en aanleg. De Heere, die te Kana wijn voor de bruiloft schonk,
veroordeelt de vreugde en vroolijkheid des harten niet. Humor vloeide
vaak van zijn eigen lippen. Er is een tijd _van weenen_, o, gewisselijk;
maar met nadruk stelt de Schrift er een tijd _om te lachen_ naast.
Neen, de vraag gaat veel dieper en dringt tot den wortel van uw wezen
door. En daar, in dien wortel, is een ieder een bok, een speelsche,
woelige, stootige bok van nature. Dat is der zonde aard en de speling
van het verderf in ons.
En zóo diep wortelt die booze aard in ons gemoed, dat niemand van nature
den vrede, den ernst, de zachtmoedigheid van het lam bezit, tenzij dan
dat het Lam van God tot hem zij gekomen en in zijn ziele geopenbaard
zij.
Alleen wie den beelde van den Zoon van God, d. i. _aan het Lam_, dat de
zonde der wereld droeg, gelijk wierd gemaakt, zoo niet in voleinding dan
toch in beginsel, is bij de kudde der schapen geteld en gaat achter den
goeden Herder aan.
De _schapen_ in den dag des oordeels zullen alleen zij zijn, die het
beeld van het _Lam Gods_ vertoonen, en al de anderen gaan als bokken
terzij.
Hoor het maar aan de uitkomst.
Tot die ter rechterzijde is het: »Ik, uw Jezus, ben naakt geweest en
hongerig in mijn armen, en voorzooveel gij mijn armen gekleed hebt en
gevoed, hebt ge Mij beschut voor de koude en voor den honger behoed!«
Tot de armen van den Heere Jezus en tot zijn hongerigen voelden ze zich
aangetrokken, en toch, ze dachten er niet bij: _Dat heb ik nu voor den
Heere Jezus gedaan._
Neen, stil, zonder vertoon, zonder inbeelding van hun goede werken zijn
ze het Lam Gods nagewandeld.
Maar daarom juist is hun stille ernst en hun teedere zachtmoedigheid ter
gedachtenisse voor God opgeklommen, en in den dag des oordeels, dan zal
't de Zoon des menschen toonen, dat Hij het zag en van elk schaap zijner
kudde weet.
TWAALFDE ZONDAG.
»DOOR ZIJNS ZELFS OFFERANDE.«
Om de zonde teniet te doen door zijns
zelfs offerande.
Hebr. 9:26_b_.
_Offerande_ is de diepste gedachte, waarop heel Gods schepping doelt.
Alle creatuur, dat God schiep, schiep Hij om zichzelfs wil. Om het zelf
te bezitten; om het geheel ten eigendom te hebben; om allen geur en
bloesem ervan te genieten; om er alle eer en glorie van in te drinken;
om uit dit creatuur, als uit zijner eigen handen werk, de echo te
beluisteren van zijn eigen stem, de warmte op te vangen van zijn
eigen Goddelijk leven; ja, om het in zoo volstrekten zin alleen voor
zichzelven, als God, te hebben, dat er niets in dat creatuur was, dat
niet verteerd wierd door zucht en dorst naar Hem.
Dit nu is de _offerande_.
Als de Heere tot u zegt: »Mij zult gij liefhebben met heel uw hart en
heel uw ziel en heel uw verstand en al uw krachten«, dan vergt uw God
van u niets minder, dan dat gij uzelven, met heel uw persoon en heel uw
wezen, op zijn altaar zult nederleggen, om door de vuurvonk des Heiligen
Geestes Hem tot een liefelijke reuke te worden verteerd.
Alle schepsel, dat niet in dien volsten zin, _een offerande_ voor zijn
God is, verkeert daardoor in een toestand van zonde. Hij rooft en
ontsteelt aan zijn God een deel der offerande, die Hem toekomt.
Al onze zonde, al onze boosheid schuilt juist daarin, dat onze wereld,
dat ons geslacht, dat ons land, dat onze stad of ons dorp, dat ons huis
of ons kind of onze eigen persoon weigert een offerande voor den Heere
onzen God te zijn.
Slechts in zooverre wijkt de zonde, als er door genade weer willigheid
tot offerande onder ons en in ons geboren wordt.
