Een dorstig land _weet_ niet, dat het dorst heeft. Eigenlijk _is_ het

dan ook niet dorstig. Het _heeft_ geen dorst. Wel heeft het gebrek aan

water, aan vocht, aan levenssap. Ook kan het alleen door water, dat er

op gesproeid wordt, weer groen gras doen uitspruiten. Maar zelf heeft

het hier geen kennis van. Het heeft geen bewustzijn.

Een akker is dood en kent zijn eigen plage niet.

Toch spreekt de Heilige Schrift gedurig van een »dorstig land«; niet

enkel overdrachtelijk om op onze ziel te doelen, maar ook in eigenlijken

zin, als ze spreekt van het veld, van een stuk land, van een akker.

Dit komt daarvandaan, dat de Heilige Schrift de natuur nooit van den

mensch afscheidt. Die natuur is er om den mensch; als Adam valt, gaat

de vloek ook over de natuur uit; al het schepsel zucht, verwachtende

de openbaring van de heerlijkheid der kinderen Gods; en eerst als de

heerlijkheid eens voor Gods kinderen ingaat, komt ook die natuur weer

van onder haar plage uit.

Dat er een akker ligt te verdorren uit gebrek aan vocht, is alzoo _om de

zonde_; en de mensch, die zijn zonde bekent, ziet nu op dien akker _als

om zijnentwil lijdende_ neder. Zoo leeft die mensch in het leven van

dien akker in; _voelt_ voor dien akker, wat die akker zelf niet voelen

kan; spreekt zoo uit, dat het land dorst, al weet het zelf van dorsten

niets af; en straks bidt nu die mensch, zoo hij wél bidt, om wegneming

van die plage ook voor dien akker. En als dan eindelijk de regen

nederdruppelt en de dorstige akker wordt mildelijk verzadigd, dan dankt

Gods kind ook voor dien akker, dat de Heere er de plage van wegnam.

In Israel, lees het maar bij Joël (1:9 v.v.), treurt de priester, als

het land treurt, met en voor dat land. En als de redding gekomen is,

juicht met den juichenden priester alle boom des velds voor het

aangezicht des Heeren HEEREN.

* * * * *

Hierin nu is het beeld van den zondaar.

Zooals dat land dor en verwoest ligt, maar het niet weet, dat het dorst,

en dies om water van den hemel niet roepen kan, evenzoo is het met uw

ziel van nature.

Ook uw arme ziel ligt verschroeid en verdord. De bodem van uw gemoed is

verhard en verstijfd. Er spruit niets uit op. Het ligt al met den valen

tint des doods overtogen. IJl moge hier of ginds een enkel sprietje door

de kluit dringen, maar dor en geel en verzengd toont het zijn

machteloosheid.

Als een dorstig land ligt uw ziele in u. o, Als de wateren maar

nederstroomden, en het akkerveld uwer ziel de malsche dauwdruppen

opving, hoe zou alles ruischen van vreugde en frischheid en weelde!

Maar het was dor en bleef dor, en wat nog het bangste is, hoewel geheel

verdord, kent ge uw eigen dorheid niet en kunt ge niet zeggen: »Heere!

ik dorst!«

Dorst hebt ge niet!

Maar denk nu aan wat straks van het »dorstig land« gezegd is. Ook het

land, hoe dor en verzengd en verschroeid ook, heeft van zijn dorheid

geen kennisse. Maar de landman, die langs dien dorren akker heenwandelt,

_die weet het_, die voelt, dat het land dorstig is, en die bidt, dat de

Heere den dorst van het land wegneme en lessche.

En is ook dit niet uw beeld?

Of wandelde ook langs de zoomen van uw dorre ziel niet telkens die

hemelsche Landman, die den akker uwer ziel aanzag, en in innerlijke

ontferming haar dorheid gadesloeg, en die, waar gij nog geen dorst

kendet; voor u en in uw plaats dien dorst voelde? En gelooft ge niet,

dat deze barmhartige Hoogepriester toen ook voor den dorst van uw

dorstende ziele bad, nog lang eer gij ook maar vermoeden kondt, hoe uw

verdorde ziel in haar _on_gekenden dorst wegkwijnde?

