Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoot is |
| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: |
| e/ê, en 1/I bij Bijbelboekverwijzingen. |
| |
| In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. |
| Uitgespatieerde tekst is weergegeven als ~uitgespatieerd~. |
| |
| In het boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
| Deze dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven |
| als »aanhalingstekens«. |
| |
| Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
+----------------------------------------------------------------+
GOMER VOOR DEN SABBATH.
MEDITATIËN
OVER EN VOOR DEN SABBATH,
DOOR
DR. A. KUYPER.
BOEKHANDEL
VOORHEEN
HÖVEKER & WORMSER.
AMSTERDAM. PRETORIA.
ZUID-HOLLANDSCHE BOEK- EN HANDELSDRUKKERIJ.
Op de _Dagen van goede Boodschap_ volgt hiermeê in gelijk formaat een
_Gomer voor den Sabbath_; onder een titel, die aan Exodus 16:16-24 is
ontleend.
Dit boekske mocht niet uitblijven.
De indruk mocht niet voortduren, alsof weer een verheffen van onze
Christelijke vierdagen boven den Sabbath ingang vond; en de schijn moest
wegvallen, als wierd met de behoefte, die ook op den Sabbath, in de ure
van stille afzondering, aan _meditatie_ bestaat, niet gerekend.
Vooral nu in onze dagen het geroep om Zondags_rust_ ook bij hen steeds
luider weerklinkt, die van Zondags_heiliging_ niet hooren willen, is het
eisch van het oogenblik, dat geen poging onaangewend blijve, om ook door
stille meditatie de _heiliging_ van den Rustdag te bevorderen.
Daarom gaan in dezen bundel aan de _Meditatiën_ voor elk der twee of
drie en vijftig Zondagen van het jaar, een zevental afzonderlijke
Meditatiën _over_ den Sabbath vooraf. _Meditatiën_, die niet de
Sabbathsquaestie bespreken, maar Gods kind tot geloofswerking ook ten
opzichte van den Sabbath uitlokken.
Wel ligt aan deze Meditatiën een doordacht gevoelen over den Sabbath
ten grondslag; maar dit gevoelen zelf wordt er niet in verdedigd noch
betoogd.
Liever dan in deze Meditatiën door zulk betoog Gods kind van zijn
stille Sabbathviering af te leiden, heb ik daarom zulk een betoog in
een afzonderlijk _Tractaat van den Sabbath_, te boek gesteld.
Een _Tractaat_, dat reeds ter perse ging en bijna afgedrukt gereed ligt,
om binnenkort, bij denzelfden uitgever als van dezen _Gomer voor den
Sabbath_, te verschijnen.
Tot beide geschriften drong mij de zielsbehoefte, om uit dank voor
wat God ook mij in zijn heerlijken Sabbath schonk, iets tot rijker en
inniger Sabbathsgenieting ook voor mijn broederen en zusteren bij te
dragen.
Ruste op dezen dubbelen arbeid _voor_ en _over_ den Sabbath de zegen van
Hem, _die Heere ook van den Sabbath is_.
KUYPER.
_Amsterdam_, 29 October 1889.
ZEVEN MEDITATIËN OVER DEN SABBATH.
I.
DE SABBATH VAN GOD GEGEVEN.
Daartoe ook gaf Ik hun mijne Sabbathen,
om een teeken te zijn tusschen Mij en
tusschen hen, opdat zij zouden weten,
dat Ik de Heere ben, die hen heilige.
Ezechiël 20:12.
Het eerste, dat ge naar 's Heeren wil in uw Sabbath eeren zult, is, _dat
Hij u uw Sabbathen geeft_.
Alle gedachte en alle inbeelding, alsof gij het zijn zoudt, die uw
Sabbath aan uw God gaaft, zult ge deswege voorbedachtelijk uit uw
overleggingen bannen. Van iets, dat gij den Heere ten goede, Hem ten
gevalle en ten believe doen zoudt, valt hier geen sprake. Elk denkbeeld
van een goed werk, waarmede ge Hem iets ten dienste doen zoudt, moet
geheel van u gezet. De Heere verkrijgt niets door uw Sabbath. Hij wordt
er door verrijkt noch grootgemaakt. Uw Sabbath brengt _aan u_ een zegen
van Godswege, niet omgekeerd, een zegen van uwentwege _aan uw God_.
Reeds op zichzelf is uw God nooit als iets behoevende, zoodat gij Hem
iets zoudt kunnen toebrengen. Zelfs als Hij aan Israel gelast, zijn
brandoffer te ontsteken, roept Hij het zijn volk toe, dat het Hem niet
om dien ram of dien var te doen is. Hij immers is een God, die den hemel
en de aarde schiep en zijn vee op duizend bergen heeft; en die, had Hij
lust aan een rund op uw stal, het u niet zeggen zou, maar u dat rund
zou ontnemen. Hoe zou Hij, de Algenoegzame in zichzelf, ook ooit van
menschenhanden gediend worden als iets behoevende? Hij, die u, gedurende
al de dagen uws levens, al uw tijd en al uw oogenblikken schenkt, hoe
zou Hij ooit een dag of een deel van een dag uit uw hand kunnen
ontvangen?
Veeleer sluit het denkbeeld van zijn Sabbath het tegendeel in. Voor
zooveel er toch in overdrachtelijken zin sprake kan zijn van iets, dat
gij voor uw God zoudt werken, doordien ge van Hem getuigt, of ijvert
voor zijn heiligen naam, of dien naam grootmaakt, komt juist immers die
Sabbath u in nog meer eigenlijken zin toeroepen, dat gij van alle werk
zoudt aflaten, opdat nu niet aan u, maar aan den Heere uw God de beurt
zou zijn, om in u te werken en de macht zijner werking in u te toonen.
De Sabbath kan dus niet sterker ontheiligd worden, dan door in uw
Sabbathsviering een oorkussen der werkheiligheid te zoeken; en een
iegelijk, die bij zichzelven ging meenen: »Wel schiet ik in veel tekort
en heb ik door mijn zonden den Heere vertoornd; maar dit heb ik dan
toch, dat ik zijn Sabbath tot in het stiptste toe heb geëerd,« die had
niet maar zijn loon weg, maar zou zonde op zonde gestapeld hebben.
Al zulk een Sabbath ware den Heere een gruwel.
* * * * *
Neen, Hij, de Heere, is het, _die u uw Sabbath geeft_.
De vloek der zonde, die in den arbeid op den zondaar rust, is zoo
ontzettend!
Het is wel zoo, dat er arbeid ook buiten de zonde is; dat God zelf
werkt tot nu toe, en zijn Christus eveneens; zelfs schuilt er voor den
zondaar in den arbeid niet weinig reddende kracht. Voor wie geregeld
arbeidt is de verzoeking tot zonde zooveel geringer. Maar te moeten
arbeiden _in het zweet des aanschijns_ om ons _brood_ te eten, is ons
niet natuurlijk. Om der zonde wil overkwam het ons. En nu moge de
rijkgezegende in middelen, als hij dat leest, in zijn vergenoegdheid
lachen, en mogen die velen onder beide geslachten, die van hun geld
leven en zich in weelde baden en eigenlijk nooit iets uitvoeren, zich
daar vroolijk over maken; maar wee hun, als eens de dag der afrekening
komt, en ze dien vloek van den arbeid nooit dieper hebben verstaan!
