TIENDE HOOFDSTUK.

Wij zouden hier ons verhaal gevoeglijk kunnen besluiten, zoo wij

den lezer nog niet enkele mededeelingen schuldig meenden te zijn,

betreffende het uiteinde van den sinds lang reeds geestelijk gestorven

Cambyzes, en de verdere lotgevallen van eenige ondergeschikte personen

uit deze geschiedenis.

Kort na het vertrek der koninginnen, werd te Naucratis de tijding

aangebracht, dat de satraap van Lydië, Oroetes, zijn ouden vijand

Polycrates door list naar Sardes had gelokt, en hem had doen

kruisigen. Aldus was de voorspelling van Amasis betreffende het

treurig uiteinde van den tyran verwezenlijkt geworden. De satraap

had zich vermeten deze daad te volvoeren, zonder medeweten van den

koning, omdat in het Medische rijk veranderingen plaats hadden,

die de dynastie der Achaemeniden met een volkomen ondergang bedreigden.

Het lange oponthoud van den koning in een ver afgelegen land had

het ontzag voor zijn naam, dat voorheen de ontevredenen placht te

weerhouden in verzet of tot opstand te komen, zeer verzwakt. De

geruchten van den staat van krankzinnigheid, waarin hij verkeerde,

deden hem merkelijk dalen in de achting zijner onderdanen, terwijl

het bericht, dat hij uit louter overmoed duizenden landskinderen in

de Ethiopische en Lybische woestijn aan een onvermijdelijken dood had

prijsgegeven, de ontevredene Aziaten met een haat jegens hem bezielde,

die door de machtige partij der magiërs gevoed en aangeblazen, zeer

spoedig eerst de Mediërs en Assyriërs, doch daarna ook de Perzen tot

afval en openlijken opstand aanzette.

De eerzuchtige opperpriester Oropastes, die door Cambyzes tot

stadhouder was aangesteld, plaatste zich aan het hoofd der beweging,

met oogmerk zichzelven te verheffen en te bevoordeelen. Hij zocht het

volk voor zich in te nemen door het afschaffen van belastingen, door

groote geschenken en nog grootere beloften, en beproefde ten laatste,

ziende hoe erkentelijk men was voor zijne zachtheid, door bedrog de

Perzische koningskroon in zijn geslacht over te brengen. Gedachtig

aan de zeldzame gelijkenis van zijn broeder Gaumata op Bartja,

den zoon van Cyrus, nam hij, zoodra hij bericht ontving van het

spoorloos verdwijnen van den, in Perzië algemeen beminden jongeling,

het besluit, Gaumata, den man zonder ooren, voor den vermoorde uit te

geven, en hem in de plaats van Cambyzes op den troon te zetten. Deze

list gelukte te gemakkelijker, daar de liefde van het gansche volk

voor Bartja sterker werd, naarmate de waanzinnige koning zich steeds

meer gehaat maakte. Toen eindelijk een tal van boden door Oropastes in

al de provinciën van het land werden rondgezonden, met de boodschap,

dat de jongere zoon van Cyrus, in spijt van het gerucht omtrent zijn

dood, nog in leven was, tegen zijn broeder was opgestaan, den troon van

zijn vader had beklommen, en alle onderdanen gedurende drie jaren volle

vrijheid van den krijgsdienst en van alle belastingen verzekerde, werd

de nieuwe heerscher door het gansche rijk met groote vreugde erkend.

De valsche Bartja had zijn broeder, den opperpriester, van wiens

verstandelijke meerderheid hij zich volkomen bewust was, in alles

gehoorzaamd. Hij had het paleis te Nisaea [482], in de Medische vlakte,

betrokken, zich de kroon op het hoofd gezet, den harem des konings voor

den zijnen verklaard, en zich uit de verte aan het volk vertoond, dat

in zijne trekken die van den vermoorde meende te herkennen. Later hield

hij zich echter in het paleis verborgen, om eene mogelijke ontdekking

van zijn geheim te voorkomen, en gaf zich, het voorbeeld van andere

Aziatische vorsten volgende, geheel aan zijne lusten over, terwijl

zijn broeder met vaste hand den schepter voerde, en alle gewichtige

ambten en posten onder zijne vrienden en stamgenooten, de magiërs,

verdeelde. Toen hij vasten grond onder de voeten meende te hebben,

zond hij den eunuch Ixabates naar Egypte, met den last, om aan het

leger de verandering in de regeering mede te deelen, en het tot afval

van Cambyzes en tot het omhelzen van Bartja's partij over te halen,

welke laatste, gelijk wij weten, vooral door de soldaten afgodisch

bemind werd.

