dat kind iets kon overgieten uit mijn eigen hart.« En bij anderen, die
ge benijdt: »Ik wilde om wat liefs, dat in mij mocht blinken, wat als
sieraad blinkt in hen.«
Die scheiding bestaat eenmaal. Die grenslijn loopt door alle volk en
door elken kring. En in dien zin zijn er slechten en goeden; zijn er
eerbaren en eerloozen; zijn er menschen, die ge verfoeit, en menschen,
die ge bewondert. En al beslist dat nu volstrekt over hun eeuwig wel
of wee niet, en al kan het voorkomen, dat God een verachtelijk zondaar
bekeert, en dat een zeer rechtschapene van hart om den trots op zijn
eigen gerechtigheid zedelijk omkomt, toch doen we in het leven der
wereld allen de ervaring op, dat dit onderscheid tusschen boozen en
goeden wel terdege bestaat. En als we hulp van menschen noodig hebben,
of met menschen moeten omgaan, dan zoekt soort soort, en gezelt zich de
goede bij de goeden, en zoekt, wie slecht wil zijn, gezelschap onder de
slechten.
* * * * *
Doch nu loopt er nog een andere grenslijn, ook van boozen en goeden,
maar dat niet voor óns oog, doch voor het oog van God den Heere.
Ook Hij zuivert en schift en toetst, en bij _zijn_ scheiden is _onze_
onderscheiding tusschen goed en boos nog niets dan kinderspel. Immers
ons misleidt de schijn, maar Hij ziet het hart aan. Wij oordeelen naar
het oogenblik, maar Hij kent de eeuwige uitkomst. Ons oog hecht zich aan
het werk, maar Hij ziet en kent van verre reeds het motief, de
innerlijke beweegreden van het hart.
Zoo kruist dan zijn oordeel ons oordeel. Soms loopen beide lijnen saam,
dat de Heere ons te ontdekken geeft, wie de zijnen zijn. Maar meestal
gaat onze kennisse zoo ver niet. En daarvandaan komt het dan, dat soms
het gezelschap van belijders ons tegenstaat en dat velen uit de kinderen
der wereld ons aantrekken. Want natuurlijk, wij kunnen niet anders
oordeelen dan naar wat we waarnemen, en waar nu in personen, die buiten
God leven, soms zooveel nobels schittert, en op personen, die in de
vreeze Gods staan, soms nog zooveel van het stof der aarde dof maakt
wat glinsteren moest, is het zoo onbegrijpelijk niet, dat ons oog door
hetgeen blinkt geboeid wordt, en zich aan het doffe en nog bestovene
niet hecht.
Wel wordt dit allengs beter bij hooger geestelijke ontwikkeling, als ons
geestelijk oog meer geoefend wordt en de liefde krachtiger instinct
erlangt. Maar toch geheel teboven komen kunnen we deze tegenstelling
nooit in dit leven.
En misschien is dit goed ook. Het zou ons, zoo we altoos juist zagen, te
zeer ons gevoel van waardeering voor het goede ook bij de kinderen der
wereld ontnemen, en te vergoelijkend doen heenzien over wat de kinderen
Gods nog vaak ontsiert.
* * * * *
Bovendien het hoeft ook niet; want die de wanne schudt en eens zijn
dorschvloer doorzuiveren zal, is niet het kind van God, maar God zelf.
Wel zal dan het kind van God meê rechter zijn en meê oordeelen, maar in
geen anderen zin, dan dat hij alsdan uit de volle ziel onbewimpeld zijn
Amen zal uitspreken bij het oordeel Gods; Gods gerechtigheid in al zijn
oordeel lovend; zelfs al gold het zijn eigen ziel, of wat misschien nog
vreeselijker is in te denken, uw eigen man of vrouw, uw eigen vader of
uw eigen kind.
Al wat nu nog scheiding maakt tusschen _Gods_ oordeel en _ons_ oordeel
valt dan weg. De gedachte, die nu nog zoo dikwijls in ons hart oprijst:
»Hoe kan God zóo doen!« zal dan voor altoos wegvallen, en ons oordeel
nooit iets anders zijn kunnen dan een echo en weerklank op het
rechtvaardig oordeel Gods.
