Ja, erger nog, sommigen wilden zelfs niet erkennen, konden het niet

velen en wilden het niet verdragen, dat 's Konings boden van hun Heer

spraken, als ware Hij ook hún Koning.

En vandaar die boosheid, dat aangrijpen der zendboden, dat schimpen en

ten leste die moord.

De Koning moest met zijn leege tafels voor spot blijven zitten. Dat was

hun toeleg. Dat het geheime leedvermaak, waarop ze zich voorbereidden.

En nu, het liep anders uit. Toen de genoodigde vertegenwoordigers en

hoofden weigerden, liet de Koning al het volk roepen uit zijn hofstad.

En die stroomden bij duizenden het feestterrein binnen. En zoo ging toch

de bruiloft door. En zaten toch de duizenden bij duizenden aan. En was

er toch voor den Koning eere, en schitterde zijn glorie in zijn

hofkring.

Maar dit lag aan hen niet. Dit was _tegen_ hun bedoelen. Zij hadden hun

Koning smaad voor eere toegedacht, en dáarom hadden ze geweigerd.

* * * * *

Zoo komt uit wat in ons hart school.

Zoo ziet ge aan dit woord van Jezus, hoe bitter en diep de haat en

vijandschap tegen Gods eere zit ingeweven in het weefsel onzer zonde.

Neen, van nature gaat niemand ten hemel in.

Niemand door de enge poorte, maar ook niemand ter bruiloft op.

Of ge het hard, dan of ge het lieflijk voorstelt, ons boos hart laat

zich niet van de wijs brengen, maar weigert en slaat de verzenen tegen

de prikkelen, en wil wel het kwade, maar wil het goede en wat Gode

welgevallig is _niet_.

Omgezet, omgezet, omgezet moet eerst dat hart van binnen worden.

En anders, al beitelt ge ook het _Soli Deo gloria_ in den gevel uwer

woning uit, dan is dien Koning te _krenken_ u nog altoos liever van

nature, dan dat ge zijn glorie verhoogen zoudt.

VIJFTIENDE ZONDAG.

»GRIJP NAAR HET EEUWIGE LEVEN!«

Strijd den goeden strijd des geloofs,

grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk

gij ook geroepen zijt, en de goede

belijdenis beleden hebt voor vele

getuigen.

I Tim. 6:12.

»Grijp naar het eeuwige leven,« wordt niet den afgedoolde, maar den

wedergeborene toegeroepen.

»Gij, o, mensch Gods!« roept de heilige apostel uit, »vlied de aardsche,

jaag naar de hemelsche dingen; strijd den goeden strijd des geloofs; en

grijp naar het eeuwige leven!«

Een zondaar kan daar niet naar grijpen. Hem is de hand verlamd. Stram,

stijf, bewegingloos en tot alle beweging onbekwaam hangt ze hem neder.

En ook al kon hij de hand uitstrekken, hij zou dat heerlijke leven met

zijn booze hand veel liever wegslaan, dan dat hij er naar grijpen zou.

Ge grijpt naar wat uw oog boeit en uw lust prikkelt, en dat »eeuwige

leven«, neen, dat boeit, dat prikkelt den verdoolde niet. Kind der

wereld, heeft hij een heel ander leven, waar zijn oog en zijn ziel naar

uitgaat. Dáar grijpt hij elken morgen en elken avond naar. In dàt leven

is al het begeeren zijner ziel.

Maar de man, die bekeerd wierd, staat er, sinds hij bekeerd wierd,

anders bij.

Hem is de stramme hand en de stijve arm lenig geworden. Hem wierd uit

genade het geloof ingeplant. En nu is dit _geloof_ hem als de hand,

waarmeê genade voor genade moet aangenomen. Hij kan, hij moet grijpen.

En nu tot hém gaat daarom het apostolisch roepen uit: »Grijp, o, mensch

Gods! _grijp naar het eeuwige leven!_«

* * * * *

De heilige apostel wil leven in Gods kinderen zien.

Het is schriklijk om te aanschouwen, zooals allerwegen ook bij de

kinderen Gods de handen slap hangen en de knieën traaglijk ineenknikken.

