Terwijl deze Nijltocht plaats had, was de gezant Prexaspes uit het land
der langlevende Ethiopiërs, waarheen Cambyzes hem had afgevaardigd,
teruggekeerd. Hij gaf hoog op van de grootte en de lichaamskracht
dezer menschen, schilderde den weg naar hun gebied af als ten
eenenmale ontoegankelijk voor een groot leger, en verhaalde van hen
de wonderlijkste dingen. De Ethiopiërs waren gewoon den schoonste en
sterkste van hun volk tot koning te verkiezen, en gehoorzaamden hun
vorst onvoorwaardelijk. Velen hunner werden honderdtwintig jaren oud;
niet weinigen bereikten nog hoogeren leeftijd. Hunne spijs was gekookt
vleesch, hun drank versche melk. Zij wieschen zich in eene bron,
welker water een violengeur had, aan de huid een eigenaardigen glans
mededeelde en zoo licht was, dat hout er in zonk. Hunne gevangenen
droegen gouden ketenen, daar het ijzer bij hen bijzonder zeldzaam
en duur was. Hunne dooden werden met gips omgeven, en vervolgens met
eene glasachtige pap begoten. Men was gewoon deze lijkzuilen een jaar
lang in huis te bewaren. Gedurende dien tijd brachten zij offers aan
de nagedachtenis der afgestorvenen, en plaatsten ze later rondom de
stad op lange rijen.
De koning van dit vreemde volk had de geschenken, hem vanwege Cambyzes
aangeboden, met een minachtenden lach aangenomen, en geantwoord,
dat hij zeer wel wist, dat den Perzen aan zijne vriendschap niets
gelegen was, en dat Prexaspes alleen kwam als verspieder. Indien
de Aziatische vorst rechtschapen was, zou hij zich vergenoegen met
zijn uitgestrekt rijk, en de vrijheid van een volk, dat hem nooit
iets in den weg had gelegd, niet belagen. »Breng uw koning dezen
boog," zeide hij, »en raad hem niet tegen ons te velde te trekken,
tenzij de Perzen wapenen als dit even gemakkelijk weten te hanteeren
als wij. Overigens mag Cambyzes de goden wel dankbaar zijn, dat het
den Ethiopiërs nog niet in den zin is gekomen, door veroveringen hun
gebied te vergrooten!" Dit gezegd hebbende, ontspande hij zijn boog,
en gaf dien aan Prexaspes.
Deze stelde thans het kolossale, uit ebbenhout vervaardigde wapen zijn
vorst ter hand. Cambyzes maakte zich zeer vroolijk over den pochenden
Afrikaan, noodigde tegen den volgenden morgen zijne grooten uit, om
tegenwoordig te zijn bij de proefneming met den boog, en beloonde
Prexaspes voor zijne moeielijke reis, en de uitmuntende wijze,
waarop hij de hem toevertrouwde zending had volbracht. Dronken als
gewoonlijk begaf hij zich te bed, en sliep zeer onrustig. Hij droomde,
dat Bartja op den Perzischen koningstroon zat en met zijn hoofd aan
den hemel raakte. Deze droom, tot welks verklaring hij de hulp van
mobeds noch Chaldaeërs van noode had, maakte eerst zijn toorn gaande,
doch stemde hem vervolgens tot nadenken.
»Hebt gij niet," zoo vraagde hij zichzelven af, »uw broeder
overvloedige reden tot wraakneming gegeven? Kan hij het wel vergeten
zijn, dat gij hem onschuldig in den kerker geworpen en ter dood
veroordeeld hebt? Ingeval hij tegen u opstond, zouden dan niet alle
Achaemeniden zich aan zijne zijde scharen? Want wat hebt gij ooit
gedaan, om u de liefde dezer veile hovelingen te verzekeren? En wat
kunt gij in het vervolg doen, om hen te winnen? Bestaat er sedert den
dood van Nitetis en het vertrek van dien zonderlingen Helleen nog een
eenig mensch, dien gij vertrouwen, op wiens liefde gij rekenen kunt?"
