liefde bij den »verloren zoon«, die liefde gekend heeft, maar verre van
zijn Vader vluchtte. Doe dat de vriend bij den vriend, de zuster bij de
zuster, de oudere bij den jongere. En laat een iegelijk alzoo
medearbeider met Christus aan anderer geestelijke blijdschap zijn.
Want blijdschap, hemelsche blijdschap, en onuitsprekelijke vreugde, dát
is het, wat uw hart doortintelt, als het omwindsel weer vallen mag, en
ge _met ongedekten aangezichte_ u weer verkwikken moogt in de
aanschouwing van het deugdenbeeld uws Gods.
ACHTTIENDE ZONDAG.
»IK ZAL U GEEN WEEZEN LATEN.«
Ik zal u geen weezen laten; Ik kom
weder tot u.
Joh. 14:18.
Een wees is een beroofd kind. Bij een kind hoort een vader en bij een
kind hoort een moeder. En als nu een dier twee of beiden saam aan het
kind ontnomen worden, dan is er een harde breuke in dat kinderleven
geslagen. Want, hoe zal het nog kind zijn, als het niet meer staren kan
in het trouwe vaderoog, of zijn lieve moeder niet meer met teedere
kinderliefde aan den hals kan hangen?
Daarom is _wees te zijn_ zoo hard, zoo bang, zoo wreed, en kan God de
Heere dáarom alleen _kinderen_ tot _weezen_ maken, omdat Hijzelf dan in
de plaats treedt en _Vader van het weeskind_ wezen wil.
Vandaar dat het zoo onvergeeflijk is, om een weeskind niet tot zijn
»Vader in de hemelen« op te leiden, en zoo getuigend tegen een kind, dat
wees wierd, als het dien »Vader in de hemelen« niet zoekt.
En nu, veel meer dan vader en moeder saam was Jezus voor zijn lieve
jongeren op aarde geweest. Hun éen en alles. Die zalige Leidsman, om
wiens wil ze huis en hof, kring en beroep, om wien ze vader en moeder
verlaten hadden.
En dat wilde Jezus zelf; want Hij zei het hun: »Wie vader of moeder
liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig.«
Dat was diep in het hart der jongeren ingezonken. En niet gekunsteld,
maar als bij heilig instinct hadden ze al de liefde van hun hart op hun
trouwen en heerlijken Meester overgebracht.
Ze hingen aan Hem. Hij vervulde hun gedachtenwereld. Hij, was de eerste
in de wereld van hun hart.
Zonder Hem konden ze zichzelven niet meer denken.
* * * * *
En toch, nu merken ze het wel, _Hij gaat weg_. Het kan, het zal niet
blijven bij dat zalig omwandelen, bij dien dagelijkschen,
zielverkwikkenden omgang.
De ure komt en spoedt aan, dat al dit schoone en zalige uit heeft.
En wat zullen ze dan?
Hoe leeg, hoe verlaten zullen ze daar dan samen staan! Met wat vragende
oogen zullen ze elkander dan aanzien! Wat eindeloos ledig zal dan hun
hart benauwen! Wat heimwee naar den Eenige, die wegging, zal dan sluipen
om hun ziel!
Die gedachte ontroert hen dan ook ontzettend. En Jezus merkt die onrust,
die hun gemoed vervult, en roept het hun daarom zoo vrede-ademend toe:
»Uw hart, mijn jongeren! worde _niet_ ontroerd. Gij gelooft in God,
_gelooft ook in Mij!_...«
Wat was, wat beduidde dat?
_Ook in Hem_ gelooven!
Maar deden ze dat dan niet?
Doch hoor, daar ontraadselt de Heere hun dat geheimzinnig woord. Het is
het bange voorgevoel van als _weezen_ verlaten in de wereld te staan,
dat u die onrust in de ziel stort. Nu dan, ziehier het woord mijner
vertroosting: »Ik zal u geen weezen laten. Ik kom weder tot u!«
En natuurlijk, een bespotting van hun vreeze zou dat geweest zijn, als
Jezus hiermeê alleen bedoeld had: Straks na mijn opstanding verschijn Ik
u weder!
Want immers, hoe karig toegemeten waren niet de uren, waarin Hij die
veertig dagen hun zijn bijzijn schonk. Verschijningen, die ge tellen
kunt. Die het tiental niet overschrijden. En soms in enkele oogenblikken
voorbij zijn.