En dit zal eens de triomf van Gods glorie zijn, dat de doorluchte dag
wel toeft, maar nochtans gewisselijk komt, waarin God de Heere het rijk
zijner heerlijkheid hebben zal in een schare, die niemand tellen kan,
die van den eerste tot den laatste toe niets meer zullen willen noch
anders kunnen zijn, dan éene offerande Gode in heel hun wezen en
bestaan.
* * * * *
De offerande van ram of var _verzinbeeldde_ dit wel, maar _was_ het
niet.
Hoe kon het ook?
Of als een man in Juda honderd schapen had, en hij offerde Gode éen
zijner rammen, was dat Gode zijn eere geven? Was het dan enkel die éene
ram, waarop God recht had, of was het niet al zijn bezitting, of niet
veel meer om hemzelf, om zijn hart, om zijn persoon? Ja, zelfs dien
éenen ram, had God hem dien gegeven, om tot asch verbrand te worden, of
niet veelmeer om voor hem te leven als zijn dier?
Dat kon dus niet anders dan _zinbeeld_ zijn. Of zou God dorsten naar
bokkenbloed? Zou de reuk van een verbranden var Hem welriekend zijn
geweest? Alsof niet alle dieren des velds zijns waren, het wild op
duizend bergen?
Maar hoe doelloos en volstrekt waardeloos het verbranden van var of ram
ook op zichzelf voor God was, als daad van gehoorzaamheid, als sprekend
zinbeeld, als afschaduwing van de éene, ware offerande, die er zijn
moest, maar door de zonde was weggenomen, ja, dan had dat outervuur
op Sion hoogheilige beteekenis. Dan sprak er in dat dier, welks bloed
vergoten wierd, een schriklijk oordeel over het leven der wereld. Dan
ging er in dat bloed, dat vergoten wierd, een machtige prediking tot
heel Israel uit. Dan lag er in het feit, dat God zulk een dierenoffer
zelf had willen instellen, een profetie, dat eens de ware offerande
terug zou keeren. Ja, dan blonk er in dat offerdier, dat in rook en walm
opging, genade voor genade over het arme kind van God, dat zelf een
offerande zijn moest, maar geen offerande meer zijn kon.
* * * * *
En nu komt de Hoogepriester onzer belijdenis en spreekt: »Zie, Heere!
Ik kom om uwen wil te doen; slachtoffer en brandoffer hebt Gij niet
begeerd, maar Mij hebt Gij het oor doorboord!«
En wat nu verklaart Messias hiermeê anders, dan dat Hij weer _een
offerande Gode_ wil zijn? Wat anders, dan dat Hij Gode wou doen
toekomen, niet maar _iets_ van zijn schepsel, maar _heel_ zijn schepsel?
Dat Hij de ordinantie herstellen zal, die de zonde aan flarden reet?
En dat, waar God niets van zijn schepsel vraagt dan dit éene, dat het
Hem _een offerande_ zijn zal, en toch alle schepsel die offerande Gode
onthield, Hij, onze Messias, dit recht zijns Gods herstellen, het een en
al Hem weer toewijden, geheel en onverdeeld Hem, zijn God, toebehooren,
en alzoo _Gode een welriekende reuke_ zijn wil en zijn zal?
Dit is zijns _zelfs_ offerande. Niet in zinbeeld, maar in werkelijkheid.
Niet langer een var uit stal of kooi, maar _zichzelven_. Het schepsel
in eigen persoon en wezen, gelijk de Schepper het vroeg. Want wel kan
de Zoon naar zijn eeuwige Godheid nooit anders dan God zijn, maar zijn
menschelijke natuur was creatuurlijk. En die zei Hij zijn God toe; en
die legde Hij op het altaar des Heeren; die heeft Hij ter offerande Gode
en zijnen Vader gewijd.
Waar alles op aarde riep: »Hoe zal ik mijzelven handhaven, hoe zal
ik mijzelven bezitten en mijzelven toebehooren?«--en juist in dat
schijnbaar manmoedige woord het vermetelst de eere van zijn God
aanrandde, daar komt over de lippen van Messias het eerste zoete woord
voor God: »Zie: _Ik_ kom om uwen wil te doen, U en niet Mijzelven toe te
behooren. o, God, neem mijn _zelfs_offerande aan!«
* * * * *
Er was dus _zelfs_offerande in Messias ook vóor en buiten Golgotha.