Deze vragen brachten zijn verhit bloed zoozeer aan het koken, dat
hij van zijne legerstede opvloog, uitroepende: »De liefde wil niets
van mij, ik wil niets van de liefde weten! Anderen mogen het met
goedheid beproeven, ik moet onverbiddelijk streng zijn; anders toch
lever ik mij zelven over in de handen van wie mij haten, omdat ik
rechtvaardig ben geweest en zware overtredingen door zware straffen
heb doen boeten. In mijn bijzijn prevelen zij slechts vleitaal;
achter mijn rug vervloeken ze mij met luider stem!--Zelfs de goden
zijn mij vijandig, want zij ontrooven mij alles wat mij dierbaar
is, schenken mij zelfs geen zoon, en onthouden mij den krijgsroem,
die mij toekomt! Is dan Bartja zooveel beter dan ik, dat hem alles,
wat ik missen moet, honderdvoudig ten deel valt? Liefde, vriendschap,
eer, kinderen, alles wordt hem in den schoot geworpen, gelijk aan de
zee de wateren der stroomen toevloeien, terwijl mijn hart evenals de
woestijn steeds dorder wordt.--Maar nog ben ik koning; nog kan ik hem
toonen, wie van ons beiden de sterkste is, al reikt zijn hoofd ook
aan den hemel! Slechts éen mag de grootste zijn in Perzië! Hij of
ik, ik of hij! Binnenkort zal ik hem naar Azië terugzenden, en hem
tot satraap van Baktrië maken. Laat hij zich daar door zijne vrouw
liederen doen voorzingen en zijn kind in slaap sussen, terwijl ik
in den strijd met de Ethiopiërs roem verwerf, dien mij dan niemand
betwisten zal! Hei daar, aankleeders! Brengt mij mijne kleederen en
een fikschen morgendrank! Ik verlang de Perzen te toonen, dat ik de
rechte man ben om koning over de Ethiopiërs te zijn, en hen allen in
het boogspannen de baas ben! Nog éene teug! Ik zal het wapen spannen,
ook al ware de pees een scheepskabel, en de boog een cederboom!"
Dit gezegd hebbende, ledigde hij in éen teug een reusachtigen, ten
boorde met wijn gevulden drinkbeker, en begaf zich daarop, in het volle
bewustzijn zijner geweldige kracht, en overtuigd van zijne aanstaande
zegepraal, naar den slottuin, waar al de grooten van het rijk den
koning wachtten, en hem met luid gejuich ontvingen, den grond met het
voorhoofd beroerende. Tusschen de geschorene hagen en rechtlijnige
boomrijen waren in der haast staken opgericht, met scharlaken reepen
aan elkaar gebonden. Aan gouden en zilveren ringen wapperden van den
top dier staken roode, gele en donkerblauwe vanen [462]. Talrijke
banken van verguld hout waren in een wijden kring gerangschikt, en
noodigden de aanwezigen uit, om zich neder te zetten, terwijl vlugge
schenkers in gouden vaatwerk wijn aanbrachten, dien zij allen, die
tot het spannen van den reuzenboog hier verzameld waren, aanboden.
Op een wenk van den koning rezen de Achaemeniden uit hunne eerbiedige
houding op. Hij monsterde allen met zijne blikken, en scheen aanstonds
veel vroolijker gestemd, toen hij bemerkte, dat Bartja afwezig was. Nu
stelde Prexaspes den monarch het Ethiopische wapen ter hand, en toonde
hem eene, op vrij grooten afstand opgerichte schijf. Cambyzes lachte
over de grootte van den boog, woog dien met de rechterhand, en verzocht
de aanwezigen hun geluk vóor hem te beproeven. Hij overhandigde den
boog het eerst aan den grijzen Hystaspes, als zijnde de aanzienlijkste
der Achaemeniden.
Terwijl eerst deze, vervolgens de hoofden der zes andere voornaamste
Perzische geslachten tevergeefs al hunne krachten uitputten, om het
ontzaglijke wapen te spannen, ledigde de koning beker op beker, en werd
des te vroolijker, hoe minder het een hunner gelukken mocht, aan de
door den Ethiopischen koning gestelde voorwaarden te voldoen. Eindelijk
kwam de beurt aan Darius, die beroemd was om zijne vaardigheid in het
spannen van den boog. Maar, ofschoon hij al zijn krachten verzamelde,
bracht hij het niet verder, dan dat hij het ijzerharde hout éen vinger
breed deed buigen. De koning knikte hem vriendelijk toe, en riep, met
trotschen blik zijne bloedverwanten en grooten aanziende: »Geef mij
thans den boog, Darius! Ik zal u toonen, dat er slechts éen in Perzië
leeft, die den naam van koning verdient, dat slechts éen berekend is,
om tegen de Ethiopiërs te vechten, dat slechts éen bij machte is,
dezen boog te spannen!"
Nu vatte hij het wapen aan, omklemde het hout met de linker-, en de
vingerdikke pees van leeuwendarmen met de rechterhand, haalde diep
adem, kromde den breeden rug en trok, en trok, en raapte al zijne
krachten samen, en spande al zijne spieren, tot zij gevaar liepen
vaneen te rijten en de aderen op zijn voorhoofd dreigden te springen,
en werkte zelfs met de voeten, om het reuzenwerk te volbrengen;--maar
alles tevergeefs. Na een kwartier lang zijne krachten op schier
bovenmenschelijke wijze te hebben ingespannen, was hij volkomen
uitgeput, en hernam het ebbenhout, dat hij veel verder dan Darius had
saamgebogen, weder zijn rechten stand, spottende met al de pogingen
van dezen reus. Nu wierp de koning het wapen woedend van zich af,
en riep: »De Ethiopiër is een leugenaar! Geen sterveling heeft ooit
dezen boog gehanteerd! Wat mijne armen niet vermogen, kan niemand ter
wereld doen! Binnen drie dagen rukken wij naar Ethiopië op. Dan zal ik
den bedrieger tot een tweegevecht uitdagen, en u doen zien, wie van
ons de sterkste is. Raap den boog op, Prexaspes, en bewaar hem goed,
want ik wil den ellendigen leugenaar met de pees er van verworgen. Dat
hout is harder dan ijzer. Wie in staat is het te spannen, hem noem ik
volgaarne mijn meester, want hij is voorwaar van beter maaksel dan ik!"