Neen, neen, dat _kon_ Jezus niet op het oog hebben, toen Hij sprak van
hen _geen weezen te laten_.
Want als het dáarop alleen gedoeld had, hoe bitter moest dan de
teleurstelling niet zijn, die terstond daarop volgde, toen Hij _weer_
wegging, nu van den Olijfberg, om hen _voor altoos_, tot aan het einde
hunner aardsche dagen, te berooven van zijn zalig bijzijn.
* * * * *
Er lag dus iets meer, iets diepers in.
Toen Hij in Gethsémané van hen scheidde en straks op Golgotha zijn geest
in 's Vaders hand beval, kwam het tusschen Jezus en zijn jongeren tot
een breuke.
Toen was Hij gestorven. Toen waren ze beroofd en verlaten. Toen hadden
ze niets meer aan Hem, dan de zoete, maar nu bitter geworden heugenis
van wat Hij die drie jaren voor hen was.
Zoo wierden ze waarlijk als _weezen_, nu _Hij_ weg was, die hun _meer_
dan vader en moeder saam was geweest.
Maar nu, bij zijn opvaart ten hemel, is dit alles heel anders.
Ook nu is er wel een afbreken van den omgang, waaraan ze gewend waren;
maar kwam er voor in de plaats een andere, nog rijkere omgang met hun
Heere, die zelfs door hun dood niet zou worden afgebroken.
Nu zonk Hij niet machteloos weg in het graf, maar voer Hij glorierijk op
ten hemel.
Nu _stierf_ Hij niet, maar bleef Hij _leven_.
Nu verduisterde de kroon zijner majesteit niet, maar gloorde die op.
En nu ontsloot zich dan ook dat wondere mysterie van een Christus, die
in de hemelen in glorie verhoogd is, en die toch van uit den hemel in
gemeenschap met de zijnen blijft; gedurig in hun midden verkeert; woning
in hun hart maakt; en door zijn majesteit, genade en Geest hun telkens
zijn zalige nabijheid doet ervaren.
Reeds een kind, dat zijn aardschen vader niet verloor, maar, op verren
afstand van hem gescheiden, in gaande en keerende brieven van hart tot
hart met zijn vader kan blijven spreken, heeft geen gevoel van _wees_
zijn.
En hoe zou dan het bang gevoel van _wees_ te zijn in de ziel dier
jongeren hebben kunnen stand houden, toen Jezus wel weg was, maar toch
nabij; toen er een zalige gemeenschap met dien Heere in de hemelen voor
hun hart was ontsloten; en zij wisten, dat zij tot Jezus spraken en Hij
hen hoorde; en heerlijk merkten in hun hart, dat het antwoord en meer
dan het antwoord uit dien hemel van hun Jezus terugkwam.
Hoor dan ook Paulus maar jubelen: Eerst heb ik Jezus naar het vleesch
gekend, maar nu ken ik Hem niet meer naar het vleesch. Nu is er veel
zaliger en veel hooger gemeenschap. Levende liefdegemeenschap met mijn
Heere en mijn Goël in den geest.
* * * * *
Toch zijn er nog, o, zooveel discipelen en discipelinnen des Heeren, die
hier bijna niets van verstaan, en eigenlijk als _beroofde weezen_ op
aarde voortkruipen tot aan hun dood.
Ze hooren wel van Jezus. Ze gelooven wel in Jezus. Ze hebben Jezus wel
lief. Ook belijden ze wel, dat aan Jezus als den eenig Dierbare al hun
hope hangt. Maar... de genieting hiervan stellen ze uit _tot na hun
sterven_. Dán zullen ze gemeenschap met Hem oefenen.
Maar nu, hier op aarde, in hun verlatenheid, temidden van hun heimwee,
nog niet.
Deze zijn _vrijwillige_ weezen, die het niet hoefden te zijn en die het
niet mogen blijven.
Want immers, wat is dat _eigenwillig_ wees zijn anders dan een
moedwillig afsnijden van de zalige gemeenschap, die een kind van God
hier op aarde reeds met zijn Heiland in den geest genieten kan?
o, Ons Christelijk leven wordt zoo dor en mat, als de glans van die
hoogere liefde er niet instraalt.
Nog altoos _leeft_ de Christus. Nog steeds wil Hij dezelfde voor ons
wezen, die Hij voor zijn jongeren na zijn hemelvaart was.