De voor zijne boodschap uitmuntend berekende gezant kweet zich zeer

goed van zijn last, en had reeds een groot aantal soldaten voor den

nieuwen koning gewonnen, toen hij door eenige Syriërs, die op eene

goede belooning hoopten, gevangengenomen en naar Memphis gebracht

werd. In de pyramidenstad aangekomen, voerde men hem oogenblikkelijk

voor den koning, die hem, ingeval hij de volle waarheid aan het

licht bracht, vrijheid en leven verzekerde. En nu bevestigde de

gezant de tijding, die tot dusver als een los gerucht tot Egypte was

doorgedrongen, dat Bartja den troon van Cyrus had bestegen, en reeds

door het grootste deel van het rijk erkend was geworden.

Cambyzes ontroerde bij dit bericht, als iemand, die een doode uit het

graf ziet opstaan. In weerwil dat zijne geestvermogens zeer verzwakt

waren, wist hij toch zeer goed, dat Bartja op zijn bevel door Prexaspes

vermoord was. Hij vermoedde thans, dat zijn gezant hem bedrogen en den

jongeling het leven geschonken had. Deze bliksemsnel in hem oprijzende

gedachte onverwijld uitsprekende, verweet hij Prexaspes met bittere

woorden het jegens zijn koning gepleegde verraad. De hoveling was

nu gedwongen met een duren eed te bezweren, dat hij den ongelukkigen

Bartja met zijne eigene hand gedood en begraven had.

Hierop werd den bode van Oropastes gevraagd, of hij zelf den nieuwen

koning gezien had. Hij antwoordde ontkennend, met bijvoeging, dat

de broeder van Cambyzes slechts eene enkele maal zijne woning had

verlaten, om zich uit de verte aan het volk te vertoonen. Thans

doorzag Prexaspes het geheele weefsel van leugen en bedrog, door

den opperpriester gesponnen. Hij herinnerde den koning het onzalige

misverstand van vroeger, dat door de treffende gelijkenis van Gaumata

op Bartja ontstaan was, en bood zijn hoofd aan tot onderpand voor de

waarheid van zijn vermoeden. De geestelijk kranke koning, die met deze

uitlegging genoegen nam, dacht sedert dit oogenblik aan niets meer,

dan aan de gevangenneming en de terechtstelling der magiërs.

Het leger moest zich marschvaardig maken. Aryandes, een Achaemenide,

werd tot satraap over Egypte benoemd, en zonder verwijl braken de

troepen naar Perzië op. Voortgezweept door het verlangen om wraak te

nemen op den trouwloozen stadhouder, gunde de koning zich geene rust,

en maakte den nacht tot dag. Maar plotseling werd hij in zijne dolle

vaart gestuit. Zijn paard, waarvan hij in zijne onstuimige drift al

te veel gevergd had, zeeg uitgeput neder, en onder het vallen had de

ruiter het ongeluk zich met zijn eigen dolk te kwetsen [483]. Nadat

hij dagen lang bewusteloos had neêrgelegen, sloeg hij de oogen op, en

verlangde eerst Araspes, dan zijne moeder, en eindelijk Atossa te zien,

ofschoon deze drie reeds voor maanden waren afgereisd. Uit al zijne

woorden bleek, dat hij de laatste vier jaren, sedert het begin dier

heftige koortsen, tot op het oogenblik zijner verwonding, als in een

diepen slaap had verkeerd. Alles wat men hem uit dien tijd verhaalde,

was hem geheel nieuw, en vervulde hem met groote smart. Alleen

van den dood zijns broeders bleek hij kennis te dragen. Hij wist,

dat Prexaspes dezen, op zijn bevel, vermoord en hem gezegd had,

dat Bartja op den oever der Roode Zee begraven lag.--In den nacht

die volgde op dit ontwaken, werd het hem zelven duidelijk, dat hij

langen tijd volkomen krankzinnig moest geweest zijn. Tegen den morgen

viel hij in een gerusten slaap, die hem zoo zeer versterkte, dat hij

Cresus bij zich ontbieden kon. Hij gelastte dezen hem uitvoerig mede

te deelen, wat hij in de laatste jaren gedaan had.

De grijze raadsman voldeed aan 's konings verlangen, en verzweeg hem

geene zijner geweldenarijen, al wanhoopte hij ook, den aan zijne zorg

toevertrouwden vorst op den rechten weg te zullen terugbrengen. Zijne

blijdschap was daarom dubbel groot, toen hij bemerkte, dat zijne

woorden een diepen indruk maakten op het ontwaakte geweten van den

koning. Met tranen in de oogen verklaarde deze, dat zijne euveldaden

hem berouwden. Beschaamd als een kind, bad hij Cresus om vergiffenis,

dankte hem voor zijne trouwe liefde, en droeg hem eindelijk op, uit

zijn naam vooral Cassandane en Sappho, maar ook Atossa en allen die

hij ten onrechte had gegriefd, om vergeving te vragen.