Maar intusschen werkt, onafhankelijk van onze instemming, nu reeds dit
oordeel Gods door.
Hij _onder_scheidt niet slechts, maar _scheidt_. Scheidt deel van deel
in elk volk en in elken levenskring; en, helaas, naar wat de Heilige
Schrift ons deswege openbaart, is het deel, dat ten kwade moet
afgescheiden, altoos _het grootst_, en het deel, dat ten goede wordt
afgescheiden, altoos _het kleinst_. De Heiland zelf riep het met
zielverscheurenden weemoed uit: »_Velen_ zijn geroepen, maar _weinigen_
uitverkoren!« »_Velen_ zijn er, die op den breeden weg wandelen; maar
nauw is de poort en eng de weg, die ten leven leidt, en _weinigen_ zijn
er, die dezelve vinden.« Uit duizenden bij duizenden werden er slechts
_acht_ zielen in de arke gered. Geen _vijf_ rechtvaardigen wierden in
Sodom gevonden. Bij Jesaja heet het, dat slechts een _tiende_ deel van
het volk overblijft; en bij Zacharia, waar een symbolisch getal bedoeld
is, een _derde_, dat wil zeggen, dat waar _drie_ de volheid uitdrukt,
de _twee derde_ de aanduiding zijn van het _grooter_ deel en het _éen
derde_ de benaming van het _kleiner_ deel.
* * * * *
Toch wordt daarom aan het _kleiner_ deel, aan die _weinigen_, aan die
ten goede afgescheiden zijn, het oordeel niet gespaard.
God de Heere doet juist omgekeerd als wij. Als er onder onze kinderen
goede en booze zijn, dan leggen wij de kastijdende hand het meest aan de
booze aan, en zijn voor de goede het meest verschoonend.
Maar zoo doet God de Heere niet.
Voor zijn doen is de metaalgieter zinbeeld.
Als de metaalgieter in eenzelfden ertsklomp koper en goud, of lood en
zilver saamgemengd vindt, en hij scheidt het edel en het onedel metaal,
dan zet hij al de kracht van zijn _louteren_ niet op het lood, noch ook
op het koper, maar op het _zilver_ en het _goud_.
En zoo nu doet God de Heere ook.
Als ook Hij in het éene erts van ons menschelijk geslacht het edel en
het onedel metaal vermengd vindt, en hij scheidt die beiden af, dan
schijnt het soms, als had Hij met die _boozen_ gansch geen bemoeiing,
maar die _goeden_ loutert Hij, zooals de smelter het zilver in zijn
smeltkroes loutert, op het allernauwkeurigst, tot zevenmaal.
En dan lachen de boozen en pochen op hun voorspoed, en die kinderen Gods
in de smeltkroes weenen van weedom des harten. En zelfs Asaf verstaat
het niet, en was bijna uitgegleden, ziende den voorspoed der
goddeloozen.
Maar ook bij dien angst houdt de Heere zich niet op.
Hij gaat door, altoos door met het heilig louteringsproces, dat zijn
kinderen doorloopen moeten. En dan treft en wondt Hij den een in zijn
gekrenkte positie onder menschen; een ander in zijn kleinere gaven; een
derde in zijn welstand en gezondheid; een vierde in de mislukking van
wat hij ondernam; een vijfde in een kind, dat hem ontnomen wierd of,
schrikkelijker nog, in een kind, dat hem verdriet doet.
o, Dat louteren Gods kan soms zoo ontzettend diep gaan!
Maar, hoe dan ook zijn kinderen weenen, Hij gaat door. Zijn zilver
_moet_ zuiver worden. Het moet eens in den vollen glans van het heerlijk
metaal blinken. Zijn kinderen zijn kinderen, die niet liegen mogen. Er
moet uitkomen, wat Hij er in verscholen had.
En dat is niet hard; dat is niet onmeêdoogend. Veeleer is deze liefde
veel vuriger en hooger dan onze liefde.
Want immers het echte Goddelijk mededoogen is niet om te maken, dat ge
hier lacht om eens eeuwig te weenen, maar dat ge eeuwig lachen zult van
heiligen jubel, al is het ook, dat hier u het weenen niet kon gespaard
worden.