Reeds daarin, dat Hij de vleeschwording aan had gewild. Daarin, dat Hij,
vleesch geworden, Satans aanbod afsloeg en den diepen weg van bloed en
tranen koos.
Daarin ook, dat al zijn spijze was Gods wil te doen. Daarin niet het
minst, dat Hij Gods wil deed, waar niemand dien deed; en alzoo tegen den
prikkel der verleiding, die in aller anderer boos voorbeeld lag, in.
Maar toch, hierbij kon het niet blijven.
Hij had _onze_ natuur aangenomen; en deze onze natuur hadden wij onder
het oordeel des doods gebracht. Zoo kon er dan geen _zelfs_offerande
zijn, of de offerende moest tot in die natuur zelf doorgaan. Het
brandoffer, dat op Sion geheel verteerd wierd, wenkte als heilige
roeping. Zooals die var in den dood ging, zoo moest ook Hij tot in en
door de poorte des doods zijn zelfsofferande Gode toebrengen; en zooals
het bloed van dien var vergoten en geplengd wierd, zoo ook moest zijn
bloed vloeien en gesprengd worden op al zijn volk, zou de zelfsofferande
van Messias volkomen zijn.
En toch is Hij niet achterwaarts geweken, maar heeft uit liefde voor
zijn God en uit liefde voor Gods volk ook dat dal der schaduwen des
doods al de dagen zijns levens doorwandeld, en is, toen het einde van
zijn einde gekomen was, van die schaduwen des doods tot den dood zelf
ingegaan, en altoos roepende: »Zie, Ik kom om uwen wil te doen!« is Hij
door dien dood doorgedrongen tot achter het voorhangsel, in het heilige
der heiligen van zijn God!
Geen ander kon dat. Elk zondaar zou op dien weg neergestort en bezweken
zijn, nog eer de helft van den bitteren, bangen weg was voleind. Maar
Hem ondersteunde zijn vlekkelooze onnoozelheid; Hem droeg de verborgen
glorie zijner Godheid; Hem drong en lokte het eeuwig raadsbesluit. Zoo
worstelde Hij, en overwon, en de Heere rook den welriekenden reuk van
zijns zelfs offerande, en in die reuke der eeuwige liefde was het
welbehagen van zijn God.
* * * * *
En is nu dit het mysterie, dat wij Hem, onzen Heiland, in deze
zelfsofferande volgen, en alzoo voor God bestaan?
Och, ware dit zoo, wiens hart zou hem niet aanklagen, wiens geloof niet
zijn oordeel zijn?
Neen, maar dit is het wondere geheim, dat Hij, onze Messias, dank zij
deze zelfsofferande en Goddelijke almacht, de liefde bezit, om op u te
werken, u te trekken, en u met koorden aan de hoornen van het altaar uws
Gods te binden.
Zoo maakt _Hij_ en niet gij uzelven ter offerande. En Hij doet dit, door
u in de gemeenschap zijns lichaams in te lijven. U in zichzelven voor
God te stellen. Dat de Heere u niet in uzelven, maar in _Hem_ aanziet.
Ja, meer nog.
Wat nu nog in Hem verborgen is, dat werkt de almacht zijner Goddelijke
liefde eens ook persoonlijk in u uit.
Nu reeds in aanvang en ten teeken en u tot troost, als er reeds hier in
en door u geofferd wordt, wat uw boos hart nog zoo gaarne aan uw God
ontstal.
Maar eens veel heerlijker nog, als uw Messias in uw sterven u afsnijdt
van uw eigen levenswortel, en u in hemelsche glorie op den wortel zijner
zelfsofferande zal doen bloeien.
En dan daarboven in zijn toekomst eens éen schare van priesters en
priesteressen Gode en den Vader, bij wie alle eigen zin en eigen liefde
wegviel, en door wie dag en nacht in zijn tempel slechts éene offerande
gebracht wordt, het offer van heel hun aanzijn, van al hun liefde, van
gansch hun bestaan.