* * * * *

Maar hier houdt de gelijkenis dan ook op. Want wat bij het dorstige land

nooit kan, dat kan _bij u_, en _moet_ bij u.

De landman kan wel voelen, dat het land dorst, al weet het dat zelf

niet, maar hij kan nooit zijn gevoel van dorst aan dien akker meêdeelen.

En dat nu kan uw hemelsche Landman wel en dat doet Hij.

Hij komt door zijn Heiligen Geest in dat dorre hart, in die dorstende

ziel in, en geeft haar uit genade _besef_ van dorheid, _kennis_ van haar

dorren staat, en brengt ze er ten leste toe _dat ze zelve haar dorst

gaat bekennen_.

Daar wacht Hij niet op.

Hij is niet wreed, om als Hij een ziel als een dorstig land voor zich

ziet liggen, te toeven en te beiden, tot tijd en wijle ze zelve haar

dorst bekennen gaat, om ze eerst dáarna te bevredigen.

o, Als de Immanuel zóo met met ons handelde, dan kwam er nooit éen

enkele malsche drop op haar dorheid neder.

Neen, neen, Hij voorkomt haar.

Hij weet, dat ze uit zichzelve tot den einde toe even stom en onwetend

als een dorstig land blijven, en nooit om die droppelen der genade

roepen zou.

En daarom komt Hij in zijn genade niet eerst dan tot u, als gij bekennen

zoudt: »Ik verkwijn van dorst,« maar breidt Hij zich naar u uit, terwijl

gij meent _niet_ te dorsten, en bij uw gebroken waterbakken in

koortsachtige overprikkeling veeleer droomt, dat de volle waterstroomen

om u heen ruischen.

Ismael wist ook niet, dat de dorst zijn leven bedreigde. Hij wist niets.

Hij lag in heete koorts bedwelmd. Maar de Immanuel kwam tot Ismael, en

Hij wees Hagar de bron.

* * * * *

Weg daarom met dat valsche zeggen, alsof in ons het besef van dorst zou

zijn, en alsof de Heere eerst op ons roepen uit de dorstige ziel, die

dorstige ziel verzadigen zou.

Heel omgekeerd spreekt de Heere hem, die zoover kwam, dat hij dorsten

kan, reeds zalig.

Want dat kennen van uw dorheid, dat besef van dorst is reeds genade. Dat

was niet uit u, maar kwam u toe van boven. o, Wie maar zoover is, dat

hij dorsten mag, die is er. Want als er maar een waarachtig dorsten mag

zijn, dit _wordt_ gelescht, zoo waarachtig als de Heere een Ontfermer

is.

Bedrieg u dus niet.

Zeg niet: Ik ben als in Psalm 42, en mijn ziel schreeuwt naar den

levenden God, gelijk een hert dorst naar de waterstroomen, maar de hemel

houdt zijn regen in.

Neen, zoo is het niet.

De man van Psalm 42 _is_ een geredde, juist omdat hij dorst kent; en nu

wordt zijn dorsten het echte bidden en smeeken, en op dat smeeken volgt

het toevloeien der volle stroomen gewisselijk, ook al beproeft de Heere

hem voor een tijd.

Waar het aan schort, is dat ge denkt: »Den dorst heb ik uit mijzelf, en

de Heere moet mij alleen het water geven!«

En zoo is het niet.

Diezelfde God, wiens de stroomen des levenden waters zijn, moet eerst en

vooraf den dorst naar dat levende water in u brengen en anders drinkt ge

uit dien levenden stroom nooit éen enkelen drop.

Het is, dat ge nog te hoog van uzelven denkt. Denkt: Dorsten kan ik zelf

nog wel. En daarom blijft én de echte dorst én de toevloeiing der

wateren bij u uit.

Och, dat ge ook dien valschen dorst, dien nagemaakten dorst niet langer

voor het echte dorsten woudt aanzien!

Heere! ik breide mijn handen naar U uit; mijn ziele ligt voor U als een

dorstig land, dat wel zeer dorre en verdord is, maar zijn eigen dorst

nog niet doorgrondt!

VIERDE ZONDAG.

