God is meerder dan ons hart, en Hij kent
alle dingen.
1 Joh. 3:20.
Er is een innerlijk Getuige, die getuigt in uw binnenste, of ge goed
staat of kwaad.
Die Getuige getuigt reeds in een kind van twee, drie jaar; en misschien
zelfs vroeger reeds, zonder dat wij het merken.
Die Getuige keert telkens in u weder, zoo dikwijls er iets in u omging
of bij u opkwam, zoo dikwijls ge iets deedt of spraakt, of uit de
herinnering u tebinnenbracht, _wat slecht was_.
Die Getuige getuigt tegen u en laat u geen rust, als ge iets kwaads in
het zin hebt.
Die Getuige verscheurt u inwendig, zoo dikwijls ge iets doen dorst, dat
nog slechter was dan uw gewone doen.
En die Getuige kwelt u, zooals een worm knaagt, soms nog jaren na uw
zonde, altoos met hetzelfde stellige vonnis.
Let wel, het is niet een _getuigenis_, maar een _Getuige_; niet een
eigen wetenschap van u; of wat men thans zijn »geweten« noemt; maar
_de levende, heilige God zelf_, die u zóo schiep, dat Hij in u getuigen
_kon_; in u getuigen ook _na_ uw val in zonde; en dat buiten alle genade
om, soms zelfs in het hart van den verstoktsten booswicht.
Want weet wel, uw conscientie in u is geen apart vermogen, dat ge als
mensch bezit, om in uw eigen wijsheid goed en kwaad te onderscheiden;
maar het is het beluisteren van _een vonnis_ over uw daad, over uw
_gedachte_ en over uw _persoon_, dat, zonder dat iemand het hoort, in uw
binnenste u wordt toegefluisterd. Dat ge verneemt en moet _toestemmen_.
En dat juist door die _toestemming_ op dat oogenblik de uitspraak van uw
conscientie wordt.
Uw conscientie is niet iets aparts, dat God u inschiep, en dat ge als
een instrument in u omdraagt, om het te laten werken, als het u gevalt.
Integendeel, de uitspraak van uw conscientie komt dan juist, als het u
zeer óngelegen komt, en als gij ze om wat liefs zoudt willen bannen.
In uw conscientie is altoos de openbaring, dat _uw Rechter_ zich aan u
heeft bekend gemaakt; in uw binnenste u veroordeeld heeft; u dat oordeel
waarschuwend of bij vonnis heeft aangezegd; dat gij dit vonnis vernaamt;
zelf uw schuld niet kondt ontkennen; en daarom geoordeeld ligt voor God
en voor uzelf.
* * * * *
Was nu uw innerlijk gehoor nog even fijn en zuiver als God het u in zijn
Paradijs inschiep, dan zoudt ge nu nog in staat zijn, om dit u
veroordeelend vonnis over uw daad, of dit waarschuwend vonnis over uw
verborgen gedachte, juist zoo te verstaan als God het velt.
Maar dit fijne gehoor _mist ge_. In een zondaar is dat gehoor _nooit_
meer zuiver. En als God, die innerlijke Getuige, rechterlijk over uw
ziel komt en vonnis slaat, is het al veel, zoo ge nog tamelijk wel de
_hoofdstrekking_ van zijn vonnis verstaat.
Toch is zelfs dit lang niet altoos het geval.
Ge zult een heelen dag doorleven, dat ge hoogstens éen of twee malen
gemerkt hebt: »De Rechter sprak weer in mijn binnenste.« Maar tegenover
die enkele oogenblikken zullen er honderd andere overstaan, waarbij ge
_niets_ van dien innerlijken Getuige hebt bespeurd.
Gaandeweg wordt dit er voor een zondaar zelfs niet beter op. Toen
hij een jong kind was, bloosde hij nog bij het minste kwaad. En dat
blozen was iets kostelijks; want dat blozen komt daar vandaan, dat de
innerlijke Getuige ons inwendig zoo sterk aangrijpt, dat de schok ervan
zich aan ons hart meêdeelt en uit ons hart het bloed naar het gelaat
opdrijft.