DERTIENDE ZONDAG.
»ALS EEN LAM TER SLACHTING GELEID!«
Als dezelve geëischt werd, toen werd
Hij verdrukt: doch Hij deed zijnen mond
niet open: als een lam werd Hij ter
slachting geleid, en als een schaap,
dat stom is voor het aangezicht zijner
scheerders, alzoo deed Hij zijnen mond
niet open.
Jes. 53:7.
Er ligt in al Gods schepselen, ook in het dieren- en plantenrijk, een
heerlijke symboliek, waarvan de rijke beteekenis ons slechts een enkel
maal door de Schrift ontsluierd wordt.
Een symboliek in het tarwegraan, dat in de aarde valt en sterft, en in
den wijnstok, die in zijn ranken vrucht draagt. En zoo ook een symboliek
in de duive, die neerzijgt op haar vleugelen, en in het lam, dat wel
vroolijk blaat, als het ter weide wordt uitgeleid, maar stom is voor wie
het slacht of scheert.
Heilig is ons die symboliek, omdat ze kleeft aan de gestalte en de
verschijning van Hem, die ons met zijn bloed gekocht heeft. Hij dat
Tarwegraan, dat sterven moet om niet alleen te blijven; Hij die
Wijnstok, die al zijn ranken het levenssap toevoert; op hem die Duive
neergedaald, opdat Hij vervuld zou worden met den Heiligen Geest zonder
mate, en zoo bovenal, Hij, onze Jezus, dat Lam, dat ter slachting gaat,
het Lam, dat de zonden der wereld draagt, het Lam, dat stom is voor het
aangezicht zijner scheerders.
En zoo was het lijden van den Man van smarten.
Niet in dien letterlijken zin, alsof Hij al de uren zijns lijdens geen
woord zou gesproken hebben. Dat ondervond Judas anders in den hof, toen
de Heere hem door zijn booze ziel sneed met zijn schriklijk woord. Dat
is anders door Kajafas ervaren, toen de Heere hem profeteerde van den
Zoon des menschen, die op de wolken komen zou. Dat overkwam Pilatus heel
anders, toen Jezus hem de holheid en de leegheid toonde van zijn
sceptischen waarheidszin.
Neen, in dien zin was Jezus onder zijn lijden niet stom. Eer sprak Hij
betrekkelijk veel. Tot zelfs van zijn kruis zeven malen. Nog vlak eer
Hij sterven ging: »Vader, in uwe handen beveel Ik mijnen geest.«
* * * * *
Neen, de stemmeloosheid van het Lam ligt in het inhouden van den kreet
van verzet tegen het lijden.
Er ligt in den kreet, waarmeê het gevoelige schepsel tegen het lijden
inschreeuwt, een middel van verweer. Zoo schreit het kind in de wieg,
als het pijn heeft. Zoo gilt het kind op straat, als het leed ervaart.
Zoo is een gil van verzet op ieders lippen, als hij gewelddadig
aangerand of door schrik vervaard wordt. En zoo krijt en kreunt en gilt
en schreeuwt ook het dier, als het geslagen wordt of pijn voelt. En als
zich straks bij dien kreet het verzet van den weerstand voegt en het
getergde dier op zijn plager aanvalt, dan is dat geschreeuw en die woede
éen. Het is de zin, om niet te willen lijden, maar tegen pijn en leed in
te gaan.
En zonder nu staande te houden, dat een lam nooit kreunt en zich nooit
verzet, maakt toch het lam meer dan eenig dier op ons den indruk, van
zich hulpeloos en weerloos aan zijn leed over te geven. Heel dat dier
is er op geschapen. Weerloosheid is zijn uitdrukking. En vooral als het
sterven gaat, wekt het lam uw deernis op. Een lam te slachten vergt meer
overwinning van uw zelfgevoel dan het slachten van een var of os.
En in dien algemeenen zin nu moet ge ook die beeldspraak van het Lam in
zijn toepassing op Jezus verstaan. Hij verzet zich niet. Hij scheldt
niet weder, als men Hem scheldt. Als men Hem sart en lastert, bidt Hij
voor zijn vijanden. Den drinkbeker, dien Hem de Vader gegeven heeft,
drinkt Hij met volkomen zelfbeheersching, en dien willende drinken, tot
den laatsten druppel leeg.