De eerbiedwaardige Lydiër weende tranen van vreugde, en hield niet

op den kranke te verzekeren, dat hij genezen en dan overvloedige

gelegenheid hebben zou, om al het misdrevene door edele daden

weder goed te maken. Cambyzes schudde evenwel ontkennend het hoofd,

en verzocht den grijsaard hem in de open lucht te laten brengen,

zijne legerstede op eene hoogte te doen plaatsen, en den Achaemeniden

te bevelen, zich om hun koning te verzamelen. Toen aan zijn bevel,

niettegenstaande de geneesheeren zich hiertegen verzetten, was voldaan,

liet Cambyzes zich overeind zetten, en sprak daarop met een stem,

die tot op grooten afstand verstaanbaar was, het volgende:

»Het is thans tijd, Perzen, dat ik u mijn grootste geheim

openbaar. Door een droomgezicht misleid, door mijn broeder vertoornd

en gekrenkt, heb ik, in een vlaag van waanzinnige drift, last gegeven

hem te vermoorden. Prexaspes heeft, op mijn uitdrukkelijk bevel,

de schandelijke daad volbracht, die in plaats van mij de verlangde

rust te schenken, mijne hersenen geheel heeft gekrenkt en deze

stervensure voor mij zoo vreeselijk maakt.--Deze bekentenis moge

u overtuigen, dat mijn broeder Bartja niet meer onder de levenden

is. De magiërs hebben zich van den troon der Achaemeniden meester

gemaakt. Aan hun hoofd staan de, door mij tot stadhouder aangestelde

opperpriester Oropastes en zijn broeder Gaumata, die zoo sprekend op

den vermoorden Bartja gelijkt, dat Cresus, Intaphernes en mijn oom,

de edele Hystaspes, hem eens voor mijn broeder hebben aangezien. Wee

mij, dat ik hem gedood heb, die, als mijn naaste bloedverwant, den mij

door de magiërs aangedanen hoon had kunnen wreken. Maar ik kan hem niet

in het leven terugroepen en daarom benoem ik ulieden tot uitvoerders

van mijn laatsten wil. Bij den Feruer van mijn overleden vader, en

in den naam van alle goede en reine geesten, bezweer ik u, dat gij de

regeering niet in de handen der valsche magiërs laat. Hebben zij zich

door list van de kroon meester gemaakt, zoekt die hun dan door list

wederom te ontrukken. Hebben zij met geweld den schepter veroverd,

ontweldigt hun dien op gelijke wijze. Volgt gij dezen mijn laatsten

wil, zoo zal de aarde u rijke vruchten schenken, zoo zult gij in uwe

vrouwen en kudden gezegend worden, zoo zal ten allen tijde vrijheid

uw deel zijn. Mocht gij daarentegen de heerschappij niet meer in uw

geslacht terugbrengen, dan zult gij allen, ja, dan zal ieder Pers

even rampzalig aan zijn einde komen als ik!"

Toen de Achaemeniden den koning na deze woorden zagen weenen en

uitgeput nederzijgen, scheurden zij hunne kleederen en hieven een

klaaggeschrei aan. Weinige uren later gaf Cambyzes in de armen van

Cresus den geest. In zijne laatste oogenblikken dacht hij aan Nitetis,

en hij stierf met haar naam op de lippen, en met tranen van berouw

in de oogen [484].

Nadat de Perzen het onreine lijk verlaten hadden, knielde Cresus er

voor neder, en riep, zijne hand ten hemel heffende: »Groote Cyrus! Ik

heb mijn eed gehouden, en dezen ongelukkige tot aan zijn dood als

zijn getrouwe raadsman ter zijde gestaan!"

Den volgenden dag trok de oude man, met zijn zoon Gyges, naar de hem

in eigendom geschonken stad Barene, alwaar hij nog vele jaren leefde,

als een vader zijner onderdanen, door Darius in hooge eere gehouden,

door al zijne tijdgenooten geprezen.