Maar op later leeftijd gebeurt dat zelden meer. De sterkte van het
innerlijk gehoor neemt af. De _gewoonte_ van zondigen maakt, dat we dien
Getuige meestal niet meer hooren; evenals ge het tikken van een klok,
die altoos in uw kamer staat, op het laatst niet meer opmerkt.
Zoo komt er verergering van het kwaad; verharding van het hart;
verstomping van de conscientie; en eindelijk komen er van die
schriklijke toestanden, waarvan de apostel zegt, dat het lijkt of de
conscientie met een brandijzer toegeschroeid is.
Dan getuigt de Getuige nog wel aldoor; want die getuigt in elk
menschenkind bij elke levensbeweging; maar de verharde en aan zonde
gewende zondaar _hoort_ het niet meer.
Ja, wat meer zegt, door het feitelijk bedrijven van zonde wordt op het
oogenblik, dat we zondigen, de stem van dien Getuige bijna geheel voor
ons gesmoord.
Schriklijke zondaars, die in ontzettende misdaden gevallen zijn, hebben
het meer dan eens betuigd, dat ze op het oogenblik zelf niet de minste
weet van hun zonde hadden, geheel gewetenloos en zonder hinder hun
misdaad bedreven, en dat daarna eerst, als de ontspanning op de
overspanning volgde, de stem van den innerlijken Getuige weer schriklijk
hoorbaar werd.
* * * * *
Toch komt er in dezen toestand een gansch wondere omkeering, zoodra God
de Heilige Geest in de ziel dringt, haar tot zijn tempel kiest, en het
»Abba, Vader!« aan de diepte des gemoeds ontlokt.
Dan licht de Heilige Geest het cataract van het oog en spreekt het
_Effatha_ tot het doove en verstompte oor der ziel, en opeens begint
de geroepene met dusver ongekende kracht de stem van den innerlijken
Getuige weer te hooren.
Doch nu heel anders.
Nu niet meer over dit of dat, maar nu over heel uw persoon, heel uw
bestaan, heel uw aard en wezen; en wonderbaar komt ge tot de vreeselijke
overtuiging, dat ge niet maar zonde deedt, maar diep zondig en
verzondigd tot in den wortel van uw wezen zijt, en niets dan zonde doen
kunt; dán zelfs als ge dacht goed te doen.
Door _het Woord_ werkt de Geest dat. Die Heilige Geest, die aan den
innerlijken Getuige een uitwendigen Getuige toevoegde _in het Woord_ en
nu door dat dubbele getuigenis u omverwerpt.
Ja, erger nog.
Als de Heilige Geest, door het zielsoor te openen, u dan die
veroordeelende stem van den uitwendigen en inwendigen Getuige heeft doen
hooren, dan doet Hij u ook bekennen, dat er _achter_ hetgeen gij van uw
zonde begrijpt, nog heel een veld van dingen, en heel een afgrond van
diepten ligt, waarvan ge niets begrijpt. Als gij dan uitgehoord zijt en
niet meer hooren kunt, is die Rechter toch nog niet uitgesproken. Op
verre na niet. En als uw hart niet meer kan, dan kan God nog aldoor. En
ge merkt het: God is meerder dan mijn hart, en Hij kent alle dingen.
Er komt dan een inzicht in een _eeuwige_, een besef van een _oneindige_
schuld en doem.
En dan eerst komt het wegzinken, het innerlijk verbrijzeld worden.
o, God! wees mij, armen zondaar, genadig!
* * * * *
Daarom brengt _het Woord_ u veel verder dan de _conscientie_; want
de uitwendige Getuige openbaart u een diepte van _eeuwigen dood_,
waaromtrent het getuigenis van den innerlijken Getuige _niet_ tot u
doordrong.
Maar toch, al komt het dan uit het Woord, de innerlijke Getuige geeft
er toch in elk gegeven geval voor u _het zegel_ aan. En wie zonder den
inwendigen Getuige alleen het uitwendig getuigenis neemt, wordt _niet_
geraakt.
En op dat _geraakt_ worden komt het toch aan. Want gij moet
neergeworpen; ge moet neergeslagen; de afgod van uw ik moet in u
verbrijzeld. _Dagon_ moet vallen. En die uitwerking heeft het uitwendig
getuigenis _zonder_ den innerlijken Getuige _nooit_.