»ZALIG ZIJN DE VREEDZAMEN!«

Zalig zijn de vreedzamen; want zij

zullen Gods kinderen genaamd worden.

Matth. 5:9.

De machtige, alles teboven gaande tegenstelling tusschen den hemel

daarboven en de aarde hierbeneden, is, dat er in den hemel éen psalm des

vredes ruischt, en dat op aarde de schrilste wanklanken tegen elkander

ingillen.

Vrede in den hemel bij onzen God, maar onvrede, twist, gemis aan

harmonie, saamwerking en overeenstemming hierbeneden.

Er is vrede op uw harp, zoolang de snaren elk op heur eigen toon

gespannen staan, en die harmonisch gespannen snaren door een vaardige

hand op evenredig maatgeluid getokkeld worden. Maar de vrede is van uw

harp weg, zoodra er ook maar een enkele snaar ontstemd is, of door een,

die valsch speelt, een valsche greep op uw snaren gedaan wordt.

En nu, als met die _harp_, zoo ook is het met uw _hart_.

Ook op dat hart des menschen spande God in de schepping allerlei snaren;

en Hij spande die snaren in zalige harmonie; en gaf aan elke snaar een

toon om te doen klinken, die met de tonen van andere snaren in zuivere

melodie ruischen kon.

Vrede en harmonie vervulde in de ure der schepping niet enkel den hemel,

maar ook de natuur.

Vrede en harmonie lag in Goddelijken glans over den hof van Eden

uitgegoten. Vrede en harmonie deed mensch en dier naar Goddelijke

ordinantiën saamleven. Vrede en harmonie was het _om_, vrede en schoone

harmonie _in_ den mensch. En, toen Eva aan Adam geschonken was, vrede en

harmonie eveneens tusschen mensch en mensch onderling.

En al week nu door de schrikkelijke verwoesting der zonde die vrede

en harmonie ook van deze aarde weg, eens keert ze in heilige zegepraal

weder; en dies meldt ons de profetie van een dag, waarop de wolf en het

lam saam zullen weiden, een kind zich met een adder zal vermaken en de

leeuw stroo zal eten gelijk het rund.

* * * * *

Maar inmiddels is die heilige, Goddelijke vrede weg.

Wij _derven_ die schoone harmonie op elk terrein van het leven. En hoe

dicht de betere evenredigheden soms ook de volkomen zuiverheid van toon

weer nabij komen, toch vindt ge de diepe, volle harmonie nergens meer.

Zoolang ge een grove van gehoor zijt en onfijn van gevoel, moge u dat

niet deren; maar zóo kunt ge niet in gehoor verfijnd en in uw gevoel

verdiept zijn, of aanstonds beginnen de wanklanken u te hinderen, de

disharmonieën u te kwetsen, de onevenredigheden uw zielsrust te storen,

en hoe meer ge in het leven thuis raakt, hoe meer ge tot de droeve

ontdekking komt, hoezeer twist en tumult en nijd op den bodem van heel

ons menschelijk leven ligt.

Zoo is het in uw eigen persoon. Telkens de vrede verstoord tusschen ziel

en lichaam. Telkens de vrede weg tusschen de verschillende neigingen van

uw hart. Telkens de vrede bedreigd tusschen plicht en plicht, dien ge

volbrengen moet. Gedeeld, geperst, uiteengescheurd wordt keer op keer uw

menschelijk hart tot zelfs door de teederste liefde, die u innerlijk

bewegen mag.

En waar ge dan uit eigen sfeer uittreedt in het leven buiten u, altoos

weer vangt uw oor ook daar denzelfden wanklank op. Verschil van opiniën,

van inzichten, van overtuigingen, van beginselen. Uiteenloopende

belangen en neigingen, die diep in het bloed of in het verleden der

historie hun oorsprong hebben. Volken tegen volken, standen tegen

standen opstaande.

Op wetenschappelijk gebied de eene school, die aan de andere de

heerschappij betwist. En zelfs in de kerk van onzen Heere Jezus Christus

vrede, ja, in geesteloos lauwe dagen, maar zóo begon de adem des Geestes

weer niet in de doodsbeenderen te blazen, of strijd verving ook daar de

ruste; tot ten leste zelfs de naaste broeders en belijders met gespannen

trek om de lippen tegenover elkander stonden.