Na den dood van Cambyzes hielden de hoofden van de zeven

Perzische stammen [485] te zamen raad, en besloten zich vóor

alle dingen zekerheid te verschaffen, omtrent den persoon van den

overweldiger. Otanes zond heimelijk een getrouwen eunuch tot zijne

dochter Phaedime, die, gelijk men wist, met den geheelen te Nisaea

achtergebleven harem van Cambyzes, in het bezit van den nieuwen

koning was gekomen. Alvorens de bode terugkeerde, was het grootste

gedeelte van het leger verloopen, daar de soldaten met vreugde de

gunstige gelegenheid aangrepen, om na eene veeljarige afwezigheid tot

hunne haardsteden en betrekkingen terug te keeren. Eindelijk kwam de

eunuch, die met smart verwacht werd, terug, aan Otanes de volgende

boodschap brengende: »Phaedime was slechts een enkele maal door

den nieuwen koning bezocht geworden; zij had echter van zijn slaap

partij weten te trekken, om zich met groot gevaar te overtuigen, dat

hem werkelijk beide ooren ontbraken. Maar ook zonder deze ontdekking

had zij de zekerheid, dat de overweldiger, die inderdaad treffend op

den vermoorde geleek, niemand anders was dan Gaumata, de broeder van

Oropastes. Haar oude vriend Boges was wederom overste der eunuchen,

en had haar in het geheim der magiërs ingewijd. De opperpriester had

den vrouwendespoot als bedelaar in de straten van Suza ontmoet, en

hem zijne oude bediening teruggegeven met de woorden: »Wel hebt gij uw

leven verbeurd; maar ik heb behoefte aan menschen van uw slag."--Ten

slotte bad Phaedime haar vader alles in het werk te stellen, om den

magiër, die haar met de grootste minachting bejegende, van den troon

te stooten. Zij was, verzekerde ze, de ongelukkigste aller vrouwen.

Ofschoon geen der Achaemeniden ook slechts een oogenblik geloofd

had, dat Bartja nog in leven was, en zich werkelijk van den troon

had meester gemaakt, waren zij toch blijde, toen zij door Phaedime's

tusschenkomst zulk een afdoende zekerheid betreffende den persoon des

overweldigers verkregen. Zij besloten onmiddellijk met het overschot

van het leger naar Nisaea te trekken, en den magiërs door list of

geweld de kroon te ontrukken.

Nadat zij ongehinderd in de nieuwe residentie waren binnengetrokken,

en gezien hadden dat het meerendeel der bevolking tevreden was met

de verandering, die er in de regeering had plaats gehad, namen zij

den schijn aan als geloofden zij, dat de nieuwe koning waarlijk de

jongere zoon van Cyrus was, en als waren zij bereid hem hunne hulde

te brengen. De magiërs lieten zich echter zoo gemakkelijk niet om den

tuin leiden, hielden zich in hun paleis verborgen, verzamelden in de

vlakte van Nisaja een leger, aan hetwelk zij hooge soldij beloofden,

en zetten hunne bemoeiingen ijverig voort, om het geloof aan Bartja's

bestaan te versterken. Niemand, die hen hierbij meer kon tegenwerken,

of misschien van nut zijn, dan Prexaspes. Want deze stond bij alle

Perzen hoog aangeschreven, en kon dus door te verzekeren, dat hij

Bartja niet had vermoord, het meer en meer veld winnende gerucht

betreffende diens dood ineens doen logenstraffen. Derhalve liet

Oropastes den gezant, die sedert 's konings mededeeling door zijns

gelijken gemeden werd en als een balling leefde, bij zich komen, en

bood hem eene ontzaglijke som, indien hij een toren wilde bestijgen,

en aan het in het voorhof vergaderde volk verklaren, dat lastertongen

hem den moordenaar van Bartja hadden genoemd, terwijl hij zoo even

met eigen oogen den nieuwen koning had gezien, en in hem den jongeren

zoon van Cyrus, zijn vriend en weldoener, wedergevonden en herkend

had. Prexaspes verklaarde zich hiertoe bereid, nam, terwijl zich het

volk in het voorhof opeenhoopte, een teeder afscheid van de zijnen,

zond bij het heilige vuuraltaar een kort gebed tot de goden op, en

begaf zich dan met fieren tred en opgeheven hoofd naar het paleis. Op

weg daarheen ontmoette hij de hoofden van de zeven stammen. Toen hij

zag, dat zij voor hem uit den weg gingen, riep hij hun toe: »Ik verdien

uwe verachting, maar ik zal beproeven uwe vergiffenis te verwerven!"

Toen Darius zich nog eens omkeerde, liep hij naar dezen toe, vatte

zijne hand, en zeide: »Ik heb u als een zoon liefgehad. Als ik niet

meer zijn zal, zorg gij dan voor mijne kinderen, en gebruik uwe wieken,

gevleugelde Darius!"