Dat de verachters van Gods gebod niet talen naar de heerlijkheden van de

genieting zijner gemeenschap, dat verstaat hij; maar dat Gods kinderen

soms zoo lusteloos, zoo levenloos, zoo doodsch, zoo zonder besef of

aandoening voor het eeuwige leven er bij kunnen staan, dat baart den

heiligen apostel kommer en bezorgdheid. En nu hij zelfs een man als

Timotheus op zulke slapheden betrapt, nu grijpt hij Timotheus aan, dien

treffelijken, dien godvruchtigen, maar, helaas, geestelijk te zeer

ingezonken man, en prikkelt hem met zijn woord, en jaagt hem op uit zijn

valsche ruste, en roept hem toe: Neen, Timotheus! niet in dat suffend

insluimeren uwer ziel is de verheerlijking van Gods heiligen naam;

veeleer moet er _gejaagd_, moet er _gestreden_, moet er _gegrepen_

worden. Niet loom en traag moet ge achter de gerechtigheid na komen

kruipen; neen, ge moet _jagen_ naar gerechtigheid, naar godzaligheid,

naar geloof, naar liefde, naar lijdzaamheid en naar zachtmoedigheid.

Niet een stil en rustig geweten moet u uw geloof zijn, maar éen

altoosdurende _strijd_. »Strijd den goeden strijd des geloofs.« En zoo

ook het eeuwige leven, dat moet ge niet maar inwachten als iets, dat, na

uw sterven, vanzelf u wel om Christus' wil zal toekomen, maar ge moet er

de hand des geloofs naar uitstrekken; ge moet er naar grijpen; grijpen,

alsof elke dag u te veel en te lang ware, die u nog van dat eeuwige, dat

heerlijke, dat volzalige leven scheidt.

* * * * *

Zie het aan Gods bloemen af, wat dit grijpen naar het eeuwige leven is.

Ook de aard en de natuur der bloemen is van God uitgedacht en van Hem

geschapen, en voor ons, naar het Woord er ons in voorgaat, vol van

leering.

En wat ziet ge nu?

Maar immers, dat die bloem buiten het licht niets is en zelfs geen tint

of kleur heeft. En dat die bloem niets is buiten de koestering der zon,

want in de koude verschrompelt haar blad; en geen geur ademt ze u tegen.

Hulpeloozer, armer, naakter dan die schijnbaar zoo rijke, geurige bloem

is er niet. Neem de lucht en het licht en de warmte en den dauw weg, en

niets dan verdorring en verflensing blijft aan den stengel.

Niets uit zich, alles van buiten zich, is voor het leven van de bloem de

wet van Gods heerlijke schepping.

Maar juist nu omdat de bloem niets uit zichzelf is, zie eens, hoe ze

naar het licht en naar de warmte en naar de dauwdroppen als grijpt.

Soms dacht ge, dat die bloem onbeweeglijk was, omdat ze haar

levensvoedsel niet najaagt als de bij of vlinder.

En toch, neen, onbeweeglijk is ze niet.

Keer haar slechts om en zet haar ver van het licht en ver van de zon en

van den dauw af, en zie eens, hoe ze zich straks wenden gaat, om haar

knop en blad en spriet toch maar weer naar het licht en naar den dauw

uit te strekken.

o, Wandel maar in Gods schepping om, en ge ziet het immers allerwegen,

al die planten, al die bloemen, ze strekken zich uit en ze grijpen naar

het licht, ze grijpen naar de koestering der warmte, ze ontsluiten zich

om den dauw in te drinken.

In dat licht is voor de bloem het leven, en naar dat leven grijpt de

bloem met al de uitstrekking en de inspanning harer vezelen.

* * * * *

Laat, als het grijpen van die bloem naar het licht, dan ook uw grijpen,

o, kinderen Gods! naar het eeuwige leven zijn!

Een plant, die verflenst ter aarde neerligt, als haar het zonlicht

beschijnt, is in kwaden staat; en de tuinman, die dit ziet, brengt

aanstonds water bij, om haar blad en haar wortel te besproeien, dat haar

stengel zich weer moge opbuigen, en haar bloemknop zich weer moge

opheffen in het licht.

