NEGENDE HOOFDSTUK.

Op den morgen van den dag, volgende op dien van Bartja's zegepraal,

had Cambyzes zulk een hevigen aanval van zijne ziekte gehad,

dat hij acht en veertig uur lang, krank naar geest en lichaam,

zijne kamer moest houden, en nu eens geheel uitgeput neerlag, dan

weer als een bezetene woedde. Toen hij eindelijk op den derden dag

weder tot zijn bewustzijn kwam, herinnerde hij zich aanstonds het

verschrikkelijke bevel, waaraan Prexaspes nu waarschijnlijk reeds

gevolg had gegeven. Hij sidderde bij deze gedachte, gelijk hij nog

nooit te voren gesidderd had, liet oogenblikkelijk den oudsten zoon van

den gezant, die den eerepost van schenker bij hem bekleedde, komen,

en vernam van dezen, dat zijn vader zonder afscheid te nemen Memphis

verlaten had. Dan ontbood hij Darius, Zopyrus en Gyges, die gelijk

hij wist door banden der innigste vriendschap aan Bartja verbonden

waren, en vroeg hun hoe het met hun vriend was. Van dezen vernam hij,

dat zijn broeder zich te Saïs ophield. Terstond zond hij het drietal

daarheen, hun gelastende Prexaspes, indien zij dezen mochten ontmoeten,

zonder verzuim naar Memphis terug te zenden. De jonge Achaemeniden

beproefden tevergeefs, zich het zonderlinge gedrag en de drift van den

koning te verklaren. Desniettemin gingen zij oogenblikkelijk op reis,

vreezende dat er iets gebeurd of op til mocht zijn, dat niet goed was.

Intusschen had Cambyzes rust noch duur; in stilte verwenschte hij zijne

dronkenschap en gebruikte dien dag geen druppel wijn. Toen hij in den

tuin van het paleis der pharao's zijne moeder ontmoette, ontweek hij

haar, want hij gevoelde dat hij haar blik niet zou kunnen verdragen.

Ook de volgende acht dagen verstreken, zonder dat Prexaspes terugkeerde

en schenen hem wel een jaar toe. Honderdmaal ontbood hij zijn schenker,

altijd om hem te vragen of zijn vader nog niet tehuis was gekomen,

en telkens was het antwoord ontkennend. Toen op den dertienden dag de

zon op het punt was van onder te gaan, liet Cassandane hem verzoeken

tot haar te komen. Nu begaf hij zich haastig naar de vertrekken van

de eerbiedwaardige vrouw, want hij verlangde vurig haar aangezicht

te zien. Het was hem, als moest hare aanschouwing hem de verloren

zielsrust wedergeven.

Nadat hij de oude vrouw begroet had, met eene teederheid, die te

verrassender voor haar was, daar zij van hem zulk eene hartelijkheid

niet gewoon was, vroeg hij haar, wat zij van hem begeerde, en vernam

nu, dat Bartja's vrouw onder zeer bijzondere omstandigheden tot

haar was gekomen, en den wensch had uitgesproken hem een geschenk

aan te bieden. Dadelijk liet hij haar komen, en hoorde van haar,

dat Prexaspes aan haar echtgenoot het bevel had overgebracht,

om naar Arabië te reizen, en haar, uit naam van Cassandane, had

uitgenoodigd naar Memphis te komen. De koning werd doodelijk bleek

en zag de schoone vrouw van zijn broeder aan met een gelaat, dat

onmiskenbaar eene geweldige ontroering verried. De jonge Griekin

gevoelde, dat er in den koning iets buitengewoons omging, en kon,

door vreeselijke vermoedens beangstigd, slechts met bevende handen

het geschenk aanbieden, dat zij voor hem had medegebracht.

»Mijn echtgenoot zendt u dit!" zeide zij, op de in een kunstig bewerkt

kistje besloten wassen beeltenis van Nitetis wijzende.--Rhodopis had

haar geraden juist dit als een geschenk ter verzoening, uit Bartja's

naam, den vertoornden broeder aan te bieden.

Cambyzes gaf het kistje, waarvan de inhoud hem weinig belang scheen

in te boezemen, aan een eunuch over, sprak zijne schoonzuster eenige

woorden toe, die eene dankbetuiging moesten beteekenen, en verliet

daarop oogenblikkelijk het vrouwenverblijf, zonder zelfs naar Atossa

te vragen, die hij geheel scheen te zijn vergeten. Hij had gedacht

en gehoopt, dat het bezoek hem goed doen en tot kalmte brengen zou,

maar Sappho's mededeelingen hadden hem de laatste hoop en voor altijd

zijne rust ontnomen. Prexaspes moest den moord reeds begaan hebben,

of kon ieder oogenblik, misschien op datzelfde tijdstip den dolk

opheffen, om dien in de borst van den jongeling te stooten. Hoe zou

hij na Bartja's dood voor zijne moeder durven verschijnen? Wat zou

hij haar, en op de vragen van de lieve vrouw, die hem met hare groote

oogen zoo angstig had aangezien, antwoorden?