* * * * *

En temidden van die wereld treedt nu Jezus op en roept: _Zalig zijn de

vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden!_

Wat wil dit woord?

Zegt het u, dat ge den strijd voor uw overtuiging zult prijsgeven, de

worsteling voor het u heilig beginsel zult laten varen? Wil het, dat een

kind van God met zekere goedbloedigheid alle water over Gods akker zal

laten loopen, en alles sussend, alles blusschend, elken morgen en elken

avond roepen zal: »_Vrede, vrede en geen gevaar_«?

Stellig niet.

Immers, het merkteeken van deze »vreedzamen« is, dat ze kinderen Gods

zullen genaamd worden, en is het dan de Heere zelf niet, die gezegd

heeft: »Ik zal vijandschap zetten«, en die in den Zoon roept: »Ik ben

niet om vrede te brengen in de wereld gekomen, maar het zwaard«?

Dus dat _kan_ niet gemeend zijn. Beginsel te missen en overtuiging

prijs te geven is karakterloos, en een kind Gods is niet iemand zonder

karakter, maar met een karakter, dat diep ingegraven is en nochtans

blinkt in harmonie.

De ervaring leert dan ook, dat zulk een blusschen van elk vonkje niets

baat. Het vuur smeult onder de asch toch voort. En, als het dan

eindelijk uitslaat, is de vernielende kracht zooveel te sterker.

Bovendien, ge moogt, ge zult dien weg der goedbloedigen niet betreden,

wanneer het gaat om de waarheid _Gods_ en niet om _uw_ waarheid. Ja, wee

u, zoo ge de wacht bij het heiligdom dier waarheid Gods niet betrekt.

Neen, vreedzaam in zulk een zin te zijn, dat ge daar_door_ en daar_om_

»Gods kind« zult genaamd worden, heeft heel iets anders in.

Er staat letterlijk: Zalig zijn ze, _die vrede maken_; wat onze

vertalers zeer terecht niet door _vredemakers_, maar door _vreedzamen_

vertaald hebben, omdat _vredemaker_ een veel te beperkt begrip is.

»Vredemaker« beduidt iemand, die, als twee ruzie of geschil hebben, een

poging waagt om zulk een geschil bij te leggen.

En zeker, ook dat is goed en nuttig. Ook dat hoort er toe; want gevloekt

zijn ze van den Heere Zebaôth, de duivelsche geesten, die er lust aan

hebben om het vuur van twist aan te blazen en te heller te doen

opvlammen. En waar ge twist bij _kunt_ leggen, is dit zeer zeker uw

roeping.

Maar toch die vreedzame zin, dien de Heere zalig spreekt, is nog heel

iets anders en iets veel diepers.

Bij de harp werkt snaar op snaar. En of al de zes snaren zuiver gestemd

zijn en éen snaar klinkt valsch, dan is er toch aan die harp geen

zuivere melodie te ontlokken.

En zoo ook is het onder ons kinderen der menschen. Een iegelijk van

ons is schuldig aan den onvrede en de disharmonie, die krijschend

door het leven der wereld gilt. Elkeen van ons draagt daartoe zijn

eigen ontstemdheid, zijn eigen valschen toon bij. Het is de zonde,

het _ik_ willen zijn van ons eigen hart, onze baatzucht, eerzucht,

geprikkeldheid, die, ineenvloeiend met de baatzucht en geprikkeldheid

van den ander, als met een stemme veler wateren dit wangeluid van

onvrede en disharmonie doet aanzwellen tot een machtigen stroom.

En dat blijft nu zoo, tot de Heilige Geest uw hart omzet, uw wil

ombuigt, uw zinnen omstemt, en er, dank zij de vrucht van die hemelsche

gave, een zin in u komt, gelijk de zin des Heeren uws Gods is, om _voor

zooveel u aangaat_, dien schriklijken wanklank met al Gods heiligen in

te zingen in hemelsche harmonie.