En zoo is ook uw zielsgesteldheid voor uw God niet goed, als elken

morgen weer de goedertierenheid des Heeren nieuw over u is, en elken

middag weer de Zonne der gerechtigheid in de Kerke Gods opgaat, en gij,

met uw zaad, in die Kerke wel geplant staat, maar nochtans uw ziele niet

opheft tot den God der goden, en uw stengels over de aarde laat kruipen,

en uw bloesem voor die Zonne, die in Christus is, verbergt.

Dat grenst aan levenloosheid; dat nadert de verdorring en de verflensing

der ziele.

Zoo mag en moet een door God zelf geplante bloem in zijn heerlijken hof

niet wezen.

Opgericht moeten de stengelen van uw leven; de bloemknop uwer ziel moet

zich weer naar God toekeeren; als uitstrekken naar den Eeuwige moet zich

elk blad en elke vezel, die aan heel uw ziele is; en zoo moet heel uw

persoon en heel uw aanzijn éen grijpen naar dat eeuwige zijn, dat de

wereld u niet kan geven, maar dat, als met gouden stralen, elken morgen

en elken avond uitstroomt uit den Immanuel Gods als in een zee van

genade en majesteit en licht.

* * * * *

Gegrepen moet naar dat eeuwige leven, niet als hadden we iets om het te

verwerven, maar juist omdat we niets, niets in onszelven zijn; en de

bloem onzer ziel _moet_ verdorren, zoodra we het licht van de Zonne

onzer gerechtigheid derven.

Zooals ge, wanneer de lucht weggaat, en het benauwd wordt, niet maar

zitten blijft en denkt: »Nu, straks zal er wel weer lucht komen,« maar

voelt, dat ge zonder lucht stikken moet, en daarom vanzelf opstaat, en

den hals uitstrekt zoo ver ge kunt, om buiten uit die heerlijke lucht

levenslucht in te drinken, zoo ook moet heel uw ziel snakken en grijpen

naar dien eeuwig Heerlijke, in wien al de lucht om te ademen en het

licht om te leven voor uw ziel is.

Het sterkst moet dat »grijpen naar het eeuwige leven« in uw gebed zijn.

Een opendoen van den mond der ziel, om weer licht en liefde en leven uit

den Immanuel in te drinken; om met uw ziel weer bij te komen. »Zend,

Heer! uw licht en waarheid neder, en breng mij zoo weder tot uw gewijde

tente!«

Maar toch bij dat eigenlijke gebed mag uw »grijpen naar het eeuwige

leven« niet staan blijven.

Veeleer moet dat »grijpen naar het eeuwige leven« iets biddends aan ál

uw doen, aan heel uw aanzijn, aan gansch uw persoonlijkheid geven.

»Bidden zonder ophouden,« zooals ge ook onophoudelijk en vanzelf weer

telkens lucht inademt, om de borst vrij en onbeklemd te voelen.

En zoo dan ook hier, een grijpen naar het eeuwige leven, met een dorsten

der ziel, dat werkt, ook als ge het zelf niet bespeurt.

Een bidden: »Kom, Heere Jezus!« en altoos Hem, den Eenige, van noode

hebben.

Niet meer buiten Hem kunnen!

En daarom met heel uw ziel een altoos grijpen naar die hoogere wereld,

waar Hij is, uit Wien alle zegen en alle genade tot u komt.

ZESTIENDE ZONDAG.

»IN HEILIGE SIERADIËN.«

Uw volk zal zeer gewillig zijn op

den dag uwer heirkracht, in heilige

sieradiën; uit de baarmoeder des

dageraads zal u de dauw uwer jeugd zijn.

Psalm 110:3.

's Heeren volk is een heirschare voor Immanuel; vergaderd en bestemd om

Immanuels strijden te strijden.

Hoor maar wat Jehova in Psalm 110 tot zijn Uitverkorene zegt: »Uw volk

zal zeer gewillig zijn op den dag uwer heirkracht; in heilige sieradiën

zal het als versch gesprenkelde dauw uit den schoot van den dageraad u

toekomen.«

Als de nacht voorbij is gegaan, dan wordt de oosterkim purper, en uit

dat morgenrood van den dageraad schieten de prachtige stralen den

dampkring in. En grijpt afscheiding in de atmosfeer plaats. En met dat

morgenrood worden duizenden en tienduizenden dauwdroppels op blad en

bloem gesprenkeld, glanzend en glorend in de schittering van het

morgenrood.