Eene huivering greep hem aan, als eene inwendige stem hem toeriep,

dat de moord aan zijn broeder gepleegd, eene daad van lafheid en

vrees, eene onnatuurlijke en snoode daad zou worden genoemd. De

gedachte een sluipmoordenaar te zijn scheen hem onverdraaglijk. Zonder

gewetenswroeging had hij reeds menigeen ter dood laten brengen, maar

altijd óf in een eerlijken strijd, óf voor het oog van de geheele

wereld. Hij was koning, en wat hij deed was goed. Had hij met eigen

hand Bartja neergeveld, zoo zou hij zijn geweten wel tot zwijgen

hebben gebracht; maar nu hij bevel had gegeven hem heimelijk uit den

weg te ruimen, hem in stilte te vermoorden, zijn voortreffelijken

broeder, die zoo vele bewijzen gaf van mannelijken moed, waardoor

hij den hoogsten roem had ingeoogst, nu folterde hem de schaamte,

nu knaagde hem het berouw, dat hij tot nog toe nooit had gevoeld. Hij

was verbitterd op zichzelven over zijne onmatigheid en schandelijke

willekeur. Hij begon zichzelven te verachten. De overtuiging, dat hij

altijd slechts datgene wilde en volbracht wat billijk en recht was,

verliet hem, en het was hem thans, als waren al de op zijn bevel

gedoode menschen, evenals Bartja, onschuldige slachtoffers van zijne

woede geweest. Om deze gedachten, die van oogenblik tot oogenblik

ondraaglijker werden, te verdrijven, greep hij opnieuw naar het

bedwelmende druivensap. Doch ditmaal kon de dronkenschap de wroeging

niet uit zijne ziel verbannen. Zij werd de bron van nieuw lichaams-

en zielslijden. Zijn door het onmatig wijndrinken en de vallende

ziekte ondermijnd lichaam dreigde thans te zullen bezwijken onder

de menigvuldige heftige aandoeningen der laatste maanden. Nu eens

verstijvende van koude, dan weer gloeiende van eene ondraaglijke hitte,

was hij eindelijk gedwongen zich op zijn leger neer te werpen.

Toen men hem ontkleedde, schoot hem te binnen, dat hij een geschenk van

zijn broeder had ontvangen. Oogenblikkelijk deed hij het kistje halen,

en beval den uitkleeders hem alleen te laten. Zoodra hij het Egyptisch

schilderwerk van het kistje zag, kon hij niet nalaten aan Nitetis

te denken, en zich af te vragen, wat de overledene wel van zijne

gepleegde euveldaad zou hebben gezegd. Rillend van de koorts, en met

een beneveld brein boog hij zich over het kistje, nam er de schoone uit

was gevormde buste uit, en staarde met ontzetting in de onbeweeglijke

glazige oogen van het beeldje. De gelijkenis was zoo treffend, en zijn

verstand door den wijn en de koorts zoo verzwakt, dat hij onder den

invloed eener betoovering waande te verkeeren. Toch was het hem niet

mogelijk den blik van die dierbare trekken af te wenden. Plotseling

kwam het hem voor, dat het beeldje de oogen bewoog. Een doodelijke

angst maakte zich van hem meester. Met kracht slingerde hij het kopje,

dat voor hem scheen te leven, tegen den wand, zoodat het holle, broze

was in duizend stukken vloog, en viel daarop steunende op zijn bed

neder.--Van dat oogenblik nam de koorts onophoudelijk in hevigheid

toe. Wakend droomende meende de ongelukkige den verbannen Phanes

te zien, die een Grieksch straatliedje zong, en hem zoo schandelijk

bespotte, dat hij zijne vuisten balde van toorn. Dan zag hij Cresus,

zijn vriend en raadsman. Deze dreigde hem, en riep hem weder dezelfde

woorden toe, waarmede hij hem, toen hij om de gewaande liefde van

Nitetis Bartja had willen vonnissen, gewaarschuwd had: »Wacht u wel

het bloed van een broeder te vergieten! Want weet, dat de dampen

daarvan ten hemel opstijgen en tot wolken worden, die al de dagen

van den moordenaar verduisteren, en eindelijk den bliksem der wrake

op hem nederslingeren!"

En in zijne verhitte verbeelding werd dit werkelijkheid. Hij dacht, dat

uit de zwarte wolken bloed op hem nederstroomde, en deze afschuwelijke

regen zijne kleederen en handen bevochtigde. Toen het eindelijk

weder droog was, en hij naar den Nijl ging om zich te reinigen, trad

Nitetis hem te gemoet, met dien liefelijken glimlach om de lippen,

waarmede Theodorus haar had voorgesteld. Getroffen door dit heerlijk

visioen, wierp hij zich voor haar neder en vatte hare hand. Nauw had

hij ze aangeraakt, of aan iederen harer fijne vingertoppen vertoonde

zich een bloeddruppel, en met afgrijzen keerde de schoone maagd hem

nu den rug toe. Cambyzes smeekte de verschijning hem vergiffenis

te willen schenken, en tot hem terug te keeren; doch zij liet zich

niet verbidden. Nu ontbrandde zijn toorn, hij dreigde haar met zijne

ongenade, ja met de vreeselijkste straffen. Toen Nitetis zijn dreigen

met een zacht spottend lachen beantwoordde, ontzag hij zich niet

zijn dolk naar haar te werpen. En zie, daar viel de verschijning in

duizend stukken, gelijk kort te voren het wassen beeld tegen den wand

verbrijzeld was; maar het lachen duurde voort, en klonk al luider en

luider, en onderscheidene stemmen werden vernomen, die als met elkaar

wedijverden in het bespotten van den ongelukkigen koning. Die van

Bartja en Nitetis klonken boven al de andere uit, en schenen hem de

bitterste verwijten te doen. Maar hij kon deze akelige stemmen niet

langer aanhooren, en stopte de ooren dicht. Toen dit niet baatte,

bedolf hij zijn hoofd in het brandend heete zand der woestijn, dan

dompelde hij het in den Nijl, daarop weder in den gloed, dan andermaal

in het ijskoude water, tot hij niets meer zag en hoorde. Toen hij

ontwaakte, kon hij zich geen begrip vormen van de werkelijkheid. Het

was avond toen hij zich te bed begaf, en hij zag thans aan de zon,

die zijn rustbed met haar laatste stralen verguldde, dat het niet

dag was. gelijk het naar hij meende, moest wezen, maar bijkans

nacht. Hierin kon hij zich niet bedriegen, want hij hoorde het lied

der priesters, die den scheidenden Mithra den laatsten groet toezongen.