Niet de innerlijke Getuige _zonder_ het Woord. Dat kan evenmin. Neen,
eerst als die twee saamstemmen, dan gaat de vonk in ons af, en wordt ons
hart in vlam gezet, en brandt onze hoogheid tot assche.
En dan blijkt diezelfde God meerder dan ons hart óok in genade.
Want wie zoo neergeworpen wierd, die heeft geen hope meer. Voor dien is
alles doem en oordeel, stikdonkere nacht en duisternis en al het roepen
van binnen is eeuwige dood!
Maar God is meerder dan dat enkel verdoemende hart. Hij is lankmoedig en
genadig en groot in ontfermingen. En als dan de uitwendige Getuige op
den Immanuel wijst, en de innerlijke Getuige predikt ons dien in zijn
dierbaarheid, dán, maar ook dan eerst, wordt de conscientie in ons
_goed_.
Goed, zooals de heilige apostel het bedoelde, toen hij schreef van het
_vragen om een goed geweten_, dat in ons roept _naar God_!
TIENDE ZONDAG.
»IN VREDE NEDERLIGGEN EN SLAPEN!«
Ik zal in vrede tezamen nederliggen en
slapen: want Gij, o Heere! alleen zult
mij doen zeker wonen.
Ps. 4:9.
Psalm éen en twee vormen een inleiding op heel het boek der Psalmen; en
de drie psalmen, die dan volgen, zijn _Morgen- en Avondliederen_.
Psalm éen heft dies aan met het: »_Welgelukzalig_ is de man, die niet
wandelt in den raad der goddeloozen,« en Psalm twee sluit eveneens met
een: »_Welgelukzalig_ zijn allen, die op Hem betrouwen.«
Zoo is alles in den Psalmbundel schoon geordend. Eigenlijk zijn het
vijf bundels in éen bundel, en zijn elk dezer bundels door een bijna
gelijkluidend refrein van elkaar gescheiden. Zoo maken de eerste 41
psalmen den eersten bundel uit, en eer ge dan met het: »_Het hert
schreeuwt naar de waterstroomen_,« aan den tweeden bundel toekomt, staat
er het refrein tusschenin: »_Geloofd zij de Heere, de God Israels, van
eeuwigheid en tot in eeuwigheid! Amen, ja, Amen!_« Dan loopt de tweede
bundel van Psalm 42 tot aan het lied van Asaf (Ps. 73), en ook dan staat
weer tusschen beide bundels het refrein: »_Geloofd zij de Heere God, de
God Israels, enz. Amen, ja, Amen!_«--met er bij: »De gebeden van David,
den zoon van Isaï, hebben een einde.« Van Asaf op Mozes gaat de derde
bundel, van Psalm 73-90, waar we aan het slot van Psalm 89 wederom
lezen: »_Geloofd zij de Heere in eeuwigheid, Amen, ja, Amen!_« Terwijl
eindelijk de 4e en 5e bundel gescheiden worden door geheel hetzelfde
refrein aan het slot van Psalm 106: »_Geloofd zij de Heere, de God
Israels, van eeuwigheid tot in eeuwigheid, en al het volk zegge: Amen,
Halleluja!_« Een lofverheffing, die zich aan het slot van heel het boek
der Psalmen tot al de schepping uitbreidt, als het in Psalm 150:6 heet:
»_Al wat adem heeft, love den Heere. Halleluja!_«
En naar even schoone orde nu bewegen zich ook de eerste psalmen, die op
de inleiding van de beide eerste psalmen volgen, _om den slaap_.
In Psalm 3:6 heet het: »_Ik lag neder en sliep_; ik ontwaakte, want de
Heere ondersteunde mij.« In Psalm 4:9: »_Ik zal nederliggen en slapen_,
want Gij, o, Heere! alleen zult mij zeker doen wonen.« In Psalm 5:4:
»_Des morgens, Heere! zult Gij mijne stem hooren, des morgens_ zal ik
mij tot U schikken en wacht houden.« En in Psalm 6:7: »Ik doe _mijn bed_
den ganschen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijne tranen.«
Avond- en morgengedachten alzoo!
