AANTEEKENINGEN

[1] Naar de stad Canobus, niet ver van het tegenwoordige Rosette

gelegen.

[2] Van welke schepen de Egyptenaars zich bedienden, kan men

o.a. zien bij Dümichen, Die Flotte einer Egyptischen Königin. De oude

gedenkteekenen doen ons duidelijk opmerken, welke vorderingen zij

langzamerhand in den scheepsbouw hebben gemaakt. Reeds op monumenten

uit den pyramidentijd vinden wij afbeeldingen van scheepstimmerwerven,

en in het museum te Leiden scheepsmodellen. Vgl. verder: Ebers,

Cicerone durch das alte und neue Aegypten en A. Erman, Aegypten und

ägyptisches Leben im Altertum.

[3] Een lichte zomermantel van zeer fijne stof, die elegante Atheners

gewoon waren te dragen. De Dorische Grieken, met name de Spartanen,

droegen een eenvoudigen mantel (himation).

[4] Deze stad lag in de zoogenaamde Delta, in de Saïtische provincie,

aan den linkeroever van den Canobischen Nijlarm. Zij werd omstreeks 749

v. Chr. door Milesiërs gesticht. Door de zorg van de Egypt. Exploration

Fund werden in den jongsten tijd hare grondslagen teruggevonden. In

de nabijheid van deze bloeiende handelstad koos Alexander de Groote

later de plek tot stichting van Alexandrië.

[5] Wij zijn in October, wanneer de rivier reeds begint te

dalen. Vgl. Ebers' Warda (vert.) Dl. I, blz. 169.

[6] Spartanen droegen geen knevels.

[7] Gelijk de Grieken hunne gastmalen door muziek opluisterden, zoo

vinden wij ook op de oud-Egyptische afbeeldingen bij de maaltijden

vrouwen, blazende op dubbele fluiten, blinde harpspelers, enz.

[8] Alkman (Alkmaeon) leefde in Sparta omstreeks 650. Om de vele door

hem vervaardigde maagdenkoren (Partheniën), om zijne lofliederen op

de vrouwen, en om de vriendschappelijke betrekkingen, waarin hij

tot vele Spartaansche vrouwen stond, zou hij den Lacedaemonischen

"vrouwenvereerder" genoemd kunnen worden. Zijne liederen waren ook in

Egypte bekend, blijkens enkele die men op een papyrus heeft gevonden.

[9] Meer bekend onder hare Romeinsche naam Gratiën (Aglaja, Thalia,

Euphrosyne).

[10] De beste afbeeldingen zijn in de graven van Tel el Amarna (18e

dynastie) gevonden. Ze worden ook aangetroffen in de graven van de

doodenstad van Thebe, bijv. in het door Ebers ontdekte graf van Amen em

heb, die een groot liefhebber van bloemen was. Vgl. Lepsius. Denkmäler

aus Aegypten und Aethiopien.

[11] Aan den ingang van Egyptische landhuizen stonden gewoonlijk

obelisken, waarop de namen van de eigenaars te lezen waren. Vanen

of wimpels komen bijna uitsluitend bij tempelpoorten voor, en men

kan nog de sporen der krammen zien, waar eens de vlaggestok werd

ingestoken. Uit opschriften blijkt, dat men had opgemerkt, hoe de

masten, die bij de pylonen (poorten) voor het hijschen van wimpels

soms werden opgericht, ook als bliksemafleiders dienst deden. De

vanen waren ook aan de Grieken niet onbekend.

[12] Schikgodinnen.

[13] De hoofdmaaltijd, het "deipnon," werd door de Atheners eerst

laat in den avond gebruikt.

[14] Men kan de Grieksche hetaeren niet met onze lichte vrouwen

vergelijken. De beste onder hen hebben door vernuft en beschaving

uitgemunt. Men denke aan Aspasia. In de publieke opinie stonden zij

geenszins laag aangeschreven. Vgl. Becker, Charikles II, 51-69.

[15] Volgens Xenophanes, zijn tijdgenoot, werd hij 154, volgens

Plinius 299 jaren oud. In 576 was hij te Sparta.

[16] Zoo werd de Nijl oudtijds, bijv. in de gedichten van Homerus,

door de Grieken genoemd.

[17] Een geboren Samiër van adellijke familie.

[18] De bekende fabeldichter vertoefde werkelijk voor zijne vrijlating

tegelijk met Rhodopis bij Jadmon.

[19] Een slaaf, die met de opvoeding der kinderen was belast, en zich

in den regel door fijnere beschaving onderscheidde. Hij vergezelde

de knapen overal, ook als ze naar de scholen gingen.

[20] Volgens Herodotus was Rhodopis zoo schoon, dat iedere Helleen

haar naam kende.

[21] Een der voortreffelijkste lierdichters der oudheid. Zijne liederen

getuigen van een vurigen geest en zijn onberispelijk van vorm. Het

lijdt geen twijfel of hij heeft zich met Charaxus ook te Naucratis

opgehouden. Vgl. over hem en andere hier genoemde Grieksche dichters:

enz. J. C. Spakler en J. Heemskerk. Handl. tot de studie der oudheid,

en W. Wägner, Hellas, vert. door J. C. van Deventer.

[22] Dichteres, bekend door hare ongelukkige liefde voor Phaon. J. van

Lennep koos deze legende tot onderwerp voor een zangspel. Grillparzer,

voor een drama. Van haar zijn maar twee volledige oden en eenige

fragmenten bewaard gebleven.

[23] Aldus genoemd in het O. Test. Bij de Grieken heet hij Apriës

en Uaphris; op zijn naamschild in hiëroglyphen Uah-ph-ra-het. Hij

behoorde tot de 26e dynastie en regeerde van 588-569.

[24] Hij heet op de naamschilden (cartouches) Aahmes, d.i. jonge

maan. Zijn bijnaam was Se-Net, d. i. zoon van Neith. Zijn naam vindt

men o. a. op een monoliet-tempeltje van rood graniet in het museum

te Leiden.

[25] Een bekend spreekwoord der oudheid, ontleend aan de gevaarlijke

rots en draaikolk in de zeeëngte tusschen Italië en Sicilië.

[26] Ongerijmd voor zooverre men oordeelde naar de uiterlijke

vormen. De wijsheid der Egyptische priesters werd echter door de

Grieken zeer gewaardeerd. De Nieuw-Platonische wijsgeeren hebben

daaraan veel ontleend.

[27] Het tegenwoordige Marseille, omstreeks 600 v. Chr. door Phocaeërs

gesticht.

[28] In Egypte bestond een strenge politie. Amasis zou zich ten

opzichte van hare organisatie zeer verdienstelijk hebben gemaakt. Men

nam in dit corps bij voorkeur vreemdelingen op, gelijk uit talrijke

opschriften en papyrussen blijkt.

[29] Kort vóor het tijdperk, waarin deze geschiedenis aanvangt, hadden

Pisistratus van Athene, Polycrates van Samos en Lygdamis van Naxos

de heerschappij van den adel doen vallen, en zich meester gemaakt

van het bestuur.

[30] Vgl. Becker, Charikles, I, Pl. 1, bl. 166-205.

[31] Over de beroemde plastische kunst der Aegineten kan men oordeelen

naar de groepen uit den gevel van den Athene-tempel op Aegina,

door Thorwaldsen gerestaureerd en naar de glyptotheek te Munchen

overgebracht. Afgietsels vindt men op het museum te Leiden.

[32] Eene houtsoort afkomstig uit de oase van Jupiter-Amon in de

Libysche woestijn. Het was zoo kostbaar, dat Cicero ongeveer 96,000

gulden betaalde voor eene tafel van dit hout. Egyptische stoelen

vindt men in de musea te Leiden.

[33] Eene soort van cither.

[34] Olie geperst uit de vruchten van den wonderboom (ricinus

communis). De Egyptenaars noemden de olie, die zij gebruikten om te

branden, en zich te zalven, en misschien ook den boom "kiki."

[35] Reeds Salomo liet wagens en paarden in Egypte koopen. (1 Kon. X,

28 v.); een paard kostte ongeveer 135, een wagen 540 gulden. Paarden

en wagens komen op Egyptische monumenten veelvuldig voor.

[36] Naam der priesteres te Delphi, die het orakel uitsprak.

[37] beroemde Grieksche wijsgeeren. Vgl. Spakler en Heemskerk,

en Wägner.

[38] Men herinnere zich Schillers lied. "Die Kraniche des Ibycus."

[39] Stad in Beneden-Italië, berucht wegens hare weelderige

levenswijze. Een zwelger, een lekkerbek werd daarom een Sybariet

genoemd.

[40] Het onderkleed, een soort van hemd.

[41] Een bijnaam, dien men Apollo gaf, om zijne dubbelzinnige duistere

orakelspreuken.

[42] In den regel had iedere gast zijn eigen tafeltje. Xenophanes

die ongeveer in dezen tijd leefde, geeft eene beschrijving van een

gastmaal, waarin eene tafel voorkomt, die hier tot model heeft gediend.

[43] Sicilië. Deze kaas werd voor een bijzondere lekkernij gehouden.

[44] De Grieken dronken altijd wijn met water, gewoonlijk in de

verhouding van 2/5 tot 3/5. Het drinken van onvermengden wijn,

behalve als geneesmiddel, was door Solon en Zaleucus streng verboden.

[45] De Egyptenaars wisten evenals de Grieken keurige bekers en

drinkschalen te vervaardigen, hetzij van metaal, hetzij van fijne

kleiaarde met glazuur, zelden van glas. Zij komen in verschillende

vormen voor, bijv. van bloemen, van zoogdier- of vogelkoppen. In de

musea van Londen, Parijs, Berlijn, Turijn, alsmede te Leiden worden

er vele bewaard.

[46] De vrouwen zaten aan tafel, meestal op een stoel met eene hooge

steile rug en armleuningen. In den regel koos men door het lot iemand,

die het gastmaal leidde (symposiarch). Hier was Rhodopis zelve de

aangewezen persoon. Een slaaf des huizes had het toezicht over de

andere bedienden, voor een deel door de gasten medegebracht.

[47] Het drama was nog in zijne kindsheid. Thespis zou het eerst aan

de reizangers bij de Bacchus-feesten den vorm van een drama hebben

gegeven, door een gemaskerd persoon daarbij ten tooneele te voeren.

[48] Naam der Spartaansche slaven.

[49] Het symposium begon na den eigenlijken maaltijd. Gewoonlijk

werden ook nu eerst de hoofden bekransd, en wiesch men de handen met

een soort van zeep (smegma).

[50] Een Egyptenaar, die in schulden zat, kon de mummiën zijner

voorvaderen verpanden. Vgl. Ebers, Warda, Dl. I. Hoofdst. II.

[51] Memphis, waarvan de overblijfselen bij het dorp Mitrahenneh zijn

weergevonden, zou door Menes, volgens oude getuigenissen de eerste

koning van Egypte, aan den linkeroever van den Nijl gesticht, en door

kanalen en dammen tegen de overstrooming beveiligd zijn. Menes' zoon

en opvolger zou het paleis van Memphis hebben gebouwd. Hier stond eens

de tempel van den god Serapis (Serapeum), waarin de heilige stieren

(Apis) werden begraven, en een tempel van Ptah, en in later tijd het

kolossale standbeeld van Ramses II. De doodenstad (de pyramiden) is

het best bewaard gebleven. Mariëtte, een Fransch geleerde in dienst

van den onderkoning van Egypte, heeft zich door talrijke uitgravingen

en ontdekkingen voor de kennis van dezen ouden zetel der pharaonen

hoogst verdienstelijk gemaakt.

[52] De Psametichus der Grieken, de eerste koning uit de 26ste

of Saïtische dynastie, die Egypte opende voor het verkeer met het

buitenland. Uit de opschriften op de Apis-graven weten wij, dat hij

den 5den Febr. 664 den troon besteeg.

[53] De kat werd van alle dieren door de Egyptenaren voor het heiligste

gehouden en overál vereerd. Wie zulk een dier van kant had gemaakt,

werd zonder genade ter dood veroordeeld, of wel door het woedend

gepeupel op staanden voet omgebracht. De lijken dezer dieren werden

zorgvuldig gebalsemd, en kattenmummiën vindt men in alle musea, o.a. te

Leiden. Toch was er aan muizen geen gebrek. De papyrus-Ebers behelst

middelen tegen de muizen. Een papyrus te Turin vertoont een katten-

en muizenoorlog.

[54] Bubastis was eene stad in Neder-Egypte, gelegen nabij Saqaziq,

thans Tell Bastah geheeten. De godin Pacht had hier haar voornaamste

heiligdom. Vele katten-mummiën werden daarheen gebracht. Men schijnt

Pacht ook vereerd te hebben als de beschermgodin van de geboorte en

de kraamvrouwen.

[55] Mus, een eigennaam bij de Grieken zeer in gebruik, beteekent:

muis.

[56] Hathor was bij de Egyptenaars de godin der liefde. Zij was eene

der voornaamste godheden, en had haar grooten tempel in de doodenstad

van Thebe (Ebers, Warda, Dl I, Hoofdst. XIV.) Zij is de hemelsche

moeder, die de moeders op aarde ter zijde staat, de geefster aller

zegeningen. Men beeldde haar af met een koekop, want de koe was haar

heilig dier, de zonneschijf tusschen de hoornen dragende. Zij heet de

moeder van den God Horus. De godin Isis is Hathor in bovenzinnelijke

vorm. Hathor was de lievelingsgodin der koninklijke vrouwen.

[57] Een der beroemdste gebouwen van oud-Egypte, dat reeds dagteekende

van den vroegsten tijd, en door latere koningen telkens werd uitgebreid

en verfraaid. Ramses II richtte er standbeelden op voor zich, zijne

gemalin en twee zijner kinderen. Beelden, die Amasis er deed plaatsen,

lagen in den tijd van Herodotus reeds omver.

[58] Het bestond uit dertig rechters, namelijk tien uit Memphis, en

even zooveel uit Heliopolis en Thebe. De voortreffelijkste werd tot

voorzitter gekozen. Klachten en verdedigingen moesten schriftelijk

worden ingebracht, opdat men door woord en gebaren geen invloed op

de rechters zou oefenen.

[59] Volgens de Egyptische wet was hij, die van een misdrijf kennis

had gedragen, even schuldig als de dader.

[60] Aanvoerder eener taxis of hoofdman eener compagnie.

[61] Amasis had met goed gevolg een oorlog tegen Cyprus gevoerd.

[62] Stad in het westen van Neder-Egypte. Vandaar kwam een van de beste

Egyptische wijnen. Op de gedenkteekenen komen ook nog verschillende

andere roode en witte wijnsoorten voor, o. a. van Kakem.

[63] Oostelijke haven van Corinthe.

[64] De Noordenwind.

[65] Reeds in de oudheid bestond de gewoonte, om zijne vrienden van

eene reis kleine geschenken mede te brengen. Theocritus bracht voor

de vrouw van Nicias een elpenbeenen spinrokken mede, dat hij haar

zond met eenige dichtregelen, die door F. Rückert vertaald zijn. Ook

de Egyptenaars droegen armbanden in den vorm van slangen.

[66] Cimon liet voor deze paarden, waarmede hij driemaal overwon,

nabij Athene een gedenkteeken oprichten.