Nu merkte hij ook, hoe zich achter een gordijn, dat men aan het

hoofdeinde van zijn leger had aangebracht, verscheidene menschen

bewogen. Hij wilde oprijzen, doch voelde dat hem de kracht daartoe

ontbrak. Na lang tevergeefs beproefd te hebben de werkelijkheid van

den droom, en den droom van de werkelijkheid te onderscheiden, riep

hij zijne aankleeders, en de andere hovelingen, die bij zijn opstaan

tegenwoordig plachten te wezen. Dadelijk traden deze binnen, gevolgd

door zijne moeder, Prexaspes, vele geleerde magiërs en eenige hem

onbekende Egyptenaren, van wie hij vernam, dat hij weken lang met eene

hevige koorts had geworsteld, en slechts door de bijzondere bescherming

der goden, de kunst der geneesmeesters en de onvermoeide zorg zijner

moeder van den dood was gered geworden. Eerst zag hij Cassandane,

dan Prexaspes vragend aan, en verloor toen weder het bewustzijn,

om echter den volgenden morgen na een verkwikkenden slaap met nieuwe

krachten te ontwaken.

Vier dagen later was hij sterk genoeg, om in een leuningstoel te

zitten, en Prexaspes betreffende de zaak, die zijn geest uitsluitend

bezig hield, te ondervragen. De gezant wilde, met het oog op de

zwakheid van zijn vorst, een ontwijkend antwoord geven; doch als

Cambyzes zijne vermagerde hand dreigend ophief, en hem met den nog

altijd straffen blik van zijn oog aanzag, aarzelde Prexaspes niet

langer, maar zeide, in de meening dat hij den koning eene blijde

tijding ging mededeelen: »Verheugt u, mijn vorst! De jongeling, die het

waagde u den roem te betwisten, is niet meer. Deze hand versloeg hem,

en begroef zijn lijk bij Baal-Zephon [470]. Niemand heeft het gezien,

buiten het zand van de woestijn, en de onvruchtbare golven der Roode

Zee; niemand weet er van, dan gij en ik, en de raven en zeemeeuwen,

die om zijn graf zwerven!"

Een gil, die door merg en been drong, ontsnapte aan de lippen van

den koning. Hij werd opnieuw door eene hevige koorts aangegrepen,

en zonk ineen, om andermaal gekweld te worden door de vreeselijkste

schrikbeelden. En nu verliepen er weken gedurende welke iedere dag

de laatste van 's vorsten leven dreigde te zullen zijn. Eindelijk

kwam zijn sterk lichaam deze gevaarlijke instorting te boven. Maar de

krachten van zijn geest waren niet bestand geweest tegen de demonen

der koorts. Zij waren geweken en keerden niet meer terug.

Toen hij het ziekenvertrek weder mocht verlaten, en opnieuw kon rijden

en den boog spannen, gaf hij zich, nog teugelloozer dan voorheen,

aan het genot van den wijn over, en verloor zoo doende ook het laatste

spoor van zijn vroegere macht om zich zelven te beheerschen. Buitendien

had zich in zijn krank brein het denkbeeld genesteld, dat Bartja niet

dood, maar in den boog van den koning van Ethiopië veranderd was,

en dat de Feruer [471] van zijn overleden vader hem geboden had, hem

door de onderwerping van het zwarte volk zijne vorige gestalte weder

te geven. Deze gedachte, die hij aan ieder van de hem omringenden als

een groot geheim mededeelde, vervolgde hem dag en nacht, en gunde

hem rust nog duur, tot hij met een groot leger tegen Ethiopië was

opgetrokken. Maar hij moest onverrichter zake terugkeeren, nadat het

meerendeel zijner krijgsmacht, ten gevolge van hitte en van gebrek aan

voedsel en water, een smadelijken dood had gevonden. Een schrijver,

die bijkans tot zijne tijdgenoten behoorde, verhaalt [472], dat de

ongelukkige soldaten, na alle mondvoorraad verteerd te hebben, lang van

kruiden geleefd hadden. Doch nadat in de woestijn alle plantengroei had

opgehouden, zouden zij, door wanhoop gedreven, hunne toevlucht hebben

genomen tot een middel, dat de pen bijkans weigert te vermelden. Elke

tien soldaten wierpen namelijk onderling het lot, en aten hem op,

die op deze wijze ter slachting werd aangewezen. Toen het evenwel

zoover gekomen was, dwong men den waanzinnige terug te keeren,

om hem echter, zoodra men weder in bewoonde streken was gekomen,

getrouw aan het slaafsche karakter der Aziaten, onvoorwaardelijk te

gehoorzamen, ofschoon het wel voor niemand een geheim meer was dat

's konings verstand was gekrenkt.

Toen hij met het rampzalig overschot van zijn leger Memphis binnen trok

hadden de Egyptenaren juist een nieuwen Apis gevonden en vierden nu,

ter eere van de in het heilige dier verborgen en opnieuw verschenen

godheid, een groot feest. Daar Cambyzes reeds te Thebe vernomen had,

dat het leger, hetwelk hij tegen de oase van Ammon [473] in de Lybische

woestijn had afgezonden door den woestijnwind [474] vernield was, en

het krijgsvolk van de vloot, die Carthago voor hem veroveren moest,

geweigerd had tegen hunne stamgenooten op te trekken, meende de

koning, dat de Memphiten dit feest vierden uit blijdschap over zijn

tegenspoed. Hij liet dus de aanzienlijksten uit de stad ontbieden,

en vroeg hen waarom zij zich na zijne overwinning neerslachtig

en weerbarstig, doch na zijne nederlaag uitgelaten vroolijk hadden

getoond? De Memphiten verklaarden hem de oorzaak hunner feestvreugde,

en verzekerden, dat de verschijning van den goddelijken stier

telkens door gansch Egypte met feesten en optochten placht gevierd

te worden. Cambyzes schold hen voor leugenaars, en veroordeelde hen

ter dood.