Liederen voor wie zich te slapen legt, en liederen voor wie van zijn
bedstede verrijst.
En hetzij dat we slapen gaan, hetzij dat we uit den slaap opwaken,
altoos het hart en de gedachten des harten nabij den Heere, wiens alleen
de sterkte is.
* * * * *
Voor een kind van God is de slaap iets wonderbaars. Als hij slapen gaat,
maakt God hem weg. Hij weet dan van zichzelven niet meer af. Hij sluit
de oogen, vergeet wat om hem is, en werpt zich al slapende in de armen
van zijn God, dien Wachter Israels, wiens oog nooit sluimert.
Zoo wacht de Heere elken avond zijn kind op, en spreidt hem zijn leger,
en bedwelmt hem, en waakt nu aan zijn sponde, terwijl hij weg is en van
niets af weet en slaapt.
Eerst knielt het kind dan voor zijn Vader, die in de hemelen is, neder.
Hij zoekt en vindt Hem bij die sponde, waarop hij zich zal neerleggen,
en als hij zijn God dan aanspreekt, dan is het, of hij tot Hem zegt:
»Zijt Gij daar weder, o, mijn goede, trouwe God! om mij in de armen
uwer trouw voor dezen nacht te besluiten?« En als het stil gebed dan
is uitgestort, en gedankt is voor al Gods trouwe op dien langen dag, en
vergeving is gevonden in het bloed des Lams voor al de zonden, die dien
dag bevlekt hebben, dan klimt het vertrouwen in de ziel weer op, en bij
het: _Amen, ja, Amen, Hallelujah!_ voelt hij zich door zijn God als
opgenomen, en op zijn sponde neergelegd. »Ik lag neder en sliep, want de
Heere ondersteunde mij!« is dan zijn zalige bevinding. En met God bij
zijn ziel en zijn ziele met zijn God vereenigd, sluimert hij zacht in de
ruste des slaaps.
Het is zoo, er zijn ook _onrustige_ nachten. David kende ook den
angstkreet: »Ik sliep, maar mijn hart waakte.« Hij wist ook van nachten,
dat de slaap van zijn oogen week, en de bitterste tranen zijn oog
bevochtigden.
Maar juist bij de schaduw dier bange en in angst doorworstelde nachten
komt het zoete en schoone der gewone nachten te heerlijker uit.
En immers de goede nachten, dat God de Heere achter zijn kind toesluit,
en hem dekt met de vleugelen zijner liefde, en hem zaliglijk met zijn
hoede omringt, ze zijn altoos nog tien tegen éen nacht in onrust
doorgebracht. En het einde _ook van al de nachten_, die we in ons korte
leven doorbrachten, is lof en eere en prijs voor dien Vader in de
hemelen, die ook in onze nachten, ook in onze sluimeringen, ook om onze
legerstede groot en heerlijk is!
* * * * *
De slaap is zulk een diep mysterie; want _gij_ kunt niet slapen, tenzij
God de Heere u _doet_ slapen.
Neem er de proef slechts van. Ge kunt, ja, gaan nederliggen; ge kunt u
schikken tot den slaap; ge kunt met veel zelfbedwang en zelfbeheersching
uw leden stilhouden; maar uzelven den slaap _geven_ kunt ge _niet_. En
als het Gode niet belieft dezen engel der nachten over u te brengen, dan
waakt ge nóg, als het daglicht rijst, en al uw gewaande rust heeft u
afgemat instede van versterkt.
Het is zoo wonderbaar.
In uw slaap zijt ge een machtelooze. Soms gaat de slaap zoo diep, dat
men uw slaapvertrek zou kunnen leeghalen, zonder dat gij het bespeurdet.
En om in die machteloosheid van den slaap weg te zinken, zijt ge toch
weer onmachtig, tenzij God de Heere u de macht van uw dagbewustzijn
ontneemt.
_Machteloos_ wordt ge in den slaap, maar juist om in dien slaap met
_nieuwe kracht_ bekleed te worden. Een _sterven_ bij den dag, om elken
morgen in nieuwe kracht _op te staan_.