[67] Zij beroemden zich af te stammen van Ajax, gelijk de Alkmaeoniden

van Nestor, beide helden uit de gedichten van Homerus, Miltiades en

Cimon behoorden tot de Philaïden.

[68] Zij, die bij de Eleusinische mysteriën fakkels mochten dragen,

welk recht in Kallias' familie erfelijk was.

[69] Deze overwon drie Olympiaden later met zijne vier

hengsten. Phönix, Korax, Samos en Knakias, waarvoor hij gedenkteekenen

liet oprichten.

[70] Spanje. Rhoda lag in het tegenwoordige Catalonië, Tartessus

in Andalusië.

[71] De Zwarte zee.

[72] Ongelooflijke wonderen werden van hem verhaald. Zevenmaal overwon

hij te Olympia, negenmaal te Nemea, zesmaal bij de Pythische, tienmaal

bij de Isthmische spelen.

[73] Aan gehuwde vrouwen was het op doodstraf verboden bij de spelen

tegenwoordig te zijn.

[74] Karthagers.

[75] Een offer van honderd ossen, een feestoffer.

[76] Het heilige plataan- en olijvenwoud, dat, door een muur

afgesloten, tusschen den Alphaeus en de beek Cladeus lag. Op de

plaats van het oude Olympia zijn, op kosten der Duitsche regeering,

uitgravingen gedaan en belangrijke kunstschatten gevonden.

[77] De ruimte waarin de wedstrijden plaats hadden.

[78] Spartaansche bakers waren door geheel Griekenland beroemd.

[79] Stad nabij Olympia. Het lot bepaalde welke kampvechters tegen

elkaar zouden optreden, wanneer gebleken was, dat zij vrijgeborenen

waren, en dat er op hun leven niets viel aan te merken.

[80] Titel van den persoon, aan wien in Sparta het toezicht over de

opvoeding was toevertrouwd.

[81] Hij was uit Croton afkomstig. Na de Pisistratiden, Polycrates

en aan het Perzische hof gediend te hebben, keerde hij aldaar terug

en huwde de dochter van Milon.

[82] Volgens de wetten van het kampgevecht, had de overwinnaar,

wiens tegenpartij stierf, geen aanspraak op den prijs.

[83] Hij overwon in het vuistgevecht, in de 59ste Olympiade.

[84] Oorspronkelijk aangesteld om de koningen te vervangen gedurende

den Messenischen krijg, had de adel zich van deze staatsbetrekking

bediend, om tegenover de macht der vorsten eene andere te stellen. Als

hoogste rechterlijke beambten, die tegelijk het toezicht hadden over

de opvoeding en eene zedelijke politie uitoefenden, wisten zij zich

in vele aangelegenheden zelfs boven het koningschap te plaatsen.

[85] De Grieken lieten zich gewoonlijk door hunne slaven naar de

gastmalen begeleiden.

[86] De bedden der oudheid waren van hout, brons of elpenbeen,

soms ook gemetseld in den vorm van eene 7-8 voet lange en 2-2 1/2

voet hooge trede, waarvan de voorrand een weinig was verhoogd. De

matrassen en lakens werden daarop gelegd.

[87] De Grieken droegen niet zelden amuletten, om zich te beveiligen

tegen gevaren of voortdurende gezondheid te genieten. Nog menigvuldiger

komen zij bij de Egyptenaren voor, niet alleen om het kwaad van de

levenden, maar ook van de zielen der dooden af te wenden.

[88] Hij was de eerste Grieksche denker, die zich "philosophos", vriend

der wijsheid noemde en is zeker in Amasis' tijd in Egypte geweest.

[89] Halicarnassus lag aan de zuidwest-kust van Klein-Azië, thans

Bodru. De opgravingen van Newton en Pullans, in 1850 aangevangen,

hebben hier de prachtigste overblijfselen van Grieksche kunst,

o. a. het graf van koning Mausolos, aan het licht gebracht. Ofschoon

Herodotus getuigt, dat Phanes uit deze stad afkomstig was, heeft

Ebers dezen tot een Athener gemaakt, omdat hij in den persoon van

Phanes opzettelijk een Joniër handelend wilde doen optreden.

[90] Edelman.

[91] Het meest westelijke der drie schiereilanden van Macedonië.

[92] Zij werden om de vier jaren te Delphi gevierd, ter eere van

Apollo, den Python-dooder.

[93] Hades (Pluto), de god der onderwereld.

[94] Miltiades was door dezen volksstam, die den Thracischen

Chersonesus (het schiereiland Gallipoli) bewoonde, tot koning

uitgeroepen, omdat hij hunne naar Delphi trekkende gezanten had

geherbergd.

[95] Zoo heet hij op koningsschilden, te Karnak en op het eiland

Philae gevonden. De Grieken noemden hem Psammetichos of Psamenitos.

[96] Zoo komen zij voor op verschillende gedenkteekenen. Desgelijks

vindt men Isis en Hathor met het Horus-kind afgebeeld. Deze laatsten

schijnen tot model gediend te hebben van de oudste voorstellingen

van Maria met het Christus-kind.

[97] Zulke stokken zijn bijna in alle musea aanwezig, ook te Leiden. Te

Thebe moet men er gevonden hebben van kersenhout, hetgeen dubbel

merkwaardig zou zijn, daar kerse- en pruimeboomen thans in Egypte

niet meer worden gekweekt.

[98] Zulk een amulet stelde Ma voor, de godin der waarheid, die

een struisveder op het hoofd droeg. Zij werd ook afgebeeld met

geslotene oogen. De gansche priesterklasse of orde der Pterophoren

droeg struisvederen. Ook andere hoogere priesterorden sierden zich

daarmede het hoofd.

[99] De pharao werd altijd begeleid door personen met zulke staven

in de hand. "Waaierdragers" was de gewone titel der hofbeambten.

[100] In het Berlijnsch museum is zulk eene pruik aanwezig, waarvan

de krullen 2 voet 6 duim lang zijn. Het dragen van dit hoofddeksel,

dat den schedel voor de felle zonnestralen en de plotseling invallende

avondkoelte moest beschutten, had zijn oorsprong zeker te danken aan

het godsdienstig voorschrift om de haren te laten afscheren.

[101] "Uw zeil was van gestikte zijde uit Egypte." (Ezechiël 27 vs. 7).

[102] De Egyptenaars mochten geen zwijnenvleesch eten. In een graf

te Abd-el-Qoernah kan men dit verbod lezen. Het zwijn werd voor

een onrein dier gehouden. De god Typhon (Seth) had de gedaante van

een zwijn aangenomen. Zwijnenhoeders werden diep veracht. Alleen

bij het feest van Osiris en de Eileithyia werd zwijnenvleesch

geofferd. Waarschijnlijk is het Mozaïsch verbod aan de Egyptische

voorschriften ontleend.

[103] Naar eene afbeelding in het museum te Berlijn. Alle aanzienlijke

Egyptenaars bezaten meer of minder kostbare Nijlbarken. Op een

graf uit den pyramiden-tijd vinden wij reeds gewag gemaakt van een

hoofdopzichter over deze talrijke schepen. In het Leidsch museum zijn

modellen van Egyptische vaartuigen.

[104] Meer bekend onder den naam Smerdis, zooals de Grieken

hem noemden, men weet niet zeker waarom. Op de opschriften in

spijkerschrift van Bisitoen of Behistân heet hij Bartja of Bardiya,

Babylonisch Barzia.

[105] De kleuren van het Perzische koningshuis.

[106] Deze beschrijving van de Perzische kleederdracht is ontleend

aan Aeschylus, Xenophon, Curtius, het boek Esther en een te Pompeji

gevonden mozaïek, den slag bij Issus voorstellende, waarschijnlijk

afkomstig van eene Egyptische schilderes Helena, dochter van Timon.

[107] Om deze laarzen noemde het orakel Cresus "weekvoetig."

[108] De Grieken vereenzelvigden hun boozen god Typhon met dien der

Egyptenaars, Seth.

[109] Zoo noemden de Egyptenaars zelve hun land, naar de donkere

kleur van den bodem.

[110] De Persen hadden werkelijk onder de Achaemeniden geene tempels,

alleen altaren. Wat de dooden aangaat, het onreine lijk mocht noch de

reine aarde bezoedelen, noch aan het reine vuur of het reine water

worden overgegeven. Men legde dus dakhma's of begraafplaatsen aan,

die ten minste vier duim dik met cement bepleisterd en met touwen

omgeven moesten zijn. Dit beteekende, dat het geheele gebouw in de

vrije lucht hing.

[111] Dat een vreemde volksstam van dezen naam, over welks herkomst

verschil van gevoelen bestaat, werkelijk meer dan 400 jaren over het

grootste gedeelte van Egypte heeft geheerscht, is uit monumenten en

papyrussen gebleken. Zij drongen de wettige koningen naar het Zuiden

terug. Hunne verdrijving, omstreeks 1600 v. Chr., had plaats onder den

laatsten koning van de 17de dynastie en den eersten van de 18de. De

vreemde indringers, die niet met de Joden verward mogen worden, werden

den aat-u, geesels, pestmenschen genoemd.--De Ethiopiërs voerden

later onder drie koningen heerschappij over Egypte, waarvan Taharka

(Tirhaka) de laatste was. Zij werden in 693 teruggedreven.

[112] Onder het gevolg van Darius, dat Alexander de Groote gevangen

nam, waren 277 koks, 29 keukenjongens, 17 kuipers, 70 hofmeesters,

40 zalfbereiders en 66 kransenvlechters.

[113] Het portret van Amasis als jongeling wordt in de werken van

Rosellini en Lepsius gevonden. Uit de trekken blijkt, dat Herodotus

het karakter van dezen vorst goed geteekend heeft.

[114] Titel van Amasis. Alle andere pharao's voerden dergelijke

bijnamen en werden als goden vereerd, gelijk uit ontelbare

hiëroglyphische opschriften is gebleken. In de 26e dynastie komt de

titel Neb-pehti, heer van den krijgsroem, meermalen voor.

[115] Ra, met het mannelijk artikel Phra, was het middelpunt van

den Egyptischen zonnedienst. Hij werd inzonderheid te Heliopolis

(Hebr. On. Egypt. An) vereerd. Hij komt op de gedenkteekenen voor

met eene roode kleur. De sperwer was hem geheiligd. Aan hem zijn

de meeste hymnen en gebeden gericht, en in het Doodenboek speelt

hij de hoofdrol. Plato, Eudoxus en waarschijnlijk ook Pythagoras

hebben aan de voeten zijner priesters gezeten. De obelisken, volgens

Plinius afbeeldingen van de zonnestralen, waren hem geheiligd. Als

lichtgod bestuurde hij de zichtbare schepping, gelijk Osiris de

geestenwereld. Ra was de openbaring van Osiris, gelijk deze weder de

ziel van Ra. Als Ra treedt Osiris elken morgen zichtbaar te voorschijn,

om 's avonds tot zijn eigenlijk rijk terug te keeren. De Osiris-, Isis-

en Horus-mythe gaf aan deze voorstelling een allegorisch-dramatischen

vorm. (Vgl. Ebers, Warda, Dl. I, bl. 115. v.). Tot zijn dienst

behoorde de phoenix (Bennoe), die om de 500 jaren uit het palmenland

(oost-Phoenicië) kwam, om zich in den tempel te Heliopolis te

verbranden en uit zijn asch te verrijzen. Zoo vernieuwden ook die

tijdperken zich eeuwig. Het zesmaal terugkeeren van dit tijdperk

bepaalde den tijd, dien eene ziel noodig had, om geheel gelouterd

uit hare omzwerving terug te keeren.

[116] Grieksche berichtgevers niet alleen, maar ook de monumenten

kunnen dit getuigen. In sommige kamers heeft men de opschriften

gevonden in een toestand, die duidelijk bewees, dat ze opzettelijk

vernield waren. In de groote pyramide van Choefoe (Cheops), die het

volk met geweld had gedwongen aan zijn reusachtig graf te bouwen,

ja, de tempels had doen sluiten, opdat de godsdienst den arbeid niet

vertragen zou, vond men eene ledige en vernielde sarkophaag.

[117] Elke menschelijke ziel werd beschouwd als een deel der

wereldziel, Osiris, waarmede hij zich na den dood des lichaams

weder vereenigde, om dan Osiris genaamd te worden. De Egyptische

kosmos bestaat uit hemel, aarde en onderwereld. Op den oceaan, die

het hemelgewelf omgeeft, vaart de zonnegod in een schuit, getrokken

door sterren en planeten. De goden wonen daarboven in eeuwige rust. De

mensch nu behoort, wat zijn ziel aangaat, tot den hemel, zijn lichaam

tot de aarde, zijne gedaante of schim tot de onderwereld. Bij zijn dood

worden deze tijdelijk vereenigde deelen gescheiden, om tot die drie

rijken weder te keeren. Het was een der voornaamste voorschriften in

de Egyptische godsdienstleer, dat het lichaam zoowel voor bederf als

voor vernieling bewaard moest worden. Misschien hebben de priesters,

bij het opstellen van deze verordening, ook wel de gezondheid op het

oog gehad. Daarbij stelde men zich voor, dat de ziel nog gedurende

een grooten cyclus van zonnejaren aan het lichaam gebonden was, dat

zij ook naar welgevallen verlaten kon, om zich in allerlei andere

gedaanten aan de menschen te vertoonen.

[118] De door Ebers uitgegeven medische papyrus, die over het genezen

aller lichaamsdeelen handelt, heeft een aantal allermerkwaardigste

bijzonderheden omtrent de geneeskunst, de dokters en de geneesmiddelen

bij de Egyptenaars aan het licht gebracht.

[119] De Egyptische zuilen stellen meestal palmen voor, gekroond

door bloemen of het zaadomhulsel van de lotusplant, wanneer men

ten minste de kapiteelen niet versierde met het gelaat van goden,

zooals te Dendera. Ook komen dikwijls zuilen voor in den vorm van

papyrus-schachten.

[120] Volgens Herodotus zouden tweeduizend sterke schippers drie

jaren bezig zijn geweest, om dit gevaarte uit de steengroeven van

Syëne naar Saïs te brengen.

[121] Het tafereel van dit gezelschap is ontleend aan muurschilderingen

die Lepsius, Wilkinson, Rosellini e. a. in hunne werken hebben

afgebeeld, en gevonden worden in de rotsgraven van rijke Egyptenaars,

vooral in de Nekropolis van Thebe. Als de naastbestaanden van den

overledene in de grafkamers zich vereenigden om te offeren, dan

brachten die muurschilderingen hun het leven van den afgestorvene weder

voor den geest, met zijne werkzaamheden, bezittingen, uitspanningen,

enz.

[122] De gewoonte om de oogleden te verven, bestaat in Egypte nog. Men

bezigt daartoe vooral het sap van de henna-plant. Het Arabische

spiesglas, dat zij "mestem" noemden, komt op de monumenten en ook in

den papyrus-Ebers voor.

[123] Deze gemalin van Amasis moet volgens haar naamschild Sebaste

hebben geheeten. Deze naam zou Egyptisch kunnen zijn, en dan

beteekenen: dochter der godin Bast. Maar waarschijnlijk is het een

Grieksche bijnaam, beteekenende: "de geëerde, de aangebedene."

[124] Vgl. Ebers' Warda, Dl. I, bl. 60. In het museum te Leiden wordt

zulk een koninklijk hoofdsieraad bewaard.