Vreedzaam is hij, die zich in zijn nieren niet prikkelen laat. Vreedzaam

is hij, die zijn driften in toom houdt. Vreedzaam is hij, die zich

speent aan booze, giftige woorden. Vreedzaam zijt ge, als ge liever

schade en ongelijk lijdt, dan een reeds zoo machtig aangezwollen stroom

van bitterheid en twist nog te verhoogen. Vreedzaam is, wie niet

achterklapt; den laster niet tot geleiddraad dient; het boos gerucht

begraaft insteê van opwekt; den een niet vleit en den ander niet

prikkelt.

De vreedzame heeft pijn van den onvrede om zich heen, en is er daarom op

uit, om den twist neer te leggen, wat onverzoend is te verzoenen, en,

met dooding van al den boozen prikkel, dien het kleine ikje zoo scherp

in de ziel van den broeder kan drijven, balsem te gieten in de wonde,

die schrijnt, en den storm der hartstochten, waar die opstak.

Welnu, wie dat _kan_, door _genade_ kan, die is zalig; want in deze

dingen te leven is zielsgenieting.

Zoo werkt de Heilige Geest, die God zelf is. En daarom zal, wie alzoo

met den Heiligen Geest medewerkt, _Gods kind_ genaamd worden; want in

Hem zijn de eeuwige harmonieën, en nooit een enkele harmonie zal van de

harp van uw hart de wereld inklinken en Gods heiligen verrukken, of ge

_ontvingt_ ze van uw God.

VIJFDE ZONDAG.

»ONTHOUD HET GOED AAN ZIJN MEESTER NIET!«

Onthoud het goed van zijne meesters

niet, als het in het vermogen uwer hand

is te doen.

Spr. 3:27.

De practijk onzer vaderen was streng; streng bovenal op het punt van

_eerlijkheid_. Een Hollandsch koopman stond in alle landen en op alle

markten als de belichaamde soliditeit bekend. En wat nering dreef of

zaken deed in onze aloude republiek, zon letterlijk, soms tot in het

kleingeestige toe, op stipte, strenge nauwgezetheid in levering van waar

en betaling van schulden.

Dat lag niet aan hen, alsof zij betere of andere menschen waren dan wij;

maar aan het Woord Gods, dat onder hen gepredikt was; aan de macht van

Gods ordinantiën, die onder hen was doorgedrongen; en aan het geloof,

dat wie op God ook in zijn handel zag, door dien God van hemel en aarde

ook in zijn handel zou worden gezegend.

Er staat in de Spreuken: »Vereer den Heere van uw goed en van de

eerstelingen aller uwer inkomsten, _en dan zullen uwe schuren vol zijn

van goed_.« Toepassing dus van het sterven om te leven ook op uw

bezitting. Wie houdt wat hij heeft, verarmt, en wie geeft van zijn

bezit, dien maakt God rijk.

En dat woord nu is aan onze vaderen waar gemaakt. Tengevolge van de

krachtige prediking van de Wet des Heeren was een diep besef van de

zonde der oneerlijkheid hun ingeprent. Uit dat besef ontkiemde een

stipt eerlijke handelsusantie. Die handelsusantie drukte haar stempel

van eerlijkheid op alle bedrijf en nering. En als soms uitzicht op

oneerlijke winste verlokte, ontried de hebzucht zelfs, om naar dat

lokaas de hand uit te steken. Immers ze stonden in de vaste overtuiging,

dat stipte eerlijkheid hun op den langen duur nog machtiger crediet en

daardoor nog milder winst in den schoot zou werpen. Hun stelregel was:

_Eerlijk duurt het langst_.

Wel waren er ook in die dagen uitzonderingen, en wierd vooral in den

hoogen groothandel soms schandelijk gespeeld; maar de manieren van het

volk leden daar niet onder. De volksgewoonte bleef solide en prompt.

* * * * *

Thans, helaas, is dit anders geworden. De kracht van het Woord is er bij

ons volk geheel uit. Men drijft op den zacht kabbelenden stroom der

_beschaving_. En de uitkomst is, dat men van allen kant tegen bedrog,

fopperij en oplichting op zijn hoede moet zijn; dat er bijna geen waar

meer te vertrouwen is; dat in allen tak van handel leelijke praktijken

gewoonte zijn geworden; dat men op crediet instede van op kapitaal

teert; en dat schulden en faillieten een ornament des levens schijnen.