Nog altoos wil Hij wonen onder ons menschen. Waar twee of drie in zijn
naam samenkomen, wil Hij in hun midden zijn.
De gemeenschap is en blijft ontsloten. In de gemeenschap der liefde en
der gebeden van u _naar uw Heiland_. En in de gemeenschap der zalige
toespraak en der rijkste genade van uw Heiland _naar u_.
Eens was die zalige, zoete gemeenschap met den éenig Dierbare de weelde
en de bron van kracht voor heel de Kerk des Heeren. Door die kracht
heeft ze gebloeid. In die kracht haar wonderen gedaan.
En ook nu, neen, de kracht der toekomende eeuw kan en zal in Jezus' Kerk
niet weer bloeien, of dit gemeenschapsleven met den Heiland moet Gods
kinderen de ziel weer koesteren.
Nog vermoogt ge alle dingen, o, Kerk van Christus! maar alleen door Hem,
die u kracht geeft.
NEGENTIENDE ZONDAG.
»ABBA, VADER!«
Want gij hebt niet ontvangen den geest
der dienstbaarheid wederom tot vreeze;
maar gij hebt ontvangen den Geest der
aanneming tot kinderen, door welken wij
roepen: Abba, Vader!
Rom. 8:15.
Augustinus en Calvijn beleden in het dubbele zeggen, eerst van _Abba_ en
daarna van _Vader_, de catholiciteit der wereldkerk, als een kerk voor
Christenen uit de _Joden_ en Christenen uit de _heidenen_.
Als de Jood zich tot den Heere bekeert, roept hij: _Abba!_ Als de
Griek zich tot den Heere wendde, riep hij: _Vader!_ (Pater),--en in
de saamvoeging van deze beide nu, in dat roepen van »_Abba, Vader!_«
klonk voor Augustinus' en Calvijns zielsoor het schoonst akkoord van
aanbidding van den Eeuwige uit de taal der Hebreeuwen en de taal der
heidenen gemengd.
Of er in deze gissing waarheid schuilt, beslissen we niet. Wie zal
zulks met zekerheid uitmaken? Maar wel staat vast, dat, ook zonder deze
gissing, de hoofdgedachte juist is: »Abba, lieve Vader!« is het gebed
der kerk eerst geworden _na_ den Pinksterdag, toen ze uitbrak onder alle
volkeren.
Noch uit het Paradijs, noch uit de kerk in de Arke, noch van de kerk der
Patriarchen, noch van de kerk onder Israel wordt ons de aanroeping met
het »_Abba, Vader!_« gemeld.
Wel is het onwaar, dat eerst in het Nieuwe Verbond de rijke openbaring,
dat God de Heere onze _Vader_ in de hemelen is, zou voorkomen. Immers
reeds bij Jeremia zegt de Heere: »Ik ben Israel tot een Vader!« (31:2).
Bij Maleachi vraagt Hij: »Ben Ik dan een Vader, waar is mijn eere?«
(1:6). En komt meer dan eens de toespraak en de betuiging voor: »Heere!
Gij zijt onze Vader!« (Job 34:36, Ps. 89:27, Jes. 63:16; 64:8 enz.)
Maar toch loopt hier naast een profetie van een ander »_Abba, Vader!_«
roepen, waarvan het bij Jeremia heet: »Gij _zult_ tot Mij roepen: »Mijn
Vader!«« (Jeremia 3:19), en het is eerst door de aanneming tot kinderen,
dat dit volle, rijke, zielsinnige »_Abba, Vader!_« uit de diepste
roerselen onzer ziele naar den hooge opklimt.
* * * * *
Zulk een »_Abba, Vader!_« is een dringen en persen in u van de werking
van den Heiligen Geest.