[125] Anchnas, de weduwe van Psamtik II, schijnt Amasis' eerste vrouw

geweest te zijn.

[126] Egyptische vrouwen werden in de oudheid juist niet voor schoon

gehouden, hoewel Euripides spreekt van de schoone meisjes aan de oevers

van den Nijl. Onder de portretten der koninginnen en prinsessen zijn

inderdaad lieve gezichtjes, en ook bij de uitgravingen van Saqqara

heeft men proeven gevonden van zeer fijne gelaatstrekken. Er werden

in Egypte ook blondine's gevonden. Op de gedenkteekenen hebben de

vrouwen meest eene lichtgele huidkleur. Onder de Koptische vrouwen,

die men voor afstammelingen mag houden van de oude Egyptenaars,

munten vele door schoonheid uit.

[127] Afbeeldingen van danseressen en muzikanten vindt men in

de werken van Wilkinson e. a., muziekinstrumenten in de musea,

o. a. ook te Leiden. De zingende danseressen, zooals men in Egypte

nog vindt (Ghawasi), droegen den naam van Achennoe en schijnen tot

het personeel van aanzienlijke heeren gehoord te hebben. Voorname

familiën hadden hunne huiszangers; een hunner ziet men afgebeeld in

het graf van Neferhotep te Abd-el-Qoernah, waarbij een zijner niet

onverdienstelijke liederen te lezen staat.

[128] Op de monumenten zijn zoowel beschonken mannen als vrouwen

afgebeeld. Bijv. een man wordt, bijwijze van een balk, door drie

slaven op hun hoofd naar huis gedragen; een ander staat op zijn hoofd;

sommige dames zijn door het overtollig gebruik van wijn onpasselijk

geworden. Bij het groote Techoe-feest te Dendera schijnt de roes

tot het feestprogram te hebben behoord. Toch werd de dronkenschap

veroordeeld en vaak gestraft. In den papyrus-Anastasi IV wordt van

den dronkaard gezegd: "Gij zijt een tempel zonder godheid, een huis

zonder brood."

[129] Zulke beeldjes zijn er velen gevonden. De Grieken te Alexandrië

namen later deze gewoonte over, maar zij gebruikten een gevleugelden

genius des doods, in plaats van eene mummie. In vele graven leest

men spreuken als de volgende, uit dat van Neferhotep: "Vergeet alle

zorgen. Gedenk vroolijk te zijn, tot de dag aanbreekt voor de groote

reis, wanneer men aankomt in het rijk, waar alles zwijgt."

[130] Vooral de Demawend in het Elburs-gebergte.

[131] Deze verzekering heeft hij, gelijk blijken zal, tot waarheid

gemaakt.

[132] Dat een koning van Egypte op deze wijze den dag verdeelde,

zooals Diodorus mededeelt, wordt bevestigd door de gedenkteekenen.

[133] Opperbestuurder van eene nomos (Egypt. p--tasch of hesp) of

provincie. Wij weten thans dat het geheele land meestal in 26 Opperen

en 24 Neder-Egyptische provinciën was verdeeld, die genoemd werden

naar de hoofdplaatsen en elk weder drie onderafdeelingen hadden.

[134] De jaarlijksche overstroomingen van den Nijl, maakten het

aanleggen van dijken en dammen noodzakelijk. Verschillende vorsten

rekenden het zich tot eer voor deze werken te zorgen. Het is niet

onwaarschijnlijk dat Menes reeds den westelijken Nijlarm bij Memphis

deed afdammen. Ook wordt het niet meer betwijfeld, of het meer Meuris

is gegraven om de overstrooming te regelen.

[135] Herodotus en Xenophon verzekeren, dat het liegen bij de Persen

voor de grootste misdaad werd gehouden. Volgens den Zend-Avesta was

het zondigen tegen den alwetenden god des lichts. Darius zegt in een

opschrift van Behistân: "Ahoeramazda en de andere goden verleenden

mij bijstand, omdat ik geen leugenaar was."

[136] Vgl. voor Ramses II en het Egypte van zijn tijd: Ebers' Warda.

[137] De Egyptenaars waren zeer bedreven in de vestingbouwkunde,

zooals uit de afbeeldingen op de monumenten blijkt.

[138] Typhon, Egyptisch Seth, was de god van het kwade. Eerst sedert

de dagen der Hyksos, die hem vereerden, schijnen de Egyptenaars hem als

eene verderfelijke godheid te hebben beschouwd. Hij heet "de almachtige

verwoester." De schadelijke krachten in de natuur stonden onder zijn

bestuur, ook de bedriegelijke onvruchtbare zee. De weerbarstige ezel,

het logge Nijlpaard, de verslindende krokodil en het wilde zwijn zijn

zijne lievelingsbeesten. Rood was zijne kleur, roodharige menschen

heeten zijne kinderen. Schadelijke dingen worden daarom ook "roode"

genoemd. Men stelde hem voor met den kop van een krokodil, ezel of

nijlpaard, en met hangende borsten op den rug.

[139] De Egyptische astrologen waren wereldberoemd. Elk uur had

zijne planeten, die geluk of ongeluk voorspelden; Ammon (Jupiter) was

bijv. steeds gunstig, Seb (Saturnus) steeds ongunstig, Toth (Mercurius)

wisselvallig. De gesternten konden ook op enkele ledematen invloed

oefenen. De gedenkteekenen zijn vol van astronomische voorstellingen,

terwijl ook meer dan een feestkalender bewaard bleef.

[140] De Egyptische tempels zijn zóo gebouwd, dat zij, daar de

op elkander volgende zalen steeds lager worden, den aanbidder

stemmen tot aandachtigen ernst. Zie eene beschrijving in Schnaase,

Kunstgeschichte. I, 394.

[141] Dit meer (Sa-el-Hagar bij de ruïnen van Saïs) bestaat nog. Ebers

bezocht het. Zulke meren werden bij de meeste tempels gevonden.

[142] Poortgebouwen, of wel de torens, die door een poortdoorgang

verbonden waren.

[143] De jongste ontdekkingen hebben geleerd, dat volgens het

geloof der Egyptenaren de god Hor--Hoet (Horus) den booze en zijne

medestanders in de gedaante van eene gevleugelde zonneschijf

overweldigde, en dat, ter herinnering hieraan, de gevleugelde

zonneschijf met de Uraeusslang op alle tempels en heiligdommen moest

worden aangebracht. Dit symbool verkondigde dus den tempelganger,

dat het goede het kwade overwint, het licht de duisternis, de

vruchtbaarheid de dorheid en het leven den dood.

[144] Dit Egyptisch gebod, dat zoo veel overeenkomst heeft met het

vierde der Tien Geboden, komt voor in den Papyrus-Prisse, het oudste

ons bekende hiëratisch handschrift.

[145] Ethiopië.

[146] De gemalin of zuster van Osiris. Zij is de natuur, waarin

de godheid zich openbaart. Zij kan ook beschouwd worden als de

verpersoonlijking van de door de godheid vruchtbaar gemaakte aarde. De

koe was haar geheiligd en meermalen wordt zij met een koekop afgebeeld.

[147] Op de monumenten zien wij niet alleen geringe Egyptenaars, maar

ook de pharao's zich met dammen en dergelijke spelen bezighouden. Zoo

bezitten wij eene voorstelling van Ramses, spelende met zijne

dochter. In de musea van het Louvre en Boulaq worden schoone damborden

bewaard.

[148] In alle musea vindt men zulke ballen, o. a. te Leiden.

[149] De gedenkteekenen en koningslijsten bewijzen, dat ook vrouwen

konden regeeren. De echtgenoot van eene kroonprinses, werd door

haar koning. Vorstinnen hadden haar eigen inkomen, en wanneer

zij na haren dood onder de godinnen werden opgenomen, hare eigene

priesterschap. Kortom, uit alle getuigenissen blijkt, dat de vrouwen

bij de Egyptenaars gelijke rechten hadden als de mannen.

[150] Simonides van Amorgos, de dichter der Pandora-sage, had

het vooral op de vrouwen gemunt, die hij vergelijkt met allerlei

onreine dieren. De vrouw die het karakter der bij had, was alleen

goed. Phocylides, een barsch, vinnig maar scherpzinnig man, en de

mismaakte Hipponax waren zijne navolgers. Onder de Egyptenaars waren

er niet minder, die op slechte vrouwen scholden, en ze met hyena's

en panthers vergeleken.

[151] Over dezen scheldnaam, dien men later aan Darius gaf, nader in

het 3de Boek.

[152] Aoeramazda (Ahoera-Mazda) wordt in de spijkeropschriften de

groote en reine god der Persen genaamd, meer bekend onder den naam

Ormuzd. Hij staat tegenover Angramainjus of Ahriman, den god der

duisternis en van het booze.

[153] Nebucadnezar zou dit reuzenwerk hebben doen vervaardigen voor

zijne Perzische gemalin Amytis.

[154] Uit zulke in Egypte opgevoede Hellenen zou Psamtik I eene

kaste der tolken hebben gevormd. Herodotus is zeker door zulk een

"dragoman" rondgeleid.

[155] Zulke torentjes vindt men daar heden nog.

[156] De handwerkslieden waren en zijn nog altijd gewoon in de vrije

lucht, of in wijdgeopende werkplaatsen te arbeiden.

[157] Toovenaars en slangenbezweerders waren in het oude Egypte in

het geheel niet zeldzaam. Nog worden er ontelbare gevonden. Hekt was

de godin der magie. Choensoe komt op een schild in de bibliotheek te

Parijs voor als verdrijver der booze geesten.

[158] Libyë heette de westelijke Nijloever, met het land daarachter. De

streek die aan de woestijn grensde, was rijk aan slangen.

[159] Een eed bij Mithra, den zonnegod, was den Persen bijzonder

heilig.

[160] Achaemeniden heeten de van Achaemenes (Hakhâmanis) afstammende

koningen en de met hen verwante edelen.

[161] De Grieken bepaalden in den voormiddag den tijd naar het

bezoeken van de markt. Zij rekenden naar den tijd waarop de markt

begon, waarop zij gevuld was, en waarop zij weder ledig werd. Deze

tijdberekening is met onze uurindeeling niet overeen te brengen. De

grootste bedrijvigheid zal zoowat van 10 tot 1 uren geduurd hebben.

[162] Vóor den tijd der Persen hadden de Egyptenaars geen gemunt

geld. Men woog de edele metalen af, en bracht ze in den vorm van

ringen, dieren, enz. in omloop. Op de monumenten zien wij menschen, die

goud afwegen tegen koopwaren; anderen, die hunne belastingen met gouden

ringen betalen. Deze ringen komen nog voor in den tijd der Ptolemaeën.

[163] Volgens Diodorus. Plato meldt, dat de Egyptenaars in zijn tijd

bij de wet verplicht waren hunne beelden even schoon of liever even

leelijk te maken als voor duizend jaren; de gedenkteekenen bevestigen

dit. Toch heeft de studie der gedenkteekenen bewezen, dat elk tijdperk

zijn kunststijl had. In het oude rijk zijn de vormen gedrongen;

onder Seti I bereikt de schoonheid der proportiën haar hoogste punt;

onder de 20e dynastie begint de kunst te vervallen, om nog eens onder

de 26e, de dynastie der Psamtiks, te bloeien.

[164] Het hier bedoelde standbeeld is dat van Chefren in het museum

te Boelaq, dat in 1867 op de tentoonstelling te Parijs algemeen de

aandacht trok. Hetzelfde museum bezit een houten beeld, te Saqqara

gevonden. Het is uit den pyramiden-tijd, en als kunstwerk niet genoeg

te roemen.

[165] Toen de Alkmaeoniden voor Pisistratus gevlucht waren, namen

zij den bouw van den nieuwen tempel te Delphi op zich, waarvoor

de Delphiërs echter een vierde der benoodigde gelden moesten

opbrengen. Zij collecteerden o. a. in Egypte eene niet onbelangrijke

som.--Driehonderd talenten is ongeveer 810,000 gulden.

[166] Candaules, die zich door het vermoorden van koning Gyges van

den troon had meester gemaakt.

[167] Het oude Attische zilvertalent bedroeg zoowat 2700, een mine

45 gulden; een drachme was ongeveer 8 stuivers, een obolus iets meer

dan een stuiver.

[168] De volkstammen, die rondom een gemeenschappelijk heiligdom

woonden, zooals dat van Delphi.

[169] De rijke erfdochter van Clisthenes van Sicyon.

[170] De Egyptische tandmeesters moeten zeer knap zijn geweest. Men

heeft werkelijk in de kaken van mummiën kunsttanden gevonden.

[171] Eed van Rhadamanthus, den zoon van Zeus, om den naam der goden

niet op de lippen te nemen.

[172] Het Nijlwater smaakt bijzonder lekker. Een reiziger noemde

het den champagne onder de wateren. De vrouwen uit den harem van

den sultan laten Nijlwater naar Constantinopel brengen. De Arabieren

zeggen dat Mohammed, bijaldien hij er van gedronken had, eeuwig zou

hebben willen leven.

[173] Voorgebergte aan de westkust van Klein-Azië.

[174] Naar eenige verzen van Theognis van Megara.

[175] Naar de vertaling van Ten Kate en Van den Bergh, waarvan het

laatste couplet luidt:

Cytherea kuste 't wichtje.

"Voelt ge," sprak zij, "zulk een smart,

Enkel door eens bietjes angel,

Denk dan eens wat pijn zij lijden, die ge uw flitsen jaagt in

't hart!"

[176] In het museum te Leiden is een ledepopje, een man voorstellende

die deeg kneedt.

[177] Zoo heette de trouwe hond van Odysseus (Ulysses). Italiaansche

schoothondjes waren in de oudheid zeer beroemd.

[178] Nog heden worden vriendschapsverbintenissen in Perzië feestelijk

gesloten, en wel op het zoogenaamde feest der navolging. "Twee Perzen,"

verhaalt Brugsch, "die voor hun leven een verbond van vriendschap met

elkander willen sluiten, gaan tot den Mollah. Aan dezen openbaren zij

hun voornemen, waarna zij zich als 'brader hâ of broeders' plechtig

laten inzegenen."

[179] De Perzen hadden ten tijde der Achaemeniden geene tempels en

godenbeelden. (Vgl. Tiele, De godsdienst van Zarathustra, bl. 71

vv.). Het goede en het booze beginsel, Aoeramazda en Angramainjus,

waren onzichtbare wezens, die de gansche schepping vervulden met een

talloos heir van goede en booze geesten. De eeuwige tijd schiep het

vuur en het water. Hieruit ontstond Ormuzd, de goede geest. Deze

was rein, helder als het licht, en wilde alleen het goede. Nadat

hij in 12000 jaren den hemel, de aarde, het paradijs en de sterren

had geschapen zag hij den boozen geest, Ahriman (Angramainjus),

die zwart was en onrein, en niet anders wilde dan het kwade. Ormuzd

besloot Ahriman te vernietigen. Er ontstond een groote strijd,

waarin de booze werd overwonnen, om 3000 jaren lang machteloos

neder te liggen. Gedurende dezen tijd schiep Ormuzd het uitspansel,

het water, de aarde, de goede planten, den stier en het eerste

menschenpaar. Hierna kwam Ahriman weer te voorschijn. Hij werd opnieuw

bedwongen maar niet gedood. Men had Ahriman dan alleen kunnen dooden,

wanneer zijne onreinheid zich had kunnen veranderen in reinheid, zijne

duisternis in licht. Zoo bleef het booze voortleven, om, zoodra de

goede geest iets goeds en reins had geschapen, iets kwaads en onreins

er tegenover te stellen. Deze kamp zal voortduren tot den jongsten

dag. Dan zal Ahriman rein en heilig zijn. Deze leer is echter niet

ouder dan 220 jaren n. C. en schijnt zelfs veel jonger te zijn.