En dit staat vast, als eens het louteren ook bij ons een einde neemt, en
het zilver is gansch gezuiverd, dan zal dat gezuiverde zilver eens zelf
in die loutering roemen, en God danken, dat Hij, niettegenstaande zijn
tranen en gebeden bij die loutering, dat louteren toch heeft doorgezet.
ZEVENDE ZONDAG.
»HEBT UWE VIJANDEN LIEF.«
Maar ik zeg ulieden, die dit hoort:
Hebt uwe vijanden lief; doet wel
dengenen, die u haten.
Luk. 6:27.
Nog altoos schuilt de triomf van ons Christelijk levensideaal in dat
hoogste, waartoe de Liefde komen kan, in de liefde _voor onze vijanden_.
Waar ge bij liefde voor wie u liefhebben, en bij liefde voor wie in
jammer of ellende neerligt, nog iets in uw natuurlijk hart voelt,
waaruit die liefde vanzelf kan opspruiten, beseft ge daarentegen bij de
»liefde _voor uw vijand_« zoo kennelijk, dat _deze_ liefde van Boven is,
van den Vader der lichten, en alleen door den Heiligen Geest in de ziel
kan worden ingestort.
»Liefde voor zijn vijand« staat dan ook zoo ontzaglijk hoog, dat men,
om het Nieuwe Testament boven het Oude te verheffen, het meer dan eens
heeft voorgesteld, als leerde het Oude Testament: »Oog om oog en tand om
tand« en als had Jezus het eerst op aarde, »de liefde voor den vijand«
uitgeroepen, Hij, die in liefde voor zijn vijanden ons allen is
voorgegaan.
Toch is dit een dwaalbegrip. Het stond reeds in Spreuken 25:21 zoo
duidelijk geschreven: »Indien dengene, die u haat, hongert, geef hem
brood te eten, en, zoo hij dorstig is, geef hem water te drinken«;
terwijl met »Oog om oog en tand om tand« allerminst _persoonlijke_
wrake wordt vrijgelaten, maar enkel de regel _voor den rechter_ wordt
getrokken, waarnaar hij in stipte gerechtigheid zijn recht te spreken
heeft.
Hoe zou er ook verschil tusschen Oud en Nieuw Testament kunnen zijn?
Alsof het niet éen God en Vader was, die ons _beide_ schonk; éen Zoon,
die in _beide_ ons als de hoogste Profeet en Leeraar toespreekt; en éen
Heilige Geest, die _beide_ ingaf!
Slechts dit staat in het Oude Testament: »Heere! zou ik niet haten, _die
U haten_?« maar ook in het Nieuwe Testament wordt ons nergens het gebod
gegeven: »Hebt de vijanden van God, als zoodanig, lief.«
Het woord van Jezus, dat de wereld inging, luidt: »Hebt _uwe_ vijanden
lief,« d. w. z. die allen, die om persoonlijke reden _u_ ten vijand
zijn geworden, en tegen wie deswege de haat in uw hart het sterkst
opwoelt.
_Gods_ vijanden en _onze_ vijanden mogen hier dus nooit verward worden.
En slechts daarom mag ook tegen de vijanden Gods persoonlijk onze wrake
nooit uitgaan, omdat zoo vaak bleek, hoe wie nu nog een vijand Gods is,
straks Zijn uitverkorene kan zijn.
Heden Saulus, morgen Paulus.
En daarom verblijve, ook wat de vijanden Gods aangaat, de wrake aan den
Heere, en late onze ziel van wrake af.
* * * * *
Maar anders staat het met uw _persoonlijke_ vijanden.
Bij hen toch moet ge niet enkel van wrake aflaten, zoolang ge u zoudt
kunnen vergissen; maar altoos, in volstrekten zin; ja, moet ge de wrake
in haar _tegendeel_ omkeeren, en uw vijand _liefhebben_.
En vraagt ge, in wat zin dat bedoeld is, dan eischt de Heilige Schrift
uiteraard niets tegennatuurlijks van u, en vraagt dus niet, dat ge uw
vijand _lief_ zult vinden; dat ge hem _beminnelijk_ in zijn woeden zult
keuren; en met zekere zoetsappigheid _onaandoenlijk_ zult zijn voor zijn
boos en bitter woord.