Zoolang gijzelf, bij vollen dag, uw lichaam hanteert, _kunt_ ge niet
anders dan het vermoeien, uitputten en in kracht doen dalen. En eerst
als ge uw lichaam door den slaap uit _uw_ hand in _Gods_ hand laat
overgaan, houdt die uitputting en afmatting op, en God de Heere neemt
uw lichaam in de hand zijner almogendheid, om het te verfrisschen, te
verkwikken, en weer voor een langen dag met levenswarmte en levenskracht
te bezielen.
In den nacht, als alles slaapt, is God de Heere in uw huis de machtige
Werker, die op al die bedsteden, in al die kribben, en tot in de wieg
toe als uw God en uw Schepper herschept, wat teloorging door het leven
des daags.
o, Wat merkt ge die wondere kracht van uw God niet soms bij uw kranken!
Dan was er dagenlang getobd en gebeden en geworsteld; en alle middel
aangewend, en alle medicijn beproefd. Maar niets baatte. Aldoor nam uw
kranke af. Tot het eindelijk God beliefde een stillen, diepen slaap over
het oog en over het bewustzijn van uw zieke te brengen. En hoe deed die
éene slaap dan niet wonderen! Duizendwerf meer dan alle medicijn, door
menschenhand bereid. Ja, hoe dagteekende niet veeltijds van dien éenen
diepen slaap de voortgang tot volkomen genezing!
* * * * *
En zou die wondere slaap dan enkel voor uw lichaam zijn?
Maar ge weet immers beter.
Het kind, dat 's avonds voor zijn school niet meer werken kon zoo moe
als het was, kan 's morgens weer vlug en helder leeren. De denker, die
zich 's avonds moê had gepeinsd, kon na gezonden slaap in den morgen
weer met frissche kracht zijn denkarbeid opvatten. En sterker nog, als
ge in moeilijke levensomstandigheden des avonds met het matte hart geen
raad meer wist, hoe dikwijls heeft God de Heere u dan in den slaap dat
matte hart gesterkt, zóo gesterkt, dat ge 's morgens weer wilskracht
hadt om te besluiten en helderheid om de juiste keuze te doen!
En zou die innerlijke verfrissching ook niet tot uw ziel doorgaan?
o, We weten het wel, hetgeen de psalmist zegt: »_Hij geeft het zijnen
beminden als in den slaap_,« heeft in dat lied een andere beduidenis,
maar als ge inslaapt met de bede: »Geef mij heilige gedachten en wees
in den droom mijn lust!« dan mag dat naar de mystiek der Hernhutters
onjuist zijn uitgedrukt, maar _deze_ waarheid was er dan toch in, dat
ge ook voor den nacht iets van uw God _voor uw ziel_ dorst hopen.
En zou de Heere dan ook die zeven à acht uur van den slaap, als uw ziel
rust en al uw denken niets heeft in te brengen, en uw booze opwellingen
zwakker zijn, niet ook _met genade_ het hart van zijn kinderen sterken,
en geloofswerkingen bereiden voor den geloofsstrijd, die straks in den
morgen hen weer wacht?
* * * * *
Haast zou het de vraag zijn, in welk deel van ons leven we het meest
voor de eeuwigheid worden voorbereid, _op den klaren dag_, als alles ons
aftrekt, en als onze geesteskrachten in de wereld uitloopen, of wel _in
den stillen nacht_, als niets ons afleidt, en al onze zielskrachten in
ons teruggetrokken zijn en in ons worden opgesloten.
Want dát is het eigenlijk: Gij ligt op uw legerstede en slaapt, maar dan
slaapt er nog iets anders in u, en _uw ziel_ rust in uw binnenste,
gelijk _gij_ op uw sponde rust.
Sommigen, dit ontkennen we niet, hebben ook ontmoetingen des Geestes bij
vollen, klaren dag; maar toch dit zijn zeldzaamheden. En hoe schoon, hoe
lieflijk is dan de gedachte niet, dat God de Heere elken nacht zijn
beminden opzoekt, om, als hun wezen in hun binnenste sluimert, dat
sluimerend wezen te overkomen met reinigende en sterkende genadegaven.