Daardoor is de volks_zede_ achteruitgegaan; de volks_usantie_ onder het

vroeger zedelijk peil gedaald; de volks_gewoonte_ slap en mat geworden;

en kan er, o, zooveel door, dat er niet door kan bij God, noch bij den

man, die voor God bij zijn conscientie leeft.

En zeg nu niet: »Zoo is het in de wereld, maar onder Gods kinderen

niet«; want dit zeggen rust op een hoogst bedenkelijke dwaling; op de

dwaling namelijk, alsof een kind van God niet aangestoken zou worden

door de kwade praktijken van zijn vakgenooten.

In elk vak van nering, waar ge in komt, bestaan usantiën; ge hebt

te handelen en te rekenen met personen, die bij die veelszins kwade

usantiën zijn opgegroeid; en als gij nu _tegen_ die usantie in wilt

gaan, krijgt ge heel de markt tegen u, maakt ge uw handel moeilijk en

lijdt ge natuurlijk schade.

In dien strijd bezwijken dan de meesten; en dan hebben ze _tweeërlei

geweten_, het eene voor het _particuliere_ leven en dan nog een

_handelsgeweten_ er bij. En overmits ook de orthodoxe prediking in onzen

tijd veel te eenzijdig in de mysteriën des geloofs blijft hangen, en van

een degelijke, diep ingaande, ontdekkende prediking van Gods Wet, in

haar toepassing op het leven, veelszins vervreemd is, bezwijkt dan ten

leste de beste, en doet, zij het ook op eenigen afstand, met die

onzuivere praktijken meê.

Dit nu is een kwaad. Een ongerechtigheid, die bestreden moet. En waar

Gods Woord de uitspraak tegen stelt, _dat ge het goed niet aan zijn

meester moogt onthouden_!

* * * * *

Het sterkst tast dit zeggen het niet betalen van schuld aan.

Schuld is geld, waarover niet _gij_ heer zijt, maar waarover _een ander_

meester is. Het is van _hem_, niet van _u_. En op u rust van Godswege de

verplichting, om dat geld zoo spoedig mogelijk bij zijn meester thuis te

brengen.

Evenals ge een kind van een ander, dat verdwaald was, niet bij u zoudt

houden, maar ijlings naar zijn vader terugzenden, zoo ook moet ge met

schuldgeld doen. Schuld is een verdoold kind, dat niet bij u hoort en in

uw huis niet blijven mag, maar terug moet naar zijn eigen huis.

Vooral bij den arbeider zij dat gebod u heilig. Het loon van den

daglooner wil de Schrift, dat zelfs niet bij u _overnachten_ zal. Ja,

stipte, strikte betaling van het loon van den arbeider is een der

teederste en heiligste rechten van de mingegoeden, waar de Heere, wiens

oogen op alle plaatsen zijn, streng op let.

Evenzoo staat het met _de betaling van rekeningen_. Ook daarbij sloop

ongelooflijke slordigheid in. Voor sommigen is het laten staan van

rekeningen, soms tot twee en meer jaren, zelfs regel geworden. Zelfs

is er gehoord van een rijk man, die een prachtige kast vol zilverwerk

had aangekocht, en die er op roemde, dat al deze pracht was aangeschaft

door rente, die was uitgespaard door zijn laat betalen van rekeningen.

Dit nu is klinkklare roof. Gestolen geld. Rente, die aan den winkelier

toebehoorde, en dus aan zijn meester onthouden wierd. En wat de zaak nog

erger maakt: sluipt deze booze usantie eenmaal in, dan is de winkelier

ook slim, zondigt op zijn beurt, en kalkt de rekening dikker aan. En

aldus worden kooper en verkooper beiden bedriegers.

Ook bij het _leenen van geld_ sluipt er dan kwaad in. Eertijds zag men

op tegen leenen; want men wist: Geleend geld is eereschuld, en liever

droog brood, dan geleend geld niet op tijd terug te brengen aan zijn

meester. Maar ook hierover bestaan thans andere denkbeelden. Menschen,

die zich schamen zouden om u een gift te vragen, komen kwansuis

_leenen_. Leenen met belofte van terugbetaling in hoofdsom en rente. Zoo

heft men fier zijn hoofd op. Het is nauwlijks een gunst, die ge bewijst.