Neen, integendeel, de Schrift eischt, dat ge den bitteren beker, dien
hij u mengde, tot op de heffe toe zult uitdrinken; goed en terdege
proeven zult, hoe bitter en wrang zijn nijd en haat is; en dus in vollen
omvang weten zult, dat die man wezenlijk uw vijand is, en die vrouw u
haat.
Op het diepe, volle besef van die vijandschap dingt de Heere niets af.
Neen, neen, Hij stelt dien man en die vrouw voor u, zooals ze werkelijk
in het leven tegen u optreden. Hij spreekt van _uw vijand_, in al den
schrikkelijken, bangen zin van het woord.
En nu stelt Jezus u den eisch, den strengen, den onverbiddelijken eisch,
dat _dien_ man, _die_ vrouw _als zoodanig_, in qualiteit van uw vijand;
niet als ze straks ophielden het te zijn; maar nu, zooals ze daar
vijandig en in vijandschap tegen u overstaan, en dus als uw _vijand_ hen
zult _liefhebben_.
Zooals Hij aan het kruis hing, en in elke pees en in elke zenuw de
wringende, schrijnende doodssmart gevoelde, die zijn vijanden Hem
aandeden, en hun bittere woorden opving, en _toen_ ze liefhad en voor
hen bad, zoo wil de Heere, dat ook gij, wetende, gevoelende, ervarende,
dat _deze_ man of _die_ vrouw u ten vijand is, ze op datzelfde oogenblik
zult zegenen, voor ze zult bidden, en ze als uw _vijand_ zult
liefhebben.
* * * * *
En denk nu niet, dat de Heere Jezus dat alleen van een hoog enkele
eischt, die, in vroomheid en godzaligheid bizonder ver voortgeschreden,
allengs tot een heiliger levenstoon gekomen is.
o, Neen, de Heere richt zich bij dat zeggen tot een _iegelijk_.
Hij spreekt algemeen: »Gij, hebt uw vijand lief, zegen ze die u
vervloeken, doe wel dengenen, die u haten, en bid voor degenen, die u
geweld aandoen en u vervolgen.«
Meer nog, nooit kunt ge het _Onze Vader_ bidden, of die gesteldheid der
ziele moet in u verwezenlijkt zijn. Want immers ook in dat _Onze Vader_
heet het: »En vergeef ons onze schulden, _gelijk wij vergeven onzen
schuldenaren_.«
En dit kan ook niet anders, want de _liefde voor onze vijanden_ wortelt
in heel uw Christelijke belijdenis.
Let maar op deze vier punten:
Als David voor Absalom vlucht en Simeï hem van de hoogte vloekt, willen
de zonen van Zeruja aan Simeï den kop voor de voeten leggen. Maar David
verstaat het anders, en zegt: »Wat heb ik met u te doen, o zonen Zeruja?
Want de Heere heeft tot hem gezegd: Vloek David. Wie zou dan zeggen:
Waarom hebt gij alzoo gedaan?« (2 Sam. 16:10.)
Hier ziet ge uit, hoe een kind van God in elken vijand een instrument
des Heeren heeft te zien; een mensch, die zonder zijn wil zich niet
roeren noch bewegen kan; en zonder wiens wil en bestel geen enkele
vijandschap ons overkomt.
Nu bijt _de hond_ wel in den steen; maar _gij_ weet, dat de oorzaak niet
bij dien steen, maar bij den werper ligt. En zoo dan ook hebt ge bij
alle persoonlijke bitterheid, die u treft, niet op uw vijand te zien,
die u hoont, maar op uw God, die dit hoonen noodig voor u acht, om u te
kastijden of te heiligen.
* * * * *
Dat vooreerst, maar er zijn nog _drie_ andere stukken, waarop ge hier te
letten hebt.
Immers, wat uw vijand tot haat prikkelt, is niet anders dan de
vreeslijke macht der zonde. En die macht der zonde woont waarlijk niet
in hem alleen, maar in uw hart evenzeer. En als nu in zijn hart die
zonde zoo schriklijk uitbot, en bij u wierd ingehouden, wat is dat dan
anders dan een meerdere genade, die u verleend wierd; en wat zou die
meerdere genade dan anders in u verwekken dan deernis en mededoogen voor
dien minder bedeelde, die zooveel erger onder de macht der zonde lijdt,
en die, omdat hij in zijn haat _zelf_ niet kan bidden, geholpen moet
door _uw_ gebed?