Vraag u maar eens af, op wat wijs, zeg veilig 1000 van de 1400 millioen
menschenkinderen, die op deze aarde leven, hun dag in het zweet van hun
aanschijn doorbrengen. Hoe schamel ze leven; aan wat ongemak en gevaar
ze zich blootstellen; wat wezenlijke vermoeienis, als de dag weer om is,
op hun aangezicht geteekend staat. Denk slechts aan die millioenen, die
in de mijnen zwoegen; aan die andere millioenen, die op velden en bergen
arbeiden; aan die millioenen, wier leven opgaat in de fabriek. Hen
_drukt_ de arbeid. Hen put de arbeid uit. Hij verteert hun menschelijke
kracht. En het bangst is, dat ze arbeiden, niet om den lust hunner
ziel, maar omdat de honger hen dwingt en het brood voor eigen mond
en voor het gezin alleen tot dien prijs voor hen te bereiken is. Wat
ontrooft die arbeid aan dit overgroote deel van ons geslacht niet alle
weelde en lust des levens. Schier nooit ontspanning! Zoolang de dag
duurt, ingespannen arbeid. En dan voor al hun arbeid in het zweet huns
aangezichts nog vaak nauwlijks een harde legerstede en een hard stuk
brood. Levend buiten het gezin, zien ze de hunnen nauwlijks even des
morgens en even des avonds, en dan begint het jagen van het groote
raderwerk van den arbeid weer. Voort, voort en altoos voort, als onder
den zweep van den drijver. Tot de kracht verbruikt is, en ze niet meer
kunnen, en ze, als voor den arbeid waardeloos, schier een overlast op
aarde schijnen, en kwalijk verholen teleurstelling baren, als ze niet
vroeg genoeg zich heenspoeden naar het graf.
o, In die breede en onafzienbare kringen van ons menschelijk geslacht is
de vloek van den arbeid nog altoos zoo ontzettend!
* * * * *
En zelfs, al rekent ge nu met hen niet uitsluitend, dan nog, hoe
vernedert het ons menschelijk bestaan niet, dat elken dag schier al
de tijd en al de moeite van bijna allen in de verzorging van het
dagelijksch leven opgaat. Want, ja, er zijn er enkelen, die het hooge
voorrecht genieten, dat zij in geestelijke dingen hun ambt en roeping
mogen hebben, of althans in de hoogere bezigheden van den menschelijken
geest hun tijd mogen slijten; maar zijn die allen saam meer dan twee of
drie op een dorp, meer dan een tweetal of drietal honderd in een zeer
groote stad? En al die anderen, zoo mannen als vrouwen, wat doen ze
anders, dan heel den dag bezig zijn in wat strekt om den mensch te doen
wonen, den mensch te kleeden, den mensch spijs en drank te bereiden?
Daarvoor zuchten de stoomwerktuigen en zwoegen de fabrieken. Daarvoor
leeft de nijverheid en bestaat alle handel. Daarvoor rept zich de
landbouw en spoedt zich de man van het ambacht. Daarvoor is alle bedrijf
en nering. En zelfs in uw persoonlijk en huislijk leven, wat machtig
deel van uw tijd gaat er niet af voor uw slaap, voor uw reiniging, voor
uw kleeding en voor uw voeding. Hoe zijn onze huismoeders en dochters
en dienstboden schier al den tijd in deze verzorging van het uitwendige
leven bezig. En als de man en vader zich op zijn kantoor of in zijn zaak
inbeeldt boven dit kleine en uitwendige verheven te zijn, hoe ook doet
hij dan toch feitelijk niet anders dan altoos zorgen, dat er worde
aangevoerd of voortgebracht, wat ons tot woning, kleeding en voedsel
zijn kan, of ook zorgen, dat er geld komt om brood voor zijn huis te
gewinnen!
Een bestaan, een betrekking, geld om te leven te hebben, is de altoos
werkende drang, die heel onze maatschappij in beweging zet, en nu, wat
is de drang naar een bestaan, naar een betrekking, of naar geld om te
leven anders, dan een oplossing voor het raadsel te zoeken, hoe men het
zweet van zijn aanschijn in brood voor zich en de zijnen zal omzetten?
En daarom nog eens: er ligt in den arbeid óok iets kostelijke, óok een
zegen; maar toch, de arbeid, gelijk die al deze eeuwen lang, en ook nu
nog op aarde door deze millioenen bij millioenen gearbeid wordt, wat is
hij anders, dan een doen opgaan van ons menschelijk aanzijn in de nooden
en zorgen des levens? En hoe onnoembaar klein is het procent wel van die
enkele gelukkigen, die een hooger genoegen zoeken kunnen, en reeds hier
op aarde in die hoogere heilgoederen van ons geslacht mogen opgaan!
* * * * *
Daarom staat het er dan ook bij: »Zes dagen zult gij arbeiden en al uw
werk doen.« De Sabbath vernietigt het Woord Gods uit het Paradijs niet.
De harde arbeid, die loodzwaar op ons geslacht drukt en het _beneden_
den aard van ons menschelijk aanzijn neertrekt, blijft. De gevolgen der
zonde zijn niet opgeheven. Een engelenleven is ons op aarde niet gegund,
en een leven als in het Paradijs is ons hier voor altoos ontnomen. Dat
is er niet meer en keert op aarde niet weer.
Maar dit heeft God toch in zijn barmhartigheden gedaan, dat Hij u midden
in dien arbeid _zijn Sabbath_ schonk; dat Hij door _zijn Sabbath_ dat
jagen van den arbeid een oogenblik tot stilstand bracht; en dat Hij
in dien Sabbath u uit uw zelfvernedering optilde en ophief tot hooger
bezigheid.
Hij _geeft_ u zijn Sabbath; en in die gift spreekt ontferming. Het
schenken van zijn Sabbath is een daad van Goddelijke, een daad van
koninklijke genade.
De druk van den arbeid zou ons al te bang zijn geworden. Die zou ons de
keel hebben toegenepen.
En daarom schonk Hij ons dien dag van hemelsche ruste.
Hoor maar!
Daar klinkt het woord der verlossing: Dien dag zult ge _niet_ werken.
Op zijn Sabbath laat God ons _vrij_!
II.
DE SABBATH DOOR GOD VERORDEND.
Gij zult houden zijne inzettingen.
Deut. 4:40.
Aan uw Sabbath hangt de eere van Gods heilige souvereiniteit. Stel toch,
gij wildet overtollige goede werken doen, en twee, drie dagen telken
weke aan uw God wijden, en ge koost daartoe zelf de u schikkende dagen
uit, en gingt nu in de verbeelding leven, dat ge hiermeê God iets hadt
toegebracht, immers een Sauls oordeel zou over u komen, en de profeet
zou ook u toeroepen: »Gehoorzaamheid is beter dan offerande en opmerken
dan het vette der rammen.«
Eén Sabbathdag, in gehoorzaamheid aan de inzetting des Heeren geheiligd,
is beter dan tien dagen Hem gewijd in eigen willigheid.
En daarom, merk er op, dat uw Sabbath van God _verordend_ is; dat de
Rustdag door God zelf is _ingezet_; dat het een gebod is u opgelegd, en
niet een aanbieding, waarmeê gij voor uw God verschijnt.