Vervolgens liet hij de priesters komen, die hem hetzelfde antwoord

gaven. Spottende met het bijgeloof van deze zijne onderdanen,

wenschte hij kennis te maken met den nieuwen god, en gebood dat men

dien voor hem zou brengen. De Apis werd voor den monarch geleid, die

men mededeelde dat dit dier uit eene maagdelijke koe geboren was,

door de aanraking van een straal der maan; hij moest zwart zijn,

op het voorhoofd eene driehoekige witte vlek, op den rug het beeld

van een arend, en op de zijde een wassende halve maan hebben. Zijn

staart moest uit tweeërlei haar bestaan, terwijl aan zijne tong een

uitwas zichtbaar moest zijn in de gedaante van den heiligen kever,

scarabaeus [475].

Toen de goddelijke stier voor hem stond, en hij er niets buitengewoons

aan kon ontdekken, werd Cambyzes woedend en stiet zijn zwaard in

de zijde van het dier [476]. Toen hij het bloed zag stroomen en

den Apis ter aarde storten, lachte hij zoo hard hij kon, en riep:

»Gij dwazen! Uwe goden hebben alzoo vleesch en bloed, en laten zich

straffeloos kwetsen! Voorwaar, zulk eene lafheid is uwer volkomen

waardig. Maar gij zult ondervinden, dat ik mij niet ongestraft laat

bespotten. Hei daar, trawanten! Geeselt deze priesters, en doodt allen

die gij bij deze waanzinnige feestviering betrapt!" Men gehoorzaamde

zijn bevel, en deed op deze wijze de woede en den wrok der Egyptenaren

ten toppunt stijgen.

Nadat de Apis aan de ontvangen wonde gestorven was, begroeven de

Memphiten hem heimelijk in de bij het Serapeum gelegene graven der

heilige stieren, en beproefden onder aanvoering van Psamtik een opstand

tegen de Perzen. Deze opstand werd evenwel spoedig onderdrukt, en

kostte den ongelukkigen zoon van Amasis een leven, welks vlekken wel

verdienden vergeten te worden, ter wille van zijn rusteloos streven

om zijn volk van de heerschappij der vreemdelingen te verlossen, tot

bereiking van welk doel hij niet aarzelde voor de vrijheid te sterven.

De waanzin van Cambyzes had intusschen een anderen vorm aan genomen. Na

de mislukte poging, om den, volgens zijn waan, in een boog veranderde

Bartja zijne oude gedaante te hergeven, nam zijne prikkelbaarheid

zoozeer toe, dat éen enkel woord, éen enkele blik, die hem mishaagde,

voldoende was, om hem tot razernij te brengen. Zijne trouwe raadsman

Cresus verliet ook nu zijne zijde niet, schoon de koning hem reeds

meermalen den trawanten had overgegeven om hem terecht te stellen. Maar

de trawanten kenden hun heer, en wachtten zich wel de handen aan

den grijsaard te slaan, daar zij zeker waren geen straf te zullen

beloopen wegens het niet nakomen van 's konings bevelen ten dezen

opzichte, omdat hij ze den volgenden dag reeds weder vergeten was,

of er berouw over had. Doch eens moesten de ongelukkige zweepdragers

voor hunne ongehoorzaamheid zwaar boeten, want, schoon Cambyzes zich

over het behoud van den grijsaard verblijdde, liet hij de redders van

het hem dierbare leven niettemin wegens hunne nalatigheid ombrengen.

Het stuit ons tegen de borst, nog meer voorbeelden te vermelden van

de barbaarsche gruwelen, door den waanzinnigen koning in dien tijd

bedreven, toch kunnen wij enkele niet met stilzwijgen voorbijgaan. Op

zekeren dag, gedurende den maaltijd, vroeg hij Prexaspes, na zich

als naar gewoonte een roes te hebben gedronken, wat de Perzen wel

van hem zeiden. De gezant mocht zich in die dagen in de bijzondere

gunst van den monarch verheugen. Ten einde door edele, doch dikwijls

gevaarlijke daden zijn beschuldigend geweten het zwijgen op te leggen,

liet hij dus geene gelegenheid voorbijgaan, om weldadigen invloed

op den ongelukkigen vorst uit te oefenen. Daarom antwoordde hij,

dat het volk hem zeer prees, maar meende, dat hij zich aan den wijn

wel wat te veel te buiten ging.

De waanzinnige ontstak door deze, op schertsenden toon uitgesprokene

woorden in woedenden toorn, en zeide: »Zoo, zeggen de Perzen, dat de

wijn mij het verstand doet verliezen? Welnu, ik zal bewijzen, dat zij

zelven niet meer in staat zijn juist te oordeelen!" Dit zeggende spande

hij zijn boog, mikte een oogenblik, en schoot den oudsten zoon van

Prexaspes, die als schenker in het achterste gedeelte der zaal op de

minste wenken van zijn gebieder lette, een pijl in de borst. Daarop gaf

hij bevel, den ongelukkigen jongeling te openen en te onderzoeken. De

pijl was midden in zijn hart gedrongen. Hierover verheugde zich het

monster, en lachende riep hij: »Nu ziet gij, Prexaspes, dat niet ik,

maar de Perzen het verstand verloren hebben. Wie is in staat, zoo

zeker zijn doel te treffen, als ik?"

Prexaspes stond als versteend, gelijk Niobe aan den Sipylus [477],

toen hij bleek en roerloos dit ijzingwekkend tooneel aanschouwde. Zijne

slaafsche ziel boog voor de almacht van den dwingeland; zijne vingeren

omklemden niet, zelfs niet voor een oogenblik, het gevest van zijn

dolk, om dien den onmensch in het hart te stooten. Ja, toen de dwaze

vorst zijn vraag herhaalde, antwoordde de kruipende hoveling, de hand

op zijn hart leggende: »Geen God had zekerder kunnen treffen!"