Daarop beklom hij met trotsche houding den hoogen toren. De duizenden

burgers uit Nisaea verstonden hem woord voor woord, toen hij, zijn

stem zooveel hij kon uitzettende, het volgende sprak: »Gij allen weet,

dat de koningen, die tot dusver roem en eer over u hebben gebracht,

tot het geslacht der Achaemeniden behoorden. Cyrus regeerde over u

als een billijk vader, Cambyzes als een streng gebieder, en Bartja

zou u, als een bruidegom zijne bruid, hebben geleid, zoo hij niet

door deze mijne eigene hand aan den oever der Roode Zee verslagen

was geworden. Deze schandelijke daad, die ik, bij Mithra, met een

bloedend hart pleegde, volbracht ik, als een gehoorzaam onderdaan,

overeenkomstig het bevel van mijn heer en koning. Toch kon ik bij dag

noch nacht rust vinden. Als het opgejaagde wild werd ik, vier jaren

lang, door de geesten der duisternis, die den slaap van het leger eens

moordenaars verdrijven, vervolgd en gemarteld. Thans echter heb ik het

besluit genomen, dat leven vol angst en vertwijfeling met eene goede

daad te besluiten. Zal ik ook aan de brug Chinvat [486] geene genade

vinden, toch hoop ik mij bij de menschen den naam van een braaf man

weder waardig te maken, dien ik eens verbeurde. Weet dan, dat hij,

die zich voor den zoon van Cyrus uitgeeft, mij op dezen toren zond,

en eene groote belooning toezeide, als ik u bedriegen wilde, en de

verzekering voor u afleggen, dat hij Bartja, de Achaemenide, is. Ik

lach met zijne beloften, en zweer hier met den duursten eed, dien

ik ken, bij Mithra en de Feruers der koningen, dat hij, die thans

over u heerscht, niemand anders is, dan de van zijne ooren beroofde

Gaumata, de broeder van den opperpriester en stadhouder Oropastes,

dien gij allen kent! Wilt gij den roem vergeten, dien gij aan de

Achaemeniden te danken hebt, wilt gij niet alleen ondankbaar maar

ook laf en laaghartig zijn, welnu, erkent dan die ellendelingen als

uwe koningen. Maar verfoeit gij den leugen, en acht gij u zelven te

edel, om nietswaardige bedriegers te gehoorzamen, verjaagt dan de

magiërs, voordat Mithra den hemel verlaat, en roept den edelste der

Achaemeniden, in wien gij een tweeden Cyrus zult wedervinden, roept

dan Darius, den verheven zoon van Hystaspes, tot koning uit. Opdat

gij echter geloof moogt hechten aan mijne woorden, en niet meenen,

dat Darius mij hierheen heeft gezonden, om u voor hem te winnen, wil

ik thans eene daad volbrengen, die aan allen twijfel een einde maken

en bewijzen zal, dat mij de waarheid en de eer der Achaemeniden liever

zijn dan mijn leven. Weest gezegend, als gij mijn raad volgt; weest

vervloekt, als gij u niet op de magiërs wreekt, noch den schepter

in de handen der Achaemeniden overlevert! Ziet, ik sterf als een

waarheidlievend en braaf man!"

Nadat hij dit gezegd had, beklom de spreker den hoogsten top van den

toren, stortte zich van boven neder en stierf, de eenige misdaad die

hij ooit gepleegd had met een schoonen dood verzoenende.

Het volk, dat geen woord van zijne rede gemist had, en als het ware

den adem had ingehouden, om hem goed te verstaan, barstte nu los

in een geweldig gehuil van woede en wraak, verbrijzelde de deuren

van het paleis, en stond gereed om met den kreet: »De dood aan de

magiërs!" naar binnen te stuiven, toen de zeven stamhoofden der Perzen

den woedenden hoop in den weg traden.

Zoodra de menigte hen bespeurde, klom hare geestdrift nog hooger,

en riep zij nog onstuimiger: »Weg met de magiërs! Leve koning Darius!"

Door den volkshoop als in triomf voortgedragen, plaatste zich de

zoon van Hystaspes thans op eene verhevenheid, en deelde van daar

het volk mede, dat de magiërs zoo even, als leugenaars en roovers,

door de handen der Achaemeniden den dood hadden ontvangen. Met

nieuwe vreugdekreten werd dit bericht begroet. Nadat vervolgens de

bloedende hoofden van Oropastes en Gaumata den volke vertoond waren,

vloog de van woede en wraaklust uitgelaten menigte de straten door,

iederen magiër doodende, dien zij meester kon worden. Alleen de nacht

vermocht een einde te maken aan dat vreeselijke bloedbad [487]. Vier

dagen later werd de zoon van Hystaspes, op grond van zijne geboorte

en uitnemende hoedanigheden, door de hoofden der Achaemeniden tot

koning gekozen, en als zoodanig door de Perzen met geestdrift begroet.

