
ge merkt wel, hoe arm aan teederheid en aan innerlijke ontfermingen hun
hart is.
Op den duur houden deze lieden van de _nagemaakte_ godzaligheid het in
_wezenlijk_ geestelijke kringen dan ook niet uit.
Maar als ge deze _hypocrieten_ nu eens niet meêtelt, neen, waarlijk, dan
zult ge in deze godzaliger gezinnen geen zweem van dien overmoed vinden,
die pocht op eigen geestelijke gezondheid.
Het is zoo, ze kunnen soms roemen. En het zou de eere van Gods liefde te
na komen, als ze het zwegen. Aan genade hebben ze wel waarlijk kennis.
En als ze indenken, hoe ze weggeworpen lagen op de vlakte des velds, en
hoe ze der verkwijning nabij waren, o, dan kunnen ze geen woorden genoeg
vinden, om den lof te verkondigen van dien éenigen Medicijnmeester, die
hen opzocht, en hun etterbuilen uitdrukte, en hun wonden zalfde, en hun
zoo kostelijke medicijn gaf, dat er, ja, waarlijk, bij vroeger gezien,
_een wonder_ aan hen is geschied.
Dat is geen eigen roem, maar enkel grootmaking van den naam van dien
éenigen Arts der zielen; een prijs voor zijn kostelijk medicijn van
loutere genade.
Maar als ze hun _toestand_ indenken, zooals die nu dan is, neen,
waarlijk, dan roemen ze niet in kracht; dan verheffen ze zich niet boven
de anderen; maar weten ze, o, zoo goed, dat zij het juist zijn, die
elken morgen en elken avond dien Medicijnmeester weer van noode hebben.
* * * * *
Dat komt daarvandaan, dat ze zich niet onderling aan elkaar, noch aan de
lieden der wereld, maar aan dien Medicijnmeester zelven meten.
Hij alleen is waarlijk _gezond_, en hun is door dien Medicijnmeester de
heerlijke belofte gegeven, dat als de kuur eens geheel ten einde is, _ze
Hem dan gelijk zullen wezen_ (I Joh. 3:2).
Al het verschil tusschen die anderen en hen bestaat dan ook juist
hierin, dat die anderen, bij al hun verterende krankheid, evenals
teringzieken, nog maar altoos van geen »bedenkelijke kwaal« hooren
willen en door alles heengaan en geen Medicijnmeester zien kunnen.
Terwijl deze kinderen Gods omgekeerd diep overtuigd zijn van de
gevaarlijke krankheid, die ze met zich sleepen, en al hun hope
stellen _niet_ op hun sterk gestel, maar eeniglijk op dien kundigen
Medicijnmeester, die er reeds zoo duizenden bij duizenden, die even
doodelijk krank waren, voor altoos van den dood heeft gered.
Daarom denken ze zoo telkens aan dat prachtige Vaderhuis daarboven,
waar deze Medicijnmeester de duizenden bijeen heeft, die tot _volkomen_
herstelling kwamen, en het hart springt in hen op van vreugde, als die
trouwe Medicijnmeester hun telkens weer zegt: »Wanhoopt niet, eens zijt
gij ook bij die gelukzaligen. Wacht slechts uw tijd af!«
En dan duurt die tijd hun wel eens lang.
Maar toch rust heel hun ziel, als ze maar in dat trouwe oog van dien
éenigen Medicijnmeester mogen staren; en bang is het hun dán alleen, als
die Medicijnmeester een dag overslaat en hen niet bezoekt.
Dan vragen ze: »Is hier ook oorzaak voor? Heb ik Hem ook beleedigd en
bedroefd? Zijn voorschriften van geestelijke genezing wel nagekomen?«
Tot ze hun fout dan weer inzien, en dan komt die trouwe Medicijnmeester
hen weer opzoeken en ze leven weer op.
En zoo gaat het van dag tot dag.
_Zij_ altoos de kranken, en _Hij_ altoos de wondere Arts, die hen met
zijn kostelijk medicijn uithelpt.
En daarom komt Jezus bij niemand zooveel, als juist bij die innig
godzaligen. Want innig godzalig zijn is juist dag aan dag bekennen, dat
we _zonder_ dien Medicijnmeester _weg_ zijn.
VIER-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
»MAAR IS VOOR EEN TIJD.«
Doch hij heeft geenen wortel in
zichzelven, maar is voor een tijd; en
als verdrukking of vervolging komt, om
des Woords wil, zoo wordt hij terstond
geërgerd.
Matth. 13:21.
Het waarachtige leven heeft ook een schijnvorm, die er den naam meê
gemeen heeft, maar er het wezen van mist.
Die schijngestalte van het kindschap gaat soms zoo ver, dat de heilige
apostel Paulus spreekt van personen, die hij gekend heeft, die »verlicht
zijn geweest en de hemelsche gaven gesmaakt hebben en des Heiligen
Geestes deelachtig zijn geworden, en gesmaakt hebben het goede Woord
Gods en de krachten der toekomende eeuw«, en die toch bleken, niet het
waarachtige zaad der wedergeboorte in hun zielen te hebben ontvangen,
maar slechts geloofd te hebben en in een schijngestalte gewandeld te
hebben voor een tijd.
Een hoogst opmerkelijk verschijnsel in Gods kerk, dat volstrekt niet op
éen lijn mag gesteld met het opzettelijk schuldig bedrijf der
hypocrieten.