Nauwelijks had hij dit gezegd, of Bartja trad in den kring der
verzamelde Perzen. Een rijk gewaad omgaf zijne schoone gestalte. Zijn
gelaat straalde van geluk en in zijne trekken was te lezen, dat hij
zich van zijne kracht bewust was. Vriendelijk groetende, ging hij door
de rijen der Achaemeniden, die den geliefden zoon van Cyrus met blijde
verwondering verwelkomden, en trad naar zijn broeder toe, kuste diens
gewaad, en zeide, hem vrij en onbevreesd in de donkere oogen ziende:
»Ik kom een weinig over mijn tijd, en vraag u daarvoor vergeving,
mijn doorluchtige heer en broeder. Of ben ik nog ter juister ure
gekomen? Ja, waarlijk, ik zie nog geen pijl in de schijf, en begrijp
dus, dat gij, de beste schutter van de wereld, uwe krachten nog niet
beproefd hebt! Gij ziet mij vragend aan? Welnu, ik wil u bekennen,
dat ons kind mij een weinig heeft opgehouden. Het popje lachte heden
voor het eerst, en lag zoo lief in den schoot zijner moeder, dat ik
er de oogen niet van kon afwenden, en niet merkte, dat het intusschen
mooi laat werd.--Spot vrij met mijne dwaasheid, ik schaam er mij
haast over! En zie nu eens, daar heeft het kleine ding waarlijk de
ster van mijn halsketen gerukt! Welnu, beste broeder, als mijn pijl
het middenpunt van de schijf doorboort, zult gij mij zeker wel eene
nieuwe schenken. Mag ik het eerst schieten, of wilt gij, mijn koning,
een begin maken?"
»Geef hem den boog, Prexaspes!" antwoordde Cambyzes, den jongen man
nauwelijks met een blik verwaardigende.
Toen Bartja het wapen in de handen had genomen, en boog en pees
zorgvuldig wilde onderzoeken, zeide de koning met een smadelijken
lach: »Ik geloof, bij Mithra, dat gij dit wapen, evenals de harten
der menschen, met smeekende blikken wilt trachten te vermurwen. Geef
Prexaspes den boog maar terug! Het is gemakkelijker met schoone
vrouwen en lachende kinderen te spelen, dan met dit wapen, dat met
de kracht van mannen spot!"
Bij deze op bitteren toon geuitte woorden werd Bartja's gelaat met een
blos van toorn en verontwaardiging overtogen. Hij nam den reusachtigen
pijl, die vóor hem op den grond lag, zwijgend in de rechterhand,
plaatste zich tegenover de schijf, verzamelde al zijne krachten,
trok met alle mogelijke inspanning de pees aan, spande den boog,
en deed den gevederden pijl de lucht klieven met zulk eene kracht,
dat de ijzeren spits diep in het midden van de schijf drong, terwijl
de houten schacht aan splinters vloog [463].
De meeste Achaemeniden hieven een luid gejuich aan bij de aanschouwing
van dit bewijs van reuzenkracht, terwijl de boezemvrienden van den
jongen overwinnaar doodsbleek werden, en zwijgend nu eens den van
woede bevenden koning, dan weer den niets kwaads vermoedenden Bartja
aanstaarden. Akelig voorzeker was het, den koning aan te zien. Het was
hem, als had de in de schijf gedrongen pijl zijn eigen hart, zijne
waardigheid, zijne kracht, zijne eer doorboord. Zijne oogen schoten
vuur, terwijl zijne wangen vaalbleek werden, en zijne rechterhand
krampachtig den arm van den naast hem staanden Prexaspes omklemde. Deze
vermoedde maar al te goed wat de greep van de koninklijke hand
beduidde, en zeide zacht tot zichzelven: »Arme Bartja!"
Eindelijk gelukte het den koning zijne drift meester te worden. Zonder
een woord te spreken wierp hij zijn broeder eene gouden keten toe,
beval zijne grooten hem te volgen, verliet den tuin, en begaf zich naar
zijne vertrekken, waar hij rusteloos op en neder liep, en zijn wrok in
den wijn zocht te smoren. Plotseling scheen hij een bepaald besluit te
hebben genomen. Hij gebood al zijne hovelingen, met uitzondering van
Prexaspes, de zaal te verlaten, en riep dezen, toen de anderen zich
verwijderd hadden, met een waanzinnigen blik en heesche stem toe:
»Dit leven is niet langer uit te houden! Ruim gij mij dien vijand
uit den weg, en ik zal u mijn vriend en mijn weldoener noemen!"