Darius had met eigen hand den magiër Gaumata gedood, op hetzelfde

oogenblik dat Megabyzus, de vader van Zopyrus, den opperpriester

doorboorde. Terwijl Prexaspes het volk toesprak, waren de zeven

saamgezworene stamhoofden Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus,

Aspatines, Hydarnes en Darius, die zijn hoog bejaarden vader Hystaspes

verving, door eene onbewaakte deur in het paleis gedrongen. Spoedig

kwamen zij te weten, waar de magiërs zich ophielden, en waren dus,

daar zij de inrichting van het slot kenden en de meeste wachters het

toezicht moesten houden op het daar buiten naar de rede van Prexaspes

luisterende volk, zonder oponthoud tot de vertrekken genaderd, waar de

magiërs vertoefden. Hier beproefden eenige eunuchen, onder aanvoering

van den ons welbekenden Boges, hun den weg te versperren; doch in

weerwil van hun moedigen tegenstand werden zij allen gedood. Boges

stierf door de hand van Darius, die hem dadelijk herkend had, en daarom

met verdubbelde woede op hem was aangevallen. Verontrust door het

gekerm der stervende eunuchen, waren de magiërs toegesneld, en ziende

wat er gebeurde, hadden ook zij zich nog willen verweren. Oropastes

rukte den nederzijgenden Boges de lans uit de hand, stiet Intaphernes

een oog uit, en kwetste Aspatines aan het dijbeen, waarop een dolksteek

van Megabyzus een einde aan zijn leven maakte. Gaumata was in een

zijvertrek gevlucht, en wilde juist de deur dichtgrendelen, toen Darius

en Gobryas naar binnen drongen. De laatste omvatte den magiër met zijne

armen, wierp hem neder en belette hem, door zich op hem te werpen,

van den grond op te staan. Besluiteloos stond Darius naast die beiden

in het halfduistere vertrek, vreezende dat hij door toe te stooten

ook Gobryas zou treffen. Deze bemerkte dit en riep: »Stoot toe, al

moest gij ook ons beiden doorboren!" Darius gehoorzaamde, doch trof

gelukkig alleen den magiër. Dit was het uiteinde van Oropastes, den

opperpriester, en van den meer algemeen onder den naam van »pseudo"

of »valschen Smerdis" bekenden Gaumata.

Ettelijke weken nadat Darius tot koning was uitgeroepen, waarbij hij,

gelijk de Perzen verhaalden, door wonderbare goddelijke teekens en

de list van een stalmeester [488] ondersteund was geworden, vierde

de zoon van Hystaspes te Pasargadae een prachtig kronings- en een

nog luisterrijker huwelijksfeest met de geliefde zijns harten,

Atossa [489], de dochter van Cyrus. De door het lijden ontwikkelde

en gerijpte jonge vrouw bleef, tot aan het einde van het werkzame en

roemrijke leven van haar gemaal, zijne vurig beminde en hooggeachte

gemalin. Gelijk Prexaspes had voorspeld, werd Darius een koning,

wiens daden en werken hem den naam van »tweeden Cyrus" en van »den

groote" ten volle waardig maakten.

Als veldheer even omzichtig als dapper, wist hij zijn onmetelijk rijk

zoo uitmuntend in te deelen en te besturen, dat men hem in de kunst

van te regeeren onder de grootste vorsten van alle landen en tijden

moet rangschikken. Aan hem alleen hadden zijne zwakke opvolgers

het te danken, dat zich dat kolossale Aziatische rijk, hetwelk uit

zoovele landen bestond, nog twee eeuwen kon staande houden. Mild en

vrijgevig met zijne eigene schatten, en hoogst zuinig als het die

zijner onderdanen gold, wist hij waarlijk koninklijke geschenken

te geven, zonder ooit meer te vorderen dan hem toekwam. In plaats

van die willekeurige geldafpersingen, die onder de regeering van

Cyrus en Cambyzes telkens wederkeerden, voerde hij een geregeld

belastingstelsel in, en liet zich in het doorzetten van wat hij recht

en billijk oordeelde door geene zwarigheden afschrikken. De bespotting

van de zijde der Achaemeniden, die van niets wisten dan oorlog voeren,

en hem dus om zijne zuiver financiëele bemoeiingen »kramer" noemden,

deed hem geen haarbreed van den eenmaal ingeslagen weg afwijken. Het

is voorwaar niet een zijner geringste verdiensten, dat hij door zijn

geheele rijk, en aldus door de halve toen bekende wereld, een gelijk

muntstelsel invoerde.

De zeden en godsdiensten der verschillende volken eerbiedigende,

veroorloofde hij den Joden, toen het document van Cyrus waarvan

Cambyzes niets had geweten, in het archief van Ekbatana was

wedergevonden, met het bouwen van hun tempel voort te gaan. Den

Ionischen steden vergunde hij hare gemeenten zelfstandig te

besturen. En nooit zou hij er toe gekomen zijn, zijne legers tegen

Griekenland te doen optrekken, als de Atheners hem niet beleedigd

hadden.