Als ge eerst bekend hebt, dat uw innerlijk wezen door een geest van
dienstbaarheid tot vreeze geprikkeld wierd; en ge hebt al den angst en
den schrik van die vreeze door uwe ziel voelen scheuren; en ge hebt in
uw nood en dood de wet aangegrepen; en in die wet uw pas versneld, om
door dienen, door meer en beter doen, door steeds harder werken en
sterker arbeiden in het zweet uwer ziele een eind van die vreeze te
vinden, maar zonder dat dat einde ooit kwam; en er is dan uit louter
genade, geheel buiten uw toedoen, niet uit u, maar uit den hooge, in u
gedaald en in u uitgestort een geheel andere geest, de Heilige Geest,
en die Geest heeft u innerlijk vervuld en heeft licht en glans in de
donkerheid van uw gemoed ontstoken, dat opeens alle bangheid weggleed
en alle angst van u wierd genomen, en een onuitsprekelijk blij en zalig
gevoel van vrijmaking en verlossing, ja, van een uitleiding uit het
diensthuis over uw hart sloop, dan ja, maar ook dan eerst en dan alleen,
is het die Geest der wederaanneming tot een kind van God geweest, die u
dat »_Abba, Vader!_« leerde bidden!
* * * * *
Geesteswerk, niet uw werk, is dat »_Abba, Vader!_«; want om een klank,
om een woord, om een term is het hier niet te doen.
Die twee woorden uitspreken, kan een ieder wel. Ook een onbekeerde en
een spotter zelfs kunnen evengoed dat _Abba_ en dat _Vader_ over de
lippen brengen.
Maar dan is het daarom het »_Abba, lieve Vader!_« nog niet!
Dat wordt het eerst dán, als er de kindertoon in spreekt en de
kinderlijke teederheid in te beluisteren valt, en de kinderlijke liefde
er in vloeit.
En om zoo in het oor van den Eeuwige te klinken, moet dat »_Abba,
Vader!_« opklimmen uit de diepten van een hart, dat zich kind _voelt_ en
kind _weet_, en in dat Goddelijk kindschap onuitsprekelijk zalig is.
Niet maar kind in eere, en kind in het kinderrecht, maar kind van God,
geboren uit den Vader, der Goddelijke natuur zich deelachtig te weten,
en dan, tegen alle schuld en tegen alle zonde in, een vast en zeker
getuigenis in de ziel te dragen: »_Zijn_ kind en Hij mijn lieve
_Vader!_« en dan uit dat ondoorgrondelijk rijke besef te roepen, te
jubelen, te zingen, dat alle duivelen en engelen het hooren,--neen, dát
kan de wereld niet, dat doet geen onwedergeborene, dat is eeniglijk het
heilig voorrecht van de kinderen des Koninkrijks, die in het Koninkrijk
van den Zoon der liefde zijn overgezet.
En daarom _moet_ daarbij de Heilige Geest in u werken.
Want immers, ge staat nog in het vleesch; ge draagt nog aan u het
lichaam des doods; ge hebt nog in u de vuile bron van ongerechtigheden,
en als dan toch uit den kelder en uit de diepte van datzelfde hart aan
de eene zijde de zonde giert en prikkelt, en daarnaast komt een stemme
in u op, die ge in stille aanbidding met het »_Abba, Vader!_« vertolkt,
vanwaar anders wil die stem dan in u gedrongen zijn, zoo het niet is
door den Heiligen Geest?
* * * * *
Ja, er is meer nog.
Als een kind alleen is, en vader is er niet bij, en het roept in zijn
eenzaamheid naar zijn vader, dan is dat nog heel iets anders, dan als
het zijn vader zelf eindelijk weervond, en nu dien vader zijner liefde
in het diepe oog turend en hem aan het hart vallend, met diep geroerde
stem uitroept: »_Mijn vader, lieve vader!_«
En zoo ook is het hier.
Of ge al aan God denkt, en van zijn liefde overtuigd zijt, en dan bij
uzelven dat »_Abba, Vader!_« uitspreekt, neen, dat is nog het echte,
diepe, zielroerende, hartaangrijpende »_Abba, Vader!_« niet.
Om daartoe te komen, moet gij _bij Hem_ en Hij _u nabij_ zijn; moet ge
in Immanuel zijn aangezicht hebben gezocht, en door de toeleiding des
geloofs zijn vertroostend aangezicht hebben gevonden.
En dan eerst, als ge, in aanbidding voor dat Eeuwige Wezen verzonken,
uzelven in Christus besloten voelt, en nu als uit den Christus opwaakt
voor het oog des volzaligen Gods, en nu, als onder de beademing zijner
lippen, dat vaderhart in het Eeuwige Wezen ook voor u hoort, ja, _voelt_
kloppen, dan eerst is het kind van zijn Vader gevonden, en de Vader
gevonden van zijn kind, en rijst het »_Abba, lieve Vader!_« uit in de
diepste roering van het hart.