Dit althans merken Gods kinderen wel zeker, hoe God de Heere hen in dien
slaap voor de eeuwigheid bereidt.
In de morgenuren wordt veel minder gezondigd dan in de avonduren. Laat
hier maar de herinnering uit eens iegelijks leven getuigen.
's Morgens is er meer reinheid over u uitgegoten, in de avonduren kleeft
er te veel stof der wereld aan u.
Ook dit nog.
Uw slapen gaan is een voorbereiding, om eens den slaap des doods met
stil vertrouwen tegen te gaan; een prediking van de opstanding, die
komt.
Of gaat ook tot u niet soms een prediking uit, als uw God bij uw
inslapen u indachtig maakt: »Zoo omvang Ik u eens in mijn armen, als
_ge den slaap des grafs_ gaat sluimeren,« en straks bij uw ontwaken
tot uw ziel zegt: »Zoudt ge aan Mij dan ook _in uw doodsslaap_ u
niet toevertrouwen; zie, Ik, uw God, bracht u immers _terug_ in het
heerlijkst licht?«
ELFDE ZONDAG.
»DE BOKKEN VAN DE SCHAPEN.«
En voor Hem zullen al de volken
vergaderd worden, en Hij zal ze van
elkander scheiden, gelijk de herder
de schapen van de bokken scheidt.
Matth. 25:32.
Er komt een dag des oordeels.
Ons natuurlijk besef wil daar wel niet aan, en daarom stelt men zich dat
vaag en zwevend voor, alsof er eigenlijk _geen_ oordeelsdag komende was.
Maar al ons phantaseeren vermag niets tegen het stellige zeggen van den
Christus: »Alsdan zal de Zoon des menschen zitten op den troon zijner
heerlijkheid, en voor Hem zullen alle volken vergaderd worden, en Hij
zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken
scheidt.«
Zweef er dus niet omheen, zwerf er niet met uw gedachten van af, maar
bid veelmeer om een luisterend oor, als Jezus van dien dag des oordeels
spreekt. Alleen een _geestelijk_ oor kan het verstaan.
Ook hier wordt het beeld van den herder volgehouden, en al de geslachten
der menschenkinderen zijn voor dien van God bestelden Herder als éen
groote kudde. Maar die kudde is gemengd. Er zijn een gansch groote
menigte schapen, maar ook een gansch heir van bokken in die kudde.
Lees wat er staat. Jezus zegt niet: schapen en _rammen_, maar schapen en
_bokken_. En bokken zijn wat iedere jongen eronder verstaat, niet
rammen, maar geitebokken.
In ons land vat men dat zoo niet; maar in een land van bergen als waarin
én de Heere én zijn profeten omwandelden, vat ieder dat. Want in een
land van bergen komt men telkens groote kudden tegen, eenerzijds van
_schapen_ en anderzijds van _geiten_. Die grazen dan bij elkaar en
trekken saam uit, de heuvelen en bergen langs. Maar als de herder met
zijn dubbele kudde huiswaarts is gekeerd, dan gaat het niet in éen kooi,
maar moet voor de deur der kooi de kudde gesplitst worden, en gaan de
schapen door het eene hek binnen en de geiten door het andere.
En zoo nu, zegt de Heere, zal het eens ook in den dag des oordeels zijn.
Lang, eeuwenlang zullen de kinderen der menschen bij elkaar weiden en
met elkander op den weg zijn. Maar eens komt het einde. En dan trekt
alles huiswaarts. En bij de eeuwige woningen aangekomen, gaat het dan in
tweeën uiteen. De schapen rechts, de bokken links. En de eeuwigheid zal
ingaan.
* * * * *
Waarop doelt dit onderscheid?
Stellig niet, althans niet enkel, op het verschil tusschen het
vrouwelijk en het manlijk geslacht. Zóo staan schapen en bokken niet
tegenover elkander.
Wie van een kudde schapen spreekt, bedoelt niet alleen de wijfjes, maar
de rammen er bij. Daarentegen wordt van het ander deel der kudde wel
terdege het manlijk soort, de bok, als aanduiding van het soort
gebezigd. En ongetwijfeld moet op die tegenstelling gelet.