In de staathuishoudkunde had hij, als in zoovele andere dingen,

veel van de Egyptenaren geleerd. Vandaar dat hij dit volk eene

bijzondere achting toedroeg en vele weldaden bewees. Zoo liet hij

onder anderen, tot opbeuring van den Egyptischen handel, een kanaal

graven, dat den Nijl met de Roode Zee verbond [490]. Gedurende zijne

gansche regeering deed hij zijn uiterste best de hardheid, waarmede

Cambyzes de Egyptenaren behandeld had, door zachtheid weder goed te

maken, en nog op hoogen leeftijd hield hij zich gaarne onledig met het

bestudeeren van de werken van dit wijze volk, welks zeden en godsdienst

zoolang hij leefde door niemand ooit mocht worden aangerand. De grijze

priester Neithotep, die eens zijn leermeester was geweest, mocht zich

tot aan den dood in de gunst van dezen vorst verheugen, die zich niet

zelden de sterrenkundige kennis van den ouden wijze ten nutte maakte.

De Egyptenaren erkenden ook van hunne zijde de goedheid van den

nieuwen vorst, en noemden Darius, evenals hunne vroegere koningen,

eene godheid [491]. Desniettemin vergaten zij op het einde zijner

regeering de groote verplichtingen, die zij aan hem hadden, en

beproefden, toegevende aan hun verlangen naar zelfstandigheid,

het zachte juk van de schouders te werpen [492]. Hun edele vorst en

beschermer mocht het einde van dezen strijd niet meer beleven. Xerxes,

de opvolger en zoon van Darius en Atossa, was bestemd om de bewoners

van het Nijldal tot eene meer slaafsche onderwerping terug te brengen,

die juist daarom onmogelijk duurzaam kon zijn.

Als een waardig gedenkteeken zijner grootheid, liet Darius op

den berg Rachmed bij Persepolis een heerlijk schoon paleis bouwen,

welks puinhoopen thans nog de verbazing en bewondering der reizigers

wekken. Zesduizend Egyptische bouwlieden, door Cambyzes indertijd naar

Azië gevoerd, hielpen dit werk tot stand brengen, en ondersteunden de

arbeiders, aan welke was opgedragen een koninklijk graf voor Darius en

zijne nakomelingen aan te leggen. De moeilijk toegankelijke rotskamers

dier begraafplaats hebben den tand des tijds getrotseerd, en strekken

heden nog aan tallooze wilde duiven tot woning.

Op een gepolijsten wand van de rots van Bisitoen of Behistân, nabij

welke plaats Darius eens het leven zijner Atossa had gered, liet hij de

geschiedenis zijner daden uitbeitelen met zoogenaamd spijkerschrift in

de Perzische, Medische en Assyrische taal. Het Assyrisch en Perzisch

gedeelte dezer opschriften is thans met juistheid te lezen. Aldaar

vindt men ook eene mededeeling van de in de laatste hoofdstukken

geschetste gebeurtenissen, die vrij nauwkeurig overeenstemt met ons

verhaal en met de berichten van Herodotus. Onder anderen wordt er

gezegd: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik deed, geschiedde in

allen deele door de genade van Aoeramazda. Nadat de koningen afvallig

waren geworden, leverde ik negentien veldslagen. Door de genade van

Aoeramazda versloeg ik hen. Negen koningen nam ik gevangen. Een van

hen, Gaumata, een Mediër, loog, toen hij dus sprak: 'Ik ben Bardiya

(Bartja), de zoon van Cyrus.' Deze maakte Perzië afvallig."

Verder vermeldt hij ook de namen der stamhoofden, die hem geholpen

hadden bij het ten onder brengen der magiërs, en op eene andere plaats

leest men: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik gedaan heb, dat

heb ik in allen deele door de genade van Aoeramazda gedaan. Aoeramazda

en de overige bestaande goden schonken mij hun bijstand, daarom, dat

ik niet twistgierig, geen leugenaar, geen gewelddadig heerscher was,

ik noch mijn geslacht. Wie mijne stamgenooten geholpen heeft, dien

heb ik begunstigd; wie vijandig jegens ons was, dien heb ik streng

gestraft. Gij, die na mij koning zult zijn, wees niet vriendschappelijk

gezind jegens den man, die een leugenaar of een oproerling is, maar

straf hem streng. Darius, de koning, spreekt: Gij, die later deze

tafel zult zien, die ik geschreven heb, of deze teekens, vernietigt

ze niet, maar bewaart ze zoolang gij leeft, enz."

Ten slotte blijft ons nog over te verhalen, dat Zopyrus, de zoon

van Megabyzus, tot aan zijn dood de trouwste vriend van Darius

bleef. Toen een hoveling den koning eens een granaatappel toonde en

hem vroeg: »Welk geluk zoudt gij gaarne zoo veelvuldig bezitten als

deze appel pitten bevat?" antwoordde Darius, zonder zich te bedenken:

»Mijn Zopyrus!"