En zoo, zegt de Schrift, zal het ook voor Immanuel zijn, zoo dikwijls

Hij opstaat om den nacht van leugen en zonde, om het rijk en de macht

van Satan te bestrijden.

Ook dan zal voor hem aan de kim het morgenrood purperen, en uit dat

purper van den dageraad zal zijn volk, in menigte als de dauwdroppels

ontelbaar, Hem toevloeien, glanzend en glorend in het heilig sieraad,

dat uit dat purper op hen geworpen wordt.

Een beeldspraak, voor wie ze indenkt, van onvergelijkelijke schoonheid.

Eenerzijds die heerschappij van den nacht van leugen en ongerechtigheid.

Daartegenover opkomend de Zonne der gerechtigheid. En nu uit den

purpergloed, die hierdoor geboren wordt, komen als tienduizenden

dauwdroppen zoo ontelbaar en zoo schoon zijn geroepenen Hem tegen, en

vormen om Hem als een machtig, onafzienbaar heir, dat in schitterenden

dos zich opmaakt en aanbiedt, om onder Hem en met Hem en voor Hem op den

dag zijner heirkracht te strijden.

* * * * *

Dien strijd strijdt Immanuel dag aan dag. Gisteren, heden, morgen.

Die strijd gaat altoos door. En elken morgen, dat de dageraad weer

aan de kimmen opgaat en de zon als een held haar stralen schiet, om

in het bestemde veld den vijand te bestoken, gaat ook het hemelsch

bazuingeschal van Gods engelen uit, om al zijn volk opnieuw ten strijde

te roepen, ze te roepen tot den strijd, die ook dien dag door Jezus weer

gestreden zal worden tegen het rijk van duisternis en zonde.

Trekt gij in dien strijd meê op? Voelt, weet, merkt ge, hoe in uw huis,

bij uw arbeid, in elke ontmoeting, bij elke verleiding, die heilige

strijd ook door u moet worden meêgestreden? En zijt ge in dien strijd

een krijgsknecht, die _willig_ optrekt? Immers, dát juist is een der

kenteekenen: »Uw volk zal _willig_ zijn op den dag uwer heirkracht.«

Het is geen heirleger, dat met de bajonet in den rug en het pistool op

de keel in den slag moeten worden gedreven. Maar zooals de troepen van

Gustaaf Wasa jubelend en God lovend ten strijde trokken, en Cromwells

legerschaar knielde, eer ze den strijd aanvingen, en psalmzingend tegen

den vijand optogen, zoo, en in nog veel hooger zin, is 's Heeren volk

een _willig_ volk, dat bezield, met geestdrift, en om eigen leven niet

denkend, moedig en willig het zwaard uit de scheede trekt, en zijn goed

en bloed veil heeft voor de banier van het Kruis.

»Gord, gord, o held!« roept dat leger zijn Veldheer dan toe, »het zwaard

aan uwe zijde, en rijd heerlijk op het zuivere Woord der waarheid!« en

als dat volk de banier van Jezus dan maar wuiven ziet, dan _is_ het niet

tegen te houden, dan _moet_ het meê den slag in, en _willig_ is het op

elken dag van zijn heirkracht. Een corps van heilige Levieten, om den

strijd des Heeren te strijden.

* * * * *

Maar ook dit is niet genoeg.

Reeds op aarde geldt bij elk leger de wet, dat, als de koning zelf aan

het hoofd van zijn leger verschijnt, dat leger rijk en prachtig zal zijn

uitgedost. Dan komt het in geen kazerneplunje, maar in paradetenu,

gedost _in zijn sieradiën_.

En zoo nu wil de Heilige Geest in dezen psalm, dat ook het volk des

Heeren voor zijn Koning zal uittrekken. Niet maar onafzienbaar in

menigte, en willig ten strijde, maar ook _in heilige sieradiën_.