* * * * *
En dit nu is de diepe doorgronding van het mysterie des lijdens.
Er is ook lijden, dat bestemd is om onze veerkracht te prikkelen.
De doornen en distelen der aarde prikkelen Adam, om in het zweet
zijns aanschijns zijn brood te zoeken. De brullende leeuw, die op
den mensch toespringt, prikkelt zijn manlijke kracht, om te worstelen
om levensbehoud. De storm, die losbrak over de wateren, prikkelt den
zeeman, om met mannenmoed tegen den orkaan in te worstelen. Allerlei
ziekte en kwaal prikkelt 's menschen vindingrijkheid, om genezing te
ontlokken aan het kruid der aarde. Kortom, allerlei leed en gevaar, dat
ons bedreigt, is niet bestemd, om er ons onder te doen verkeeren als het
lam, maar om er met mannenmoed en menschelijke wilskracht den strijd
tegen op te nemen.
Maar dit is slechts de bast en niet de kern, niet het pit van het
mysterie des lijdens.
Ook buiten het lijden, dat ons door de natuur overkomt, is er een
lijden, dat van mensch op mensch loert, en in de menschelijke boosheid
het venijn, dat Satan naar ons spuwt, voelbaar maakt.
Er is bang verdriet, dat moet doorworsteld; wreede teleurstelling,
waaronder het menschenhart te zwoegen heeft; schriklijke weedom des
harten, waaronder de matte ziel heeft weg te zinken. En dan is er heel
dat heirleger van opzettelijke kwelling in laster, hoon en krenking;
straks in het spuwen op iemands gelaat, en voortgaande tot in het
aangrijpen van het lichaam, met allerlei geeseling en kwelling tot in
den dood, ja, in den dood des kruises. En als ware het nog niet genoeg,
dat alles nog verergerd door lastering en kruis saam te voegen, en den
armen mensch onschuldig te doemen, en als onschuldig gedoemde over te
leveren aan aller verachting en hoon!
Dat is het eigenlijke, dat het de ziel gansch ontroerende lijden. Een
lijden, dat ons prikkelt, maar in zijn prikkeling de ziel vergiftigt,
en u prikkelt niet tot mannenmoed en oefening van wilskracht, maar tot
weerwraak, bitterheid en haat.
En nu is hier de proef.
Oefent het lijden op u die prikkeling en laat ge die prikkeling
doorwerken, zoo brengt het u geheel ten onder.
Maar ook, weet ge die prikkeling van Satans venijn te weerstaan en,
weerloos als het lam, zulk lijden over u te laten komen, dan triomfeert
ge.
* * * * *
Het allerdiepste pit van dit lijden nu heeft Jezus en Jezus alleen in al
zijn bitterheid gesmaakt.
Niet, omdat er niet wel menschen zijn, die men erger gemarteld heeft. o,
Tal van martelaren en martelaressen hebben veel schrikkelijker
barbaarschheden geleden. Vooral in Japan leden de Christenen zoo
ontzettend.
Maar merk er wel op, de bitterheid van dit lijden neemt toe, niet
zoozeer naar evenredigheid van de verscherpte marteling, maar naar
gelang van de zielskwelling. Het is het _onschuldig_ lijden, dat hier
het vlijmen verdiept. En hierom _kon_ alleen Jezus dit lijden peilen in
al zijn ontzettende diepte.
Wij lijden _nooit_ onschuldig. In aller zonde ligt onze eigen zonde
ingeweven. De boosheid, die tegen ons losbreekt, is onze eigen boosheid,
ons beloerend en belagend uit anderer hart. Het is de algemeene haat,
die uit de zonde opkomt, en waarin we allen verwikkeld zijn.
Maar hier was de reine, de heilige, de onzondige, de schuldelooze. Hij,
die aan niets deel had. In niet een enkele wortelvezel van de zonde met
de vezelen van zijn eigen hart verwikkeld lag. Hij, die geen haat ooit
anders dan tegen Satan gekend heeft. De vleeschgeworden Liefde zelve.