Deze wist de goedheid van zijn koninklijken vriend weerkeerig met

vriendschap te vergelden. Toen Darius negen maanden lang vruchteloos

Babylon had belegerd, dat zich na den dood van Cambyzes aan de

Perzische heerschappij had ontworsteld, en reeds half en half besloten

was het beleg op te breken, verscheen Zopyrus bloedende, zonder neus en

ooren, voor den koning, en zeide, dat hij zichzelven dus verminkt had,

om den Babyloniërs, die hem even goed kenden als hij hunne dochteren,

wie hij zoo dikwerf het hof had gemaakt, eene poets te spelen. Hij

zou de overmoedige bevolking diets maken, dat Darius hem alzoo had

doen mishandelen, en hunne hulp inroepen om wraak te nemen op den

koning. Zij zouden hem dan troepen verschaffen, waarmede hij, om zich

het vertrouwen der burgers te verwerven, eenige gelukkige uitvallen

zou doen. Dan zou hij de sleutels der stad in handen zien te krijgen,

en voor zijne vrienden de Semiramis-poort openen. Deze op schertsenden

toon uitgesproken woorden, en het verminkte gelaat van zijn vroeger

zoo schoonen vriend, deden den koning zoozeer aan, dat hij tranen

stortte. Maar toen de door geweld onneembare vesting voor de list

van Zopyrus inderdaad bezweken was, riep hij: »Honderd Babels zou ik

willen geven, als mijn Zopyrus zich niet zoo verminkt had!"--Daarop

benoemde hij zijn vriend tot heer en meester van de reuzenstad, schonk

hem al de inkomsten er van en vereerde hem jaarlijks de kostbaarste

geschenken. In later tijd zeide hij meermalen, dat buiten Cyrus,

met wien geen sterveling vergeleken kon worden, niemand ooit zulk

eene edele daad had volbracht als Zopyrus.

Weinige vorsten hebben op zulke edele vrienden kunnen wijzen

als Darius, daar weinigen als hij den plicht der dankbaarheid

in beoefening wisten te brengen. Toen Syloson, de broeder van den

vermoorden Polycrates, op zekeren dag te Susa kwam, en den koning er

aan herinnerde, wat hij eens voor hem gedaan had, ontving Darius hem

als zijn vriend, stelde schepen en soldaten te zijner beschikking,

en hielp hem de Samiërs onder zijne heerschappij terug te brengen. De

eilanders verweerden zich met den moed der wanhoop tegen de vreemde

krijgsbenden van den nieuwen tyran, en erkenden, toen zij zich ten

laatste overwonnen moesten verklaren, dat zij hunne onderwerping aan

de vriendschap van Darius voor Syloson hadden te wijten.

Rhodopis beleefde nog, dat Hipparchus door Harmodius en Aristogiton

vermoord werd en den val van zijn broeder Hippias, de tyrannen van

Athene, en stierf eindelijk met vast vertrouwen op de hooge bestemming

der Hellenen, in de armen van hare beste vrienden, Theopompus den

Milesiër en Kallias den Athener. Geheel Naucratis beweende den dood

dezer edele vrouw. Kallias zond een bode naar Susa, om den koning en

Sappho bericht te geven van het afsterven zijner vriendin. Weinige

maanden later ontving de satraap van Egypte den volgenden brief van

de hand van Darius:

»Overmits wij de, onlangs te Naucratis gestorvene Helleensche

vrouw Rhodopis gekend en gehoogacht hebben,--overmits hare

kleindochter, als weduwe van een rechtmatigen kroonprins van

het Perzische rijk, op den huidigen dag nog de eere eener

koningin geniet,--overmits ik eindelijk de achterkleindochter

der overledene, Parmys, de dochter van Bartja en Sappho,

kortelings tot mijne derde echte gemalin heb verheven, schijnt

het mij recht en billijk toe, dat wij het stoffelijke overschot

van de grootmoeder van twee aanzienlijke vorstinnen koninklijke

eere doen genieten. Daarom beveel ik u de assche van Rhodopis,

die wij altijd voor de grootste en voortreffelijkste aller

vrouwen hebben gehouden, in de grootste en prachtigste

aller begraafplaatsen, namelijk in eene der pyramiden, met

vorstelijken luister te doen bijzetten. In nevensgaande

kostbare urn, die Sappho zelve zendt, moet de assche der

overledene worden verzameld.

Gedaan in het

nieuwe rijkspaleis te Persepolis,

Darius, zoon van Hystaspes,

koning.

Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers · 第 37 / 38 题