* * * * *
Dat kunt ge dan ook niet elken dag. Dat kunt ge niet elk oogenblik
herhalen. Dat zijn hoogtepunten van het zieleleven, die slechts nu en
dan worden gegund. Dat is uw opklimmen op Nebo.
Maar toch, _onbekend_ mogen die zaligheden aan Gods kinderen _niet_
zijn.
Eer integendeel hebben we ons hart te veroordeelen, als het anders met
ons is; en te betreuren onze inzinking en den lagen stand der wateren in
onze ziel, als het tot die innigheid en tot die gevoelvolle kinderbede
niet kan doordringen.
En daarom maant en prikkelt het Woord en de Geest ons telkens opnieuw,
om toch naar dat hoogste te grijpen, en niet te rusten, eer het met onze
ziel weer tot dat zalige gekomen is.
Gekomen. Niet met een opwinding des gevoels, of met een prikkeling der
zenuwen.
Dat nut niets voor den Heere.
De ware aanbidding is niet luidruchtig, maar maakt stil; windt niet op,
maar doorstroomt ons met heilige kalmte.
En de eisch, die ook thans tot uw ziel en tot de mijne komt, is maar, om
zoo onzen weg aan te stellen, en zoo rusteloos door den Middelaar tot de
gemeenschap van het Eeuwige Wezen door te dringen, tot onze ziele het
weer beluisteren mag: »Gij zijt mijn kind, gij zijt mijn uitverkorene!«
en dat het als een echo onzer ziel op die stemme weerklinkt: »_Abba,
Vader!_«
TWINTIGSTE ZONDAG.
»HEM ALLEEN DIENEN!«
Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg,
Satan! want er staat geschreven: Den
Heere, uwen God, zult gij aanbidden en
Hem alleen dienen.
Matth. 4:10.
Elken morgen, dat het licht over ons verrijst, ligt er een taak voor
onze rekening, die God wil, dat we dien dag zullen afwerken. Zoo is er
een taak, die ge af te werken hebt voor elke week. Een taak, die u op
wordt gelegd voor elke maand. En zoo ook een taak, die wacht op
volbrenging bij elk nieuw jaar, dat ge intreedt.
Ook dit jaar gingen we weer in, _om te werken_.
We zijn geen heeren en vrouwen, die op onze eigen gelegenheid in deze
wereld bestaan; maar we zijn knechten en dienstmaagden, in dienst bij
den Heere onzen God.
Hij is onze Heere, en wij zijn er voor, om door Hem gebruikt te worden,
en om voor ons klein en schijnbaar nietig deel mede te arbeiden aan de
groote en ontzaglijke taak, die onze Heere in dit zijn groot en machtig
huis, van den aanvang der eeuwen tot aan het einde, wil volbracht zien.
Ge mist dus elk recht, om ook dit jaar in te treden met de gedachte
in het hart, dat ge nu eens overleggen zult, wat ge zelf wel zoudt
verlangen te doen. Wie zoo staat, staat verkeerd, en zulkeen brengt het
nooit tot een goed einde.
Neen, uw stand is de stand van _dienstknecht_ en _dienstmaagd_ des
Allerhoogsten, wier oog op de hand van hun Heere moet zijn, en die dit
jaar met geen anderen zin of toeleg mogen intreden, dan om dien grooten
en machtigen Heere te _dienen_ in _alles_, te dienen al den dag en al
den nacht, te dienen van den eersten dag des jaars tot aan zijn einde.
In _alles_ voor Hem; _nooit anders_ dan voor Hem; vaardig passend op het
woord, dat uit _zijn_ mond uitgaat.
Gelijk de engelen in den hemel zijn, zoo wij op aarde.
En daarom dagelijks de bede op de lippen: »Uw wil worde door ons op
aarde volbracht, gelijk in den hemel door uw cherubs en serafijnen!«
* * * * *
»Godsdienst« was een schoon woord; maar het is door misbruik een
jammerlijk woord geworden.
Want »godsdienst« wil dan zeggen: Ik heb een leven in de wereld, ik heb
een leven voor mijn denken, ik heb een leven voor mijn gemoed, een leven
in mijn gezin, en dan ook nog een leven van kerkelijken aard, en dat is
mijn godsdienst.