Prexaspes ontstelde hevig, wierp zich voor den monarch ter aarde en
hief smeekend de handen tot hem op. Doch Cambyzes had te veel wijn
gebruikt, en was te verblind door zijn haat, om dit gebaar van den
hoveling te verstaan. Hij meende, dat de gezant met dien voetval zijne
onderdanigheid wilde te kennen geven, gaf hem met een wenk te verstaan,
dat hij van den grond zou oprijzen, en fluisterde, als vreesde hij
zijne eigene woorden te hooren: »Handel spoedig en heimelijk! Niemand
buiten u en mij mag, als uw leven u lief is, aangaande den dood van dit
troetelkind der fortuin iets weten. Ga en neem, als de daad volbracht
is, zooveel uit mijne schatkamer als gij wilt! Maar wees voorzichtig,
want de knaap heeft een sterken arm en verstaat de kunst zich vrienden
te maken. Bedenk wel, als hij u met zijne gladde tong uw plicht doet
verzaken, dat uwe vrouw en kinderen in mijne macht zijn!"
Dit zeggende ledigde hij opnieuw een beker vol onaangelengden wijn,
verliet met wankelende schreden het vertrek, en stamelde, terwijl
hij Prexaspes den rug toekeerde, alsof hij tot zichzelven sprak, met
een heesche keel en met gebalde vuist: »Wee over u en de uwen, indien
die vrouwenheld, dat gelukskind, die eerroover in het leven blijft!"
Reeds lang had de koning de zaal verlaten, en nog altijd stond
Prexaspes op dezelfde plaats, als ware hij plotseling versteend. De
eerzuchtige, maar niet onedele hoveling was verplet door dien
vreeselijken hem opgedragen last. Hij wist dat, zoo hij weigerde
dezen ten uitvoer te brengen, dood of ongenade hem en de zijnen
bedreigde. Maar hij had Bartja lief, en gruwde bij de gedachte, dat
hij zich tot een sluipmoordenaar zou laten gebruiken. Hij had in zijn
binnenste een geweldigen strijd te strijden, die nog voortwoedde,
lang nadat hij het paleis reeds verlaten had. Op weg naar zijn huis
ontmoette hij Cresus en Darius. Hij verborg zich voor hen achter de
vooruitspringende poort van een groot Egyptisch huis, want het was
hem als moesten zij het hem aanzien, dat hij op het punt was het
pad der misdaad te betreden. Toen de twee mannen voorbijgingen,
hoorde hij Cresus zeggen: »Ik heb den voortreffelijken jongeling
bitter verweten, dat hij zoo ontijdig zijne krachten heeft getoond,
en wij moeten inderdaad de goden danken, dat Cambyzes in een aanval
van razernij zich niet aan hem vergrepen heeft. Hij heeft thans aan
mijn raad gehoor gegeven, en is met zijne vrouw naar Saïs geweken. Hij
moet in de eerste dagen den koning maar niet onder de oogen komen;
de wrok van Cambyzes mocht eens opnieuw ontwaken, en een dwingeland
vindt ten allen tijde gewetenlooze dienaren...."
Bij deze laatste, nog ter nauwernood voor Prexaspes verstaanbare
woorden kromp hij van schaamte ineen, als had Cresus hem reeds in het
aangezicht dezen schandelijken moord verweten; hij besloot, wat er
ook de gevolgen van mochten zijn, zich rein te houden van het bloed
van zijn vriend. Nu trad hij weder met opgerichten hoofde voort, tot
hij het huis bereikte, dat hem tot verblijf was aangewezen. Aan den
ingang huppelden hem zijne twee zonen te gemoet. Zij waren voor een
oogenblik uit de speelplaats der jonge Achaemeniden, die als altijd het
leger waren gevolgd, weggeslopen om hun vader te begroeten. Met eene
buitengewone ontroering, van welke hij zichzelven geene rekenschap kon
geven, drukte hij de schoone kinderen aan zijn hart, en omarmde hen
nogmaals, toen zij zeiden naar de speelplaats te moeten terugkeeren,
zoo zij geene straf wilden oploopen. In zijne woning vond hij zijne
meest geliefde vrouw, met haar jongste kind, een aanvallig meisje, op
den schoot spelende. Zoodra hij haar zag werd hij bij vernieuwing door
die onverklaarbare ontroering aangegrepen. Hij bedwong haar echter,
om der geliefde vrouw zijn geheim niet te verraden, en zonderde zich
ijlings in zijn vertrek af.