Hierin en hierin alleen moet de onvergelijkbre diepte van het lijden des
Heeren gezocht worden. Alle andere vergelijking voert niet tot het doel.
Alleen zóo staat zijn lijden _eenig_ onder alle lijden in al de
lijdenshistoriën der menschheid.
Zoo alleen is Hij _de_ Man van smarten. Man van smarten, omdat Hij en
Hij alleen waarlijk _de_ Knecht Gods was.
* * * * *
En zie, de prikkel van zijn menschelijk besef, om tegen dit allerdiepste
lijden, met zijn goed recht, met zijn vlekkelooze conscientie, met al de
deugdelijkheid zijner zaak in te gaan, dien prikkel heeft Hij gebluscht,
heeft Hij afgestompt, heeft Hij gesmoord in zijn eigen ingewand.
Zoo is Hij het Lam Gods geworden.
Hij zag niet op den steen, maar op die dien steen wierp. Hij trok zijn
oog af van de zaag, en zag alleen op dien, wiens hand die zaag trok. Een
Judas, een Kajafas, een Pilatus, het waren Hem altegader instrumenten,
meer niet. Hij, van wien Hem dit nameloos lijden overkwam, was zijn
eigen Vader, zijn Vader in de hemelen. Neen, Pilatus! neen, Kajafas!
neen, Judas! gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, zoo u die niet van
boven gegeven ware!
Omdat God het wilde, dat Hij lijden zou, daarom _wilde_ Hij lijden.
Of het Hem geen worstelen gekost heeft, vraag dat aan de schaduw van
Gethsémané's olijven.
Die prikkel om er tegen in te gaan, en dat weten: God wil het! o, ze
streden zoo bang in zijn menschelijk hart.
Maar toen het weer volkomen klaar en zoo hemelsch helder voor Hem wierd:
_God wil dit lijden_, toen ook niet éen oogenblik aarzeling meer.
Ziet, toen ging Hij uit Gethsémané naar Golgotha, Hij, het Lam Gods, dat
de zonde der wereld wegdroeg.
VEERTIENDE ZONDAG.
»KOMT TOT DE BRUILOFT.«
Wederom zond hij andere dienstknechten
uit, zeggende: Zegt den genooden: Ziet,
ik heb mijn middagmaal bereid, mijne
ossen en de gemeste beesten zijn
geslacht, en alle dingen zijn gereed;
komt tot de bruiloft.
Matth. 22:4.
Reeds in de Spreuken heet het van de Opperste Wijsheid, dat ze haar
slachtvee geslacht heeft en haren wijn gemengd en haar tafel toegericht,
en dat ze haar boden heeft uitgezonden, die roepen: »Komt, eet van mijn
brood en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb.«
En Hij, die zelf de Opperste Wijsheid was, vergeleek het Koninkrijk der
hemelen bij een koning, die een bruiloft bereidde en riep: »Ziet, ik heb
mijn middagmaal bereid, mijn ossen en de gemeste beesten zijn geslacht
en alle dingen zijn gereed,« en zijn dienstknechten uitzond, zeggende:
»Komt tot de bruiloft!«
De noodiging, de oproeping alzoo tot iets luisterrijks, iets dat
heerlijk genot belooft, en reeds om het genot den wensch zou doen
opkomen, om er bij te mogen zijn en meê te mogen aanzitten.
Eenerzijds: Wie ten leven wil ingaan, ga in door de enge poort, neme
zijn kruis op en verloochene zichzelven; maar ook anderzijds daarnaast
en daartegenover de vriendelijke schildering van een heugelijk
bruiloftsfeest, waartoe de Heere zijn geroepenen noodigt.
Nu zoudt ge zoo zeggen, als de roepstem uitgaat: »Neem uw kruis op en
volg Mij!« dan zal het meerendeel angstig terugschrikken; maar als het
heet: »Komt tot de bruiloft!« zal elk, die slechts komen kan, met
geestdrift zich vinden laten.
En toch, de Heere teekent het anders.
Neen, de geroepenen schrikken nog weg, als het heet: »Gaat in door de
enge poort!« maar haast nog volhardender is hun afslaan van de
noodiging, als het heet: »Komt tot de bruiloft!«
Ook naar die bruiloft van het Lam _wil_ de in zonde verzonken mensch
niet heen.