De Sabbath is een _inzetting des Heeren_.
Nu weet ge, hoe Mozes in den naam des Heeren niets geduriger voor het
oor van Israel herhaalt, dan dat al deze heiligheden de _rechten_ en
_instellingen_ en _geboden_ des Heeren zijn.
En dat moest. Want in Israel zat juist dezelfde zonde, die ook gedurig
in uw hart sluipt, om wel, ja, God de eere te willen geven, mits het
geschieden kon naar eigen inzicht, uit eigen aandrift, naar den prikkel
van het eigen hart.
En wat Israel _niet_ wilde, en wat gij van nature ook niet wilt, dat
is dienen uit gehoorzaamheid; _omdat_ Hij het u geboden heeft; en
_omdat_ Hij het heeft ingezet.
Ge wilt dan wel veel voor uw God doen. o, Ge zoudt alles voor Hem
over hebben. Alleen maar, de Heere moet het niet van u in den weg van
gehoorzaamheid vorderen. Veeleer moet Hij het aan u overlaten, dat gij
het uit eigen aandrift doet. En dan zult ge al wat ge slechts vermoogt
aan uw God toewijden. In lust om God de eere te geven, zult ge met den
beste wedijveren. Alleen maar die éene eere, dat Hij als uw Souverein en
Koning zelf bepalen zal, wat ge voor Hem doen zult, die eere gunt ge Hem
niet.
* * * * *
En dat is het nu juist, wat uw Sabbath u telkens weder prediken komt:
»God heeft mij ingezet. Van God ben ik verordend. En gij, o,
menschenkind! hebt u aan Gods ordinantie te onderwerpen.«
Niet alsof diezelfde prediking niet in heel de natuur en in heel het
Genadeverbond lag; maar haar sprake komt nergens zoo duidelijk als in uw
Sabbath uit.
Ongetwijfeld ook de jaarkringen heeft God geschapen en ze beheerschen uw
leven, en ge _moet_ zaaien, niet als gij er lust in hebt, maar als het
zaaitijd is; en ge _moet_ oogsten, niet wanneer het u in het gevlei
komt, maar als God het graan rijp heeft gemaakt. En zoo staat ge onder
ordinantiën Gods in heel uw natuurlijk leven. Want wel kunt ge den dag
tot den nacht maken en den nacht tot den dag. Maar straks wreekt dit
zich, en in de onfrischheid van uw bloed toornt de geschonden inzetting
van uw God.
Maar toch, deze prediking gaat te ongemerkt toe, en deze soort inzetting
is te moeilijk te ontgaan.
Doch met uw Sabbath is dit zoo niet.
Immers uw Sabbath kunt ge zonder wezenlijke storing als voor u niet
bestaande beschouwen. Dat ziet ge wel aan die duizenden bij duizenden,
die den Sabbath nooit houden. En zoo geldt het hier dus een inzetting,
waartoe de natuur niet vanzelf dringt, maar die alleen geëischt kan door
opzettelijke gehoorzaamheid.
Om den Sabbath te _kunnen_ houden, moet ge hem _willen_ houden.
Ge moet, om den Sabbath te eeren, u welbewust naar de ordinantie van uw
God schikken.
En ge houdt hem niet, of ge doet in die Sabbathsviering zelf hulde aan
Gods souvereiniteit.
Al wie met den Sabbath _niet_ rekent, zegt daarmeê, dat hij zich niet
stoort aan wat zijn God en Heere heeft ingezet.
Maar dan ook omgekeerd, al wie den Sabbath naar het gebod houdt, eert
hier den Gebieder van het gebod in, en buigt zich voor God als zijn
Koning.
* * * * *
Dring dus wel in uw conscientie in, om te weten, of ook gij hierin recht
voor uw God staat, en of ge wel waarlijk uw Sabbath houdt uit
gehoorzaamheid omdat uw God het alzoo heeft _ingezet_.
Of ge dus niet rust, omdat ge moede van den arbeid zijt en uitspanning u
welkom is. Niet rust, omdat het den bloei van uw maatschappelijk leven
bevordert. Niet rust, omdat ge toch ook een dag voor uw gezin moet
hebben. En ook niet enkel rust, omdat er toch een dag voor uw kerkgaan
moet zijn. Neen, maar of ge uw Sabbath viert, omdat God het alzoo heeft
_ingezet_.
Want staat uw ziel er zoo metterdaad onder, dan is uw vieren van den
Sabbath op zichzelf reeds een ontsluiting van uw ziel, om het heil uws
God in te drinken, en verkrijgt ge dien rechten stand, waarin de Heere u
met genade voor genade wil zegenen.
Ge weet toch zelf, hoe niets zoozeer uw hart voor genade toesluit, als
die booze zucht, om uit eigen wil en eigen lust te handelen, uw raad
voor Gods bestel in de plaats te schuiven, en zelfs in uw vroomheid op
eigen gebaande paden te wandelen.
Zoo en niet anders is de mensch een heiden geworden. En dan kan
hij, gelijk te Athene, zelfs zoo overvroom zijn, dat hij een altaar
voor den onbekenden God bouwt; maar juist deze eigendunkelijkheid en
eigenwilligheid vermoordt alle ware godsvrucht in zijn binnenste, en het
eind is, dat God hem overgeeft om op zijn eigen paden te wandelen en ten
leste uit te doen komen bij Baäl Peor en de naaktlooperij, om van nog
gruwelijker zonden, gelijk Rom. 1 die opsomt, te zwijgen.
Komt dus de Sabbath dit diep zondige uwer eigenwilligheid en
eigendunkelijkheid in u knakken en wegsnoeien, dan is reeds daarmeê een
zegen aan uw ziel beschikt.
Dan toch zijt ge er toe gebracht, om niet zelf het in te zetten, maar
het uw God te laten inzetten, en daarmeê te erkennen, dat het recht om
het in te zetten aan Hem en niet aan u staat.
En nu keert die Sabbath telken zevenden dage weder, als om telken
zevenden dage weer deze onderzoeking voor uw conscientie te brengen,
of ge de _valsche_ vroomheid van Saul bedoelt, of wel die _echte_
vroomheid, die van de huldiging van Gods souvereiniteit uitgaat.
* * * * *
God wil op zijn Sabbath _dienst_knechten en _dienst_maagden voor zich
zien, die weten, dat Hij de Heere is en daarom het souvereine recht
heeft, om zulk een dag in zijn heilig Huis te verordenen.
Niet lieden, die wanen Gods gelijken te zijn, en Hem nu uit goede
intentie van hun hart een dienst meenen te bewijzen, maar _onderdanen_
van den Koning der koningen, die doen naar zijn gebod en naar zijn
recht.
En wel openbaart Hij zich ook op den Sabbath rijker dan ooit als onze
Vader in de hemelen, die deze dienstknechten en dienstmaagden tot zijn
_kinderen_ aanneemt: maar allerminst om daarom het recht van beschikking
in zijn Vaderhuis zich door zijn kinderen uit handen te laten nemen.
Juist, omdat Hij onze Vader is, blijft Hij dus de eenig rechthebbende om
het in te zetten, gelijk Hij het van zijn kinderen hebben wil.