Intusschen was het nacht geworden. Tevergeefs poogde hij den slaap te
vatten; onophoudelijk wentelde hij zich op zijn leger heen en weder,
gefolterd door de ijselijke gedachte, dat zijne weigering om aan
's konings verlangen te voldoen, ook zijne vrouw en kinderen in het
verderf zou sleepen. Ten laatste had hij de kracht niet meer bij zijn
edel voornemen te volharden, en hetzelfde woord van Cresus, dat een
beter gevoel in zijne borst de zege had doen behalen, bracht de stem
van zijn geweten thans tot zwijgen. »Een dwingeland vindt ten allen
tijde gewetenlooze dienaren!" Hierin lag eene beschuldiging tegen hem
opgesloten, ja, maar het gaf tevens te kennen, dat, zoo hij den koning
ook al trotseerde, honderd anderen bereid zouden zijn diens bevel ten
uitvoer te brengen. Nauwelijks was hem deze waarheid volkomen duidelijk
geworden, of hij sprong van zijn leger op, onderzocht de dolken, die
in geregelde orde boven hem waren opgehangen, en legde den scherpsten
op het voor hem staande tafeltje. Daarop liep hij de kamer in gepeins
op en neder, telkens naar het venster gaande, om te zien of het niet
begon te lichten, en om zijn gloeiend voorhoofd af te koelen.
Toen eindelijk de duisternis van den nacht had plaats gemaakt voor
het heldere morgenlicht, en de klank van het metalen bekken, dat
de knapen tot het ochtendgebed opriep, hem opnieuw aan zijne zonen
herinnerde, onderzocht hij bij vernieuwing de scherpte van zijn
dolk. Toen eenige rijkgetooide hovelingen, die op weg waren naar
den koning, zijne woning voorbijreden, bevestigde hij het wapen aan
zijn gordel. Toen ten laatste het vroolijk lachen van zijn jongste
kind uit het vrouwenvertrek tot hem doordrong, zette hij met zekere
haast zijn tulband op, en ging, zonder zijne vrouw vaarwel te zeggen,
door verscheidene slaven vergezeld naar den Nijl, wierp zich daar in
eene boot, en beval den roeiers hem dadelijk naar Saïs te brengen.
Eenige uren na het noodlottige boogschot had Bartja, gehoor
gevende aan den raad van Cresus, zich met zijne jonge vrouw naar
Saïs begeven. Daar vond hij Rhodopis, die naar Saïs was gegaan,
in plaats van naar Naucratis terug te keeren. Een onverklaarbaar
angstig voorgevoel had de oude vrouw daarheen doen trekken. Na dat
pleiziertochtje was Bartja gevallen, gelijk wij weten, en met eigen
oogen had zij gezien hoe een uil, van de linkerzijde komende, dicht
langs zijn hoofd was voorbijgevlogen. Waren deze slechte voorteekens
reeds meer dan voldoende om haar hart, dat nog niet geheel verheven
was boven het bijgeloof van dien tijd, te verontrusten, en in haar
den wensch te doen oprijzen, in de nabijheid van het jeugdig echtpaar
te blijven, de daaraan volgende nacht, in welken zij door allerlei
verwarde droomen als bestormd werd, bracht haar besluit tot rijpheid,
om te Saïs hare kleindochter op te wachten.
Het vorstelijke paar verheugde zich hartelijk over de lieve onverwachte
gast, en voerde Rhodopis, nadat deze haar achterkleindochter,
die den naam Parmys [464] droeg, naar hartelust geliefkoosd had,
in de voor haar bestemde vertrekken. Het waren dezelfde, waar
de ongelukkige Tachot de laatste treurige maanden van haar leven
had doorgebracht. Met aandoening beschouwde Rhodopis al die kleine
voorwerpen, die niet alleen de kunne en den leeftijd der overledene,
maar ook hare neigingen en haar gemoedstoestand verrieden. Op de
kleedtafel stonden een aantal zalfpotjes en fleschjes [465] met
reukwerk, blanketsel en oliën. In eene doos [466] die met verrassende
juistheid de gedaante eener Nijlgans vertoonde, en in eene andere, op
welker eene zijde eene luitspeelster was geschilderd, werden eenmaal
de rijke gouden sieraden van de koningsdochter bewaard. Die metalen
spiegel, welks handvat eene sluimerende jonkvrouw voorstelde [467],
had meermalen het schoone, zacht blozende gelaat der afgestorvene
weerkaatst. Het geheele meubilair van het vertrek, van het sierlijke
rustbed, door leeuwenklauwen gedragen, tot de uit elpenbeen kunstig
gesneden kammen, die op de kleedtafel lagen, bewezen, dat de vroegere
bewoneres dezer vertrekken met haar geheele hart aan de uitwendigheden
des levens was gehecht geweest. Het gouden sistrum en de kunstig
bewerkte nabla, waarvan de snaren voorlang reeds gesprongen waren,
getuigden van de liefde der koningsdochter voor de muziek, terwijl
het in een hoek liggende gebrokene elpenbeenen spinrokken en eenige
begonnen netten van koralen [468] bewezen, dat zij ook niet afkeerig
was geweest van vrouwelijken arbeid.
