lust in zijn Sabbath schonk, ook die zonde van hun Sabbath hun _gaarne
vergeeft_.
En zoo drinken ze dan telkens en telkens weer het zoet der verzoening
ook van hun zonde in zake den Sabbath in, en juist door die verzoening
brengt de Heere er hen toe, dat ze Hem ook in zijn Sabbath gaan vreezen.
Zoo werkt Hij wonderbaar.
Eerst geeft Hij ons den Sabbath als een uitwendig gebod, dat onze natuur
er tegen ingaat. Dan brengt hij ons den Sabbath toe als een spiegel om
onze ellende te kennen. Ontwaakt er iets van die kennisse in ons, dan
wordt zijn Sabbath ons een tuchtmeester tot Christus. En komt het
eenmaal zoover, dat we ook voor dit gebod gevallen, en over dit gebod
in Christus ons verzoend weten, dan brengt Hij ons dienzelfden Sabbath
nogmaals toe, nu in het Genadeverbond, als een regel des levens, waarin
Hijzelf ons doet wandelen.
Dan is van Hem onze Sabbath en van Hem de lust, die in onze ziele voor
den Sabbath opwaakt. En dan leven we in dezen zijn Sabbath in, maar zeer
gebrekkig; onze schuld mengende in zijn kostelijke gave; en als weer de
Sabbath om is, dan dankt Gods kind voor wat hij ontving, en bidt om
vergeving voor wat hij aan zonde uit zijn eigen hart in den Sabbath
mengde.
Zoo wordt hij teeder voor zijn God.
Tot de Heere ook die gestadige belijdenis van ingemengde zonde gebruikt
als middel, om hem nog dieper in zijn Sabbath in te leiden.
En zoo gaat het voort en voort. _Hij_ altoos de genadige God, die ook
voor den Sabbath genade op genade stapelt, en ons zijn kostelijke gave
toebrengt en in het hart indraagt; en _Gods kind_ de schuldenaar, die
met zijn eigen natuur het al verderft, maar door zijn God verzoend
wordt, door zijn God sierlijk bewerkt wordt, en dank zij die Goddelijke
inwerking, steeds rijker en voller in het schoon en het zoet van Gods
Sabbath geniet.
VII.
DE SABBATH VAN GOD VEREEUWIGD.
Er blijft dan eene ruste over voor het
volk Gods.
Hebr. 4:9.
Toch kan uw Sabbath op aarde nog nimmer de volle ontplooiing van uw
Sabbath voor het aangezichte uws Gods zijn.
De Sabbath op aarde is en blijft een _compromis_.
Er staan twee zekere en strijdige belangen tegenover elkander:
eenerzijds roept, eischt en nijpt de wereld met haar leven _in den
tijd_; en aan den anderen kant lokt, roept en trekt het Paradijs
daarboven met zijn leven _in de eeuwigheid_.
Die beide liggen op den bodem van uw hart dooreengestrengeld. Ge zijt
een menschenkind _in den tijd_ en een kind Gods _in het_ _eeuwige_.
Vandaar die bange worsteling, die dooreenstrengeling van belangen, die
mengeling van het aardsche en Goddelijke in uw wezen.
En nu is uw Sabbath op aarde een dam, dien God opwierp, opdat de stroom
der wereld u niet vervolgen zou; het is een Jakobsladder, die God u
voorzette, om op te klimmen naar boven; het is een inschuiven in den
tijd van een dag, die aan het merk van den tijd ontkomen is, en het
stempel van het eeuwige draagt.
Maar toch, daarmeê is aan het kermen van uw ziel nog geen volle
bevrediging gegeven. Ge proeft daarmeê wel iets van den Sabbath en
geniet er een voorsmaak van; maar toch, de ware, de eigenlijke Sabbath
brengt het u nog niet.
Dan toch zou de Sabbath hermetisch van de wereld moeten zijn afgesloten.
Ook zoudt ge, als de Sabbath inging, uw zondig hart aan de poorte moeten
kunnen achterlaten. En ook, dan zou er na den Sabbath geen week in de
wereld meer volgen moeten, maar het, _eens Sabbath, altoos Sabbath_
moeten zijn, om nimmermeer uit de tente van uw God te scheiden.