Ook bij zijn kinderen moet het Gods _dienst_ blijven; en nu is er
tweeërlei _dienst_. Een dienst om _loon_, en zoo dient de dienstknecht.
Maar ook een dienst uit _liefde_, en zoo dient het kind.
Het kind weet: »Als ikzelf het ga inzetten, heb ik geen Vader meer«; en
juist omdat in het bezit van zijn Vader al zijn glorie is, vraagt en
onderzoekt het kind naar de inzettingen van zijn Vader en volgt die uit
drang der liefde op.
Zelfs valt bij het kind elke gedachte om het anders te willen weg.
Immers dit weet Gods kind, dat het altoos slecht gaat, zoo het anders
gaat dan zijn Vader het heeft ingezet. En daarom heeft het lust aan Gods
inzetting en voelt zich door die inzettingen Gods tot zijn liefde
trekken.
Heel Psalm 119 past het kind van God ook op zijn Sabbath toe.
III.
DE SABBATH DOOR GOD GEHEILIGD.
Daarom zegende de Heere den Sabbathdag
en _heiligde denzelven_.
Exod. 20:11.
Zoo _gaf_ de Heere u den Sabbathdag uit ongehouden gunst, en zoo
_verordende_ Hij den Sabbathdag om _zijn_ wil over _uw_ goeddunken te
laten heerschen; maar óok gaf Hij aan die ordinantie een inhoud, en die
inhoud ligt daarin, dat God den Sabbathdag _heiligde_.
Beduidt dit, dat de Sabbathdag een _heiliger_ dag wordt dan de andere
dagen; dat er heiligheid aan den Sabbath als zoodanig kleeft; en dat
dus, zonder meer, deze dag op zichzelf reeds u van zonden afbrengt?
Ge weet beter.
Er mag gevraagd, of er éen dag is, waarop de zonde schrikkelijker
uitbreekt en meer in losbandigheid woedt. Juist de arbeid is op zichzelf
een machtig schild tegen de zonde, en zoodra met den Sabbath deze
bescherming wegvalt, voelt de zonde zich minder gehinderd. Ze heeft nu
tijd, nu speelruimte, en werpt te vuriger elken teugel af. Vraag het
maar aan de politierapporten, op welken der zeven dagen het straatrumoer
het hinderlijkst wordt. Vraag het maar aan onze kroegen en bierhuizen,
op wat dag ze de beste zaken maken. En ook, vraag het maar aan de stille
verborgenheid, op welken dag vele dienstboden en jonge mannen het meest
ontuchtig zondigen.
Neen, de Sabbath heeft _geen_ inklevende heiligheid. Veeleer zet ze,
zonder hooger bezieling, slechts de sluizen te breeder voor de zonde
open.
Ledigheid is des duivels oorkussen. En nooit meer dan juist op den
Sabbath is Satan op de been.
Naar dezen maatstaf gemeten zouden we dan ook voor de groote menigte
best doen met den Sabbath af te schaffen.
Want al doet de rust het lichaam goed, o, zooveel zielen lijden juist op
den Sabbathdag voor altoos schade.
* * * * *
Neen, als er staat, dat God den Sabbathdag heiligde, beduidt dit heel
iets anders.
Dit »heiligen« wil zeggen, dat God den Sabbath tot een anderen dag maakt
dan de overige dagen; dat God den Sabbath _apart_ zet; dat Hij den
Sabbath _afzondert_ van de gewone dagen; en dat Hij op den Sabbath een
bizonder merk drukt. En wel dit merk, dat deze dag door Hem, in gansch
bizonderen zin, voor de eeuwigheid wordt opgeëischt.
Want het is wel waar: ge moet _elken_ dag voor uw God leven, en wee u,
zoo ge denken gingt: »Zondags voor God en in de week voor de wereld.«
Dan hadt ge het loon van uw Sabbath weg.
De eisch Gods, dat ge Hem dienen en Hem liefhebben zult met heel uw hart
en heel uw verstand, gaat _altoos_ door. Niet enkel op den Sabbath, maar
elken dag van uw leven.
Maar er is _tweeërlei_ dienen van uw God. Het eene _middellijk_ en het
andere _onmiddellijk_. Toen de opperlieden te Jeruzalem den bergsteen
aandroegen voor den bouw van Gods huis, dienden ze Hem _middellijk_;
want de vreeze Gods school toen in den ijver, de gehoorzaamheid en
volharding, waarmede ze steenen aandroegen. Maar toen na de voltooiing
van den tempel diezelfde werklieden in Gods huis met hun offerande
toetraden, dienden ze Hem in _onmiddellijken_ zin; want toen had wat ze
deden geen ander doel, dan om rechtstreeks hun God te verheerlijken.
En zoo nu staat het ook met u.
Ge leeft nog niet in den hemel, maar in de wereld. Allerlei overlegging
en bezigheid is u daar opgelegd. Ge moogt u daaraan niet onttrekken.
Het is uw »Goddelijk« beroep. Maar ging dat bezig zijn in de wereld nu
altoos door, dan zou die wereld u allengs assimileeren. De gedachte aan
God zou bij u wegsterven. Uw beroep zelf zou ophouden »Goddelijk« voor
uw besef te zijn. Alle _middellijke_ dienst van God put zichzelven uit.
Zooals ge uw kracht uit zoudt putten, zoo ge dag en nacht woudt
doorwerken, en daarom telkens _slapen_ moet om uw kracht te vernieuwen,
zoo ook moet ge, om in dien _middellijken_ dienst van God niet te
bezwijken, geregeld _rust nemen_, en in die rust komen tot
_onmiddellijken_ dienst van uw God.
God _middellijk_ te dienen is veel zwaarder. Want dat is een gestadig
worstelen tegen de wereld in, om onder en in haar bezigheid toch uw God
niet los te laten. Maar bij den onmiddellijken dienst van uw God houdt
die worsteling op, laat af, en gunt u tijd en gelegenheid, om u
ongestoord aan uw God te wijden.
En dat is het nu, dat God den zevenden dag _geheiligd_ heeft. Zooals Hij
in zekeren zin den nacht heeft _geheiligd_ voor de rust van den slaap,
zoo heeft Hij in veel hoogeren zin den Sabbath geheiligd voor de _rust
uwer ziel_.
* * * * *
De _ruste_ hoort dus wel terdege bij uw Sabbath. Ze maakt er het
uiterlijk kenmerk van uit. Ze is er niet af te scheiden.
De Sabbath moet telken weke een breking in uw leven brengen. Altoos
dienst van God, heel de week door. Maar die zes dagen van den arbeid
kunt ge dien dienst slechts _middellijk_ verrichten, en daarom komt dan
de Sabbathdag, die uw heelen dag voor den _onmiddellijken_ dienst van uw
God vrijlaat.
De _tijd_ is een vreeselijke tiran. Hij jaagt en zweept voort en is als
een drijver, die niet ophoudt. Maar zoo is de eeuwigheid niet. In dat
eeuwige leven, waarin uw eigenlijk leven is, heerscht rust en kalmte en
stille duur.
En daarom breekt God nu door dien Sabbath die vernielende macht van den
tijd, en neemt een zevende deel van uw tijd eruit, om met dat zevende
deel tegen den tijd en voor de eeuwigheid te worstelen.
Dit lag reeds in de Schepping.