Godsdienst heet het dan, als men bidt; godsdienst, als ik Gode lofzing;
godsdienst, als ik gelofte betaal; en godsdienst, als ik mij onder Woord
en Sacrement schik; maar wat daarbenevens en daarachter in mijn leven en
mijn hart ligt, dat mag alles zijn wat het wil, maar eigenlijk
_godsdienst_ is dat niet.
Om dien valschen zin van dit mishandeld woord niet voort te planten,
spraken onze vaderen daarom meer van _religie_ voor wat thans de groote
menigte haar »godsdienst« noemt; en gebruikten het denkbeeld van God te
_dienen_ voor den dienst des Heeren op _alle_ pad en in _allen_ toestand
des levens.
Zoo had ook Jezus het ons aangewezen.
Ook Hij maakte de onderscheiding tusschen _religie_ in enger zin en den
_godsdienst_ in het leven, en dit noemt Hij, in zijn terugslaan van
Satan: »Den Heere onzen God _aanbidden_, en Hem alleen _dienen_.«
En hoewel nu het eene zonder het andere niet bestaan kan, en God te
_dienen_ ondenkbaar is, zoo ge Hem niet _aanbidt_, zoo is de
onderscheiding tusschen die twee toch ook voor u volstrekt onmisbaar.
Ook gij moet zeer zeker dit jaar _religie_ in enger zin hebben, en
gemeenschap met uw God in de mysteriën der genade en der gebeden zoeken;
maar ook boven en behalve deze aanbidding, hebt ge den Heere uwen God te
_dienen_; en dit _dienen_ van uw God, deze uw _dienst_ van God, d. i. uw
wezenlijke Gods_dienst_, moet bestaan in het toewijden aan den Heere van
_heel_ uw leven, van _al_ uw arbeid, van _elk_ talent, dat in u is, en
een eeniglijk vragen bij dat alles: _Wat wil de Heere, dat ik doen zal?_
* * * * *
Ook nu op den dag van het Nieuwejaar hebt ge dus geen som van allerlei
dingen op te sommen, die gij dit jaar af hebt te werken. Dat kunt ge
niet, en zou de zaak weer voor u bederven.
Want God te dienen is niet twee, drie, tien _bizondere_ dingen doen, die
meer _rechtstreeks_ met den strijd _voor_ Gods Koninkrijk en _tegen_
Satan saamhangen. Neen, maar uw God te dienen is _altoos knecht te
zijn;_ tot in de allergewoonste dingen van het zeer dagelijksche leven
toe in alles den wil des Heeren te volbrengen; en te leven, te denken,
te strijden, te arbeiden niet voor uzelven, maar alleen omdat Hij het u
oplegt. Hij uw Koning, uw Schepper en uw Heere.
Meer nog, het moet een »knecht zijn« uit _dankbaarheid_ wezen.
Niet voor goud of zilver, maar door het bloed des onstraffelijken en
onbevlekkelijken Lams vrijgekocht uit de slavernij van Satan, zijt ge nu
uit zijn diensthuis uitgeleid, niet om voortaan uw eigen heer en meester
te wezen; maar om eeuwiglijk _knecht_ van God en _lijfeigene_ van
Christus te zijn en te blijven.
Tevens _kind_, o, gewisselijk, en daarom vrij van Satan; maar nooit vrij
van uw Heere. De heerlijkheid en de vrijheid der kinderen Gods is nooit,
dat ze nu doen mogen, wat hun gevalt, en leven mogen, gelijk het hun
lust; maar altoos en onverbiddelijk, dat ze _des Heeren zijn_. Zijn
gekochten. Hem toebehoorende. Zijn dienstknechten en dienstmaagden.
Dienende nacht en dag in zijnen tempel.
Dat geldt dus en gaat door voor het kind op school, voor de dienstmaagd
in haar keuken, voor den knecht op karrewei, voor den klerk op het
kantoor, voor de moeder in haar huisgezin, voor den winkelier achter de
toonbank, voor den rechter op het gestoelte der eere, en voor den koning
op zijn troon.
Elk persoon moet God dienen. Wie nog onwedergeboren is, krachtens den
eisch der _schepping_ uit bedwang; en wie overgezet wierd in de genade,
uit _dankbaarheid_ bovendien.
* * * * *
Versta dit wel.
Ge moogt _niet_ zeggen: Ik arbeid op school, op karrewei, in mijn beroep
naar den eisch van het werk, en voor zooverre daarbij _goed_ of _kwaad_
te pas komt, regel ik mij naar Gods wil.