[180] Nog staan de vuuraltaren der Perzen op de bergen. Zij kunnen

altijd bidden, als er maar vuur en water in de nabijheid is.

[181] De koningen der oudheid waren reeds gewoon met dergelijke

geschenken de daden hunner onderdanen te beloonen.

[182] In het oude Egypte schijnen gewoonlijk vroedvrouwen de vrouwen

te hebben bijgestaan, gelijk daar nog het geval is. Koninginnen worden

overigens, evenals in onze sprookjes, bijgestaan door goede feeën en

godinnen, meestal de Hathors.

[183] Eene vreeselijke straf voor groote misdadigers, die dikwijls

werd toegepast.

[184] Zegelringen werden reeds vroeg door de Egyptenaars

gedragen. (Vgl. Genesis 41, 42.) In alle Egyptische musea, o. a. te

Leiden, zijn zulke ringen, waarvan sommige vierduizend jaren oud

zijn. Men heeft er vele gevonden aan de handen van mummiën.

[185] De Egyptische koningen en rijksgrooten waren bijzondere

liefhebbers van de jacht. Men richtte daarvoor honden en andere dieren

af. Op de monumenten vindt men afbeeldingen van jachten op gazellen,

en steenbokken, ook op vogels met slagnetten en werptuigen. Op een

leeuwenjacht komt Ramses IV voor, terwijl een met pijlen doorboorde

leeuw naast hem nederzijgt en eene gewonde leeuwin in het riet vlucht.

[186] Volgens Herodotus mocht een Egyptenaar geen vreemdeling kussen

of met dezen uit éen schotel eten; hij mocht zelfs het vleesch niet

aanroeren, dat met het mes van een Griek gesneden was. Men herinnere

zich, hoe de broeders van Jozef afzonderlijk moesten eten.

[187] Na de Egyptenaars waren de Chaldeën te Babylon de eerste

sterrenkundigen. Zij moeten reeds in het bezit zijn geweest van

astronomische tafels.

[188] Zulk een orakel wilde Glycera raadplegen, toen haar minnaar,

de treurspeldichter Menander, door koning Ptolemaeus naar Egypte

was ontboden.

[189] Zulk een bloemen-orakel, dat ons doet denken aan het uitplukken

van acacia-, rozen- en madelievenblaadjes (men denke aan Gretchen in

den "Faust"), was in de oudheid niet vreemd. Men zegt dat meisjes in

Hellas tegenwoordig nog dit orakel raadplegen.

[190] Aldus laat Aeschylus den nachtegaal fluiten. Volgens de oude

mythe, die door Ovidius zoo aandoenlijk wordt bezongen, is het de

weeklacht van Philomele over Itys, die, om zich op zijn vader Tereus

te wreken, door zijne eigene moeder Prokne geslacht werd.

[191] Bijnaam van Aphrodite (Venus).

[192] De Spartanen huwden naar de neiging van hun hart, maar te Athene

trad men met de ouders der bruid over een huwelijk in onderhandeling,

een natuurlijk gevolg van het afgezonderd leven der Attische meisjes.

[193] Sappho's grootvader, Charaxus, de broeder van de dichteres,

was, als op Lesbos geboren, een Aeoliër.

[194] De stam van de zonen van Feridoen bleef door eene slavin

voortbestaan.

[195] Klaaglied.

[196] De Grieksche bruidskransen bestonden gewoonlijk uit viooltjes

en myrten.

[197] Het lied, op welks maat de Grieksche matrozen gewoon waren te

roeien. De melodie werd meestal door een fluitspeler (triëraules)

aangegeven.

[198] De Perzische koningsweg liep van Ephesus over Sardes, en verder

midden door Klein-Azië naar Susa en Babylon. Deze werd reeds door

Cyrus aangelegd en door Darius zorgvuldig onderhouden.

[199] Dit voertuig komt het eerst bij Xenophon voor, die er eene

koningin in laat rijden. De Romeinen gebruikten het later als

reiswagen.

[200] Een Oostersch peulgewas, dat in de omstreken van Babylon zeer

weelderig groeide, en uit welks zaden eene zoete, heldere olie werd

geperst.

[201] Belangrijke handelsstad aan den Euphraat. Hier trok men

gewoonlijk den stroom over, want hier vereenigden zich de groote

handelswegen. Deze stad was ook het middelpunt der metingen van

Eratosthenes.

[202] Het aardpek, thans nog in groote hoeveelheid dáar aanwezig,

werd door de Babyloniërs gebezigd om de muren te bepleisteren.

[203] Gesnedenen.

[204] Bijna alle Egyptische beelden, die zonen of dochters van pharao's

voorstellen, dragen zulke haarvlechten, die van het voorhoofd tot

aan den hals reiken.

[205] Bij de overblijfselen van den Perzischen koningsweg, die de

steden Niniveh en Ekbatana verbond, vindt men thans nog de oude

mijlsteenen, die de tegenwoordige Koerden, keli-Shin, d. i. blauwe

zuilen, noemen.

[206] Volgens het boek Esther was er in de dagen van koning Ahasverus

een eunuchen-overste voor de gemalinnen en een tweede voor de bijzitten

des konings. Boges bekleedt hier veel vroeger beide ambten tegelijk.

[207] Het "moederlooze" getal heeft tot tien geen factor.

[208] zie boven bl. 24.

[209] Volgens Diodorus moet in het graf van koning Osymandyas (het

paleis van Ramses II te Thebe, het Ramesseum) een gouden cirkel

hebben gelegen, die een omtrek had van 365 el, éen el breed was,

en eenen volledigen astronomischen kalender bevatte. De te Parijs

aanwezige dierenriem van Dendera is eerst uit den laatsten tijd der

Ptolemaeën afkomstig.

[210] Lapis lazuli was een in het oude Egypte zeer geliefkoosd

edelgesteente, dat men, evenals het smaragd, kunstig wist na te maken.

[211] Eene Perzische munt, volgens Herodotus de eerste die geslagen

werd.

[212] Naar voorstellingen op de gedenkteekenen, waarvan o. a. Layard

afbeeldingen heeft gegeven.

[213] De kleederen en de opschik van den Perzischen koning zouden,

volgens Plutarchus, eene waarde van 12,000 talenten, d. i. ongeveer

27,000,000 gulden hebben gehad.

[214] zie boven bl. 79.

[215] Ook Themistocles leerde, volgens Diodorus, het Perzisch op de

reis naar Susa, ofschoon Nepos van een ander gevoelen is.

[216] Deze opgaven zijn aan de berichten van Herodotus en andere

oude schrijvers ontleend. Volgens Aristoteles had Babylon niet de

grootte van eene stad, maar van een volk. De bouwvallen zijn nog

zoo ontzaglijk uitgebreid, dat men daaruit genoeg kan opmaken, hoe

verbazend groot die stad geweest moet zijn.

[217] Exemplaren en afgietsels van deze voortbrengsels der oud

Assyrische kunst worden in het Britsch Museum, het Louvre, en in het

nieuwe museum te Berlijn gevonden.

[218] Deze kleederdracht komt overeen met de afbeeldingen van

Assyriërs, die onder de vertegenwoordigers van vreemde natiën op de

Egyptische gedenkteekenen gevonden worden.

[219] Volgens de beschrijving bij Herodotus (I. 180).

[220] Deze tempel, waarvan Herodotus e. a. eene beschrijving geven,

wordt door sommigen voor den toren van Babel uit de Bijbelsche

overlevering gehouden. De ruïnen worden door de tegenwoordige bewoners

dier streken "Birs Nimroed," d. i. burg van Nimrod, genoemd. De

hoogte der eerste verdieping, die tot heden bewaard bleef, bedraagt

260 voet. De muren, die dezen tempel omgaven, moeten nog zeer goed te

herkennen zijn. Ze waren 4000 voet lang en 3000 breed. Dit reusachtig

gebouw moet tijdens Cambyzes nog in al zijn pracht hebben bestaan,

want wij weten dat Nebucadnezar het liet voltooien.

[221] Nebucadnezar zou ook dezen burcht hebben doen optrekken. Althans

op de tegels, die men in de bouwvallen bij Hillah heeft gevonden,

komt in spijkerschrift de naam van dezen grooten koning voor. Men

vindt aldaar ook nog vele fragmenten van verglaasde reliëfs.

[222] zie boven bl. 94. Aan den oever van den Euphraat in het

noordelijk gedeelte van Babylon vindt men een uitgestrekten

puinheuvel, Babil geheeten. Men heeft er bronnen en overblijfselen

van waterleidingen gevonden, die met de rivier in verbinding

stonden. Vgl. F. Mürdter, Geschichte Babyloniens und Assyriens

Stuttgart.

[223] Men gaf de Perzische meisjes oorringen, wanneer zij op haar

vijftiende jaar huwbaar werden. Zoowel meisjes als knapen moesten zich

met den heiligen band, kuçti of kosti, omgorden. Alleen in den nacht

mochten zij zich van dezen ontdoen. De vervaardiging van zulk een

gordel is nog bij de tegenwoordige Perzen met allerlei formaliteiten

verbonden. Hij moet uit 72 draden bestaan. Er mag geen zwarte wol

voor gebruikt worden.

[224] De zonne- en lichtgod der Perzen.

[225] Zij woonden in de noordelijke provinciën van Perzië.

[226] Een volksstam aan de oostkust van de Caspische zee.

[227] Deze beambten kunnen eenigermate met onze politie-commissarissen

vergeleken worden. Cyrus liet, volgens Herodotus, als knaap een zijner

speelnooten de rol vervullen van "oog des konings". Het stelsel

van spionneeren bestond reeds onder de Meden. Ook op Egyptische

gedenkteekenen, bijv. in het graf van Amen em heb te Abd el Qoernah,

wordt gesproken van de twee oogen des konings van Opper-Egypte en de

twee ooren des konings van Neder-Egypte.

[228] Plutarchus verhaalt echter, dat de moeder en de uitverkoren

gemalin des konings met hem aan tafel zaten.

[229] De Grieken gingen, naar het oordeel der Perzen, nooit verzadigd

van tafel, omdat men bij hen na den maaltijd niets meer opdroeg. De

tegenwoordige Iraniërs houden nog veel van lekkernijen.

[230] Hij doodde zijn gunsteling Clitus, die in den slag bij den

Granicus zijn leven had gered.

[231] Volgens het boek Esther werd dit leerjaar besteed, om de vrouwen

te onderwijzen in het gebruik van zalven, specerijen en welriekende

oliën. Ebers merkt op, dat dit wel wat lang was, om deze zeker niet

ingewikkelde kunst te leeren, en dat het veel waarschijnlijker is,

dat men dien tijd besteed heeft, om vreemde vrouwen in te wijden in

de leer van Zoroaster.

[232] Zoroaster, eigenlijk Zarathustra of Zeretoschtro, was een der

grootste godsdienststichters en wetgevers. De etymologie van zijn

naam is onzeker. Kern verklaart dien uit de woorden "zara", gulden,

en "thwistra" glanzend. Het is ook onzeker of hij in Baktrië, Medië

of Perzië geboren is. De geleerde Anquetil du Perron zegt, dat hij

het levenslicht aanschouwde te Urmi, eene stad in Aderbedjan. Zijn

vader heette Poroschasp, zijne moeder Dogdo. Hij beroemde zich

van koninklijke afkomst te zijn. Het tijdperk zijner geboorte is

"hopeloos" donker. Kern is zelfs van oordeel dat het bestaan van

Zoroaster tot de mythen gerekend moet worden. Wij bezitten dus

aangaande hem slechts onwaarschijnlijke tradities, en het is genoeg

te verzekeren, dat de leer van Zoroaster vóor het tijdsbestek waarin

deze geschiedenis speelt, reeds algemeen ingang had gevonden. Zie

Tiele, De godsdienst van Zarathustra en Versl. en Meded. der

kon. Akad. v. wetensch. Afd. Letterk. Amst. 1867.

[233] De Perzische tuinen waren door de geheele oudheid beroemd en

werden, naar het schijnt, veel vrijer en ongedwongener aangelegd

dan de Egyptische. Zelfs de koningen stelden er eene eer in zich met

den tuinbouw bezig te houden, en de voornaamste Achaemeniden waren

gewoon schoone parken, die zij paradijzen noemden, met bijzondere

zorg aan te leggen. Hunne voorliefde voor slanke gewassen ging zoo

ver, dat Xerxes een bijzonder schoonen plataan, dien hij op weg

naar Griekenland aantrof, met een gouden sieraad tooide. Firdausi,

de grootste epische dichter van Perzië kent geen hooger lof voor de

menschelijke schoonheid dan het epitheton: "rank als eene cypres."

[234] De beide zomer-residentiën, waar het vrij koud kon zijn. Ekbatana

lag in de omstreken van het tegenwoordige Hamadân, aan den voet van

het Elwend (Orontes) gebergte, Pasargadae niet verre van den Rachmed

op het hoogland van Iran, bij het tegenwoordige Sjiras.

[235] Nergens werden in dien tijd fijner weefsels vervaardigd

dan aan den Nijl, volgens getuigenis der oude schrijvers en der

gedenkteekenen. Wat de prachtige inrichting van het woonvertrek van

Cassandane betreft, de details zijn ontleend aan Xenophon, Aeschylus,

e. a.

[236] Volgens de sage bestond het volk der Amazonen alleen uit vrouwen,

die zich de rechterborst lieten afschroeien, om des te beter den

boog te kunnen spannen. Ook bij de Chineezen heeft men zulk eene

Amazonen-sage aangetroffen, gelijk o. a. blijkt uit eene afbeelding

in het ethnografisch museum te Jena.

[237] In het Doodenboek (Zie Warda, Dl. II, bl. 3 v.) wordt

eene beschrijving gegeven van de ziel, waarvan het hart gewogen

en geoordeeld wordt. De rede die zij houdt, wordt hare negatieve

rechtvaardiging genoemd. Deze rechtvaardiging is dubbel merkwaardig,

omdat men daarin de geheele Mozaïsche zedenwet vindt. De ziel verzekert

voor de twee-en-veertig doodenrechters, dat zij de twee-en-veertig

doodzonden niet heeft begaan. Ook Pythagoras, die veel aan de

Egyptenaren ontleende, gebood: dat men zijn hart niet moest verteren,

m. a. w. zich voor berouw wachten.

[238] Van het oogenblik dat een kind der Perzen den gordel "kostie"

droeg, moest het zich een schutspatroon kiezen onder de Yazatas en

een geestelijk raadgever onder de Destûrs (priesters). Evenals vader

en moeder de vleeschelijke ouders waren van het kind, zoo was deze

raadgever de geestelijke vader.

[239] De godin der vruchtbare natuur, der alles voortbrengende aarde.