In zes dagen schiep God den hemel en de aarde, en op den zevenden dag
rustte Hij met een Sabbath, die nog altoos doorgaat. En omdat Hij u
naar zijn beeld schiep, heeft Hij ook in u als mensch dien trek, die
behoefte, dien drang gelegd, om na zes dagen van arbeid een heilige
_pauze_ te laten intreden, een Goddelijk _Selah_. Dan houdt de drijver
op. Dat jagen en voortzweepen neemt een einde. En er komt over zijn
menschenkinderen _rust_.
* * * * *
Ge gaat dus tegen die heiliging van den Sabbath in, zoo ge die breking
van de dagen niet in acht neemt.
Veeleer moet er uw toeleg op uitgaan om heel dien Sabbathdag anders te
maken dan andere dagen.
Zoo is het goed, dat ge u anders kleedt, en op uw Sabbath uw
Zondagskleed aantrekt. Het is goed, dat heel uw huis een ander karakter
toont. Zoo ge kunt, dat ge uit uw huiskamer naar de sierlijke kamer
verhuist. Kortom, dat ook in het uitwendige het sterke onderscheid
tusschen den Sabbath en de overige dagen in het oog springe.
Er ligt leering en onderwijzing ook in die uitwendige symboliek.
Maar de hoofdzaak is en blijft toch, dat ge van den _middellijken_
dienst van God tot zijn _onmiddellijken_ dienst voortschrijdt.
Uw anders »Goddelijk« beroep is op den Sabbath »ongoddelijk«.
De wereld moet op den Sabbath uit uw overlegging en uit uw bezigheid
weg. Aan haar zuiging moet ge onttrokken. Aan haar macht moet ge dien
dag de gehoorzaamheid opzeggen. Op den Sabbath heeft de wereld geen
enkelen eisch op u. Het is de dag des Heeren in dien zin, dat ge op dien
dag uw God niet in de wereld, maar in afzondering van die wereld te
dienen hebt.
Kleingeestigheid en formalisme heeft hierbij niets te zeggen. Dat is
Farizeïsme, alsof het God te doen zou zijn om te zien, wie het nu 't
verst bracht in de uitrekening van wat op aarde wel ongedaan kan
blijven.
Tegen dat Farizeïsme waakt God reeds in zijn schepping. Want de koe moet
op Zondag toch gemolken. Als het koud is, wordt er toch vuur ontstoken.
Uw maag prikkelt u op den Sabbath evengoed als de andere dagen. De
ziekte wordt op Sabbath niet gestuit. De donkerheid valt 's Zondags
evengoed als 's Maandags in, en roept om licht.
Daar zit het ook niet in.
Neen, het hangt aan uw zin en neiging.
Wat is uw zin en neiging? Om, blij temoê, dat ge u tot Gods
_onmiddellijken_ dienst moogt keeren, te laten wat maar eenigszins
laatbaar is? of wel om nog allerlei op Sabbath te doen, wat ge
uitrekent, dat er nog wel door kan?
Wiens dit laatste streven is, die _ontheiligt_ Gods Sabbath, ook al doet
hij bijna niets. En in wien die eerste zin is, die heiligt Gods Sabbath,
ook al drijft de nood hem tot allerlei bezigheid.
En dat mag niet verzwakt.
De Sabbath moet een dag _der ruste_, der ruste van de wereld zijn, om nu
met heel uw ziel, en al uw verstand, en al uw kracht tot den
rechtstreekschen dienst van uw God te komen.
Maar ook in _die ruste_ zelve moet uw hart en uw ziel spreken.
Ge moet _willen_ rusten, niet omdat uw moêheid u naar rust doet
verlangen, maar omdat God zijn Sabbath _geheiligd_ heeft.
IV.
DE SABBATH DOOR GOD GEZEGEND.
En God heeft den zevenden dag gezegend.
Gen. 2:3.
Als er staat, dat God den zevenden dag _gezegend_ heeft, moet ge weten,
waarin die zegen bestaat.
Die zegen kan natuurlijk niet daarin liggen, dat op de overige dagen
van de week alle zegen des Heeren ons ontzegd zou zijn. Elken morgen en
elken avond roepen we Hem aan om zegen op onze bete broods en om zegen
op onzen arbeid, en het geloof leeft in de blijde zekerheid, dat de
Heere onze God ons dezen zegen niet onthoudt.
En omgekeerd derft de Sabbath een zegen, die op de overige dagen ons
deel kan zijn; want wie op den Sabbath handel drijft of zaken doet,
beseft uitnemend wel in zijn conscientie, dat juist om den Sabbath
_geen_ zegen op zulk een nering te wachten is.
Geld op den Sabbath gewonnen, is zóo geronnen, en gedijt nooit.
De Sabbathszegen moet dus een geheel ander karakter dragen en met den
aard van den Sabbath saamhangen.
Wat is een _zegen_?
_Zegen_ staat tegenover _vloek_, en dat God den Sabbath zegende, beduidt
dus allereerst, dat God de Heere den vloek, dien Hij voor de overige
dagen onzes levens op dit aardrijk heeft gelegd, op den Sabbath stuit en
vervangt door zegen.
En ook al is nu die vloek, die op het aardrijk rust, door genade
getemperd, en al zijn wij er door de heugenis van het voorgeslacht en
door ons eigen leven aan gewend geraakt, toch _is_ die vloek er en
drukt.
Hoe nader men bij God leeft, hoe sterker men dan ook dien druk, die op
het aardsche leven rust, gevoelt. De profeten en apostelen hebben steeds
onder den indruk van dien druk geschreven en gesproken. En als Paulus
betuigt, dat heel de schepping zucht en als in barensnood is tot nu toe,
toont _hij_ zeer sterk te beseffen, wat de man der wereld nauwlijks
gewaar wordt.
Dien vloek, dien druk nu ervaart Gods kind niet het meest daarin, dat
het hem tegenloopt of dat hij smaadheid lijdt; integendeel, dàt kan
hem goed doen; maar wat hem drukt, is, dat dit aardsche leven van God
afleidt, en dat er iets tusschen hem en Gods zaligen hemel is
ingeschoven.
* * * * *
Welnu, in dien zin dan verstaat Gods kind het, dat God de Heere den
Sabbathdag heeft gezegend, d. w. z. dat God de Heere dezen dag der ruste
tusschen de tweemaal drie heeft ingeschoven, om op dien éenen dag dien
druk, die benauwdheid, dat bange van hem te weren; om de gordijn weg te
schuiven, die hem in het leven der wereld en des daags gedurig van zijn
God scheidt.
Zooals de overige dagen, zoo hij niet waakt en bidt en strijdt, hem
onverbiddelijk van zijn God aftrekken, zoo leidt deze heerlijke Sabbath,
tenzij hij opzettelijk tegenworstele, hem naar zijn God op. _Dit_ is dus
de zegen van den Sabbath, dat de pelgrim naar betere gewesten op de
overige dagen met zijn geloof _tegen den stroom oproeit_, maar op den
Sabbathdag _den stroom meê heeft_.
De dagen der week staan aan Gods Koninkrijk, maar de Sabbath aan de
zaken der wereld in den weg. En omgekeerd, de dagen der week schikken
zich voor het bedrijf der wereld, maar de Sabbath schikt zich voor een
leven in de voorhoven onzes Gods.