* * * * *
Daarom komt de Heilige Schrift dan ook tot u, en zegt u in naam des
Heeren aan, dat er nog een heel andere, dat er ook een eeuwige Sabbath
is, en dat, welke ruste ge ook op den Sabbath hierbeneden moogt smaken,
er altoos nog een heel andere ruste overblijft voor het volk van God.
Dit is het, wat boven deze meditatie staat, dat God u den Sabbath niet
alleen _schonk_ en dien _instelde_, _heiligde_ en _zegende_, en nog
altoos _keurt_ en _verzoent_, maar dat Hij ook nog dit laatste doet, dat
Hij u den Sabbath _vereeuwigt_.
De Sabbath is geen plagen, alsof God de Heere u telken zevenden dage
even smaken liet, hoe goed en zoet het in zijn tente is; maar om dan
weer ijlings voor al dit schoon en heerlijk een gordijn te laten vallen,
opdat na het genoten licht de duisternisse te duisterder om u zou zijn.
Neen, in uw Sabbath ligt een _profetie_; de heerlijke profetie van een
eeuwig leven, waarin dáarom geen breking van dagen en oogenblikken zal
bestaan, omdat het al éen Sabbath, een Sabbath zonder storing, een
Sabbath zonder einde, en bovenal een Sabbath zonder zonde zal zijn.
Zoo ziet ge, hoe het, van trap tot trap, uit het lage en ijdele dezer
wereld naar boven gaat.
Eerst kwijnt ge op den bodem der zonde en zijt ge nog geheel in het
leven der wereld bevangen. Van een eeuwigheid wilt ge niet hooren; uw
tijd is uw.
Dan scheidt God, die genadig is, u van die in zonde kwijnende wereld
af, en doet u hooger opgaan tot dat betere hoogland, waar slechts zij
verkeeren, die met de wereld geen vrede meer hebben, en dorsten naar
iets, dat bestendig is en beklijft.
Hieruit ontstaat die tweedeeling in uw leven, die u tusschen de polen
van den tijd en de eeuwigheid inplaatst, en nu brengt God u zijn
aardschen Sabbath, om u in dien Sabbath een spiegel en voorsmaak van een
_nog hoogeren_ Sabbath reeds hier op aarde te doen bezitten.
Daarna voert Hij nóg hooger op, en doet u in dien Sabbath ingaan met een
veranderd hart, om op dien Sabbath uw ziel op te heffen tot Hem, die in
de hemelen is, en u op uw Sabbath te doen verkeeren in Gods tente.
Maar toch, ook zoo moet ge nog altoos weer in het leven der wereld
terug; uw zondig hart nog met u meêsleepen; en gedurig weer de smart
kennen van het gemis, als de Sabbath weer uit is en de drukte der wereld
weer aan uw deur komt kloppen.
Tot eens uw einde daar is, en uw barmhartige Vader in de hemelen nu
tweeërlei doet; _ten eerste_, dat Hij u losmaakt van de wereld en het
lichaam der zonde, zoodat de wereld niets meer op u te pretendeeren
heeft, en uw zondig hart niets giftigs meer in Gods kostelijke gave
kan mengen; en _ten andere_, dat Hij u alsnu niet door opheffing uwer
ziel in de gedachte, maar door optrekking van heel uw persoon in de
werkelijkheid, overzet in dat land, waar geen klok ooit getikt heeft,
en niets te beluisteren valt dan het zalig ruischen van den stroom der
eeuwigheid.
* * * * *
En dan komt uw _eeuwige_ Sabbath. Nog altoos diezelfde Sabbath, dien ge
soms op aarde genoot; maar nu uit den tijd losgewikkeld, en door Gods
wondere ontferming voor u _vereeuwigd_.
Een Sabbath, niet daarin schitterend, dat ge in _dolce far niente_,
d. i. in een zalig nietsdoen uzelven verliest.
Immers dat zou ook op aarde geen Sabbath geweest zijn.
Neen, maar een eeuwige Sabbath, die dit heeft, dat hij de _wereld_
volkomen buiten-, den _hemel_ geheel insluit, en nooit meer door een dag
in den tijd, in die wereld en in de zonde zal worden afgebroken.
En in dien eeuwigen Sabbath zal het dan zijn, niet een _enkele maal_ in
»de vergadering der geloovigen« verkeeren, maar _altoos_ met al Gods
uitverkorenen saam zijn.