[240] Anâhita of Ardî-çûra heette de godin der bronnen, die vaak met

de grieksche Aphrodite vergeleken is geworden. Uit de bron Anâhita

stroomde al het water, dat zeer stellig een reinigende kracht

bezat. Oorspronkelijk schijnt Anâhita wel eene Semietische godheid

geweest te zijn, die met den vrouwelijken Perzischen water-genius werd

samengesmolten. Haar vereering komt eerst onder Artaxerxes Mnemon voor.

[241] Een bekende vrijgeest, die wegens zijne bespotting van de

Homerische godenwereld werd vervolgd.

[242] In Perzië vermaken de mannen zich nog heden met het balspel. De

eene speler werpt of stoot den ander houten kogels toe, gelijk bij

ons kaats- of kolfspel en het Engelsche cricket-spel.

[243] Januari tot April.

[244] De Egyptische priester Horapollon maakt in zijn geschrift

(uitgegeven door C. Leemans) gewag van een boek der krankheden,

terwijl Manetho verhaalt, dat de opvolger van den eersten koning Menes,

Atothes, reeds anatomische boeken schreef. Daar geneeskundige werken

geacht werden van den god Toth afkomstig te zijn, kan wel aan dien

koning zijn toegeschreven, wat op den god betrekking heeft. Onder

de heilige schriften der Egyptenaren worden ook zes geneeskundige

boeken genoemd.

[245] Gouverneurs der provinciën, die, als plaatsbekleeders van den

koning, eene vrij onbeperkte macht hadden. Tiele leidt het woord af van

"khshatra," heerschappij, en "pavan," beschermer. Op de gedenkteekenen

zien wij de grooten des rijks de zonneschermen achter de vorsten

dragen, doch het is de vraag of hiermede ook satrapen bedoeld zijn.

[246] Hoewel de Chaldeërs in het bezit waren van sterrenkundige

berekeningen, die tot 2234 v. Chr. opklimmen, zoo is het toch boven

allen twijfel verheven, dat de astronomie der Egyptenaren nog veel

ouder is. Volgens de Egyptische priesters hadden de Chaldeërs alles

aan hun onderwijs te danken.

[247] Deze namen, door Herodotus genoemd, zijn, hoewel in eenigszins

anderen vorm, in de opschriften van Behistân wedergevonden.

[248] De geboortedag des konings was het grootste feest der Perzen, en

heette "het volkomene." Herodotus verhaalt, dat geen dag luisterrijker

bij de Perzen werd gevierd, dan een geboortedag. Er werd een kostelijk

maal aangericht, waarbij de rijksten zelfs een os, een paard en een

kameel lieten opdragen. Over het algemeen werd in de oudheid van

koninklijke geboortedagen veel werk gemaakt, o. a. heet het op een

gedenksteen in betrekking tot Ramses II: "vreugde was er in den hemel

op zijn geboortedag."

[249] Zulk een vierhoekig, van twee tot zeven vingers breed stuk doek,

moeten alle Perzen voor den mond hebben als zij bidden.

[250] Anquetil geeft in zijn Zend-Avesta eene beschrijving en

afbeelding van het geheele offergereedschap der hedendaagsche Perzen.

[251] Priester.

[252] Haoma of soma is de naam van een plant, waarvan het sap de goden

tot spijs gediend zou hebben. Bij sommige godsdienstige ceremoniën

werd dit sap gedronken en in het vuur gedruppeld.

[253] Dit verheven gebed moest de Pers eigenlijk uitspreken, wanneer

hij uit den slaap ontwaakte.

[254] In later tijd lieten de Perzische koningen zich echter ook

goddelijke eer bewijzen.

[255] Deze optocht is beschreven naar de reliëfs, die door Layard

zijn uitgegraven, en een obelisk van Nimroed (Niniveh), waarvan in

verschillende musea afgietsels aanwezig zijn.

[256] In dezen tijd waren de koningen van Perzië gewoon in

hun rijk schattingen te heffen, wanneer en zoo hoog als zij

verkozen. Darius, de opvolger van Cambyzes, voerde het eerst een

welgeordend belastingstelsel in. Daarom kreeg hij den bijnaam van den

"kramer." Zelfs nog in later tijd waren enkele gewesten verplicht,

zekere hoeveelheden van natuurproducten des lands aan het hof te

leveren.

[257] De Feruer of Ferwer is het geestelijk deel van den mensch,

zijne met oordeel begaafde ziel. Deze bestaat reeds lang vóor

zijne lichamelijke geboorte, vereenigt zich met hem zoodra hij het

levenslicht aanschouwt, en verlaat het lichaam weder bij den dood. De

Ferwer strijdt tegen de Diws (booze geesten) en is de oorzaak van

ons behoud. Zoodra hij afscheid neemt van den mensch, moet het

lichaam noodzakelijk worden ontbonden. Na den dood wordt de Ferwer

onsterfelijk, zoo hij het goede heeft gedaan; heeft hij daarentegen

het booze liefgehad, dan wordt hij in de hel geworpen. Men moest den

Ferwer aanroepen en met offers om hulp smeeken. Hij brengt ook het

gebed tot de godheid over, weshalve hij wordt voorgesteld onder de

gedaante van eene gevleugelde schijf.

[258] Deze "Onsterfelijken" dankten dien eernaam aan de omstandigheid,

dat, zoodra een hunner stierf of viel, er dadelijk een ander voor hem

in de plaats trad, zoodat hun aantal nooit verminderen kon en altijd

10.000 man moest bedragen. Cyrus zou deze garde reeds opgericht hebben.

[259] De Urim en Thummim.

[260] Zie Esra, VI, 2-12. Zacharia, 1-8.

[261] Deze episode is aan Herodotus, Diodorus en Justinus

ontleend. Volgens Ctesias is Cyrus in een oorlog met de Derbiërs

aan een wond gestorven. Xenophon geeft hem een rustig sterfbed,

maar blijkbaar om den stichter van het Perzische rijk eene fraaie

afscheidsrede in den mond te leggen.

[262] De Araxes (Aras) ontspringt in Armenië en ontlast zich in de

Caspische zee.

[263] Deze trek is geheel overeenkomstig het Perzisch karakter.

[264] Sidon was eene havenstad in Syrië. Met Astypalaia is de burcht

van Polycrates van Samos bedoeld, die met ronde torens was versterkt.

[265] Een der noordelijke Cycladen.

[266] Een scheepsgezagvoerder van Samos, die in de zevende eeuw

v. Chr. op een tocht naar Egypte werd verslagen. Hij was de eerste

Griek, die tusschen de zuilen van Hercules doorzeilde.

[267] Vgl. Schillers Ballade: "Der Ring des Polykrates." De

hedendaagsche Arabieren vertellen eene dergelijke geschiedenis, doch

zij laten den held hunner geschiedenis den ring bij toeval verliezen.

[268] Men boetseerde in dien tijd niet alleen vruchten maar ook

beeldjes in was. Zoo maakt de dichter Anacreon gewag van een wassen

Eros-beeldje, dat hij van een knaap voor negen stuivers kocht.

[269] Bubastis lag ten oosten van den Pelusinischen Nijlarm, op de

hoogte van een kanaal, dat naar de Arabische golf liep. Herodotus

geeft van dit uitgelaten feest de volgende schildering: Mannen en

vrouwen varen te zamen in groote booten den Nijl af. Sommige vrouwen

houden kleppen in de handen, waarmede zij voortdurend klepperen. De

mannen spelen op de fluit, en het overige gezelschap klapt in de

handen. Komen zij aan eene stad, dan legt de boot aan en maken zij

allerlei zonderling misbaar. Te Bubastis worden dan groote offers

gebracht. Meer dan 700,000 menschen komen er gewoonlijk samen. Op dit

feest wordt meer wijn gedronken dan gedurende al de overige dagen van

het jaar.--Uit de opschriften weten wij, dat te Dendera een dergelijk

feest ter eere van Hathor werd gevierd. Ebers meende in de jaarmarkt

van Tanta, een stadje eenige mijlen van het oude Bubastis gelegen,

nog een overblijfsel van het oude feest te zien (Vgl. Ebers, Aegypten

in Bild und Wort, I, 88 f).

[270] De Egyptische geneesheeren schijnen de krankheden dikwijls

bezworen te hebben. Er zijn verschillende papyrussen gevonden met

geneeskundige voorschriften, die allermerkwaardigste bijzonderheden

dienaangaande behelzen. Sommige ziekten worden er nauwkeurig

in beschreven, allerlei geneesmiddelen opgesomd. Van hetgeen

o. a. voorkomt in den medischen papyrus, door Ebers zelven ontdekt

en uitgegeven, heeft hij op meer dan ééne plaats in zijne Warda

gebruik gemaakt.

[271] Egypte, dat door zijne oudste bewoners Cham, d. i. het zwarte

werd genoemd, naar de zwarte kleur van den grond.

[272] De Egyptische oogziekte, die ook bij ons niet onbekend is

gebleven, moet reeds in de vroegste tijden aan de boorden van den

Nijl gewoed hebben. De Egyptische oogartsen waren in dezen tijd

reeds zeer beroemd. Herodotus zegt dat het in Egypte van oogartsen

wemelde, en op de gedenkteekenen vinden wij vele afbeeldingen van

blinden. Geweldige oogontstekingen worden heden ten dage zeer dikwijls

in Egypte aangetroffen. De door Ebers uitgegeven papyrus behelst ook

hierover belangrijke bijzonderheden.

[273] De planeet Venus. Gelijk ons uit zeer oude gedenkteekenen

blijkt, waren de Egyptenaren reeds vroeg bekend met de identiteit

van de morgen- en avondster.

[274] De Grieken noemden hem Smerdes. In de spijkeropschriften

leest men Goemata of Gaumata. Hij heet bij Justinus, Kometes. Aan

dezen schrijver is ook de naam Oropastes ontleend, dien Herodotus

Patizeithes noemt.

[275] Rhagae, tijdens Alexander Europes, later door Seleuces Nicator

Arsacia, heden Rei genoemd, is eene der oudste steden van Perzië. Er

was eene beroemde priesterschool. Hier zouden Zoroaster en Haroen al

Raschid geboren zijn.

[276] De Sirius of hondster. Zij werd als een helder en machtig

gesternte in Perzië aangebeden, omdat het den zoo noodigen regen

aanbracht.

[277] Volgens Diodorus had de koning van Perzië zooveel vrouwen,

als er dagen in het jaar waren. In den slag bij Issus werden door

Alexander den Groote, de 329 vrouwen van den laatsten Darius gevangen

genomen. Men bedenke echter, dat deze cijfers betrekking hebben op de

bijwijven. Na het onderdrukken van den opstand der magiërs werd door

de edelen van het rijk vastgesteld, dat een koning alleen uit hunne

dochters zijne echte gemalinnen mocht kiezen. Hieraan schijnt men zich

sedert gehouden te hebben. Darius had later vier echte gemalinnen,

waarvan Atossa de voornaamste bleef.

[278] Sommige vorsten gaven aan hunne vrouwen, als gordelgeld

(speldenduitje), het inkomen van gansche steden.

[279] Deze naam beteekent: "uit het geslacht der Peri."

[280] De wijn van Chios werd door de Grieken voor den fijnsten

gehouden. De wijn van Chelbon was in de oudheid inzonderheid om zijn

bouquet beroemd. Ezech. 27:18.

[281] Xenophon roemt zeer de Perzische schenkers, wegens hunne vlugheid

en gratie.

[282] Zóo heette in de oudheid de burcht van Susa, zelfs nog in de

dagen van Ctesias, die zich langen tijd aan het Perzische hof ophield.

[283] Kamerheeren of ceremoniemeesters.

[284] Het gewone pischkesch of gastgeschenk, hetwelk de Perzen heden

elkander nog vereeren, bestaat uit zoetigheden, of uit korven, die

sierlijk met de schoonste vruchten zijn gevuld. Men roemt den smaak,

waarmede zij het ooft weten te schikken.

[285] Zie boven blz. 11.

[286] De wet verbood den Perzen schulden te maken, aangezien een

schuldenaar in de noodzakelijkheid kwam om onwaarheid te spreken. Zij

hadden daarom een afkeer van geldzaken, waartoe hun oorlogzuchtig

karakter ook veel bijdroeg. Den handel lieten zij over aan de

overwonnen volken.

[287] De godsdienst gebood den Perzen te huwen. De ongehuwden stelden

zich aan eene algemeene verachting bloot. Men stelde groote eer in

het bezit van vele kinderen.

[288] Reeds in de dagen van Homerus was Egypte bekend als

bijzonder rijk aan artsenijen. In de opschriften op de wanden van

tempel-laboratoria, bijv. te Dendera en Edfoe, en in de medische

papyrussen worden een menigte drogerijen opgesomd. De Egyptische

vergiften, inzonderheid de strychnine, waren beroemd.

[289] Volgens Herodotus waren de Perzen gewoon in dronkenschap over

de gewichtigste aangelegenheden te beraadslagen. Het beslotene werd

daarna, als zij nuchteren waren, nog eens overwogen. Iets dergelijks

verhaalt Tacitus van de Germanen.

[290] De haan was een heilig dier bij de Perzen, want hij joeg de

duistere geesten van den nacht in hunne holen terug. Hij heette

Parôdarsh en werd ook onomatopoetisch Kahrkatâç genoemd.

[291] De jachtstoet der Perzische koningen was natuurlijk even

grootsch en luisterrijk als hun reisgevolg. Daar de jacht tot de

lievelingsbezigheden van den Perzischen adel behoorde, werden de

knapen reeds in hun vroegste jeugd hierin geoefend. Zelfs koningen

beroemen zich op hunne grafschriften, dat zij groote jagers geweest

zijn. In de ruïnen van Persepolis is een reliëf gevonden, waarop de

koning wordt voorgesteld, eene leeuwin met den rechterarm wurgend,

eene symbolische voorstelling, waaraan geen historische waarde is

toe te kennen. Layard heeft te Niniveh vele schoone overblijfselen

van jachtpartijen gevonden, en de Grieken weten ons veel te verhalen

van de groote diergaarden der Perzische koningen en den jachtstoet,

die uit ruiters en voetknechten bestond. Ieder jager moest, behalve

met pijl en boog, nog gewapend zijn met twee lansen, een zwaard en

een schild. Ook maakte men gaarne gebruik van het vangsnoer. Reeds

sedert onheuglijke tijden was de valkenjacht aan de Perzen bekend.

[292] Odysseus of Ulysses. Penelope werd, volgens de sage, gedurende

hare omzwervingen door meer dan honderd minnaars bestormd. Zij bleef

echter trouw, en verzocht uitstel totdat het lijkkleed voor haar

schoonvader Laërtes gereed zou zijn. Doch wat zij bij dag weefde,

tornde zij 's nachts weer los. Toen het eindelijk tot eene beslissing

zou komen, keerde Ulysses terug en doodde de minnaars.

[293] Dit is ontleend aan de Indiërs, wier liefdegod Kama de harten

wondt met puntige bloesems. De nachtegaal speelt eene groote rol in

de liederen der Perzen. Hij is de vogel der verliefden, en zijn lied

werd gehouden voor de uitdrukking van al wat lieflijk is.

[294] Heilige onsterfelijken. Zij kunnen vergeleken worden met de

aartsengelen der Joden. Zij omgeven den troon van Aoeramazda en

stellen zinnebeeldig de hoogste deugden voor. Later werd hun getal

op zes bepaald.