Men kan die voorhoven daarom ook wel in de dagen der week betreden, en
ook op den Sabbath drijft de wereld haar zaken wel; maar toch altoos met
dit onderscheid, dat op de dagen der week de wereld, en op den Sabbath
de dienstknecht des Heeren in zijn element is.
* * * * *
Toch ligt er nog meer in.
Immers als God zegent, wil dat zeggen, dat er een woord zijner kracht
ten goede uit zijn mond uitgaat, en dat de kracht van dat woord haar
doel bereikt en ten goede werkt.
Door eens en voor altijd zegen tot zijn Sabbath te spreken, heeft God de
Heere dus een heilige kracht te werk gesteld, die zeer bizonderlijk op
den Sabbath heilbrengend naar zijn kinderen uitgaat.
Zoo biedt u deze _zegen_ van den Sabbath een heerlijke belofte, een
Goddelijk crediet, waarop ge staat kunt maken. En deze belofte houdt in,
dat er op al wat ge des Zondags doet om te wassen in godzaligheid of het
rijk des Heeren te bevorderen, een gedijen door u mag worden ingewacht,
nog sterker dan op andere dagen.
Niet alsof dit in den dag kleefde, of aan dezen dag hing; maar omdat God
vrijmachtig is, om deze bizondere werking van zijn zegen ook aan zekeren
tijd te verbinden.
En zoo leert ook de ervaring ons, hoe de diepte en de ernst van het
gebed, hoe de innigheid der heilige meditatie, hoe de rijkdom van
den dienst des Woords en der Sacramenten, hoe zelfs het werk der
barmhartigheid en der milddadigheid aan den Sabbath een rijken geur
ontleent.
Op den Sabbathdag wordt het meeste zaad voor het Koninkrijk des Heeren
uitgestrooid. Op den Sabbath wordt deze akker het mildst begoten. Op den
Sabbath kiemt het gestrooide zaad het weligst uit.
De zegen Gods, dien Hij aan zijn Sabbath schenkt, is dus geen uitwendige
zegen voor het goed der wereld, maar een inwendige zegen voor het goed
des hemels.
Op den akker des Koninkrijks druppelen de wolken ook in de week wel,
maar op den Sabbath komt de plasregen.
* * * * *
Zoekt ge dien zegen?
Zoekt ge dien elken Sabbath? En merkt ge bij het klimmen uwer jaren, dat
die Sabbathszegen steeds milder uw deel wordt?
Want dit voelt ge toch, _ruste_ op zichzelf maakt den Sabbath nog niet,
tenzij met het schuiven van het gordijn voor het tooneel der wereld
tegelijk het gordijn, dat voor Gods Koninkrijk hing, worde weggeschoven.
Ruste naar den kant der wereld, maar juist in en door die ruste te
voller en te rijker ritselen van het leven in het Koninkrijk Gods.
Geen _ledig_, waar de wereld uit is; maar een _ruste_, waar de hemelen
in nederdalen.
Stilstand van winste voor uw schatkist op aarde; maar winste volop voor
uw schat, die in de hemelen is.
En nu gaat dit wel niet even werktuigelijk als bij den arbeid der
wereld, dat ge aan oud en jong, aan man en vrouw, van uur tot uur hun
taak kunt voorschrijven. Integendeel, het werktuigelijke doodt den geest
en zou ook den gloed van uw Sabbath dempen.
Maar al kunt ge voor uw Sabbath niet van uur tot uur een lijst van uw
taak opmaken, ge weet daarom toch zeer wel, waar ge op den Sabbath met
uw hart, met uw ziel, met uw zinnen en uw overleggingen zijt.
Ge weet zeer goed, waar de twaalf uren van dien dag aan weggaan, en wat,
als de Sabbath ten einde spoedt, het besef van uw winste is.
Want dan zult ge den eenen Sabbath uitkomen met het rijk gevoel, dat ge
als _met versche olie overgoten zijt_, maar ook den anderen Sabbath
uitsluipen met de aanklacht in uw conscientie, dat ge dien heerlijken
dag verkwist en verspeeld hebt.
* * * * *
Hoeveel nu uw geest op den Sabbath reeds _dragen kan_, moet ge zelf
beoordeelen.
Er zijn er onder Gods kinderen, dien het genot bracht, dat ze den
ganschen Sabbathdag eenzaam en met hun God gemeenzaam waren. Maar zoover
zijn de meesten niet. Voor de meesten ware dit te veel. Die gloed ware
voor hun oog te sterk. Daar zouden zij zich star op turen, en in het
eind willoos staan zonder iets meer te zien.
Ook in de dagen der week kan niet een ieder evenveel arbeids in de
wereld dragen. Voor een ieder geldt zijn eigen maat. En ook de Heere
weet, hoever onze geestelijke draagkracht voor den Sabbath reeds gekomen
is.
Ge moogt daarom ook nooit uw maat aan uw kind opleggen. Gij moet meer
dragen dan uw lieveling, en ge zoudt het geestelijk leven van uw kind
neerdrukken, zoo ge op den Sabbath van uw kind vergdet, wat ge vergen
moogt en moet van uzelf.
Maat zij er dus; maar uw volle maat worde dan ook uitgeleverd, en
daarbij de regel in acht genomen, dat die maat dijen moet bij het
klimmen uwer jaren.
Er moet op den Sabbath gezocht naar de gemeenschap der heiligen en den
zegen des Woords en der Sacramenten. Er moet op den Sabbath welgedaan en
nood gelenigd en in smart getroost. Er moet op den Sabbath op de knieën
geleefd. Er moet op den Sabbath rekening met uw ziel gehouden. Er moet
op den Sabbath nagedacht over uw verleden en over uw toekomst, over uw
eeuwige toekomst bovenal. En onder dat alles moet op den Sabbath van
binnen gestreden en overwonnen, tot Satan terugwijke, en de tente van 's
Heeren verborgenheid zich voor uw ziel kan openen.
En in die tente moet ge op den Sabbath ingaan.
V.
DE SABBATH DOOR GOD GEKEURD.
_Mijne_ Sabbathen.
Ezech. 20:12.
Ook over uw viering van den Sabbath gaat een oordeel. Juist omdat hij
niet door u uitgedacht, maar door God ingesteld, geheiligd en gezegend
is, staat ge tegenover dien Sabbath van uw God in een verplichting. En
zoo ontstaat de vraag, _wie uw Sabbath keurt_.
En dan leert de ervaring, dat er voor den vrome een bizondere verleiding
in ligt, om zich tot keurder van den Sabbath bij zijn broeder op te
werpen.
Over niets veroorloven de broeders zich zoo licht een opmerking, een
oordeel en zelfs een vonnis, als over de wijze waarop een ander den
Sabbath houdt.
Onverklaarbaar is dit niet.
Immers de Sabbathsviering is een sterk onderscheidend merkteeken,
waardoor Gods volk van de wereld is afgescheiden. Het is een zaak, die
onder ieders gezicht en bereik valt. En ook, men kan iemands wijze van
den Sabbath te vieren, afkeuren, zonder hem in zijn karakter te kwetsen.