Met een weemoedig welgevallen beschouwde Rhodopis al deze
voorwerpen. In hare verbeelding maakte zij zich uit deze gegevens
eene voorstelling van het Egyptische leven, die slechts weinig van
de waarheid afweek. Eindelijk ging zij, door nieuwsgierigheid en
belangstelling gedreven, naar eene groote beschilderde kist, en opende
het lichte deksel ervan. Dadelijk viel haar oog op eenige gedroogde
bloemen: daarop ontdekte zij een bal, die door eene bekwame hand in
sinds lang reeds verdroogde rozebladeren was gewikkeld; vervolgens
zag zij eene menigte amuletten van onderscheidene gedaanten, waarvan
sommige de godin der waarheid voorstelden, terwijl andere bestonden
uit met tooverspreuken beschreven papyrusblaadjes, die in een gouden
doosje waren geborgen. Eindelijk zag zij eenige met Grieksche letters
geschrevene brieven. Zij kon de verzoeking niet weerstaan die in
handen te nemen, en bij het schijnsel der lamp te lezen. Het waren
brieven door Nitetis uit Perzië geschreven aan hare gewaande zuster,
van wier ziekte zij geene kennis droeg. Toen Rhodopis deze brieven weer
nederlegde baadden hare oogen in tranen. Het geheim der overledene lag
thans voor haar open en bloot. Nu wist zij, dat Tachot Bartja bemind
had, dat zij die verlepte bloemen van hem ontvangen en dien bal, als
eene gedachtenis aan het oogenblik, waarin hij haar dezen toewierp,
in rozen gewikkeld had. De amuletten waren voorzeker bestemd geweest,
òf om haar krank hart te genezen, òf om in de borst van den koningszoon
wederliefde op te wekken en aan te kweeken.
Toen zij ten laatste deze brieven op hunne oude plaats wilde
nederleggen, en eenige doeken, die den bodem der kist schenen te
bedekken, met de hand aanraakte, bespeurde zij, dat zij een hard,
rond voorwerp verborgen. Zij lichtte ze dus op, en vond nu eene kleine
buste van gekleurd was, welke Nitetis voorstelde, en zoo volkomen
geleek, dat Rhodopis een kreet van verbazing niet kon onderdrukken,
en gedurende geruimen tijd de oogen van dit meesterstuk van Theodorus
den Samiër niet af kon wenden. Eindelijk begaf zij zich ter ruste en
sliep spoedig in, hare laatste gedachten aan het ongelukkige lot der
Egyptische koningsdochter wijdende.
Den volgenden morgen trad zij den tuin in, dien wij bij het leven
van Amasis reeds eenmaal bezochten, en vond daar in een priëel van
wijngaardloof hen, die zij zocht. Sappho zat op een fijn gevlochten
stoel. In haar schoot lag haar zuigeling, geheel naakt. Het kindeke
strekte de mollige handjes en voetjes nu eens naar zijn vader, die
voor de jonge vrouw lag neergeknield, dan naar zijne moeder uit. Als de
vingertjes van het wichtje bij wijle verdwaald raakten in de lokken of
den baard van den jongen held, trok hij zijn hoofd zachtkens terug,
om de kracht van de kleine te meten en haar het gevoel te geven,
als had zij duchtig huisgehouden in zijne haren. Als de spartelende
voetjes zijn gezicht raakten, nam hij ze in de hand en kuste de roode,
fijn gevormde teentjes en voetzolen, die nog zoo zacht en teeder waren
als de wangen eener maagd. Als de kleine Parmys een zijner vingers
omklemde, deed hij alsof hij zijne hand niet los kon krijgen, en hield
hij niet op de mollige schouders, òf de kuiltjes in de ellebogen,
òf het blanke rugje van het aanvallige schepseltje te kussen.
Sappho genoot onuitsprekelijk in de aanschouwing van dit onschuldig
spel, en beproefde de aandacht van het kind uitsluitend op den vader
te vestigen. Af en toe boog zij zich over de kleine heen, om een
kus te drukken op het gevulde halsje of op de koraalroode lipjes,
en dan gebeurde het wel eens, dat haar voorhoofd in aanraking kwam
met de lokken van haar echtvriend, die dan geregeld den voor het
kindje bestemden kus van hare lippen stal.
Rhodopis was eenige oogenblikken ongemerkt getuige van dit schuldelooze
spel. Met tranen in de oogen bad zij de goden, dit onuitsprekelijke
reine geluk toch niet te verstoren. Ten laatste trad zij nader,
riep beiden een opgeruimd »goeden morgen" toe, en prees de oude
Melitta voor hare trouwe zorg, daar zij, met een groot zonnescherm
gewapend, gekomen was om de kleine Parmys te slapen te leggen en
aan het blakerende zonnelicht te onttrekken. De oude slavin was tot
eerste voedster van de vorstelijke zuigeling aangesteld, welk ambt
zij met de uiterste nauwgezetheid en met eene koddige waardigheid
bekleedde. Zij had de oude stramme leden in een rijk Perzisch gewaad
gestoken, en voelde zich onbeschrijfelijk gelukkig nu zij bevelen
mocht uitdeelen, iets dat haar nog nooit was overkomen, terwijl zij
de vele onder haar staande slavinnen met eene nederbuigende goedheid
bejegende en onophoudelijk in beweging hield.