En nu, _sieradiën_, wie onder 's Heeren volk heeft die? Natuurlijk is

bij dat geestelijk volk ook het stel sieradiën _geestelijk_. Daarom

staat er bij: »_heilige_ sieradiën.«

Dus is het niet genoeg, dat ge het zwaard in de hand houdt, en u dekt

met het schild des geloofs, en uw hoofd voorzien hebt van den helm der

zaligheid; neen, bij dat alles moeten nog de _sieradiën_ komen, en er

ontbreekt iets aan de eere, die Christus van u vraagt, zoo _die heilige

sieradiën_ niet aan u schitteren.

Nu zijn _deze heilige sieradiën_ velerlei. Wat u sieren kan, is een

rijke gave des gebeds. Is stille, deemoedige nederigheid. Is kalme,

waarachtige ootmoed. Is zelfbedwang over alle korzelheid en kwaad

humeur. Is teedere nauwgezetheid der conscientie. Is macht van het woord

of zang, om den lof des Heeren te vertellen. Is dienende liefde. Is

teedere deernis met wie lijdt. Is zoekende ontferming over wat verloren

ging. Is de heilige kunst, om vrede te maken, waar vrede verstoord

wierd. Is, om niet meer te noemen, stille dulding van eigen leed, een

met geestdrift dragen van uw kruis, een roemen in de verdrukking.

Doch met wat naam ge den rijken overvloed van _heilige sieradiën_ ook

noemen wilt, ze zijn alle _geestelijk_. Glans door de opgaande Zonne der

gerechtigheid in u als dauwdrop afgespiegeld. Heilige sieradiën voor

Koning Jezus zijn nooit anders dan stralen uit _zijn_ genade, die _gij_

opvingt.

En nu komt in Psalm 110 de vraag aan u, _welke_ heilige sieradiën _u_

sieren, zoo dikwijls ge optrekt in den strijd uws Heeren op den dag

zijner heirkracht.

* * * * *

En dan, helaas, wat ziet ge dan om u heen? Wat speurt ge dan telkens aan

uzelven?

Dit immers, dat we voor sieraad telkens assche in dien strijd

aanbrengen, en de wapenrusting, die de Heere ons toebetrouwt, eer

_ont_sieren door onze bezoedeling.

Dit, dat zelfs de heiligsten onder ons het al veel en wel vinden, zoo ze

althans optrekken, en zoo ze het zwaard voor Jezus kruisen, maar zich

dan ook allerlei geklag veroorlooven over hun kruis en allerlei gejammer

over de benauwdheden, die ze uitstaan.

Ja, om het kort te zeggen, dit, dat dit volk des Heeren al zeer

zelfvoldaan en tevreden is, indien het niet maar boeleert met den

vijand, en het schild des geloofs noch het zwaard des Woords wegwierp.

Maar dat Jezus om een volk _in heilige sieradiën_ vraagt, wie bekommert

er zich om? Wie denkt er aan?

Ja, er zijn enkelen, aan wie ge die sieradiën bespeurt, althans een

_enkel_ geestelijk sieraad.

Er zijn er, die _gaarne_ vergeven. Er zijn er, die stil en in heilige

blijdschap lijden. Er zijn er, die rijk zijn in ontferming en deernis.

Er zijn wondere bidders en bidsters. Er zijn zielen, die van liefde

overvloeien. Er zijn er, die machtig zijn in het vertellen van al den

lof des Heeren.

Maar hoe klein is hun aantal!

o, Laat dat aantal toch _meerder_ worden!

Laat wie éen sieraad heeft, bedenken, dat zijn Heere om een volk _in

heilige sieradiën_ vraagt.

Laat onder dat geestelijk versierde volk ook _uw_ naam gekend worden.

En bovenal, zoo ge »heilig sieraad« aan uw ziel moogt ontdekken, o, mijn

broeder, mijn zuster! verzondig dat sieraad niet, door u op dat sieraad,

als ware het door u zelf gewrocht, te verheffen.

Alle heilig sieraad is nooit anders dan glans, die afstraalt uit _Hem_!

ZEVENTIENDE ZONDAG.

»MET ONGEDEKTEN AANGEZICHTE.«

Doch zoo wanneer het tot den Heere zal

bekeerd zijn, zoo wordt het deksel

weggenomen.