[295] Aan het einde van den disselboom der Perzische wagens was

een juk bevestigd, dat op de ruggen der paarden werd vastgemaakt,

hetwelk gelijke diensten bewees als bij ons de borst- en disselriem. Op

dezelfde wijze werden ook de Egyptische paarden aangespannen.

[296] Als Herodotus verhaalt, dat Cambyzes reeds geboren was met

den aanleg tot eene gevaarlijke krankheid, die sommigen "de heilige"

noemen, dan bedoelt hij daarmede waarschijnlijk de epilepsie.

[297] Op den derden dag na den dood, zoodra de heldere zon opging,

werden de zielen door de Diws gevoerd naar de brug Schinvât, om

ondervraagd te worden over hetgeen zij gedacht en gedaan hadden. Daar

kampen de beide hemelsche machten om de ziel. De zielen der vromen

vinden steun bij de reine geesten Yazatas, en trekken zegepralend

den hemel binnen. De zielen der boozen worden door den Diw Vîzareshô

gebonden en naar de hel gesleept. Vgl. Tiele, a. w. bl. 251 v.

[298] Volgens Herodotus mocht zelfs de koning niemand om een enkel

misdrijf laten ombrengen. Eerst wanneer na rijpe overweging bleek,

dat de misdaden menigvuldiger en gewichtiger waren dan de bewezen

diensten, mocht men aan zijn toorn den vrijen loop laten.

[299] Het was natuurlijk dat de Perzen, die zulk eene hooge waarde

aan het leven hechtten, zich in 't bijzonder op de geneeskunst

toelegden. In de Avesta werden dan ook vele geneeskundige voorschriften

gevonden. Wij vinden daarin zelfs eene gedetailleerde opgave van

hetgeen men voor verschillende genezingen betalen moest, en welk examen

iedere geneesheer moest afleggen, alvorens hij bekwaam werd geacht.

[300] Zie boven blz. 92.

[301] Een booze geest, die de menschen doodt.

[302] Eene streek aan den noordelijken rand van Iran, in de heldensagen

om hare vruchtbaarheid zeer geroemd, maar ook het verblijf van

booze geesten genoemd. Tegenwoordig wordt daar nog een tropische

plantengroei gevonden, terwijl de aanzienlijken zich, met zekeren

trots, Diws noemen.

[303] In Maart, April, Mei en Juli, staat er in het oorspronkelijk.

[304] Dit schoone gezang is ontleend aan het "Koningsboek" van

Firdusi. Deze werd omstreeks 940 n. C. geboren en bezong de oude

Perzische sage in zijne onsterfelijke epische liederen. Deze Kai Kawoes

behoorde tot de familie der Kajaniden, die niet met de Achaemeniden op

éene lijn gesteld mag worden, maar stellig lang voor deze regeerde;

of liever, stellig nooit regeerde. Kai Kawoes is een Vedische en

oud-Perzische vuurgodheid, die in het "Zend-Avesta" een heros geworden

is, en later in de legende opgenomen, door Firdusi als historisch

persoon werd opgevat. Daar Firdusi zich in zijne gezangen aan de

oud-Perzische traditie gehouden heeft, ofschoon hij haar bewerkte

als een poëet, meende Ebers vrijheid te hebben een dichter sprekend

te mogen invoeren, die zooveel eeuwen later leefde.

[305] Het verhaal is van Xenophon, die het misschien verzonnen heeft

ter wille van zijn held Cyrus.

[306] zie boven bl. 59, v. Daar de afgestorvene, volgens het

Doodenboek, zijne ledematen noodig heeft, moesten deze alle behouden

blijven. De Egyptenaren wisten de idee der onsterfelijkheid in alle

richtingen toe te passen. Evenals de zon des nachts niet sterft,

maar de benedenwereld verlicht, zoo is ook de gestorven Egyptenaar

niet dood. Zijne eeuwige ziel begint veeleer, na het scheiden van

deze aarde, eerst recht te leven. Zij gaat naar de onderwereld,

om daar, of gerechtvaardigd te worden, en dan in het reine licht

van het oosten in de vlakte Aloe heerlijke akkers te bezaaien,

tot zij rijp is als een deel der wereldziel in Osiris op te gaan,

of na vreeselijke martelingen uit de onderwereld gezweept te worden,

om door allerlei dierlijke lichamen om te zwerven. Na deze omzwerving

kan zij, gereinigd en verzoend, zich met Osiris vereenigen, of moet

zij opnieuw dezen reinigingsweg afleggen.

[307] Naar een grafopschrift, dat in het museum te Berlijn wordt

bewaard.

[308] zie boven bl. 59.

[309] Naam van den phoenix in het oud-Egyptisch.

[310] Vrije vertolking van het begin van het 83e hoofdst. uit het

Doodenboek, "het hoofdstuk van de verandering in den Benno-vogel"

geheeten. De zielen worden vaak in de gedaante van een phoenix of

van andere vogels voorgesteld.

[311] Ader bet. Maart.

[312] De Egyptenaren mochten inderdaad geene boonen eten. Pythagoras

ontleende dit verbod aan hen. In den papyrus-Ebers komen boonen als

geneesmiddelen voor.

[313] In Maart, gedurende de voorjaars-dag- en nachtevening.

[314] De Perzische wondervogel, die met den vogel Rock of Grijp te

vergelijken is. In het nest van dien vogel werd Sal, de vader van

Rustem, opgevoed.

[315] 5400 gulden.

[316] Zoo heet ook de beroemde hengst van Rustem. De naam beteekent

bliksem.

[317] Zulk eene reisapotheek is tegenwoordig nog te zien in het museum

te Berlijn. Zij is zeer netjes en beknopt ingericht, en afkomstig uit

den tijd van koning Mentoehotep, dus uit het laatst van de 30ste eeuw

v. Chr.

[318] Ongeveer 270,000 gulden.

[319] Zoo heet in het Perzisch de paradijsvogel.

[320] Een soort van priesters. Zij komen in de Avesta niet voor.

[321] Een opschrift van Behistân behelst een stamboom van Darius, die

met de geslachtslijst van Herodotus in overeenstemming te brengen is.

[322] De Grieken waren gewoon op reis aanbevelingen mede te nemen,

bestaande in brieven of afdrukken van zegels. Aristophanes vermeldt

van een buitenlandschen pas, en in een opschrift wordt gewag gemaakt

van zulke brieven of teekenen, die Straton, de koning van Sidon,

aan zijn gezant naar Athene zou medegeven. De Locriërs en Ozoliërs

voerden de avondster in hun zegel, de Samiërs de lier, enz. Bij eene

mummie uit den tijd der Ptolomaeën vond men zulk een aanbevelingsbrief

op papyrus geschreven.

[323] Dit bijgeloof heerscht in Perzië nog.

[324] Hib beteekent in hiëroglyphen-taal: ibis. Vele Egyptenaren

droegen den naam van heilige dieren.

[325] Zie boven blz. 80.

[326] De zuidwestenwind, zoo gevaarlijk voor het vruchtbare Nijldal,

die het meest waait in April en Mei. Het is de Samoem, dien de

reizigers door de woestijn zoo vreezen.

[327] Gewoonlijk volgde de zoon den vader in diens betrekking

op. Er zijn lange stamboomen gevonden, waaruit bleek dat allen,

die er op voorkwamen, dezelfde betrekking hadden vervuld. Overigens

waren de kasten lang zoo streng niet afgescheiden als in Indië. Er

zijn voorbeelden, dat zonen van krijgslieden priesters werden en

omgekeerd. In den regel was een jongeling vrij in de keuze van zijn

beroep, ofschoon het bij alle volken der oudheid gebruikelijk was,

dat de zoon het werk van den vader voortzette.

[328] Op de koningslijsten vindt men onderscheidene koninginnen. Dat

zij werkelijk geregeerd hebben is uit de gedenkteekenen gebleken.

[329] Op de gedenkteekenen en in de papyrussen komen alleen

vroedvrouwen voor. Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat in kritieke

gevallen ook de priesterlijke geneesheeren werden te hulp geroepen.

[330] De Grieksche schrijvers van later tijd, en wel bepaald eenige

Neoplatonisten, verhalen ons veel van de Egyptische mysteriën. Maar wij

kunnen hunne mededeelingen niet vertrouwen, en het is daarom uiterst

moeielijk ons eene duidelijke voorstelling van het een en ander te

maken. Ofschoon veel over dit onderwerp in papyrussen voorkomt,

hebben toch de priesterlijke schrijvers zich van zulke duistere

termen bediend, dat hunne bedoeling zeer moeielijk te vatten is. Die

mysteriën, schijnen het uitsluitend eigendom der priesters geweest te

zijn. Ze omvatten de verklaring van hetgeen door de heilige ceremoniën

zinnebeeldig werd voorgesteld. Het geloof in een eenig goddelijk wezen

was waarschijnlijk de kern dier geheimzinnige leerstellingen, die zeker

veel schoons en voortreffelijks behelsden. Want Griekenlands grootste

wijsgeeren, Lycurgus, Solon, Thales, Pythagoras, Democritus, Plato

en zoovele andere, ontleenden daaruit veel voor hunne wijsbegeerte,

staatswetenschap, wis- en sterrenkunde. Het kan wel niet geloochend

worden dat Mozes, die een kweekeling der priesters was geweest, de

voornaamste zijner zedelijke en geneeskundige voorschriften aan die

mysteriën dankte.

[331] Werkelijk bestond er zulk eene kaste. De Egyptenaren hadden

eene wet, volgens welke zij jaarlijks bij de overheid, op straffe

des doods, hun middel van bestaan moesten opgeven. Zij die zich als

dieven aangaven, stonden wel onder streng toezicht, maar werden niet

gestraft. Zie verder Warda, Dl. II.

[332] De naam beteekent: palm.

[333] Volgens Plutarchus hielden de Egyptenaren het voor zeer

onvoegzaam, barrevoets over de straat te gaan. De mannen stopten

daarom de schoenen der vrouwen weg, om haar tot huiselijkheid te

dwingen. Volgens Herodotus deden de huismoeders de inkoopen op de

markt, bij de Grieken geschiedde dit door de mannen.

[334] Een staatsverrader moest, volgens Egyptische wetten, de tong

uitgesneden worden.

[335] Thadmor, het latere Palmyra, werd door Salomo gebouwd als

rustplaats voor de karavanen die naar het oosten trokken. Het lag in

eene oase in het midden der Syrische woestijn, ontwikkelde zich spoedig

en bereikte weldra een hoogen trap van bloei. De trotsche ruïnen van

deze reuzenstad wekken nog de verbazing der reizigers. Karchemis aan

den rechter oever van den Euphraat, stroomafwaarts van Biredschik waar

Nebucadnezar en Necho elkander slag leverden, was het hoofdstation

van den grooten weg, die over Palmyra naar Babylon voerde.

[336] Aan Toth, die met een ibis-kop werd afgebeeld, den

hemelbeschrijver, later door de Grieken met hun Hermes vergeleken,

schreef men de uitvinding toe van bijna alle wetenschappen. Hij, de

driemaal groote (Trismegistos), zou zes boeken over de geneeskunde

hebben geschreven, waarin o. a. ook over de oogheelkunde werd

gehandeld. Isis, en later ook Serapis, worden als goden der geneeskunde

geroemd.

[337] In de geschriften, die tot ons kwamen, wordt dikwijls gesproken

van boeken, die onder het beeld van deze of gene godheid zijn gevonden,

of van oude koningen afkomstig zijn, om er op deze wijze hooger

waarde aan toe te kennen. Toch kennen wij de schrijvers van enkele

geschriften. Zoo is het sprookje van de twee gebroeders afkomstig van

zekeren Anana, die Ebers in Warda laat optreden. Van de hermetische

boeken was er een geheel aan de oogheelkunde gewijd, waarover ook in

den papyrus-Ebers zeer uitvoerig wordt gehandeld. In dezen papyrus

komt ook de arts Nebsecht voor, die in Warda zulk eene belangrijke

rol vervult.

[338] De bibliotheek van Thebe, die volgens Diodorus ten opschrift

voerde: "Inrichting tot genezing der ziel", bevatte 20,000

hermetische of priesterlijke boeken. Men vond haar in het Ramesseum of

Ramseshuis, dat door Ramses II in de veertiende eeuw v. Chr. gebouwd

werd. Champollion herkende deze boekenzaal in de ruïnen van het

Ramesseum. Op den wand vond hij de afbeeldingen van Toth, den god der

wijsheid, en van Safech, de godin der geschiedenis. Verschillende

hiëratische papyrussen, die thans nog aanwezig zijn, zijn uit deze

boekerij afkomstig, hetgeen niet zelden op Egyptische boekrollen

vermeld wordt. Lepsius vond bovendien te Thebe de graven van twee

bibliothecarissen onder Ramses II, vader en zoon. De titel van zulk

een bibliothecaris was, overste of "chef der boeken." Bibliotheken

schijnen altijd bij de tempels behoord te hebben, gelijk wij kunnen

opmaken uit opschriften in de tempels van Dendera, Edfoe en Philae. Ook

aan het Serapeum te Alexandrië was eene groote bibliotheek verbonden.

[339] Zoodra er een Pers stierf, viel de onreine geest des doods, de

Drukhs Naçus in den vorm van een vlieg, op hem aan en zette zich op het

lijk van den afgestorvene en op een der aanwezigen neer, onreinheid

en vernietiging aanbrengende. Het brengen van honden bij een lijk

steunt op de oudste Arische mythologie, doch werd bij de latere Perzen

beschouwd als een middel om de booze Drukhs te verschrikken, daar deze

tegen de oogen van twee bijzonder gevlekte honden niet bestand is. De

Drukhs Naçus is de booze geest van de ontbinding na den dood. Zij is

eigenlijk de persoonsverbeelding van de onreinheid en het bederf, die

bij de lijken zich vertoonen. Vgl. Tiele, Godsd. v. Zarath. bl. 184.

[340] zie boven bl. 182.

[341] 's Winters mocht het vuur na verloop van negen dagen, 's zomers

eerst na eene maand in de woning van den overledene teruggebracht

worden.

[342] Zie boven blz. 263.

[343] Over het balsemen der lijken wordt door Ebers zeer uitvoerig

gehandeld in Warda, Dl. II.

[344] Zulke straffen werden ook wel op Perzen van hoogen rang

toegepast, gelijk uit de opschriften blijkt.

[345] Zoo genoemd in een opschrift van Behistân.

[346] Herodotus zegt, dat Amasis zijn onttroonden voorganger niet hard

behandelde. Hij liet hem het leven, totdat hij door de Egyptenaren

overvallen en van kant gemaakt werd. Om het verhaal van Herodotus

te redden, laat Ebers Hophra zijn val zoovele jaren overleven, met

het oog op den leeftijd van Nitetis. Amasis kon toch den koning van

Perzië geene veertigjarige tot vrouw aanbieden. Men bedenke dat eene

vrouw van veertig jaren aan de oevers van den Nijl ouder is dan eene

Europeesche op den leeftijd van zestig.

[347] zie boven bl. 24.

[348] Ten tijde van Amasis bestonden reeds de drie schrijfwijzen

der Egyptenaren, hoewel het demotisch (volks- of briefschrift)

niet veel ouder schijnt te zijn dan hij. Het hiëroglyphen-schrift is

verbazend oud. De teekens van dit schrift zijn duidelijke afbeeldingen

van allerlei soorten van voorwerpen. Het werd voor opschriften en

sommige godsdienstige boeken, zooals het Doodenboek gebruikt. Het

hiëratische of heilige schrift was eene afkorting of vereenvoudiging

der hiëroglyphen, waarin de oorspronkelijke beelden meestal nog zeer

goed te herkennen zijn.