In dien eeuwigen Sabbath zal het wezen, niet een _even_ opgaan naar Gods
tempel, maar _eeuwiglijk_ in dien tempel daarboven verwijlen, waar het
Lam zelf de kaars en onze God onze Zon zal zijn.
In dien eeuwigen Sabbath zal het wezen, niet een verdeelen van uw
Sabbathsruste tusschen uw ziel en uw gezin, maar eeuwiglijk in het
groote Vaderhuis genieten met de volle harmonie uws harten.
Ja, in dien eeuwigen Sabbath zal het zijn, niet voor enkele oogenblikken
uw hart opheffen tot den Heere uw God, en een enkel oogenblik in zalige
meditatie tot zijn zielsinnige gemeenschap doordringen; maar voor
_altoos_ en in de rijkste _volheid_ het zoet van Gods verborgen omgang
en van zijn zalige nabijheid indrinken met al de zuigkracht van heel uw
geestelijk bestaan.
* * * * *
En dat toeft, dat beidt nu wel; maar eens komt het voor Gods lieve
uitverkorenen gewisselijk.
Er blijft een ruste over voor het volk van God.
We zullen in dat Kanaän ingaan.
Ja, meer nog.
Deze eeuwige Sabbath is niet slechts in den aardschen Sabbath
geprofeteerd, maar wordt, zooals de Catechismus het zoo schoon en waar
zegt, _reeds in dit leven aangevangen_.
Niet door iets, dat wij doen.
Niet door uw ruste van aardschen arbeid, of uw ingaan in geestelijken
arbeid.
Neen, dien Sabbath reeds hier op aarde doen aanvangen, dat doet uw God
en uw Vader voor u en in u.
En dien drinkt ge in en ervaart ge dan, als gij _viert_ van uw booze
werken en het Volzalige en Eeuwige Wezen door den Heiligen Geest _werken
laat in u_!
MEDITATIËN VOOR ELKEN SABBATH IN HET JAAR.
EERSTE ZONDAG.
GEDENK VAN HOEDANIGE EEUW IK BEN!
Gedenk van hoedanige eeuw ik ben;
waarom zoudt Gij aller menschen kinderen
tevergeefs geschapen hebben?
Ps. 89:48.
God de Heere leeft in een twist met den nietigen mensch.
Dat hebben _wij_ gemaakt. Dat is door _onze_ zonde zoo gekomen. Dien
twist hebben _wij_ in de onvermengde, storelooze zaligheid van het
Eeuwige Wezen ingedragen. En nu _worstelt_ Hij met ons. »Bij den
verkeerde, o mijn God! betoont Gij U een worstelaar!«
Nu is er in dat worstelen van den Heere onzen God met ons een
onbeschrijflijk nederbuigende goedertierenheid.
Hij kon ons op staanden voet verdoen van voor zijn aangezicht, dat we
geen hinder meer voor Hem waren en ophielden twist te werpen in zijn
eeuwigen vrede. Zijn almacht ontzegt Hem daartoe het vermogen niet. Zijn
majesteit zou er voldoening in vinden.
Maar omdat Hij een genadig God is, doet Hij dat niet. En nu gaat Hij
met ons worstelen. Met ons worstelen in onze conscientie. Met ons
worstelen in de overleggingen van ons binnenste. Wij willen ons ophouden
en Hij wil dat we het voor Hem opgeven zullen. Hij rust niet en kan
niet rusten, eer Hij zoo diep en zoo lang en zoo schriklijk met ons
geworsteld heeft, tot we eindelijk niet meer kunnen, en het Hem gewonnen
geven, en erkennen: »Heere God! Gij zijt rechtvaardig en ik deed nooit
iets anders dan mijn weg voor U verderven.«
o, Dat kost wat, eer het daartoe komt, vooral voor vrome, burgerlijk
brave menschen. Bij dronkaards, bij roekelooze lieden, als ze tot staan
komen, gaat dat vanzelf. Maar als men levenslang vroom en onberispelijk
voor der menschen oog heeft gewandeld, en door de menschen lief is
gevonden, o, dan is dat bijna onmogelijk. Niet om het te _zeggen_, maar
om het te _meenen_, en wezenlijk als een verworpeling voor zijn God te
liggen.