Dat is heel iets anders, dan _knecht_ van God te zijn.
Neen, _knecht_ van God te zijn, wil zeggen en beduidt eeniglijk, dat
al wat ge doet, op school, karrewei, kantoor of studeerkamer, niet ter
wille van uzelf of een ander, maar _om Gods wil_ moet gedaan.
Dat een kind weet: God plaatste mij op _deze_ school; God plaatste mij
onder _dien_ onderwijzer; God regelde de regels van schrijven en lezen
en rekenen; God verdeelde aldus de dagen in uren; en dat het kind alzoo
in dit alles Goddelijke ordinantiën zie.
En zooals het met dat kind is, zoo moet het met elk onzer zijn.
Wel is er menschelijke berekening, of menschelijke afspraak, of
menschelijke orde en bevel, waaraan we hebben te voldoen. Ook prikkelt
de nood des levens vaak om te werken, waar we anders stil zouden zitten.
Maar in al deze regelingen en bevelen en nooden is de hand des Heeren
over ons, en dienen we Hem, zoo het wel is, in zijn tempel.
En zoo moet het dus ook dit jaar met u zijn.
Dan spant in u het plichtsbesef; ook vaart in u besef van heerlijke
roeping; dan wordt elk beroep, al was het van bezemmaker of
keienklopper, een _Goddelijk beroep_ voor den man, wien het aangaat; dan
adelt ge elken arbeid; dan straalt over al uw bezig zijn een vriendelijk
licht van Boven; en dan wijkt alle verdrietigheid of ontevredenheid,
omdat gij dan toch altoos bezig zijt in den dienst van uw Heere.
* * * * *
Slechts voor éen ding hebt ge daarbij op uw hoede te wezen: Laat in
dezen stroom der dagelijksche bezigheden uw arbeid niet opgaan.
Ge hebt nog een heel anderen arbeid voor uw rekening.
Ge hebt ook elken dag uw zake met uw God in den gebede af te doen.
Ge hebt ook uw karakter te vormen en te heiligen.
Ge hebt ook uw hartstochten en driften een toom aan te leggen en ze te
breidelen.
Ge hebt ook op uw vrouw, op uw kinderen, op uw omgeving te werken; en te
letten op den invloed, die van u uitgaat.
Ge hebt ook op de talenten te letten, die in u zijn, opdat ze niet
begraven worden in de aarde.
Kortom, ge hebt niet enkel te arbeiden in het _zichtbare_, maar ook in
het _onzichtbare_.
Ge moet ook uw God dienen niet het minst daarin, dat ge Satans werk
teniet helpt maken.
Teniet om u heen in uw gezin, en teniet in de wereld van uw binnenste.
EEN-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
»SCHULDIG ELKANDER LIEF TE HEBBEN.«
Geliefden! indien God ons alzoo lief
heeft gehad, zoo zijn ook wij schuldig
elkander lief te hebben.
I Joh. 4:11.
In niets schuilt bij ons de Pelagiaan zoo diep als in onze liefde. Dat
merkt ge dáaraan, dat ge bij uw liefde _vrij_ wilt blijven, en de keus
_aan u_ wilt houden. _Gij_ zult uitkiezen, wie ge denkt, dat uw liefde
waardig zijn, en die _door u_ uitverkorenen, die zullen dan op uw liefde
kunnen rekenen. _Uw_ wilskeuze zal hier de uitverkiezing doen. _Gij_
zult de persoon zijn, die uitkiest, wie voorwerp van uw liefde zullen
zijn. Kortom, in uw liefde wilt _gij_ op een troon zitten; _gij_ de
vrijmachtige beschikker zijn; koninklijk als koning in uw liefde
heerschen.
En dit nu is op en top Pelagiaansch. De vrije wil is de haan op den
toren.
Maar met zulk een liefde kunt ge dan ook voor God den Heere en zijn
Woord geen oogenblik bestaan.
In de Heilige Schrift toch zegt de Heere: Ik, uw God, kies uit, Ik, uw
God bepaal, wie tot het lichaam des Heeren zullen behooren. En op u en
een iegelijk, dien Ik in dat lichaam invoeg, leg Ik als uw God den
heiligen plicht, dat gij saam _elkanderen_ zult liefhebben.