Sappho volgde de oude dienstmaagd op den voet, na nog haar molligen
arm om den hals van haar man geslagen en hem op vleienden toon in het
oor gefluisterd te hebben: »Zeg toch alles aan grootmoeder en vraag
haar, of zij u gelijkgeeft!"
Voor dat Bartja haar kon antwoorden, had zij hem op den mond gekust,
en was zij de statig voortstappende Melitta nagesneld.
De koningszoon zag haar lachend na, en vergat een oogenblik het
bijzijn der eerwaardige vrouw, weggesleept door zijne bewondering
van haar zwevenden tred en hare schoone gestalte. Spoedig echter
bezon hij zich, en vroeg, Rhodopis aanziende: »Vindt gij ook niet,
dat zij den laatsten tijd grooter is geworden?"
»Dat schijnt maar zoo," was het antwoord. »Als maagd heeft de vrouw
zeker iets eigenaardigs en bekoorlijks: doch eerst de moedernaam
schenkt haar de rechte waardigheid. Als moeder mag zij 't hoofd met
meer fierheid oprichten. Wij meenen dan, dat zij lichamelijk grooter
is geworden, terwijl zij zich slechts door het bewustzijn, aan hare
bestemming beantwoord te hebben, innerlijk veredeld voelt!"
»Ja, ik geloof dat zij gelukkig is," zeide Bartja. »Gisteren voor het
eerst verschilden wij van zienswijze. Toen zij ons daareven verliet,
verzocht zij mij ons geschil aan uw oordeel te onderwerpen, 't geen ik
volgaarne doe, daar ik uwe wijsheid en ondervinding even hoog schat,
als ik haar om hare kinderlijke onervarenheid liefheb."
En nu verhaalde Bartja haar de geheele toedracht van de noodlottige
geschiedenis met den boog, en eindigde aldus: »Cresus berispte mijne
onvoorzichtigheid; maar ik ken mijn broeder, en weet dat hij, ja,
in zijn toorn tot iedere daad van geweld in staat is, en dat het niet
te verwonderen zou geweest zijn als hij mij op het oogenblik zijner
nederlaag vermoord had; maar wanneer zijn toorn een weinig heeft
uitgewoed, dan zal hij mijne vermetelheid vergeten, en er slechts naar
streven mij in het vervolg door edele daden te overtreffen. Een jaar
geleden was hij verreweg nog de beste schutter in geheel Perzië, en
dat zou hij nog zijn, als zijne reuzenkrachten door zijne onmatigheid
en door die booze krampen niet zooveel geleden hadden. Ik daarentegen
gevoel, dat mijne krachten met den dag toenemen."
»Waarachtig geluk," viel Rhodopis den jongen man in de rede, »verstaalt
de armen van den man, gelijk het de schoonheid der vrouw verhoogt;
terwijl onmatigheid en kwalen lichaam en ziel zekerder sloopen dan
ziekte en ouderdom. Neem u in acht voor uw broeder, mijn zoon, want
even goed als zijn oorspronkelijk zoo krachtige arm kon verlammen,
kan zijne van nature edele ziel haar adeldom verliezen. Vertrouw
op mijne ervaring: deze heeft mij geleerd, dat hij, die de slaaf
van éen boozen hartstocht is geworden, zeer zelden zijne andere
driften meester blijft. Buitendien valt het geen mensch zwaarder eene
vernedering te dragen dan hem, die zedelijk daalt en zijne krachten
voelt afnemen. Nog eens, neem u in acht voor uw broeder, en vertrouw
eer de waarschuwende stem der ervaring, dan uw eigen hart, dat zoo
gaarne ieder ander hart voor edel en rein houdt, wijl het zichzelf
bewust is edel en rein te zijn."
»Deze woorden," antwoordde Bartja, »doen me begrijpen, dat gij het
met Sappho volkomen eens zult zijn. Zij heeft mij toch gebeden, hoe
zwaar het haar ook moge vallen van u te scheiden, Egypte te verlaten en
met haar naar Perzië te trekken. Zij denkt dat Cambyzes, als hij mij
niet meer ziet en niets van mij hoort, zijn wrok vergeten zal. Maar
ik houd hare bezorgdheid voor mijne veiligheid voor ongegrond, en
zou mij zelven niet gaarne het genoegen ontzeggen, om den veldtocht
tegen de Ethiopiërs mede te maken...."