[349] Het was bij de Egyptenaren een heilige plicht den ouderdom te

eeren. Men denke aan het vierde gebod van Mozes, dat bijna woordelijk

in den papyrus Prisse is weergevonden.

[350] Deze maand duurde van 29 Aug. tot 27 Sept. De 5de was dus onze

2de Sept.

[351] Niet alleen uit het Doodenboek, maar ook uit andere teksten

blijkt, dat den Egyptenaren steeds op het hart werd gedrukt weldadig

te zijn, vooral jegens weduwen en weezen. Een aanzienlijke stadhouder

beroemt zich in zijn graf te Benihassan, dat hij geen zwak kind

benadeeld, geene weduwe kwaad gedaan heeft.

[352] Vgl. blz. 9.

[353] Deze ongehoorde hofhouding zou dagelijks 400 talenten, dus

zoowat 1,080,000 gulden hebben gekost.

[354] De groote, vruchtbaarmakende natuurgodin der Klein-Aziatische

volken. De daar wonende Grieken namen haar dienst over, en stelden

haar voor, rijdende op een leeuw, of in gezelschap van leeuwen. Zij

hield een tamboerijn in de hand, welk instrument ook bij hare

luidruchtige feesten werd gebruikt. Daar zij de verpersoonlijking

was van de voortbrengende natuurkracht, droeg ook hare vereering

een wellustig karakter. Aan de Niobe-sage ligt de mythe van Cybele,

d. i. de vruchtbare aarde, die in den herfst van hare kinderen wordt

beroofd, ten grondslag.

[355] Het Gygaeische meer was Homerus reeds bekend. Herodotus

noemde de graven der Lydische koningen de stoutste werken, die

door menschenhanden waren tot stand gebracht, na de Egyptische en

Babylonische. De kegelvormige heuvels zijn nog te zien, niet verre

van het meer, bij de puinhoopen van Sardes. De grootste, het graf van

Alyattes, heeft nog altijd een omvang van 3400 en een hoogte van 650

voet. De Pruisische consul Spiegelthal vond er een grafkamer in.

[356] De planeet Venus.

[357] Volgens Herodotus zouden de Lydiërs het spelen met dobbelsteenen

en met den bal hebben uitgevonden, maar niet het damspel. Dit laatste

schijnt wel van Egyptischen oorsprong te zijn. Het is ook zeker,

dat men aan den Nijl vroeger dan in Lydië het balspel kende.

[358] Het paleis van Persepolis bestond toen nog niet. Dit

was gedeeltelijk uit den zwarten steen van den berg Rachmed,

gedeeltelijk uit wit marmer opgetrokken. Darius zou dien bouw reeds

hebben begonnen. Het paleis van Susa was van tegels gebouwd, dat van

Ekbatana van hout, dat met goudplaten van onschatbare waarde bekleed

en met tegels van allerlei edele metalen bedekt was.

[359] Mei.

[360] Eene groote handelsstad in Phrygië.

[361] Zie boven blz. 36.

[362] Dezelfde Oroetes wist Polycrates later met list naar Sardes te

lokken, en liet hem daar kruisigen.

[363] Helden uit de Perzische sage.

[364] Zie boven blz. 193.

[365] Maart.

[366] Juli.

[367] Hij leefde in dezen tijd. Men zou hem "den vader der geographie"

kunnen noemen. Hij verbeterde de kaarten van Anaximander en schreef

eene "Reis om de Wereld", die helaas, op kleine fragmenten na,

verloren ging. Perzië en Egypte kende hij nauwkeurig.

[368] Zie boven blz. 296.

[369] Niebuhr zag op zijne Aziatische reis dit spel nog door jongens

te Schiraz spelen.

[370] Ook toen hielden de Oosterlingen de ontblooting van het lichaam

voor hoogst ongepast, terwijl de Grieken niets schooners kenden dan

het naakt.

[371] De koningen van Perzië moesten bij hunne kroning de vrucht van

een terpentijnboom eten.

[372] Mars.

[373] Eene kleur die in de oudheid zeer gezocht werd, en uit de

bloesems van den sandix-boom werd geperst.

[374] Het Perzisch leger was volgens het tiendeelig stelsel

ingedeeld. Eene divisie telde 10,000 man, een regiment 1000, een

kompagnie 100. De Taxiarch was zoo wat gelijk aan een divisie-generaal

bij ons. Een hekatontarch stond aan hoofd van een kompagnie. Een

chiliarch was commandant van een regiment. Zij die later bij de Perzen

de waardigheid van chiliarch bekleedden, waren de eersten des rijks,

na den koning.

[375] Zie blz. 101.

[376] In elke havenstad der oudheid werden zulke huizen gevonden. Van

die aan den Canopischen Nijlmond maakt Strabo opzettelijk melding.

[377] Hoe ijverig de Grieken waren om ter markt te gaan, bewijst

het volgend verhaal van Strabo. Een fluitspeler te Jasos werd door

allen verlaten, die naar hem stonden te luisteren, toen de klok het

marktuur aankondigde. Een bleef er bij hem staan. De muzikant dankte

hem dat hij zich althans niet in het luisteren had laten storen. "Ach,"

riep de man, "heeft de klok dan al geluid?!" En meteen liep hij op

een drafje heen.

[378] Het snelle schip.

[379] Juno.

[380] De onderscheidene waren werden binnen afgeslotene ruimten

uitgestald. De plaats der bloemenverkoopsters, die over het algemeen

voor meisjes van zeer verdachte zedelijkheid werden gehouden, heette

de myrten-markt.

[381] Zulk een ruikertje was met een goudstuk meer dan

betaald. Aristophanes laat een slaaf van Lamachus een belachelijk

hoogen prijs bieden als deze voor een vette aal van Kopaï, 3 drachmen

(1 gulden 35 cts), en voor een paar lijsters, 1 drachme (9 stuivers)

geven wil.

[382] Het mannenvertrek.

[383] De aanzienlijkste Grieken schaamden zich niet, in gezelschap

van hunne slaven aankoopen op de markt te doen. Eerzame huismoeders

durfden zich niet op de markt vertoonen; gewoonlijk zonden zij hare

slavinnen er heen.

[384] Zes centen.

[385] Zie boven blz. 75.

[386] Dergelijke signalementen zijn op papyrussen bewaard gebleven.

[387] De vogel die van de rechterzijde kwam aanvliegen, bracht geluk

aan. Ook het trekken van het rechter oog gold voor een goed voorteeken.

[388] Men ziet: de bekende Haarlemsche kloppertjes zijn al van oude

dagteekening.

[389] De Grieken plachten daar hunne waren op monsters te verkoopen.

[390] Plutarchus verzekert, dat de Atheensche bruiden, volgens een wet

van Solon, vóor de bruiloft een kweeappel moesten eten, die buitendien

voor de geliefden zeker eene bijzondere beteekenis had. Het lijdt

geen twijfel, dat ook de Grieken onze bruidsdagen hebben gekend.

[391] De heler van een moord moest met den knoet gestraft worden,

en kreeg in drie dagen eten noch drinken.

[392] De vilten hoeden (petasos) werden eerst door de Grieken,

daarna ook door de Romeinen gedragen, tot bescherming tegen de

zonnestralen. Op den beroemden ruiteroptocht van het Parthenon, in het

Britsche museum, dragen bijna alle ruiters den petasos. Dit hoofddeksel

komt ook als reishoed voor. Eene figuur met den breedgeranden hoed

op den rug duidt een reiziger aan.

[393] Op de oude gedenkteekenen, bijv. te Thebe, Benihassan en Saqqara

vindt men het leven der nijvere handwerkslieden, zooals schoenmakers,

pottenbakkers, schrijnwerkers, vervaardigers van mummie-kisten,

timmerlieden, spinners en mattenmakers, glasblazers, goudsmeden,

schilders, beeldhouwers, slachters, enz. zeer aanschouwelijk

voorgesteld. Bij Ebers, Aegypten in Bild und Wort, Wilkinson e. a. kan

men hiervan afbeeldingen vinden.

[394] Wevende en spinnende mannen en vrouwen komen op de monumenten

dikwijls voor. In het Berlijnsch museum zijn eenige Egyptische

spinrokkens; in het Leidsche vindt men een keurig spinstokje en eene

knoopnaald, met het roode garen er nog om, benevens vele monsters

van weefsels.

[395] Het Egyptische bier, dat de Grieken 'zythos' noemden, was

algemeen bekend, maar stond niet hoog aangeschreven. Osiris zou het

met den wijn aan de menschen hebben geschonken. In oud-Egyptische

geschriften komt het dikwijls voor onder den naam: 'hek'. Het verdient

opmerking dat men Gambrinus, als een zoon van Isis, met Egypte,

het land waar men het eerst bier zou hebben gedronken, in betrekking

heeft gebracht.

[396] zie boven bl. 110.

[397] Eene beroemde hetaere van Naucratis.

[398] Misdadigers, die ter dood veroordeeld waren, werden in Egypte

gewoonlijk opgehangen.

[399] Zie boven blz. 84.

[400] Priesters, die bij feestelijke optochten, de heilige dieren,

de godenbeelden, enz. moesten dragen. De priesters waren verdeeld in

opperpriesters, profeten, stolisten, die voor de godenbeelden en de

offers moesten zorgen, vederdragers of schrijvers der hiëroglyphen,

hiërogrammaten of wijzen, waartoe de horoscopen, astrologen,

kalendermakers en teeken-uitleggers gerekend werden, de heilige

vaders, waartoe ook de zangers behoorden, de priesters van lager

orde, namelijk de pastophoren, taricheuten of balsemers, neokoren of

tempeldienaars, enz.

[401] Zie de beschrijving van dit instrument in Ebers' Warda, Dl. II

bl. 102.

[402] Dergelijke optochten van vrouwen ziet men op de gedenkteekenen,

bijv. te Thebe, waar de vrouw van Ramses II en de moeder, de dochter

en de zuster van een priester naar den tempel gaan om te bidden. Er

waren in Egypte ook priesteressen.

[403] Op de monumenten in Thebe vindt men de voorstelling van een

plattegrond eener villa, in vogelvlucht gezien.

[404] Ramses III is de Rhampsinit, van wien Herodotus ons dat

aardige sprookje vertelt, hetwelk graaf von Platen stof gaf

tot een drama. De schat van Ptolomaeus Philadelphus zou 740,000

Egyptische talenten, d.i. ongeveer 990,000,000 gulden bedragen

hebben. Doch misschien bedoelde men de gezamenlijke inkomsten van eene

acht-en-dertigjarige regeering. De Egyptische schatkist had inderdaad

enorme inkomsten. Volgens een opschrift in de schatkamer van Ramses den

Groote, zouden de goud- en zilvermijnen jaarlijks 1080,000,000 gulden

hebben opgebracht. Volgens Diodorus bedroeg de schat van Rhampsinit

5400,000,000 gulden. Door een gelukkig toeval heeft men in den tempel

van Medinet-Haboe eene voorstelling van zijn schatkamer gevonden.

[405] Een Egyptisch snareninstrument.

[406] De bijnaam "meesteres of beheerscheres der weegschaal" had zijn

grond hierin, dat de godin der waarheid de zielen der afgestorvenen

in de onderwereld afwoog. Van dit wegen vinden wij bijna in alle

doodenboeken eene voorstelling.

[407] zie boven bl. 29 en 31.

[408] Een snareninstrument, dat grooter was dan de lier. Het stond

in verhouding tot de luit als eene cello tot eene viool.

[409] Antipater van Sidon vervaardigde op hem het volgend epigram:

Gij wijddet al uw dagen, o grijsaard, blij te moe,

Aan Dionysos, Eros en 't koor der Muzen toe.

[410] Anacreon was van Teos afkomstig.

[411] Een klein staafje van elpenbeen, waarmede men de snaren tokkelde.

[412] Hoewel een onweder in Egypte tot de zeldzaamheden behoort,

zoo komt het toch wel eens voor. Ebers trof in Januari 1870 een

onweder in Opper-Egypte nabij Antinoë. De bui was zoo hevig, dat

Arabische booten op den Nijl omsloegen en geweldige waterstroomen van

de bergen afdaalden. Fella-hutten werden medegesleurd en palmboomen

ontworteld. Herodotus vertelt als een wonder, dat het, juist in dezen

tijd, in Opper-Egypte had geregend.

[413] De Grieken waren gewoon, als een onweder dreigde, aan de stormen,

die tot de goden der onderwereld behoorden, een zwart lam te offeren.

[414] Zoo heetten de bruiloftsliederen, naar het refrein: "Hymen,

o Hymenaee."

[415] Eene Helleensche bruid verscheen in feestdos, en ook zij die

haar geleidden droegen sierlijke gewaden.

[416] Sappho.

[417] De moeder der bruid ontstak de fakkel. De fakkeldrager moest

den God Hymen voorstellen.

[418] Dit gebruik bestond later ook te Rome.

[419] Zie boven blz. 145.

[420] Het schip heette naar de godin der gezondheid.

[421] zie boven bl. 145.

[422] Perzische lusthoven.

[423] zie boven bl. 165.

[424] In onze maand Maart.

[425] Ook de hedendaagsche Perzen houden een huwelijk tusschen

bloedverwanten in eersten of tweeden graad voor zeer gelukkig.

[426] Een korps, gedeeltelijk uit vreemdelingen samengesteld, dat de

krijgsgevangenen moest bewaren en andere diensten bewijzen.

[427] Wagenstrijders vindt men op bijna alle Egyptische

gedenkteekenen. Ofschoon daarop tot hiertoe niet meer dan vijf ruiters

zijn gevonden, blijkt toch uit geschriften en berichten van andere

volken, dat de Egyptenaren zich van ruiterij bedienden. Zoo zou Ramses

II 24,000 ruiters in het veld hebben gebracht. Volgens Herodotus

was het Egyptische leger verdeeld in Hermotybiërs en Kalasiriërs. De

laatsten, in het Egyptisch Klaschr, waren boogschutters. De eersten

ontleenden hun naam aan het schort Haemitybion, dat zij droegen.

[428] Waarschijnlijk waren dit de door Herodotus genoemde

Noord-Afrikaansche Maxyers.

[429] Van vele standaarden zijn afbeeldingen gevonden. Elke nomos

had ook zijn wapen.

[430] Zoo gewapend vinden wij de troepen op de monumenten

voorgesteld. Verschillende der genoemde wapenen worden in de musea

gevonden, o. a. te Berlijn een dolk, waarvan de kling bestaat uit

een soort van brons, en het gevest uit elpenbeen, met eene scheede

van leder.

[431] Toen Themistocles later aan het Perzische hof kwam, werd hem

insgelijks eene aanzienlijke Perzische vrouw ten huwelijk gegeven.

[432] Deze mijnen lagen in het zuiden, niet verre van de Roode Zee. De

arbeiders waren deels krijgsgevangenen, deels lieden die men om de

eene of andere reden uit den weg wilde ruimen. Men heeft de sporen

van die mijnen weergevonden. Vgl. verder Ebers' Warda.

[433] zie boven bl. 213.