En dan in de tweede plaats.
Is hier geen oorzaak ook voor zelfaanklacht? Of waar was ooit een
vijand, die ons haatte, dien wij door onze woorden, of daden, niet
geprikkeld hadden? De wederzijdsche verhoudingen in het leven zijn zoo
onuitsprekelijk kiesch en teeder en fijn. En, o, als nu liefde ons
gedreven had, hoeveel hadden we dan niet kunnen mijden en voorkomen,
waardoor het booze vuur in hem wierd aangeblazen insteê van het te
blusschen. En is dit dan niet een liefde, die we in geheel bizonderen
zin _aan onzen geprikkelden vijand_ schuldig zijn, dat we voor hem uit
den weg gaan, en zijn gevoeligheid niet gedurig opwekken?
En eindelijk:
Waartoe is deze uw vijand op uw weg geplaatst?
David riep van Simeï: »Misschien zal de Heere mij _goed_ vergelden voor
dezen zijn vloek.«
En is het niet alzoo, dat Gods bedoeling met dit loslaten van de
vijandschap tegen ons nooit kan zijn, om ook ons tot zonde te brengen,
maar altoos zijn moet een _geloofsbeproeving_, om nu te zien, hoe het in
uw binnenste staat, en om juist door die vijandschap de macht ten goede
in u te sterken, en u zoo door uw bittersten vijand een zegen te doen
brengen aan uw eigen hart?
Zonder strijd is er geen overwinning. En nu treedt die vijand tegen u
op, om u die kroon der schoonste victorie voor het zielsoog te doen
schitteren.
Wat kiest ge dan?
Zal het dan uw vijand gelukken moeten, om u te schaden aan de ziel en u
innerlijk te verwoesten?
En zoo niet, wat blijft u dan anders, dan te doen naar wat Jezus eischt;
dat wil zeggen: uw vijand lief te hebben, en juist daardoor hem ten
instrument te maken, om u te sieren met de schoonste kroon, waarin het
keurgesteente schittert?
ACHTSTE ZONDAG.
DE OORBLAZER.
De oorblazer scheidt den voornaamsten
vriend.
Spreuk. 16:28.
De eerste en ergste oorblazer is Satan in het Paradijs geweest.
Salomo zegt door den Heiligen Geest, dat »de oorblazer den voornaamsten
vriend van ons afscheidt,« en waar is dit schriklijker, waar meer tot in
den wortel geschied, dan juist toen Satan den mensch van zijn God
vervreemdde?
Satan is de aarts-oorblazer, en alle oorgeblaas, dat sinds het Paradijs
onder de menschen is uitgegaan en onder menschen verwijdering en
verbittering en vijandschap heeft teweeggebracht, is een vuur, dat uit
die Satanische vonk van het Paradijs is aangestoken.
Zóo is er geen oorblazer, of ge kunt zeker zijn, dat Satan achter hem
zit. Of om het nog scherper te zeggen: zal een oorblazer zijn onheilig
bedrijf naar eisch verrichten, dan moet hij eerst zelf in het oor zijn
geblazen door den Verleider.
Het is of in dat denkbeeld van »blazen«, in het oor »blazen«, nog iets
van den slangenaard nawerkt.
Ge treedt met elke zonde, maar vooral met deze zonde van den oorblazer,
zoo vanzelf op het demonische terrein over.
De oorblazer wil iets, heeft iets voor, zoekt een doel te bereiken. Hij
is op kwaad stichten, op verdeeldheid stichten, op verstoren van
vertrouwen en verkoelen van liefde uit.
Als de oorblazer bij u of in uw vertrek is geweest, is er behoefte aan
geestelijke ontsmetting.
* * * * *
Wat is dan dit oorblazen, waar Gods Woord zoo scherp en gestreng tegen
ingaat? Wat is in deze zonde de angel en de giftklier?