»En ik," viel Rhodopis hem nogmaals in de rede, »bid u dringend haar
raad, die door eene juiste beoordeeling der omstandigheden en door
oprechte liefde is ingegeven, te volgen. De goden weten hoezeer mij de
scheiding van u zal smarten, maar toch roep ik u duizend en duizendmaal
toe: Keer naar Perzië terug en bedenk, dat slechts dwazen hun leven en
hun geluk doelloos op het spel zetten!--De oorlog tegen de Ethiopiërs
is het ontwerp van een waanzinnige, want gij zult niet te strijden
hebben met de zwarte bewoners van het zuiden, maar met hitte, dorst,
en al de verschrikkingen der woestijn. Dit geldt den voorgenomen
veldtocht in het algemeen; wat u in het bijzonder betreft, bedenk,
dat gij uw geluk en dat der uwen vergeefs op het spel zet, wanneer er
geen krijgsroem te behalen is; dat gij daarentegen, zoo gij u weder
mocht onderscheiden, slechts den toorn en de ijverzucht van uw broeder
opnieuw zoudt prikkelen. Ga naar Perzië, en wel zoo spoedig mogelijk!"
Juist wilde Bartja beproeven de drangredenen der schrandere vrouw te
ontzenuwen, toen Prexaspes met een bleek gelaat naar hem toekwam.
Na de gewone begroetingen en vragen fluisterde de gezant den jongeling
in het oor, dat hij hem alleen wenschte te spreken, en toen Rhodopis
zich verwijderd had, zeide hij, in zijne verlegenheid met de ringen
van zijn rechterhand spelende: »De koning zendt mij tot u. Gij hebt
hem gisteren zeer verbitterd door uw kracht te toonen. Hij wil u den
eersten tijd niet zien, en beveelt u daarom naar Arabië te reizen,
en daar zooveel kameelen [469] te koopen, als er maar te krijgen
zijn. Deze dieren, die langen tijd dorst kunnen lijden, moeten het
water en de levensmiddelen medevoeren voor onze legers, als wij naar
Ethiopië trekken. Onze reis duldt geen uitstel. Neem afscheid van
uwe vrouw en zorg,--aldus luidt 's konings bevel--dat gij vóor de
nacht valt tot vertrekken gereed zijt. Gij zult ten minste éene maand
uitblijven. Ik vergezel u tot Pelusium. Intusschen wenscht Cassandane,
uwe vrouw en uw kind in hare nabijheid te hebben. Gelast hun zoo
spoedig mogelijk naar Memphis te gaan, waar zij, onder de hoede van
's konings edele moeder, het veiligst zullen zijn."
Bartja had Prexaspes aangehoord, zonder dat het hem was opgevallen,
dat de gezant zoo kortaf sprak, als aarzelde hij zijn last te
volbrengen. Hij verheugde zich over de schijnbare gematigdheid van
zijn broeder en over dit bevel, dat hem verder allen twijfel benam
betreffende zijn al of niet terugkeeren naar Perzië. Hij reikte zijn
gewaanden vriend de hand ten kus, en noodigde hem uit hem in zijn
paleis te volgen. Toen het koeler begon te worden, nam hij van Sappho
en het kind, dat op Melitta's armen sliep, een kort maar hartelijk
afscheid, beval zijne vrouw zoo spoedig mogelijk naar Cassandane te
vertrekken, riep zijne schoonmoeder nog schertsend toe, dat zij zich
ditmaal in de beoordeeling van een mensch, namelijk van zijn broeder,
toch zeer vergist had, en wierp zich in den zadel.
Toen Prexaspes zijn paard wilde bestijgen, fluisterde Sappho hem in:
»Pas toch goed op hem en herinner den waaghals, dat hij vrouw en kind
heeft, zoo hij zich soms noodeloos in gevaar mocht willen begeven!"
»Te Pelusium moet ik hem reeds verlaten," antwoordde de gezant,
terwijl hij, om de blikken van de jonge vrouw te ontwijken, zich
hield als herstelde hij iets aan het tuig van zijn paard.
»Dan mogen de goden hem beschermen!" riep Sappho, de geliefde hand
van den vertrekkende vattende en uitbarstende in tranen, die zij
vruchteloos beproefde terug te houden.
En hij, zijne anders zoo moedige gade ziende weenen, werd evenzeer door
zekere tot nog toe hem onbekende ontroering aangegrepen. Liefderijk
boog hij zich tot haar neder, sloeg zijn krachtigen arm om haar middel,
hief haar tot zich op en drukte haar, terwijl haar voet op den zijnen
rustte, aan zijn hart, als moest hij voor eeuwig afscheid van haar
nemen. Daarop liet hij haar met vasten arm zacht op den grond neder,
nam nog eens zijn kind bij zich in den zadel, om het te kussen en
schertsend op het hart te drukken, dat het zoet moest zijn. Toen riep
hij Rhodopis nog een hartelijk woord tot afscheid toe, en vloog,
zijn hengst de sporen gevende, zoodat het edele dier steigerende
voortgaloppeerde, door Prexaspes gevolgd, de poort van het paleis
der pharao's uit.
Nauwelijks was het geluid van den hoefslag der paarden in de verte
weggestorven, of Sappho wierp zich aan de borst van hare grootmoeder,
en weende lang onafgebroken, in weerwil van de ernstige vermaningen
en de strenge berisping van de oude vrouw.