Weinige weken daarna vertrok de koning naar Saïs. Toen men hem daar

de vertrekken zijner voormalige geliefde wees, rees de sedert lang

onderdrukte gedachte aan haar met nieuwe kracht in zijne ziel op,

en tegelijk herinnerde hij zich, dat Amasis hem en haar bedrogen

had. Zonder zich de moeite te geven over de omstandigheden, die

tot dat bedrog aanleiding hadden gegeven, na te denken, vloekte hij

den overleden vorst, en liet zich woedend naar den tempel van Neith

brengen, waar zijne mummie was bijgezet. Hij rukte het gebalsemde lijk

uit de sarkophaag, deed het met roeden slaan, met naalden doorsteken,

de haren uitrukken, kortom op allerlei wijzen mishandelen, en het

eindelijk, in strijd met de godsdienstwet der Perzen, volgens welke

de verontreiniging van het reine vuur door lijken eene doodzonde is,

verbranden. De mummie van de eerste vrouw van Amasis, die te Thebe,

hare vaderstad, was bijgezet, veroordeelde hij tot hetzelfde lot [478].

Te Memphis teruggekeerd, ontzag hij zich niet zijne gade en zuster

Atossa met eigen hand te mishandelen. Op zekeren dag namelijk had

hij een kampgevecht verordend, waarbij onder anderen een hond met een

jongen leeuw vechten moest. Toen de leeuw zijn tegenstander overwonnen

had, rukte een andere hond, die met den verwonnene uit hetzelfde

nest was, zich van zijn ketting los, wierp zich op den leeuw, en deed

hem met hulp van den gewonde het onderspit delven. Deze vertooning,

die Cambyzes in verrukking bracht, deed Cassandane en Atossa, die op

's konings bevel tegenwoordig waren, de tranen in de oogen wellen. De

verbaasde dwingeland vroeg naar de oorzaak daarvan, en kreeg nu van

de driftige Atossa ten antwoord: »Het dappere dier, dat voor zijn

broeder het leven waagt, doet mij aan Bartja denken, die ongewroken,

door wien zal ik maar niet zeggen, vermoord is geworden."

Dit woord deed den toorn en het sluimerend geweten van den razende

voor een oogenblik weder ontwaken. Hij sloeg de vermetele vrouw met

vuisten, en zou haar misschien gedood hebben, zoo zijne moeder zich

niet in zijne armen had geworpen en zichzelve aan zijne slagen had

blootgesteld. Het eerwaardig gelaat en de stem van zijne moeder waren

voldoende, om zijne woede te beteugelen; uit haren blik echter, dien

hij juist had opgevangen, sprak zulk eene diepe verontwaardiging,

zulk eene onbegrensde verachting, dat hij die nimmermeer vergat, en

het dwaze denkbeeld in hem oprees, dat hij door de oogen der vrouwen

vergiftigd zou worden. Als hij na dat tijdstip eene vrouw ontmoette,

kromp hij van angst ineen, en verschool zich achter dezen of genen

die met hem was, tot hij eindelijk beval alle bewoneressen van het

paleis te Memphis, zijne moeder niet uitgezonderd, naar Ekbatana

te brengen. Araspes en Gyges ontvingen bevel, haar naar Perzië te

geleiden.

De koninklijke vrouwen waren met haar geleide te Saïs aangekomen,

en daar in het paleis der pharao's afgestegen. Tot deze stad had

Cresus haar uitgeleide gedaan. Cassandane was in de laatste jaren zeer

veranderd. Diepe voren, door ergernis en lijden geploegd, ontsierden

haar vroeger zoo schoon gelaat; maar de smart had hare hooge, fiere

gestalte toch niet kunnen krommen.

Atossa, hare dochter, was daarentegen, in spijt van onnoemelijk veel

verdriet, steeds schooner geworden. Het moedwillige meisje werd eene

volkomen ontwikkelde vrouw, die zich van hare eigenwaarde bewust was;

het onstuimige, weerbarstige kind eene krachtige echtgenoote, die het

aan vastheid van wil niet ontbrak. De ernst des levens en drie, aan

de zijde van haar razenden gade en broeder doorleefde treurige jaren

waren bijzonder geschikt geweest, om haar in geduld te oefenen, doch

hadden haar evenwel eene eerste liefde niet kunnen doen vergeten. De

vriendschap van Sappho bood haar eenige schadeloosstelling voor het

verlies van Darius.

De jonge Griekin was, sedert het verdwijnen van haar echtvriend, geheel

veranderd. Het rozenwaas was sinds lang van hare wang weggevaagd, de

glimlach van geluk speelde niet meer om haar mond. Buitengemeen schoon,

in weerwil van hare bleekheid, hare saamgetrokken wimpers en lustelooze

houding, deed zij aan Ariadne denken, die de terugkomst van Theseus

verbeidde [479]. Smachtend verlangen sprak uit den opslag harer oogen,

uit den toon harer zachte stem, uit de statige langzaamheid van haar

tred. Vernam zij het geluid van een driftig naderenden voetstap, werd

er een deur haastig geopend, of liet zich plotseling een mannenstem

hooren, dan ontroerde zij geweldig, rees ijlings op en luisterde, om

onmiddellijk daarop teleurgesteld, maar toch nog niet zonder hope,

weder te gaan zitten en te peinzen en te droomen, gelijk zij reeds

als meisje zoo gaarne deed.