Zie, toen God de Heere den mensch het oor heeft ingeplant, schonk
Hij hem daarmeê het vermogen, om én bij luid gesprek met velen in
uitgebreiden kring gemeenschap te hebben, óf ook om in enger kring met
een zeer enkele het zoet des vertrouwens en van de gemeenschap der ziele
te genieten.
Vandaar dat er een luid _spreken_, maar vandaar ook dat er een
_fluisteren_ is; en zal het wel zijn, dan is dat fluisteren iets
_heiligs_.
_Fluisteren_ beoogt heilige intimiteit.
Reeds moet men er u dicht om naderen, u aanraken, u tegen den schouder
leunen, en als met de lippen op uw oor drukken. En nu zegt dat
fluisteren, dat er iets is, dat anderen niet weten mogen; wat iets
geheimzinnigs tusschen u beiden is; en waardoor vanzelf de grond van
wederzijdsch vertrouwen wordt verondersteld.
Teederheid in het heilige brengt er u daarom vanzelf toe, om in
hoogheilige dingen niet te overluid, maar liefst zachter en stiller
te spreken; en zelfs in de saamvergadering der geloovigen zijn er
oogenblikken, dat een fluisterend spreken de schare zoo ontzettend
aangrijpt.
Is niet, o zooveel van ons eigen bidden en fluisteren van onzen
zielsnood in het oor van den Almachtige geweest; en wierd onze ziel
niet het diepst en het machtigst aangegrepen, als het in de stille
eenzaamheid bij het lezen van Gods Woord was, alsof de Heere zelf ons
die tintelende, levende woorden in het zielsoor fluisterde?
* * * * *
Doch weet ook, gelijk de zonde steeds het heilige nabootst, is er naast
het terrein van liefde en vertrouwen en gebed geen terrein, waarop
zooveel gefluisterd wordt, als bij dieven en moordenaars.
Demonische nabootsing onder de ingeslopen inbrekers van diezelfde
fluistering, die op de ziekenkamer den kranke ontziet.
Zoo grijpt de zonde altoos naar het heiligste en misbruikt het, en op
die wijze nu wordt uit het heilige fluisteren des stillen vertrouwens
ook de booze, de giftige oorblazer geboren.
De oorblazer ziet, dat er ergens liefde en vertrouwen of een band van
aanhankelijkheid bestaat, en gaat er nu op uit om dien band door te
snijden.
En hierin ligt nu het giftige: om dat doel te bereiken kiest hij juist
den vorm van het zoet vertrouwen, en legt het door voorgewende,
gekunstelde en ingebeelde vertrouwelijkheid op de vernietiging van de
liefde in uw hart toe.
Vertrouwen is zoo iets heiligs, zoo iets teeders. Het kan niets velen.
En als gij nu zoet en rustig in zalig vertrouwen leeft, en er komt
opeens een stem, die u vraagt: »Maar zijt ge wel zeker, dat ge niet
bedrogen wordt?«--o, dan ligt er in die enkele vraag reeds zulk een
helsch magische kracht, dat er niets meer behoeft te gebeuren, of, zoo
die vraag maar blijft natrillen in uw oor, heeft uw vertrouwen reeds een
schok ontvangen.
En een geschokt vertrouwen, helaas, het is als een berst in de
porceleinen schaal: het wordt nooit weer wat het vroeger was.
En dat weet nu de oorblazer.
En met die giftige macht werkt hij op u.
Als een slang sluipt hij op u aan, en kronkelt zich om u, en als een,
die het nu eens zeer wel met u meent en u voor misleiding wil bewaren,
druppelt hij zijn helsche verzinsels in uw ziel.
En daar is niets, niets bestand tegen.
Veeleer hoe inniger de band is, dien hij aanrandt, hoe eerder en
zekerder hij zijn doel bereikt.
Hoe vaak is niet de teerste band op aarde, die, tusschen man en vrouw,
door een onheiligen oorblazer voor altoos uiteengereten!
o, De Heilige Geest sprak het zoo diep realistisch door Salomo voor heel
de kerk uit: De oorblazer _scheidt_; meer: hij scheidt den vriend; en
wat het ergst is: hij scheidt altoos den _voornaamsten_ vriend; het
beste wat uw hart op aarde onder menschen gevonden had.