[434] Zoo worden de kleuren van de rijksbanier door Firdusi

opgegeven. De banier van Kawe bestond uit het schootsvel van een

dapperen smid, die volgens de legende alles te wapen riep tegen dan

boozen Zohak, en Feridun hielp, om dien gruwelijken verwoester van

het rijk ten val te brengen.

[435] Dit was het wachtwoord der Grieken in den slag bij Mycale.

[436] Dat die wagenmenners aanzienlijke personen waren, blijkt uit

de wijze waarop de vorsten met hen omgingen. Op een gedenkteeken te

Thebe werd Ramses II voorgesteld, in vertrouwelijk gesprek met zijn

wagenmenner. Hetzelfde blijkt uit het epos van Pentaoer (Vgl. Ebers

Warda). In een der papyrussen wordt van een wagenmenner gesproken,

die na een militaire school bezocht te hebben, van den pharao zelven

uit de koninklijke stallen de paarden ontvangt.

[437] Herodotus verhaalt ons van een Egyptenaar, die op last van Darius

aan den oever van den Ister ging staan, om Histiaeus van Milete te

roepen, die hem hoorde en aanstonds deed wat de Perzische koning van

hem verlangde.

[438] Herodotus geeft ons werkelijk het verhaal van dit verschrikkelijk

feit.

[439] Het is een doorgaande regel, dat bij de oude schrijvers

de overwinnaars altijd veel minder manschappen verliezen dan de

overwonnenen.

[440] Ongeveer f 22.500.

[441] Zij was de gemalin van koning Battus III.

[442] In het Gregoriaansch museum van het Vaticaan is het standbeeld

van een scheepsgezagvoerder; het opschrift behelst de bijzonderheden

omtrent Cambyzes' verblijf te Saïs, die hierboven worden medegedeeld.

[443] Op de gedenkteekenen komen herhaaldelijk gevangenen voor,

met eene soort van houten boeien, waarin de handen zijn gesloten,

en die met een touw aan hun hals hangen.

[444] Toen Solon den Lydischen koning bezocht, had deze den

wijsgeer zijne schatten getoond en hem gevraagd, wien hij wel

voor den gelukkigste hield, in de hoop dat hij zijn eigen naam zou

hooren. Solon noemde echter in de eerste plaats Tellus, een beroemd

burger van Athene, en daarna de broeders Kleobis en Biton. Deze schoone

jongelingen, die ook in den worstelstrijd den prijs hadden behaald,

trokken hunne moeder, toen de paarden niet intijds van het veld kwamen,

ten aanzien van het gansche volk, naar den ver verwijderden tempel. De

mannen van Argos roemden, de kracht der jongelingen, maar de vrouwen

wenschten de moeder geluk die zulke zonen bezat. En de moeder verrukt

over deze daad en den lof harer zonen, plaatste zich voor het beeld

der godin en bad, dat zij hun het beste mocht schenken wat een mensch

gegeven kon worden. Na dit gebed en het offer sluimerden de jongelingen

in, om niet meer te ontwaken, want zij waren gestorven.

[445] De laatste Perzische koning, Darius Codomannus, verwees op

dezelfde wijze zijn uitstekenden Griekschen veldheer Memnon ter dood,

die hem door zijne vrijmoedigheid beleedigd had. Toen men hem wegvoerde

riep Memnon, zinspelende op Alexander, die reeds in aantocht was:

"Uw berouw over deze daad zal getuigen van hoeveel waarde ik voor u

was; mijn wreker is niet verre meer!"

[446] De Egyptenaren huwden niet zelden hunne zusters of de weduwen

hunner overleden broeders. Ook bij de Grieken komen zulke huwelijken

voor.

[447] Dit was het kostbaarste geschenk, dat een Perzisch onderdaan

van zijn vorst kon ontvangen.

[448] Wat Herodotus dienaangaande verhaalt, is genoegzaam

uit Egyptische gedenkteekenen gebleken niet anders dan eene

overlevering te zijn, geboren uit den volkshaat. De nagedachtenis

dezer koningen (Cheops en Cephren) werd gebrandmerkt, omdat men de

zware heerendiensten nimmer vergeten kon.

[449] De sarkophaag ging met het schip, dat dit kostbare voorwerp

naar Europa overbracht, op de Spaansche kust verloren. De Arabische

geograaf Idrisi verhaalt, dat men kort vóor hij schreef (1240) de

sarkophaag geopend en daarin een mummie gevonden had, benevens een

goudplaat, beschreven met onbekende schriftteekens.

[450] Zie boven blz. 75.

[451] Zie boven blz. 25.

[452] Wanneer de heilige stier stierf, dan werd hij diep betreurd

en met fabelachtige staatsie begraven. Toen onder Ptolemaeus

Lagi de Apis van ouderdom bezweek, besteedden de priesters tot

zijne ter-aarde-bestelling niet alleen den geheelen tempelschat,

maar leenden nog bovendien van den koning 50 zilvertalenten (81,000

gulden). Sommige hoofden van den Apis-tempel gaven voor de uitvaart van

dit dier 100 talenten uit. Men hield er voor den stier een ganschen

stal met koeien op na. De Egyptenaren meenden, dat hij de toekomst

kon voorspellen, en schijnen hem ook beschouwd te hebben als het

symbool van een tijdperk van 25 jaren. Dit is bevestigd toen het

Serapeum en de Apis-graven zijn ontdekt. Mariëtte vond een schoon

steenen beeld van den heiligen stier, dat naar Parijs is gevoerd,

alsmede een menigte kolossale Apis-sarkophagen.

[453] Zulke tooneelvertooningen in het woud van Neith schijnen tot

de mysteriën behoord te hebben. Het tooneel was het nog bestaande

meer Sa-el-Hagar, waarbij zich een graf van Osiris bevond. "Deze

schouwspelen," zegt Herodotus, "moesten de lotgevallen van

bovengenoemde godheid voorstellen en heeten mysteriën."

[454] De klimop was aan Osiris, de koe aan Isis gewijd. De laatste

komt op de gedenkteekenen bijna altijd voor met den kop van eene koe.

[455] Men vindt dezen geheelen strijd geteekend in een opschrift van

den Horus-tempel te Edfoe.

[456] Door de Grieken Byblos genoemd.

[457] Het laatste lid werd vruchteloos gezocht, want Seth (Typhon) had

het in den Nijl geworpen. Volgens de sage liet Isis dat lid namaken.

[458] Het dier, dat gewoonlijk voor Osiris in zittende houding wordt

afgebeeld, gelijkt nu eens op eene teef of leeuwin, dan weer het meest

op een nijlpaard. De Cerberus der Grieken heeft misschien aan dezen

"draak van Amenthes" zijn oorsprong te danken.

[459] De onderwereld, eig. het westen, het doodenrijk, waar de ziel

heenging na den dood, gelijk de zon na haren ondergang.

[460] Haméstegân is de plaats dergenen, wier goede daden tegen hunne

slechte kunnen opwegen; Duzakh is de hel, en Gorothman is het paradijs

der Perzen.

[461] zie boven bl. 239.

[462] De Perzische kleuren.

[463] Dit verhaal is ontleend aan Herodotus, evenals hetgeen er

verder volgt. De Perzen waren zeer gesteld op den roem van goede

boogschutters te zijn.

[464] Herodotus bericht, dat Darius eene dochter van Bartja (Smerdis),

Parmys geheeten, bij Atossa tot vrouw nam.

[465] In alle musea, o. a. in het Leidsche, te vinden. De

gedenkteekenen leeren, dat de Egyptenaren reeds in zeer vroegen tijd

zich op allerlei wijze zalfden. De oogzalf, mestem, vinden wij reeds

onder de 12e dynastie. De mummiën bewijzen, dat de hedendaagsche

gewoonte om de nagels te verven, reeds in den tijd der pharao's

bestond. Welriekende haarlokken waren een eerste vereischte voor eene

schoone vrouw.

[466] Het Leidsche museum bezit een exemplaar van zulk eene doos.

[467] Zulk een handvatsel, en wel van eene doos, vindt men in het

museum te Leiden, waar ook nog vele metalen spiegels bewaard worden,

alsmede kammen, enz.

[468] Op de musea vindt men bij de mummiën allerlei vlechtwerk van

koralen. Kapitein Henveys vond eenige jaren geleden een kolossale

koraal, waarop een hiëroglyphisch opschrift was gesneden.

[469] Op de oude gedenkteekenen vindt men geene afbeeldingen van

kameelen, terwijl het bekend is dat de Arabieren en Perzen zeer veel

gebruik maakten van deze dieren, die tegenwoordig ook aan den Nijl

onmisbaar zijn geworden. Toch was de kameel daar ook in de oudheid

bekend, maar het schijnt dat de afbeelding van dit dier, evenals van

den haan, verboden was.

[470] Eene stad nabij het noordelijk einde van de Roode Zee.

[471] Zie boven blz. 197.

[472] Herodotus doorreisde Egypte ongeveer zestig jaren na Cambyzes'

dood.

[473] Op deze oase (thans Siwah) was een beroemd orakel, dat ook door

Cresus was geraadpleegd, en later meer bekend werd, toen de groote

Ammon verklaarde, dat Alexander de Groote de zoon eener godheid was.

[474] De door de reizigers zoo gevreesde Khamsin der Lybische

woestijn. Een dergelijke wind, bekend onder den naam Samoem, wordt

door de Turken Schamyele genoemd.

[475] De Apis zag er echter volgens de gedenkteekenen niet altijd

eveneens uit. Op een Apis-standbeeld, dat Mariëtte liet uitgraven en

thans te Parijs is, heeft men bovengenoemde kenteekenen gevonden, met

zwarte verf op het lichaam geschilderd. Sommige bronzen Apis-beelden

dragen den zonneschijf met den Uraeus-slang tusschen de hoornen.

[476] Volgens Herodotus gleed het zwaard uit en trof het dier in de

dij, aan welke wond het bezwaarlijk kan gestorven zijn. Nu sterft

Cambyzes ook aan eene dijwond, en de geschiedschrijver is er blijkbaar

altijd op uit, om de vergelding van een misdrijf in een helder licht

te stellen.

[477] De sage van Niobe, welker zonen en dochters door de kinderen

van Leto, Apollo en Artemis, werden gedood is bekend. De namelooze

smart over dit verlies deed haar versteenen. Zij was de rots op den

top van het Sipylus-gebergte. De Niobe-groep, die in 1583 te Rome werd

gevonden en thans te Florence wordt bewaard, is zoo niet het origineel

dan toch eene voortreffelijke navolging van het werk van Praxiteles.

[478] De officieren van het Fransche fregat Luxor, die den bekenden

obelisk van Thebe moesten overbrengen, vonden te Abd el Qoernah de

mummie van Amasis' gemalin, half verbrand, in een lijkkist.

[479] De Atheners moesten aan Minos van Creta eene schatting

leveren van zeven jongelieden en even zoo vele maagden. Toen deze

schatting voor de derde maal werd gebracht, liet Theseus zich onder

de jongelingen opnemen. Minos' dochter Ariadne verliefde op hem. Zij

gaf hem een draad, met behulp waarvan hij het labyrinth weder kon

verlaten, na het vreeselijk monster, den minotaurus, verslagen te

hebben. Theseus vluchtte met haar naar Athene, maar verliet haar in

stilte op het eiland Naxos.

[480] zie boven bl. 9.

[481] De hoofddenkbeelden zijn ontleend aan Plato's schets van een

idealen staat.

[482] Herodotus laat alles te Susa gebeuren; doch in een opschrift van

Behistân leest men: "Daar is eene vesting, genaamd Cikathauvatis, een

streek genoemd Niçâya in Medië, daar heb ik (Darius) hem gedood." Het

valt echter moeielijk uit te maken, welke stad hier bedoeld is.

[483] Uit de berichten van Herodotus en andere schrijvers, en uit

het opschrift te Behistân blijkt genoeg, dat Cambyzes zich doodelijk

wondde met zijn eigen wapen, zonder dat er grond bestaat om aan

opzettelijken zelfmoord te denken.

[484] Herodotus maakt uitdrukkelijk gewag van Cambyzes' berouw in

zijne laatste oogenblikken.

[485] Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus, Aspatines, Hydarnes

en Darius Hystaspes.

[486] Zie boven blz. 263.

[487] De Perzen vierden daarna op dezen dag een groot feest, het

feest van den moord der magiërs.

[488] Volgens Herodotus hadden de zeven saamgezworenen met elkander

afgesproken, dat zij te zamen buiten de stad zouden rijden. Hij

zou koning zijn, wiens paard bij het opgaan der zon het eerst

hinnikte. Weinige dagen te voren bracht de stalknecht van Darius eene

merrie op de plaats waar men heen zou rijden, terwijl hij deze door

den hengst zijns meesters liet dekken. Toen nu de saamgezworenen,

op den bestemden dag, die zelfde plek naderden, begon het paard van

Darius zijn loop te versnellen en luid te hinniken. Terzelfder tijd

zou het bij een helderen hemel geweerlicht en gedonderd hebben. Het

eerste verhaal is zoo geheel onwaarschijnlijk niet, omdat het paard

aan de zon geheiligd was en men het wel voor een goddelijk teeken

kon houden, wanneer het de opkomende Mithra tegenhinnikte. Voor

het overige kon Darius, ook zonder de list van zijn stalknecht,

deugdelijke aanspraken op den troon doen gelden.

[489] Atossa wordt dikwijls de uitverkorene gemalin van Darius

genoemd. Hun zoon Xerxes werd door Darius tot zijn opvolger bestemd,

ofschoon de dochter van Gobryas hem reeds vóor de geboorte van

Xerxes drie mannelijke erfgenamen had geschonken. Herodotus verzekert

uitdrukkelijk, dat de invloed en het aanzien van Atossa zeer groot is

geweest. Aeschylus prijst haar in de "Perzen" als eene hooggeëerde,

achtenswaardige vrouw.

[490] Ramses II werkte aan dit kanaal, waarvan reeds sporen worden

gevonden uit den tijd van zijn vader Seti I. Necho vatte het werk

weder op. Darius liet er vlijtig aan werken. Onder de Ptolomaeën werd

het voltooid.

[491] Darius' naam komt op de Egyptische gedenkteekenen onder den vorm

Ntarioesch voor. Die naam wordt het meest gevonden in de opschriften

van den tempel in de oase el-Khargeh. Zeer merkwaardig zijn vooral

de Egypto-Perzische gedenkteekenen op de landengte van Suez, met

opschriften in hiëroglyphen en spijkerschrift. De Egyptische voornaam

van Darius luidt gewoonlijk: "de door Ammon en Ra geliefde." Overal,

bijv. op een porseleinen vaas te Florence en op papyrusrollen te

Parijs en Florence wordt hij genoemd met de goddelijke eeretitels

der pharao's.

[492] De eerste opstand, die uitbrak onder den door Cambyzes

aangestelden stadhouder Aryandes, zou Darius, met een bezoek aan

Egypte te brengen, onderdrukt hebben, bij welke gelegenheid hij honderd

talenten beloofde aan hem, die een nieuwen Apis zou vinden. De tweede

opstand begon eerst vier jaren voor Darius' dood. Xerxes bedwong de

opstandelingen twee jaren na zijne troonsbeklimming, en benoemde zijn

broeder Acha emenes tot stadhouder.

Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers · 第 38 / 38 题