Maar als zij met het kind speelde of het verzorgde, dan scheen zij

geheel de oude gelukkige moeder te worden, dan werden hare wangen

weder gekleurd, dan glinsterden hare oogen, dan was 't alsof zij weder

onverdeeld voor het tegenwoordige leefde, in plaats van in het verleden

of in de toekomst. Dat kind was haar alles. In dat kind leefde Bartja

met haar voort; op dat kind kon zij, zonder ook maar in het geringste

te kort te doen aan den onvergetelijke, die van haar was weggescheurd,

al de volheid harer liefde overbrengen; in dat kind had de godheid

haar een levensdoel gegeven, en een band, die haar hechtte aan eene

wereld, die anders, sinds het verdwijnen van den beminde, geene waarde

meer voor haar had. Menigmaal dacht zij, als zij het lieve wicht in

de blauwe kijkers staarde, die zoo sprekend op vaders oogen geleken:

»Ach, waarom is het geen jongen? Die zou met iederen dag meer op zijn

vader gelijken, en eindelijk als een tweede Bartja, gesteld dat er

zulk een zijn kon, vóór mij staan!" Maar dergelijke gedachten werden

in den regel even spoedig onderdrukt als zij in haar oprezen, en dan

sloot zij de lieve Parmys met verdubbelde teederheid aan haar hart,

en noemde zichzelve een dwaas en ondankbaar schepsel.

Op zekeren dag had ook Atossa, getroffen door de gelijkenis van het

kindeke op zijn vader, uitgeroepen: »Jammer, dat Parmys geen jongen

is! Hij zou zijn vader eens evenaren en, als een tweede Cyrus,

over Perzië regeeren!" Weemoedig lachende stemde Sappho met hare

schoonzuster in, en overlaadde de kleine met kussen; doch Cassandane

zeide: »Merk hierin de goedheid van de goden op, mijne dochter,

dat zij u een meisje schonken. Ware Parmys een jongen, dan zou men

u het kind, zoodra het de zes jaren had bereikt, ontnemen, om het

met de zonen der andere Achaemeniden te doen opvoeden, terwijl het

dochterke nog lang onder uwe hoede zal blijven."

Sappho huiverde bij de gedachte alleen, zich van haar kind te moeten

scheiden. Zij drukte het blonde kopje weder aan hare borst, en vond

van nu aan niets meer op haar kostbaren schat aan te merken.

De vriendschap van Atossa werkte allerheilzaamst op het gewonde

hart der jonge weduwe. Met haar kon de bedroefde, zoo dikwijls en

zoo lang zij wilde, over Bartja spreken, en altijd vond zij in haar

eene geduldige en deelnemende toehoorderes. Want ook Atossa had den

spoorloos verdwenen broeder zeer liefgehad. Maar zelfs een vreemde

zou gaarne aan Sappho's vertellingen het oor hebben geleend. Want niet

zelden nam zij een hooger vlucht, en scheen, als ze de herinneringen

uit den bloeitijd van haar geluk in woorden kleedde, eene door de

goden bezielde dichteres te zijn. En als zij het snarenspeeltuig greep,

en de gloeiende, smachtende liederen van den Lesbischen zwaan [480],

waarin zij hare eigene gewaarwordingen terugvond, met hare zuivere,

zoo aandoenlijk klagende stem zong, dan was het haar of ze met den

geliefde, te midden van de stilte van den nacht, onder welriekende

jasmijn nederzat; dan vergat zij, door hare verbeelding weggesleept,

voor een oogenblik de koude, droeve werkelijkheid geheel en al. En

telkens, als zij het speeltuig nederlegde, om met een zucht zich

aan het rijk der droomen te ontrukken, wischte Cassandane, schoon

zij de Grieksche taal niet verstond, zich een traan uit het oog,

en boog Atossa zich over haar heen, om haar voorhoofd te kussen.

Aldus waren drie lange jaren voorbijgegaan, in welke zij hare

grootmoeder slechts zelden had gezien. Volgens 's konings wil

toch mocht zij het vrouwenverblijf nooit zonder het geleide en

de toestemming van Cassandane of van de eunuchen verlaten. Thans

had Cresus, die haar nog gelijk voorheen als eene dochter liefhad,

Rhodopis naar Saïs doen overkomen. Sappho kon niet besluiten Egypte

te verlaten, zonder van hare trouwste vriendin afscheid te hebben

genomen, en zoowel Cassandane als de grijze Lydiër billijkten haar

verlangen naar Rhodopis. Buitendien had de weduwe van Cyrus zoo veel

goeds gehoord van de edele grootmoeder harer schoondochter, dat zij

hartelijk wenschte haar te leeren kennen, en haar, nadat Sappho de

beminde vrouw op de teederste wijze had verwelkomd, bij zich ontboden.

Toen de beide grijze weduwen tegenover elkander stonden, had zeker

niemand, voor wie beiden vreemd waren, kunnen beslissen, wie van

de twee de koningin was. Hij zou ze voorzeker beiden voor vorstinnen

hebben gehouden. Cresus, die zoowel met de Griekin als met de Perzische

vorstin innig bevriend was, voorzag in de behoefte aan een tolk,

en wist, ondersteund door den buigzamen geest der Helleensche, het

gesprek langen tijd levendig en boeiend te houden.

Nadat Rhodopis, met de haar alleen eigene toovermacht, Cassandane's

hart voor zich gewonnen had, meende de koningin, volgens Perzisch

gebruik, haar welgevallen niet beter te kunnen toonen, dan door haar

uit te noodigen den een of anderen wensch uit te spreken. Een oogenblik

aarzelde de Helleensche, toen hief zij de handen smeekend op en sprak

met bevende stem: »Geef mij Sappho, den troost en de kroon van mijn

ouderdom weder!"

Cassandane's gelaat toonde eene pijnlijke teleurstelling. Zij

antwoordde: »Dien wensch kan ik niet vervullen, want onze wet gebiedt,

dat de kinderen der Achaemeniden aan de poorten des konings moeten

worden opgevoed. Ik mag de kleine Parmys, de eenige kleindochter van

Cyrus, niet van mij laten gaan en, Sappho zal, hoe lief zij u ook

hebbe, toch wel in geen geval van haar kind willen scheiden. Ook is

zij mij en mijne dochter zoo dierbaar, ja, ik zou haast zeggen zoo

onmisbaar geworden, dat ik haar, schoon ik uw verlangen naar haar

bijzijn zeer goed begrijp, aan niemand ter wereld zou willen afstaan."