* * * * *
Daarom heeft de Heere met zijn Jakobs en zijn Jobs en zijn Davids dan
ook zooveel banger en ontzettender te worstelen.
Bij hen kon het niet bij zulk een worstelen in de conscientie blijven,
want bij zulke karakters misleidt de vrome natuur.
En dan wordt het een hartaangrijpend worstelen in uw bestaan, in uw
levenslot, in wat u lief is, en tot in uw bloed. En dan krijgt Satan,
als bij Job, den vrijbrief, om niets te sparen, tot zelfs het eigen
vleesch niet.
o, Dan stormt het zoo schriklijk om het hoofd en door het hart, en giert
de huilende wervelwind in de snaren van ons fijnste innerlijk wezen.
Dan is alles benauwing en banden des doods om ons.
Dan zijn we tot voor de koperen deuren gedrongen.
o, God! wat krimpt uw arm menschenkind dan onder uw sterke hand weg!
* * * * *
Maar dan, onder dat bloeden en wegkrimpen van het hart, komt er in Gods
kind iets op, dat, o, zoo eenvoudig schijnt, en toch zoo nameloos
moeilijk te leeren valt; want dan overvalt ons het bang besef, dat die
tegen ons worstelt _niet onzes gelijke is_.
De Heere _niet onzes gelijke_, het is zoo, we beleden dat ook vroeger
wel, maar toch bleef het bij al ons tegen worstelen, alsof _onze_
persoon en _de Heere God_ wel aan elkaar gewaagd waren. Alsof we
eigenlijk toch _wel_ tegen God opkonden. Alsof een mensch, als hij maar
wilde, _wel_ tegen God bestand was. Ja, alsof hij het van God den Heere
ten slotte nog wel _winnen_ kon.
Altoos die diep satanische trek van onze zonde: Gij zult als God, d. i.
_aan God gelijk_ wezen.
Het demonische: _Eritis secutis Deus_[1]. De gruwelijke hoovaardij van
ons boosaardig hart.
[1] Gij zult als God wezen.
En dat nu gaat er dan in die worsteling door genade uit en ten leste
belijden we dan onze schrikkelijke minderheid, en komt onze ziele er
voor uit: »o, God! Gij zijt een almachtig God! Waarom worstelt Gij ten
bloede met mij, nietigen mensch?«
Zoo riep Job het in zijn berooving en zijn rouwe en zijn smarte uit:
»o, God! wat is de mensch, dat Gij met hem worstelt en op hem aanlegt?«
en zoo klaagde David: »Heere! gedenk mijner _van hoedanige eeuw ik
ben_!«
En de Heere, die barmhartig en zeer ontfermende is, liet het, opdat we
in deze verbrijzeling niet bezwijken zouden, ons door zijn Heiligen
Geest betuigen, dat »Hij weet, wat maaksel we zijn, _gedachtig zijnde
dat wij stof zijn_« (Ps. 103:14). Hij had het vanouds reeds betuigd:
»Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch, _dewijl
hij ook vleesch is_.« Van Israel staat geschreven: »Hij dacht er aan,
_dat zij vleesch waren_, een wind, die henengaat en niet wederkeert«
(Ps. 78:39). En bij Jesaja schonk Hij zijn kinderen het woord van
zalige vertroosting: »Ik zal niet eeuwiglijk twisten, en Ik zal niet
altoosdurend verbolgen zijn, _want uw geest zou voor mijn aangezicht
overstelpt worden_, en de zielen, die Ik gemaakt heb!« (57:16.)
* * * * *
En dan heeft God de Heere ons op het punt, waar Hij ons hebben wil, want
dan is in den angst van de worsteling de gevloekte hoovaardij van het
»Gode gelijk te wezen« overwonnen.
Dan willen we _de minste_ voor God zijn. Dan houdt op de verheffing van
den hoogen mensch, en krijgen we lust aan kleinheid en geringheid en
nietigheid.
Zoolang de booze heldenmoed van den duivel nog in ons blies, was het:
»Wees sterk en houd het tegen Hem uit!«; maar nu is het: hoe kleiner
hoe liever. »Zie, Heere! dat ik stof en assche ben.« Of misschien onze
nietigheid en geringheid den Almachtige tot aflaten van zijn worsteling
mocht bewegen!