De Heere zegt het duidelijk: ze weigeren allen. Ze weigeren op allerlei
grond, onder allerlei voorwendsel, soms zelfs boosaardig. De een gaat
tot zijn akker, de ander tot zijn koopmanschap, en een derde scheldt 's
Konings boden uit, beschimpt ze en staat hun naar het leven.
Maar hoe ook hun wijze van weigeren verschille, op het roepen, op het
herhaalde en dringende roepen, dat ze toch tot de bruiloft komen
mochten, _komt niemand_.
* * * * *
Vanwaar dit verschijnsel?
Soms zegt men zoo wel: »Predik het Evangelie niet te streng, niet te
hard, stel het vriendelijk voor en poog te lokken!«
Welnu, dat geschiedt hier. Hier is niets hards, niet onvriendelijks,
maar alles uitlokkend en verleidelijk. Er is een vriendelijk nooden.
Er is een roepen naar een feestmaal. Er is een lokken naar een ure
van vreugde en heugelijk verblijden. En toch, hoe zacht en boeiend
en lieflijk ook de voorstelling zij, de lieden komen toch niet.
Als den jongeling gezegd wordt, hard gezegd wordt: »Ga heen en verkoop
al wat ge hebt,« gaat die jongeling op dat harde zeggen ten minste nog
_bedroefd_ heen. Maar hier, bij de noodiging tot de bruiloft, is zelfs
van die droefheid geen spoor te ontdekken. Men weigert, omdat men _wil_
weigeren. Uit opzet, uit moedwil, in vermetelheid van het hart.
Waaraan dit dan ligt?
Zie, het komen op zulk een bruiloft als waarvan Jezus spreekt, was een
hulde aan den Koning, in wiens naam de boden uitgingen, en juist die
hulde aan den Koning brengen, dát wilde men niet.
Of de Koning die hulde aan zijn kroon en majesteit ook al aanlokkelijk
en begeerlijk inkleedde, deed er niet toe. Als die bruiloft in glans
en eere schitterde, zou het 's Konings glorie verhoogen. Liep ze
daarentegen smadelijk af en bleef Hij alleen met de leege tafels, dan
zou zijn eere gekrenkt zijn; en overmits nu de genoodigden, in hun boos
hart, Hem zijn glorie misgunden, en zijn smaad een zielsgenot vonden,
daarom weigerden ze Hem het huldebetoon, en bleven ze weg, om Hem een
ure der schande te berokkenen.
Een bruiloft wilde men wel. Feestgenot bracht de zinnen in verrukking.
Maar zelfs dat feestgenot had zijn bekoring verloren, als er de eere van
den Koning meê verhoogd wierd.
En zoo ligt het antwoord klaar voor ons.
Dat op het roepen: »Komt tot de bruiloft!« de genoodigden weigeren te
komen, is niets dan vijandschap tegen God in hun hart.
Men stelle zich de zaak wel voor.
Als zulk een Oostersch vorst een huldigingsfeest in zijn hofstad vierde,
wierden er machtige maaltijden aangericht, waarbij soms tien à twintig
duizend personen aanzaten. Nog onlangs heeft Ruslands Czaar in Moskou
meer dan zestien duizend genoodigden aan open tafels gespijsd.
Daarvoor wierden de noodigingen verzonden aan de oversten der
koninklijke heirscharen, aan de regenten van steden en dorpen, aan de
vertegenwoordigers en de besturen van alle instellingen, inrichtingen en
genootschappen.
Heel het land moest op zulk een dag vertegenwoordigd zijn.
Maar dan moest men het voor zijn Vorst ook over hebben, om een tijdlang
uit zijn bezigheden te gaan, om de lange reis te maken, om saam op
te trekken naar de hoofdstad, en bovenal, dan moest er enthousiasme,
liefde, meêleven in het hart zijn, om zich in de glorie zijns Konings
te verheugen.
En _die_ genoodigden wilden nu niet komen. Ze _achtten_ de noodiging
niet (vs. 5), en hadden het er niet voor over, om hun akker en hun
koopmanschap er voor een korte poos aan te geven.