Louter een zaak van handel. Maar heel anders zijn daarbij soms de

overleggingen des harten. En als nu het geleende geld opgeteerd is, acht

meer dan éen, _dat geleend geld slapen mag_. Een kwaad, dat reeds zoover

inkroop, dat het regel is, bij leenen te denken: »Och, dat geld ben ik

toch kwijt!«

Dit nu wordt een vloek voor onze samenleving. Zoo wordt de maatschappij

van de ordinantiën Gods afgeschoven. Soliditeit raakt zoek. Het

vertrouwen vlucht naar de woestijn. En het eind is, dat alle zaken

achteruitgaan; onze waar op de markt geen prijs meer kan bedingen;

failliet aan de orde van den dag is; tal van personen wrak staan; en als

straf voor dit alles de zegen des Heeren wijkt, die eens ons volk had

rijk gemaakt.

* * * * *

»_Onthoud het goed aan zijn meester niet!_« is voor dezen kanker het

eenig proefhoudend medicijn; mits ge begint met dezen gulden regel

allereerst _op den Heere zelven_ toe te passen.

_Zijns_ is al uw goed. Hij gaf het u slechts, om er over te

rentmeesteren, en er over te rentmeesteren onder beding, dat ge elk jaar

Hem en zijn armen een door Hem bestemd deel ervan zoudt afstaan.

Noem nu dat deel _eerstelingen_ of _tienden_, dat doet er niet toe.

Zooveel staat vast, dat een vast deel van uw vrije beschikking

onttrokken en door God _voor zijn dienst en zijn werk voorbehouden is_.

En indien er dan ook in de laatste jaren eenig meerder welvaren onder

ons Christenvolk waarneembaar is, dan hebt ge dit daar vooral aan te

danken, dat God de Heere door den loop der gebeurtenissen inzake kerk

en school een deel van zijn volk _dwong_, om veel milder en ruimer dan

eertijds dit _deel uit het goed_ niet langer voor eigen gebruik aan Hem

_te onthouden_.

Want _ontstelen aan God_ het deel, dat Hij zichzelven voorbehield, dat,

en niets anders is het, zoo ge uw eerstelingen en uw tienden niet

besteedt voor zijn dienst en zijn armen, maar aanwendt voor eigen genot

of geldbelegging.

Dat mag niet. Dat is zonde. Een kwaad, waarbij de gerechtige wrake Gods

niet achterblijft.

Immers de Heere hoort het geroep, als de dienst zijner kerk in armoê

kwijnt. Hij hoort het geroep, als uw scholen in verlegenheid tobben

moeten. Hij hoort het geroep, als de blinden en kranken hun hulp derven.

En Hij hoort ook het geroep van zijn armen, als de arme Lazarus omkomt

en de rijke man in overdaad tiert.

Dit deel van uw goed is het uwe niet. Het is _Godes_. De Heere is van

dit deel van uw goed _de Meester_.

En daarom wee u, als ge iets ook maar van dit deel van uw goed aan zijn

Goddelijken Meester onthoudt.

ZESDE ZONDAG.

»IK ZAL ZE LOUTEREN.«

En Ik zal dat derde deel in het vuur

brengen, en Ik zal het louteren, gelijk

men het zilver loutert.

Zach. 13:9.

In elken levenskring doet ge telkens weer de droeve ervaring op, dat

er zijn, die u _eerbied_ afdwingen, maar ook dat er zijn, die u

_minachting_ inboezemen.

Ge vindt dat onder alle standen, ge vindt dat bij man en vrouw, ge vindt

dit bij het kind zoowel als bij den grijsaard.

Aan de eene zij hebzucht, lafheid, hoogheid, laagheid van zin en

karakter, en aan den anderen kant zekeren adel van ziel, een liefde,

die zichzelve geeft, heilige geestdrift en veerkracht van karakter.

Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath · 第 3 / 19 段