Vooral bij dit gebod bestaat er dus noodzakelijkheid voor elk onzer, om
toe te zien; er ligt in dit gebod een prikkel tot allerlei aanmerking;
en een aanklacht van overtreding van dit gebod is wel ernstig, maar
kwetst toch den burgerlijken persoon niet.
Zeg dus ook niet, dat het beter ware, zoo dit oordeel der broederen
zweeg. Integendeel, meer dan éen, die nog geen vreeze Gods in zijn hart
had, om den Sabbath om Gods wil te houden, is begonnen met het uit
vreeze voor de broeders te doen, en is zoo op weg gekomen, om een
Sabbathsvierder om Gods wil te worden.
Alleen maar, op de vraag: »Wie keurt uw Sabbath?« moogt ge nooit
antwoorden: »Mijn broeder.«
Uw eenige Keurmeester bij uw Sabbathsviering is de Heere HEERE!
Hij heeft gezegd: »Het zijn _mijn_ Sabbathen.«
* * * * *
Ook treedt de kerk wel op, om in inzake de Sabbathsviering te oordeelen,
en zeer zeker ligt dit op haar weg.
De kerk is ongetwijfeld geroepen om niet alleen _op_ den Sabbath, maar
ook _den Sabbath_ te prediken. Ze moet tot Sabbathsviering opwekken. Ze
moet aan de Sabbathsviering leiding en stuur geven. De Sabbath is haar
kerkelijk terrein.
Zelfs moet ze verder gaan, en bij _slordige_ Sabbathsviering vermanen,
bij _overtreding_ waarschuwen en ten laatste bij in het oogloopende
_schending_ van den Sabbath zelfs met haar discipline optreden en den
Sabbathsschender weren van het Heilig Avondmaal.
Slechts zie ze daarbij wel toe, dat ze den naam van _schending_ niet
geve aan wat slechts verschil van Christelijk inzicht, of ook
onopzettelijke overtreding is.
Sabbathsschennis onderstelt altoos kwaad opzet; de bedoeling, om het
heilige te verachten; en heeft haar wortel in vijandschap tegen God.
Hier dient dus omzichtelijk en met bedachtzaamheid te werk gegaan.
Er zij onderscheid des oordeels.
Zijn er Christenbroeders, die met den kerkeraad verschillen in opvatting
van den Sabbath en in ernst verklaren, voor hun conscientie iets wel op
den Sabbath geoorloofd te achten, wat een kerkeraad voor ongeoorloofd
houdt, dan mag er van vermaning en waarschuwing, maar nooit van censuur
sprake zijn.
Censuur komt eerst tepas, waar booze toeleg of verregaande vergetenheid
van God in het spel is.
Ook de kerk keurt uw Sabbath niet.
De Keurmeester van uw Sabbath is en blijft de Heere.
* * * * *
Wil dit nu zeggen, dat ge dus op den Sabbath u noch aan uw broeder, noch
aan uw kerk te storen hebt?
Dat zij verre.
Reeds de liefde eischt, dat ge ook in het stuk van den Sabbath uw
broeder niet ergert, en de eerbied voor de dragers van het kerkelijk
ambt stelt het u ten plicht, u, zooveel uw conscientie toelaat, naar hun
oordeel te schikken.
Paulus zag niet het minste kwaad in het eten van offervleesch; maar »als
het mijn broeder ergert,« sprak hij, »dan zal ik geen vleesch meer eten
in der eeuwigheid.«
Slechts tegen éen ding moet ge op uw hoede zijn: Ge moogt ook bij uw
Sabbath nooit eenig mensch als keurmeester in de plaats van God laten
treden, maar zijt verplicht om zelfs tegenover uw liefsten broeder het
recht van uw God in dit heilig stuk te handhaven.
Vraagt dus uw broeder u, om na te laten wat gij deedt, en stemt hij toe,
dat niet hij, maar zijn en uw God te dezen Rechter is, ga dan voor hem
uit den weg.
Maar stelt hij zich met macht tegen u over, en matigt hij zich het recht
aan, om voor u te willen uitmaken, wat wel en wat niet geoorloofd is,
wijk dan geen uur met onderwerping, maar weersta hem. Want door dan te
zwichten, zoudt ge zijn conscientie toeschroeien, en zelf aan de eere
van uw God tekort doen.
* * * * *
Alles hangt hier aan het standpunt, dat ge inneemt. Omdat het _'s
Heeren_ Sabbathen zijn, kan en mag _Hij_ alleen uwe Sabbathen keuren, en
zijt ge _Hem_ en Hem _alleen_ van uw Sabbathen rekenschap schuldig.
Desaangaande nu onderwijst Hij u door zijn Woord en Geest; onderwijst
Hij u door het voorgeslacht; onderwijst Hij u door uw kerk; en
onderwijst Hij u door uw broeder; en gij hebt op al deze roepstemmen en
aanwijzingen van uw God acht te slaan.
Maar als nu uw kerk en uw broeder gesproken hebben, blijft de rekenschap
toch altoos tusschen u en uw God.
Alles wat ook op den Sabbath _uit het geloof_ is, doet u vrij uitgaan;
al wat _niet uit het geloof_ is, is en blijft ook op het stuk van den
Sabbath zonde.
Laat ge dus iets uit vreeze voor menschen, en uit beduchtheid voor hun
oordeel, en omdat zij zich als keurmeesters opwerpen, dan laat ge dit
niet uit het geloof, en is het u zonde.
En dan alleen, als ge op uw Sabbath rust, en in die ruste heiliglijk
bezig zijt, _omdat uw God het zoo wil_ en opdat ge _zijn_ vrede moogt
indrinken, is uw Sabbathsviering uit het geloof en is er in dezen deele
geen zonde in u.
* * * * *
Wie anders te werk gaat, is een _dienstknecht_ en heeft »een geest der
dienstbaarheid ontvangen wederom tot vreeze.«
Dan zijt ge nog onder de wet en kent het zoet der genade niet.
Ja, erger nog, dan bezwijkt ge straks onder de geboden en inzettingen
van menschen, en torst een juk, dat ook uw vaderen niet hebben kunnen
dragen.
En zoo is Gods kind niet.
Een kind van God staat in de vrijheid, waarmeê Christus hem heeft
vrijgemaakt; en die vrijheid komt hierin uit, dat hij geen anderen heer
noch meester kent, dan den Heere.
Met Hem en met Hem alleen heeft hij te doen, en dus ook alleen naar
_Zijn_ wil vraagt hij.
En zeg nu niet, dat dit den Sabbath zal doen verslappen.
Want al ware dit zoo, dan nog tienmaal liever een slapper Sabbath,
waarbij de vreeze Gods u vervult, dan een strenger Sabbath, waarbij ge
uw God niet aanziet, maar eeniglijk vraagt naar het oordeel der
menschen.
Maar bovendien, dit verwijt is zonder grond.
Een kind van God is teeder en nauw in de conscientie. En als slechts
eenmaal de vreeze en eerbiedenis voor den Heere onzen God op uw
Sabbathsviering in gaat werken, dan weegt ze u van week tot week
ernstiger op het hart, wordt u een zaak des gebeds en des worstelens, en
eindigt met heel uw leven te beheerschen.
Uiterlijke vormendienst heeft toch voor ons geen waarde. De Heere vraagt
niet, dat ge een vromen Sabbath _nabootsen_, maar dat ge _Hem_, den
Heere, uw Sabbath houden zult.