Eerst was het: Ja, hoe sterker, hoe beter, om tegen God op te kunnen.
Door _zijn_ worstelen tot _tegen_worstelen geprikkeld. Maar nu wierd het
een pleiten op de grootmoedigheid en op het erbarmen des Almachtigen:
»Heere! waarom worstelt Gij met zulk een nieteling? Zie mijn kleinheid
aan en heb ontferming!
»Een held worstelt niet met een hulpeloos kind! Gij, sterke Held! laat
af te worstelen met wat stof en assche is.
»Gedenk van hoedanige eeuw ik ben! Gij, eeuwige Worstelaar! wat ben ik,
verdwijnend en verkwijnend wezen, om met U te worstelen?
»Ik kan niet meer. Als Gij slaat, zal ik mij weerloos laten slaan door
uw sterke hand.
»o, God! het is uwe eere als God om U te erbarmen.
»Ik ben een worm voor U en geen man!«
* * * * *
En neen, dan is er geen morren in dien toon. Dan is het geen vermetel
verwijt, alsof de Heere zich vergreep aan een ellendige en vergeten
had een weerlooze genadig te zijn; maar een zich vastklemmen van het
gebroken hart, dat niet meer kan, _aan Gods eeuwige deugden_.
Weg, weg zou ik zijn als in den Heere mijn God die eeuwige deugden niet
waren. Als Hij _niet_ groot van moed en _niet_ groot van ontferming was.
Maar dat _is_ Hij. Ja, waarlijk, de Heere is grootmoedig en zeer
barmhartig.
En die deugden grijpt het geloof aan. En daar pleit de worstelaar in
zijn smeekingen op.
Zoolang hij het tegen God uit wilde houden, was hij volkomen machteloos
tegenover den Heere. Een weerloos lam, dat waande het tegen den sterken
Leeuw te zullen volhouden.
Maar nu slaat dat om. Nu het verbrijzeld kind niet meer tegenworstelt;
en geen hand meer opheft; en geheel lijdelijk zich laat kastijden; en nu
eeniglijk op de deugden van Gods grootmoedigheid en lankmoedigheid gaat
pleiten, _nu is hij opeens sterk_ tegenover dienzelfden sterken God
geworden.
Het smeeken om genade ontwapent den sterksten held.
Daar kan ook God niet tegen in.
Een worstelaar tegen den verkeerde, is Hij, de Ontfermer over stof en
assche en over den worm, die in het stof wegkrimpt.
En diezelfde Majesteit, die in den bangen avond nog toornde in
verbolgenheid, blinkt in goddelijk mededoogen bij het aanbreken van den
morgenstond.
Doordien we vleesch zijn en bekenden vleesch te zijn, gedacht Hij, wat
maaksel we zijn, en heeft zijn vertroostend aangezicht ons verkwikt.
TWEEDE ZONDAG.
»EEN STOFJE AAN DE WEEGSCHAAL.«
Ziet, de volken zijn geacht als een
druppel aan den emmer en als een stofje
aan de weegschaal; ziet, Hij werpt de
eilanden henen als dun stof.
Jes. 40:15.
Bij een apotheker vindt ge een weegschaal onder een stolp om gif, en bij
een juwelier een weegschaal onder glas om diamantgruis te wegen. Bij
gif en goud luistert het ontzettend nauw. Wat roest aan het mes van de
balans, zou het juiste wicht vervalschen.
Maar als Jesaja, de profeet des Heeren, van een stofje aan de weegschaal
spreekt, dan denkt hij aan zoo haarfijne balans in de verte niet. Reeds
om de afdoende reden, dat zulke weegschalen toen nog ganschelijk
onbekend waren; maar ook om wat er van _den emmer_ bij staat.
Een stofje aan de weegschaal, is het eene beeld; het andere, daarmeê
evenwijdig loopend, het beeld van »den droppel aan den emmer«.
Van een kunstweegwerktuig is dus geen sprake. Dan ware niet de druppel
_aan den emmer_, maar de spet aan de kristallijnen bokaal er naast
gesteld.
Nu daarentegen verplaatst _de emmer_ u in het _gewone_ leven, en is ook
de weegschaal in _ordinairen_ zin, zooals de winkelier die bezigt, in
het oog te vatten.