* * * * *
En toch, niet die volleerde oorblazer sticht het meeste kwaad. Zulke
felle, vinnige, opzettelijke oorblazers zijn er Goddank weinigen, en
waar zulke slangen betrapt worden, huist er in het hart van bijna ieder
Christenmensch zekere natuurlijke weerzin, als waarmeê het kind zijn
hand van de adder terugtrekt.
De volleerde oorblazer heeft meestal iets demonisch in zijn oog, dat hem
verraadt, en waardoor een reine van hart veilig voor hem is.
Maar, en hier steekt het veel grootere gevaar in, die enkele
uitgestudeerde oorblazers hebben achter zich een heel legioen van kleine
oorblazertjes en oorblazeressen, en dat wel van allerlei graad en soort.
Er zijn, o zooveel menschen, die er lust aan hebben, om altoos over uw
naaste personen te spreken, deels uit snap- en babbelzucht, maar meer
toch nog uit bemoeizucht; uit zucht om zich in eens anders zaken te
mengen, uit lust om te oordeelen; om interessant te zijn; om een duit
meê in de schaal te werpen; en als van achter de schermen in elken kring
en in elk huisgezin, waarin ze verkeeren, een soort van kleine rol
spelen.
Gaat dit nu ver, dan merkt ge er aanstonds het oorblazen in, en ge zijt
op uw hoede.
Maar meestal gaat dit niet zoo heel ver, en zoo wordt ge zorgeloos.
Die het doen, zijn van uw beste kennissen; overigens uiterst
beminnenswaardige personen; en wier gesprek, juist doordien er altoos
achterklap in loopt, zoo prikkelt en boeit.
En zoo is het eerste vonkje ongemerkt in het vlas neergezegen.
Reeds begint er iets bij u te smeulen.
Ge ziet op uw omgeving anders dan ge vroeger deedt.
Bij veel wat ge vroeger niet opmerktet, denkt ge nu: »Ja, daar dacht ik
nooit op; maar iets is er dan wel van aan!«
En zoo begint de lawine met het kleine sneeuwvlokje.
Eerst niets dan een sneeuwvlokje, en straks de lawine van uw
levensgeluk.
Want, drong de angel eenmaal in uw hart, dan gaat het vanzelf al dieper.
Straks streelt dat gebeuzel van den oorblazenden snapper u.
_Hij_ zag het in, _hij_ heeft u de oogen doen opengaan.
Niet lang meer, of ge spreekt met hem mede.
Tot eindelijk ook al uw fluisteren voor den oorblazer wordt en er van
een fluisteren des vertrouwens met de panden uwer liefde niet meer komt.
* * * * *
Weet elk Christen, is elk kind van God er op bedacht, dat hij aan het
gevaar van deze zonde der oorblazing blootstaat?
Blootstaat aan het gevaar, om er zijn eigen levensgeluk door te zien
verwoesten?
Maar ook blootstaat aan het gevaar, om verwoestend in anderer
levensgeluk in te grijpen?
Is het oog er open voor, dat snap- en babbelzucht, en dat altoos
uitvezelen van allerlei persoonlijke dingen, en altoos snappen over
iemand achter zijn rug, wel duivelsch-verleidelijk is, maar in negen van
de tien gevallen zonde voor God?
o, Die kwade saamsprekingen, waaronder zeer stellig ook die bemoeizieke,
die alles over den hekel halende saamsprekingen behooren, waaruit
zooveel bitterheden geboren worden!
Dat spelen met anderer naam en karakter, zonder iets van den eisch der
liefde te verstaan!
Nu, de Heere leert ook daartegen zijn kinderen waken, bidden, strijden.
Maar persoonlijk dit te doen is niet genoeg.
In heel onzen kring moet zulk een kwaad bestreden, tot het uitgeroeid
zij.
En als er iemand tot u komt, en zich bij u neerzet, en zoo eens heel
vertrouwelijk heel uw omgeving door de zeef wil laten loopen, heb dan
toch den moed, om kloek, om dapper, om zonder aarzelen van u af te
spreken, en te zeggen, dat vertrouwen u een te heilige zaak is, om het
na zoo korte aanraking te gunnen.
NEGENDE ZONDAG.
»GOD IS MEERDER DAN ONS HART!«