Zoodra Cassandane zag, dat er tranen opwelden in de oogen der Griekin,

vervolgde zij: »Maar ik weet, een goed middel. Verlaat Naucratis en

ga met ons naar Perzië. Daar zult gij uwe laatste jaren met ons en

uwe kleindochter slijten, en als eene vorstin behandeld worden."

Rhodopis schudde het schoone, grijze hoofd, en hernam met nauw

hoorbare stem: »Ik dank u voor uw vriendelijk aanbod, edele vorstin;

maar ik gevoel, dat ik niet in staat zou zijn er gebruik van te

maken. Al de vezelen van mijn hart zijn in Griekenland vastgeworteld,

en zouden met mijn leven wegsterven, als ik mij voor immer van mijn

vaderland losrukte. Gewoon aan onafgebrokene werkzaamheid, levendige

gedachtenwisseling en onbeperkte vrijheid, zou ik binnen de enge

grenzen van den harem wegkwijnen en sterven. Door Cresus op uw gunstig

aanbod voorbereid, heb ik een zwaren strijd gehad, eer ik er toe kon

komen mij zelve te overtuigen, dat mijn plicht gebiedt, wat mij 't

liefste is voor mijn hoogste goed op te offeren. Zooveel moeilijker

het is, rein en goed, dan gelukkig te leven, zooveel roemrijker,

zooveel waardiger is het van eene Helleensche in plaats van het geluk

haar plicht te volgen. Mijn hart trekt met Sappho naar Perzië, mijne

geestvermogens en mijne ervaring behooren den Grieken. Als gij soms

te eeniger tijd mocht vernemen, dat in Hellas niemand buiten het volk

regeert, en zich dat volk voor niets dan zijne goden en wetten, het

goede en schoone buigt, denk dan dat het doel, waaraan Rhodopis haar

leven wijdde, in vereeniging met de besten onder de Hellenen bereikt

is. Duid het der Griekin niet ten kwade, dat zij, laat ik het maar

uitspreken, liever als eene vrije bedelares van verlangen sterft,

dan leeft als eene gelukkig geprezene, maar gebondene vorstin."

Met verbazing had Cassandane de Grieksche vrouw dus hooren spreken. Zij

begreep haar slechts ten halve; doch zij voelde dat Rhodopis waarheid

gesproken had, en reikte haar dus, toen zij ophield met spreken, de

hand ten kus. Daarop zeide zij, na een oogenblik te hebben nagedacht:

»Handel, gelijk gij zult goedvinden, en wees verzekerd, dat het uwer

kleindochter, zoolang ik en mijne dochter leven, niet aan trouwe

liefde zal ontbreken."

»Daarvoor zijn uw edel gelaat en de hooge roep uwer deugd mij zekere

waarborgen!" antwoordde Rhodopis.

»Zoo ook beschouw ik 't als mijn plicht, wat men tegen uwe kleindochter

misdreven heeft, zooveel mijne krachten toelaten, weder goed te maken."

De koningin slaakte een smartelijken zucht, en vervolgde: »Ook zal

de meest mogelijke zorg worden gewijd aan de opvoeding van de kleine

Parmys. Zij schijnt door de natuur rijk bedeeld te zijn, en zingt thans

reeds hare moeder de melodieën van haar vaderland na. Ik keur hare

neiging voor de muziek in 't geheel niet af, ofschoon ze in Perzië,

uitgenomen bij den godsdienst, slechts door menschen uit den geringen

stand pleegt te worden beoefend."

Bij deze woorden raakte Rhodopis in geestdrift, en zeide: »Veroorlooft

gij mij, o koningin, vrij uit te spreken?"

»Spreek onbevreesd!"