Wie ooit zulk een kudde schapen met een kudde geiten en bokken onder
elkaar grazen zag, vat die tegenstelling dan ook met een oogwenk.
In die weidende schapen is stilheid, is zachtheid, is volgzaamheid, is
een toon van ernst. Langzaam bewegen ze zich voort of liggen rustig bij
de beke neder. En zulk een kudde van grazende of herkauwende schapen
geeft u het toonbeeld van rust en aanhankelijkheid en ernst in het
gemoed.
Maar heel anders is het met de kudde geiten en bokken.
Die springen en stoeien en spelen eindeloos. Ze steigeren op de
achterpooten, en hebben er lust in, om met de hoornen te stooten. En in
de vlugge, sierlijke wijs, waarop ze half steigerend den gehoornden kop
ombuigen, om in het neervallen den stoot toe te brengen, geven ze u het
toonbeeld van speelschheid, van trots en ijdelheid tegelijk.
Het is zoo, ook onder de schapen ziet men soms een verwoed stooten
tegen elkaar in, en soms kunnen ook de geiten en bokken vredig saam
neerliggen; maar als ge naar aard en karakter de twee uiteenhoudt, is
het verschil toch sprekend en in het oog loopend. In die eene kudde
stilheid, zachtmoedigheid en ernst. Die andere woelig, trotsch en
speelsch.
De tegenstelling is in de natuur zelve, o, zoo scherp en duidelijk
geteekend.
* * * * *
En zoo zullen dan eens voor den Zoon des menschen, en op zijn woord, de
kinderen en geslachten der menschen uiteengaan.
Eenerzijds die allen, die, o, zoo speelsch en guitig het leven
doorsprongen. Die woelige, drukke, rustelooze menigte. Die altoos de
hoornen op den kop gereed hadden, om van zich af te stooten, en altoos
steigerden in hun ijdelheid en trots.
En anderzijds die anderen, onder wie ook dat stooten en woelen wel
voorkwam, maar als uitzondering, en die in den regel stil en ernstig
huns weegs gingen; en vrede op het gelaat vertoonden; en iets bleken te
beseffen van den ernst des levens. Lieden, die zich stooten _lieten_ en
zachtmoedig bleven. Voor zich uitgaande, gelijk schapen achter den
herder gaan.
En nu weet ik wel, dat zulk een spelende, steigerende, stootende bok
veel aardiger schijnt en ons natuurlijk gevoel meer toespreekt; en ook
wel, dat _een schaap_ te zijn, in het oor der wereld een klank van
verachting heeft. Zoo dom en zoo onnoozel, zoo sulachtig, dat men er
alles meê doen kan!
Maar ik weet ook, dat dit in Gods heilig Woord gansch anders uitkomt.
Daar heeten _de bokken_ die fiere, trotsche, speelsche koningen en
machtigen, die in onderdrukking lust hadden. »Al de bokken der aarde«,
zooals ze in Jesaja 14 heeten. Terwijl omgekeerd die Eéne, die Heilige,
die Immanuel, die Trooster onzer ziele, niet als een bok komt met
hoornen van macht, maar als »een _Lam_, dat de zonde der wereld
wegneemt«, en als »een _Schaap_, dat stom is voor dien, die het
scheert«.
Tegen de bokken staat de Heilige Geest in het Woord, om hun overmoed, om
hun kwaadheid, om hun speelschheid, altoos over; maar »schaap te zijn«
is naar de ingeving des Heiligen Geestes het hoogste. Schapen zijner
weide, schapen van den eenigen Herder, schapen, die de stem van den
goeden Herder kennen. En terwijl de bokken worden uitgeroeid, is het
voor de schapen zijner weide, dat die Herder zijn leven stelt. En de
Vader zelf strekt de hand zijner eeuwige ontferming uit en hoedt ze, en
niemand kan ze rukken, de wolf niet en Satan niet, uit de hand van den
Vader.
* * * * *
En daarom daal toch een iegelijk in uw hart, in de diepte van uw wezen
in, en doorzoek en onderzoek, aan welke dier beide dierennaturen ge het
meest gelijk zijt. Aan den stootigen, speelschen, woeligen bok, of aan
het stille, zachtmoedige, rustige lam!