En wat is nu op zulk een grovere weegschaal _een enkel stofje_? Wie
vergt, dat de winkelier eerst elk stofje van schaal en koord afvege, eer
hij het gewicht in de schaal zet? Zulk een stofje is _niets_ en _minder_
dan niets, en nog onder het toewegen laat zich ongemerkt stofje na
stofje op waar en gewicht, op koord en schaal, op balans en evenaar
neder.
En zie, in dat beeld komt nu de Majesteit des Heeren HEEREN u uw
volstrekte _nietigheid_ aanzeggen.
Eerst waart ge met een bloem vergeleken, die verwelkt, en met het gras,
dat verdort. Toen wierd tegenover dat verdorrend gras de majesteit en
hoogheid geteekend van Hem, die al de wateren in zijn vuist meet, van de
hemelen met de spanne zijner vingeren de maat nam, die al de bergen der
aarde in zijn weegschaal, ja, al het onmetelijk stof der aarde in zijn
drieling had gewogen. En daartegenover komt gij nu staan, niet eens meer
als een bloem, die verwelkt, en op verre na geen gras meer, dat verdort;
neen, maar als een enkel stofje aan de weegschaal, en als een drop aan
den boordevollen emmer.
Ja, meer nog, sterker nog.
De profeet zegt niet, dat _éen menschenkind_ bij God als een stofje aan
de weegschaal is, maar dat _heel een volk_ bij Hem als zulk een stofje
geacht is. Ja, dat de machtige eilanden der zee, met al hun volk, als
»dun stof« zijn uitgestrooid op de wateren.
* * * * *
Heel uw volk bij God éen stofje aan de weegschaal, en gij in dat volk
nog geen millioenste deeltje van dat éene stofje bij God. Als een
stofdeeltje, dat niet alleen niet meê_weegt_, maar ook niet meê_telt_.
Want de druppel hangt aan den emmer, om er straks af te leken en het
stofje vliegt op de weegschaal, om er straks te worden afgeblazen.
Het _is_ niets, het _weegt_ niets, het _telt_ voor niets.
En dat minder dan niets, dat zijt gij, o kind des menschen, voor uw God!
En waarom moet dat onbeduidende, dat nietsbeteekenende, dat verdwijnende
van uw persoon voor uw God nu zoo aangrijpend scherp geteekend?
Och, waarom anders, dan omdat elk mensch in inbeelding des harten
omwandelt, als ware hij de zon, en dat de maan en de sterren zich voor
hem neerbogen, ja, als bestond zelfs God de Heere enkel om hem; om hem
in den nood te hulpe te komen, en een hemel te verzekeren na zijn dood.
De oude droom van Jozef; maar nu niet in wondere profetie, neen, maar
uit de booze hoovaardij des harten. _Ik_, _ik_ en altoos _ik_. Die Dagon
van het _ik_ in ons eigen binnenste. Onze Diana der Efeziërs, waarvoor
heel de wereld haar wierook heeft te branden. En dus beter temoê,
naarmate er meer lof en eere voor ons opstijgt.
Dit nu is _de leugen_. De Vader der leugen heeft het ons ingefluisterd.
Zoo is de Majesteit des Heeren voor ons verkleind en ver naar den
horizont van ons leven weggedrongen; maar hoog en breed is de majesteit
van ons eigen ik opgericht. Zooals Asaf het in Psalm 73 teekent: »De
hoovaardij omringt den mensch als een keten, zijn tong wandelt op de
aarde, en hij gaat de inbeeldingen des harten te boven.«
Hoor het in onze eeuw maar, hoe _de mensch_ al meer het éen en alles
wordt. »Ik geloof in den mensch« allengs het _credo_ van ons geslacht
begint te worden. Ja, zóo hoog de glans van het _menschelijke_ gaat
blinken, dat de luister van het _Goddelijke_ er bij taant.
Dit nu is niet een omgehangen gewaad; maar het is een kwaad, dat uit uw
eigen hart opklimt.
Ge wandelt in de leugen. De wezenlijkheid, de werkelijkheid, de waarheid
ziet ge niet meer. Alle verhoudingen zijn voor uw zielsbesef vervalscht
geworden.