II Cor. 3:16.

Het licht zelf kunnen we niet zien dan _door_ het licht. Als het licht

zich niet zelf openbaart, toont, tot u komt en in uw oogvlies dringt,

merkt gij niet eens noch weet, dat er licht is.

En daarop nu ziende, roept de Psalmist uit: »Heere! bij U is de fontein

des levens, _in uw licht zien wij het licht_;« wat kennelijk niet gezegd

is van het _stoffelijk_ licht der zon, maar van het _geestelijk licht_,

dat van God uitstraalt.

Prent u dit diep in.

Als God de Heere niet zoo barmhartig in nederbuigende goedheid was

geweest, om zich aan zijn creatuur te openbaren, zou het nietig schepsel

niet eenmaal merken noch weten, dat er een God was. En waar God de Heere

den mensch al van nature een besef van zijn heilig en Goddelijk bestaan

had ingeplant, daar is door de zonde dit besef derwijs verzwakt en

verflauwd, dat er den boozen zondaar weinig anders uit toekomt dan de

wetenschap, dat hij in de hand en in de macht van een vreeslijk Wezen

is, waar hij tegen mort, bitter tegen inworstelt en tegen vloekt, om

zijn macht te verfoeien.

o, Als God de Heere u met uw zondig wezen aan uzelven had overgelaten,

hoe duivelsch zou ook uw hart niet tegenover uw God staan!

Neen, zeg niet: Dan zou ik als een _heiden_ wezen; want ook over de

heidenwereld waakt nog een _algemeene_ genade, en velerlei is de

barmhartigheid, waarmeê onze God ook bij de heidenen nog het volle

doorbreken van de ongerechtigheid tegenhoudt.

Veel _erger dan een heiden_ zoudt ge er aan toe zijn.

Stikdonkere nacht en duisternis zou zich om u saampersen. En in die

duisternis zoudt ge zonder éen straal van vriendelijk, Goddelijk licht,

uzelven voelen als de prooi van een u onbekende macht, die u omklemd

hield; en zonder iets van uw God te weten, zoudt ge in bittere,

satanische vijandschap worstelen tegen uw God in.

* * * * *

Daarom is zijn Openbaring zulk een heilschat. Zijn Woord zulk een

onuitsprekelijke rijkdom. Zijn spreken tot den zondaar zulk een daad van

nederbuigende ontferming.

Maar toch, zonder meer baatte dit nog niet.

Want Sinaï toont u, wat de uitstraling van het licht van 's Heeren

heerlijkheid voor een zondaar wordt, als God hem niets geeft dan dat

licht.

Dan kan het zwakke, schier blinde oog dien lichtglans niet verdragen.

Dan sluit zich het oog bij het instralen van dien lichtglans eerst recht

geheel en bijna hermetisch toe. Dan verschrikt u dat licht en ontzet u,

en komt u, als het volk bij Mozes, de bede op de lippen: »Och, dat de

Heere dien lichtglans van ons nam en voor ons aangezicht bedekte!«

Zoo diep ontvielen en ontzonken we aan onzen eersten luister. In

donkeren schemer nemen we nog zekere zwevende gestalte waar, maar als

het Goddelijk licht in al den glans zijner heiligheid en gerechtigheid

over ons opgaat, _dan zien we niets meer_, en heeft dit licht geen

_ontsluitende_, maar _toesluitende_ werking.

Dan voleindt juist dat licht onze volkomene zelfverblinding.

Ja, om ons voor die majesteit van het licht van 's Heeren gerechtigheid

te verbergen, omhullen we dan ons aangezicht nog en dekken ons oog toe,

opdat toch door het dunne en doorschijnende ooglid geen straal van 's

Heeren glans tot ons doordringe en het netvlies van ons oog pijn doe.

Dan kruipen en sluipen we weg voor den verblindenden glans zijner

majesteit en in de klove van den rotssteen zoeken we behoudenis, of in

de holen verberging voor dien gloed.

* * * * *

En toch, ook over die verschrikking triomfeert de genade.