»Toen gij straks zoo diep zuchttet bij de gedachte aan uw spoorloos

verdwenen, voortreffelijken zoon, dacht ik: misschien zou de jonge,

edele held nog in leven zijn, als de Perzen hunne zonen eene betere,

laat ik liever zeggen eene veelzijdiger opvoeding wisten te geven. Ik

heb mij door Bartja laten mededeelen, wat den Perzischen knapen zoo al

geleerd wordt. Boogschieten, speerwerpen, rijden, jagen, de waarheid

spreken, en soms eenige schadelijke en heilzame kruiden onderscheiden,

ziedaar alles, wat men bij u te lande oordeelt, dat zij noodig hebben

te weten. Onze Helleensche knapen worden evenzeer lichamelijk geoefend

en gehard, want de geneesheer is slechts de hersteller, de gymnastiek

de schepper der gezondheid. Maar gesteld dat een Helleensch jongeling,

door aanhoudende oefening, sterker dan een stier ware geworden,

waarachtiger dan de godheid, en wijzer dan de geleerdste Egyptische

priester, zoo zouden wij toch met minachting op hem nederzien, als

hem ontbrak, wat hem slechts door eene vroegtijdige en eene grondige

beoefening van de met de gymnastiek nauw verwante muziek kan worden

geleerd: zachtmoedigheid en gematigdheid.--Gij glimlacht, wijl gij

mij niet begrijpt; gij zult mij echter gelijk geven, als ik u zal

hebben aangetoond, dat de muziek, die u, naar hetgeen Sappho mij

verhaald heeft, zeer schijnt te treffen, van even groot belang voor

de opvoeding is als de gymnastiek. Beide dragen, het zal u misschien

vreemd in de ooren klinken, gelijkelijk bij tot de volmaking van

ziel en lichaam. Wie zich uitsluitend aan de muziek wijdt, zal in

den beginne, als hij woest van natuur is, week en buigzaam worden

als het erts in den oven, en zijne ruwheid zal verzacht worden. Maar

ten laatste zal zijn moed verslappen; in plaats van in drift op te

vliegen, zal hij over kleinigheden tranen storten, en nimmer een goed

soldaat worden, 't geen toch vóór alle andere dingen het streven der

Perzen is. Wie zich uitsluitend in de gymnastiek oefent, zal, ja,

als Cambyzes, eens de grootst mogelijke kracht aan dapperheid paren,

maar zijn ziel--hier houdt mijne vergelijking op--blijft stomp en

blind, terwijl zijne gewaarwordingen onzuiver zijn. Voor de rede zal

hij doof zijn, en, een tijger gelijk, met ruw geweld zijn wil trachten

door te drijven. Zijn leven zal waarschijnlijk een onbesuisd, geweldig

jagen en drijven zijn, zonder dat hij zachtmoedigheid of gematigdheid

kent. Daarom bestaat de muziek niet alleen voor de ziel, de gymnastiek

niet alleen voor het lichaam, maar beide ten nauwste verbonden moeten

het lichaam krachtig maken, en de ziel verheffende en tot kalmte

stemmende, den geheelen mensch eene mannelijke zachtmoedigheid en

eene zachtmoedige mannelijkheid geven [481].

Rhodopis zweeg een oogenblik, en vervolgde toen: "Wien zulk eene

opvoeding niet ten deel valt; wie buitendien van zijne jonkheid aan

zijne ruwheid vrij den teugel kan vieren, hoe en jegens wien hij wil;

wie nooit iets anders dan vleierijen, nooit eene gepaste vermaning

hoort; wie mag bevelen, alvorens te hebben leeren gehoorzamen; wie

eindelijk opgevoed wordt volgens het beginsel, dat uitwendige glans,

macht en rijkdom de hoogste, meest wenschelijke goederen zijn, hij kan

nooit tot die waarachtige, edele mannelijkheid opklimmen, welke wij van

de goden voor onze jongens afsmeeken. En als zulk een ongelukkige met

een heftige gemoedsgesteldheid en een zinnelijk hart geboren wordt,

zoo zal, zonder den verzachtenden invloed der toonkunst, tengevolge

der bloot lichamelijke oefeningen, zijne teugelloosheid steeds

toenemen. Het kind, dat wellicht niet zonder goeden aanleg ter wereld

kwam, zal, tengevolge der slechte opvoeding, eens een wild dier, een

zwelger, die zichzelven vermoordt en een waanzinnige woestaard worden."

Hier zweeg de levendige matrone. Toen haar blik de vochtige oogen

der koningin ontmoette, gevoelde zij, dat zij te ver was gegaan, en

een edel moederhart diep gekrenkt had. Zij greep Cassandane's gewaad,

bracht den zoom er van aan hare lippen, en zeide op smeekenden toon:

»Vergeef mij!"

Cassandane boog even het hoofd, ten teeken, dat zij der spreekster

het harde woord niet toerekende, groette haar, en maakte zich gereed

het vertrek te verlaten. Op den drempel keerde zij zich nog eens

om en zeide: »Ik ben niet boos op u, want uwe verwijten waren maar

al te gegrond. Doch beproef gij desgelijks te vergeven, want ik zeg

u dat hij, die het geluk van uw en van mijn kind verwoestte, wel de

machtigste, maar ook de beklagenswaardigste aller menschen is. Vaarwel,

en denk, indien gij ooit eenige hulp behoeft, aan de weduwe van Cyrus,

die u dank zegt voor uwe vrijmoedigheid, en er u in dit oogenblik

aan herinnert, dat men den Perzen vóor alle dingen grootmoedigheid

en vrijgevigheid leert."

Dit gezegd hebbende, verliet Cassandane het vertrek.

Op dienzelfden dag ontving Rhodopis de tijding, dat Phanes, nadat

hij te Croton den laatsten tijd in de nabijheid van Pythagoras had

doorgebracht, steeds lijdende aan zijne wonden, zich bezig houdende

met ernstige beschouwingen, eenige maanden geleden met de kalmte van

een wijze gestorven was.

Rhodopis werd door deze tijding diep getroffen en zeide tot Cresus:

»In Phanes verliest Griekenland een zijner voortreffelijkste mannen;

doch reeds ontwikkelen er zich velen, die hem zullen gelijken. Daarom

vrees ik, evenals hij, niets van de toenemende macht der Perzen. Ja,

ik geloof dat mijn vaderland, met zijne vele kloeke mannen, als eene

roofgierige hand zich daarnaar uit mocht strekken, tot een reus zal

worden met een hoofd vol goddelijke kracht, die het ruw geweld zoo

zeker zal trotseeren als de geest over het lichaam heerscht."

Drie dagen later nam Sappho voor het laatst afscheid van hare

grootmoeder, en volgde de koninginnen naar Perzië, waar zij, in weerwil

van de volgende gebeurtenissen, nog altijd aan de mogelijkheid van

Bartja's terugkomst geloovende, zich geheel wijdde aan de opvoeding

harer dochter en aan de verpleging der grijze Cassandane.

De kleine Parmys groeide op tot een meisje van zeldzame schoonheid, en

leerde naast de goden niets zoo vurig liefhebben als de nagedachtenis

van haar vader, dien zij kende uit de vaak herhaalde beschrijvingen

van hare moeder, als had zij hem nog niet lang geleden gezien.

Atossa bleef voor haar, niettegenstaande het groote geluk, dat weldra

haar deel zou worden, de oude vriendschap gevoelen, en placht haar

nooit anders dan 'zuster' te noemen.

In den zomer bewoonde Sappho de hangende tuinen te Babylon, en gedacht

dan dikwijls in hare gesprekken met Cassandane en Atossa de Egyptische

koningsdochter, die de onschuldige oorzaak was geweest van zoovele

voor groote rijken en edele menschen noodlottige gebeurtenissen.

Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers · 第 36 / 38 题