En zooals gezichtsbedrog het kind doet denken, dat hij minstens tweemaal
zoo groot als de zon is, zoo ook waant het nietig kind des stofs zich
schier grooter dan zijn God te zijn.
Tot de _waarheid_ hem aangrijpt en de glans van de Majesteit des Heeren
over zijn ziel opgaat.
En dan wordt het: Dat Eeuwig Wezen onmetelijk en onbeschrijflijk in zijn
heerlijkheden, en ik een stofje op de schaal.
* * * * *
Pas dit nu toe op uw leven, en ge loopt recht of ge waggelt als een
dwaas, al naar gelang ge bij al uw denken en overleggen in uzelven
opzwelt tot een Dagon, of weer, ook in uw eigen schatting, een stofje
aan de weegschaal voor uw God zijt.
Staat ge nog in uw _leugenbeeld_, dan hebt ge allerlei pretentiën, dan
zijt ge prikkelbaar en lichtgeraakt, veeleischend en alles begeerend,
ontevreden en gestadig in gemor.
Maar komt _de waarheid_ en weet ge weer een drop aan den emmer en een
stofje aan de weegschaal te zijn, dan is opeens die overgevoeligheid
weg; de rietstaf uwer hoogheid geknakt; stille, nederige zin komt over u
en ook bij een minder deel wordt uw vreugdevolle tevredenheid rijk in
die goedertierenheid des Heeren, die u nog zóoveel schonk.
Wat minder met uzelf en wat meer met uw God in uw zin en ziel vervuld,
zijt ge dan als de bloem, die zich laat bedauwen, en niet langer als de
doornstruik, die prikt en afstoot.
Liefderijk helpen, dienen en vertroosten valt u dan licht, omdat het
valsche beeld van uw eigen ik u niet langer in den weg staat.
Inschikken wordt u dan natuurlijk, vergeven een vanzelfheid,
zelfverloochening geen kunst meer, maar de aard van uw aanzijn en de
eigen natuur van uw bestaan.
Wie weet zelf _een stofje_ te zijn, kan _vreeze Gods_ in de ziel
omdragen. Alles trekt dan naar boven. Alles in hem smelt dan weg in
bewondering voor Hem, die alleen groot is. En terwijl hij God vreest,
kent hij geen vrees voor het kind des menschen meer. Immers ook zij zijn
dan stofjes en druppelen als hij is. En een stofje, wie zou dat vreezen!
* * * * *
En dan komt juist in dat nietige van het stofje _het zoet der
zaligheid_.
Hoog zijn vermoeit en mat af, maar wie stil en nederig kan wezen, rust
met ongekende zaligheid in dat innerlijke van zijn wezen. Hij heeft
niets op te houden. Geen valschen schijn te maken. Hij wandelt in zijn
eenvoudigheid.
En als dan in dat nietig »stofje aan de weegschaal« genade gaat werken,
en in dien druppel aan den emmer zich de glans van het licht gaat
spiegelen, o, dan wordt het in de ziel heilige verrukking en zalige
aanbidding.
Op mij, nietig creatuur, onbeduidend schepseltje, op mij, die op de
weegschaal als een stofje neerzweef en als een druppel aan den emmer
gespet hang, op mij zag eeuwige Genade neer, naar mij heeft die
heerlijke Majesteit van het Eeuwige Wezen Goddelijk mededoogen
uitgestraald. Mij roept Hij met den naam van »kind van God«. Op mijn
lippen wil Hij het _Abba, lieve Vader!_ doen fluisteren. Voor mij
verordineerde Hij een eeuwige bestemming onder de gezaligden in het
eeuwige licht!
o, Mijn broeder, mijn zuster, dan begint de mond van lof en liefde over
te vloeien. Dan wordt het al aanbidding. Dan smelt heel uw ziel in
zalige verrukking.
Ja, wie zou dan al den lof des Heeren uitspreken! Wie naar waarde
eenigszins verhalen, wat Hij u, nietig stofje aan de weegschaal, u,
drupje aan den emmer, naar zijn grenzenlooze ontferming aan uw ziel
gedaan heeft!
DERDE ZONDAG.
»MIJNE ZIEL IS VOOR U ALS EEN DORSTIG LAND!«
Ik breide mijne handen uit tot U; mijne
ziel is voor U als een dorstig land.
Ps. 143:6.