God heeft een Middelaar voor u besteld, en in Hem »een verberging tegen

den wind, een schuilplaats tegen den vloed, en _als de schaduw van een

zwaren rotssteen in een dorstig land_.«

En komt dan die schaduw over u, dat de glinstering getemperd wordt, en

het licht zachter, dan wijkt iets van den angst en neemt de pijnlijke

prikkeling op het netvlies van uw oog af, en ge haalt weer eenigszins

adem.

Gevonden in Hem, o, dan is er koelheid voor gloed, die verzengde;

frissche levensadem voor den verzengenden glans, die u doodde.

En dan gaat de genade voort en verder.

Ook in u persoonlijk moet het wonder gewrocht. Uw oog, dat krank wierd,

moet genezen. Uw geestelijk gezichtsvermogen, dat schier geheel wegging

en in duisternis verkeerde, moet hersteld. En nu begint die inwendige

bewerking, waardoor een almachtig God een Amen op de bede geeft: »_Open

mijn oogen_, opdat ik aanschouwe de wonderen van uw wet!«

Tegen die wet in, die de oogen dichtknijpt en dichtklemt door den gloed

der gerechtigheid, opent ondoorgrondelijke ontferming dan het oog door

het tusschenbeide treden van Immanuel.

Zoo wordt het zielsoog anders dan het was.

Het houdt op te zien, wat het zag, en het ziet, wat het eerst niet

merkte.

Het was gezwollen, dik geworden, en verhard, en zie, nu wordt het teeder

en lenig gemaakt. Er komt natuurlijke gezonde werking, en door het

deksel heen, dat ge uzelven voor het oog hadt gehangen, bespeurt ge

reeds iets van een licht, dat u boeien kan, een licht, dat ook over uw

ziel opging, een licht zoo aanlokkelijk en zoo schoon.

* * * * *

Waartoe dan nog die deksels der zelfaanklacht u over het aangezicht

geworpen?

Immers, de stemme is gehoord: »Verlos hem, Vader, want Ik heb verzoening

voor hem gevonden,« en zoo ontkiemt de eerste liefde; die liefde wekt

het kinderlijk vertrouwen; en de oorzaak, om nog langer met gedekten

aangezichte en van God afgekeerd te staan, viel weg.

Dat merkt uw Heiland dan. In de ure der minne neemt Hij dan zelf met

zachte hand u dat deksel van het aangezicht. En nu met _ongedekten_

aangezichte in den glans eener eeuwige liefde staande, staart en tuurt

ge verwonderd in dien spiegel van het Woord, waarin de heerlijkheden van

uw God u getoond worden.

Zoo wierd uw oog sterker om te zien; zoo wierd het deksel van het

aangezicht genomen; en zoo straalde in het nu ongedekte oog zacht en

lieflijk bij Geesteslicht u het deugdenbeeld van Gods heerlijkheden

tegen, dat in zijn heilig Woord ligt uitgestraald.

* * * * *

Is het dan niet vreeslijk, dat zoo menig kind van God straks toch, na

deze liefde genoten te hebben, het oude omhulsel weer opzoekt, om toch

weer in moedwil dat deksel over het geestelijk aangezicht te trekken, en

in duisternis te gaan afdolen van zijn God?

o, Als de liefde in dien God niet overwinnend was, en niet was aangelegd

op zeer boozen zin in het te redden schepsel, hoe zou er ooit volharden

der heiligen kunnen zijn?

Maar de Heere HEERE laat niet los.

En zóo dikwijls kunt gij in uw schuldigen overmoed en geloofloosheid uw

aangezicht niet weer verbergen achter uw hullen en deksels, of altoos

weer zal, na korter of langer tijd, de vriendelijke hand van Immanuel u

dat omhulsel en omwindsel van het aangezicht afnemen, en u, als een

Petrus, bij dat afnemen van het deksel in het beschaamde oog staren, om

u weer en telkens weer te vragen: »_Simon, Jona's zoon! hebt gij Mij

lief?_«

o, Leg dan toch af allen last der zonde, die u zoo lichtelijk omringt,

en helpt toch in uw omgeving, in uw huis en onder uw broederen dat

toedekken van het aangezicht tegengaan.

Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath · 第 7 / 19 段