En eerst zoo ge daaraan toekomt, erlangt uw Sabbathsviering geestelijke
beteekenis, en brengt ze een zegen voor uw huis en uw hart.
VI.
DE SABBATH DOOR GOD VERZOEND.
Die de weldadigheid bewaart aan vele
duizenden, die de ongerechtigheid, en
overtreding, en zonde vergeeft.
Ex. 34:7.
Wees vooral tegen éen ding op uw hoede, en beeld u nooit in, dat ge wel
onder de negen overige geboden voor uw God bezwijkt, maar dat ge het
vierde gebod van zijn Sabbath wel houden kunt.
Het vierde gebod is een gebod uit Gods wet, zoo goed als elk ander, en
ook van dit gebod geldt het, dat er »niemand is, die goed doet«, dat »ze
allen gezondigd hebben«, en dus allen »de heerlijkheid Gods derven«.
Zoolang dus ook dit gebod als een wet tegenover u staat, moet ge ook
voor dit gebod vallen; kunt ge het niet houden; kunt ge het nooit anders
dan overtreden; wierd ook door dit gebod uw zonde ontdekt en uw schuld
vermeerderd; en hebt ge ook van dit gebod te belijden, dat het u
oordeelt en verdoemt, tenzij ge uw toevlucht neemt tot de Fontein, die
er tegen de zonde geopend is voor het huis van Israel.
Vat dit diep op.
Het gebod, vooral dit gebod, komt tot u, in het Werkverbond, als middel,
om door de volbrenging van dit gebod loon der zaligheid te ontvangen.
En dit loon nu ontgaat u niet alleen, maar ook door dat gebod komt niets
dan schuld en verdoemenis over u. En omdat dit nu gemeenlijk wel bij het
gebod tegen den diefstal, doodslag, echtbreuk, het valsch getuigenis
enz. gevoeld wordt, maar niet gevoeld wordt bij het gebod van den
Sabbath, willen we al Gods kinderen gebeden hebben, dat ze toch ook
op dit gebied de waarheid der Heilige Schrift toepassen, en het mogen
inzien en beseffen, hoe ook voor dit gebod elk hunner bezwijkt. Hoe ze
reeds in dit éene gebod heel Gods heilige wet geschonden hebben. Alzoo
Sabbathsschenders in den kwaadsten zin zijn, en reeds door de
overtreding van dit éene gebod in hun schuld voor God bezwijken.
Want natuurlijk, ook dit gebod moet in zijn geestelijke diepte gevat
worden, en een iegelijk, die in de _besteding_ van zijn tijd en in de
_breking_ van zijn tijd, en in zijn leven voor het _eeuwige_, en in den
_dienst_ van zijn God ook maar iets ooit tekortschoot, ligt reeds daarom
door dit vierde gebod geoordeeld, en komt onder dit oordeel niet uit,
dan door de verzoening, die in Christus Jezus is.
Ook uit dit gebod komt, als gebod, niets dan de _kennisse onzer
ellende_.
* * * * *
Maar deze verzoening Gods over uw Sabbath strekt nog verder.
Want neem nu aan, dat ge werkelijk tot het inzicht kwaamt, hoe heel uw
verdorde natuur ook tegen dit gebod ingaat; hoe ge met uw boos hart
nooit anders deedt dan dit gebod in zijn wortel schenden en overtreden;
en dat ge voor uw zonde en schuld, ook van dit gebod, vergeving bij uw
Heiland vondt, in welken toestand kwaamt ge dan nu?
Natuurlijk, dan schoof ook voor u dit gebod uit het Werkverbond in het
Genadeverbond over.
Alle verdienstelijkheid ging ook van dit gebod voor u af, en nooit
beelddet ge u in, dat ge, door dit gebod, zoo goed zoo kwaad het ging,
te onderhouden, alsnog iets, hoe gering ook, aan uw zaligheid kondt
toebrengen.
Neen, het wierd nu ook bij u omgekeerd, _uw God, die zelf door zijn
genade u ook in dit gebod wandelen deed_.
»_Ik_ zal maken, dat ge in mijne inzettingen wandelt.«
En dat hebt ge ervaren. Als gij nu aan zijn Sabbath meêdoet, heeft God,
die barmhartig is, u in zijn Sabbath ingeleid. Hij heeft u, die er niet
aan wilde, het oog voor het schoon van zijn Sabbath geopend. Diezelfde
Sabbath, die u van nature afstiet, is u door zijn genade bekoorlijk
geworden. Ge kreegt er lust aan. Hij wierd u op het hart gebonden. En
eindelijk kwam het er toe, dat ge, ja, waarlijk in het spoor van zijn
Sabbath met uw hart en met uw leven en met heel uw huis ingingt.
Dat deedt niet gij, maar dat werkte God door zijn genade in u.
En het einde van den Sabbathdag was dan ook, niet dat gij voor uw God
roemdet, maar dat ge in dankzegging voor zijn Sabbath neerknieldet, en
roemdet in de genade van uw God.
* * * * *
Maar bij die dankzegging bleef het niet.
Immers zelfaanklacht en zelfbeschuldiging bleef ook bij den Sabbath u
achtervolgen.
Wat toch hadt gij gedaan?
Uw God schonk u een dubbele genadegave. Vooreerst doordien Hij den
Sabbath ook voor u inzette. En ten tweede, dat Hij den lust en den wil
in uw hart schonk, om er naar te leven.
Maar omdat uw hart niet recht voor uw God stond, hebt gij in den Sabbath
toch weer uw zonde gemengd; toch weer Gods gave bevlekt met uw twist; en
de sneeuw, die blank uit zijn hemel was neergedaald, bemorst met de
onreinheid van uw hart.
En dat deedt ge niet alleen in zoover ge toch zijn Sabbath _niet_
hieldt, of ook _vormelijk_ hieldt, zonder geestelijken inhoud, maar
zelfs daardoor, dat, bij hetgeen ge deedt, om zijn Sabbath te houden, de
overleggingen en bewegingen uws harten zich onzuiverlijk in u bewogen.
Op de _intentie_ van het hart komt het bij al Gods geboden aan.
En, o, hoe vaak komt het niet voor, dat ge dan, ja, den Sabbath hieldt;
maar omdat anderen u waarnamen; omdat ge een voorbeeld voor anderen
moest zijn; omdat ge prijssteldet op uw vromen naam; ja, zelfs met de
bijgedachte, om door een vromen Sabbath veel onvrooms in uw leven goed
te maken.
En is nu al zulke overlegging en heimelijke bedoeling niet gevloekt van
den Heere der heirscharen?
Wil Hij niet, dat ge _Hem_, _Hem alleen_, uw Sabbath houden zult, en is
niet al wat ook in uw Sabbath op iets anders dan Gods eere gericht is,
eene zonde die u aanklaagt, wijl het _niet_ ontspruit uit het geloof?
Welnu, daarom zijn de beste Sabbathsvierders en die den Sabbath het
nauwst en het teederst waarnemen, juist degenen, die de scherpste
aanklacht over hun Sabbathsviering in hun conscientie ervaren, en den
sterksten drang gevoelen, om als de Sabbath weer uit is, de verzoening
van hun God over het verzondigen van hun Sabbath in te roepen.
* * * * *