De Nijl begon wederom te wassen. Sedert het vertrek van Phanes waren
twee maanden voorbijgegaan, rijk aan gebeurtenissen. Op denzelfden
dag, op welken de Athener Egypte verliet, had Sappho haar Bartja
eene dochter geschonken. Onder de verpleging harer grootmoeder was
zij spoedig zoo ver hersteld, dat zij aan een tochtje op den Nijl,
hetwelk op voorslag van Cresus plaats vond, bij gelegenheid van het
feest van Neith, deel kon nemen. Het jeugdige paar woonde niet meer te
Memphis, daar Bartja met 's konings toestemming het paleis te Saïs had
betrokken, om de uitbarstingen van woede van zijn broeder te ontwijken,
die sedert de vlucht van Phanes zeer waren toegenomen. Ook Rhodopis,
in wier huis de Lydiër met zijn zoon, Bartja, Darius en Zopyrus zich
vaak vereenigden, sloot zich bij het gezelschap aan.
Aan den morgen van het feest besteeg men, omstreeks acht mijlen
beneden Memphis, een keurig versierde bark, en voer den stroom op,
door een gunstigen noordenwind en talrijke roeiers voortgestuwd. Onder
het deels vergulde, deels met bonte kleuren beschilderde houten dak,
dat het midden van het dek overwelfde, had zich het reisgezelschap
neergevlijd, om tegen de brandende zonnestralen genoegzaam beschut
te zijn. Cresus had aan de zijde der eerbiedwaardige matrone plaats
genomen; de Milesiër Theopompus zat aan hare voeten. Sappho liet
haar hoofdjen op Bartja's schouder rusten. Syloson, de broeder van
Polycrates, lag naast Darius, die, in gepeins verdiept, onafgebroken
in het water staarde, terwijl Gyges en Zopyrus van de bloemen, die
een Egyptische slaaf hun ter hand stelde, kransen voor de hoofden
der beide vrouwen vlochten.
»Het is bijkans niet te gelooven," zeide Bartja, »dat wij den stroom
tegen hebben. De boot vliegt als eene zwaluw over het water."
»Dat komt van den fikschen noordenwind, die ons het voorhoofd
verfrischt," antwoordde Theopompus. »Ook verstaan de Egyptische
roeiers hun werk in den grond."
»En werken met verdubbelden ijver," liet Cresus er op volgen, »wijl
het tegen den stroom opgaat. Slechts dan, als we tegenstand vinden,
zijn wij gewoon al onze krachten in te spannen."
»Terwijl wij ons zelven bezwaren scheppen," sprak Rhodopis, »wanneer
het lot onze levensboot met een kalmen, gunstigen stroom voortstuwt."
»Zoo is het!" riep Darius. »De edele heeft een afkeer van dat
gemakkelijke met den stroom meedrijven. Onder werkelooze rust zijn
alle menschen gelijk; daarom hebben wij behoefte aan strijd, om te
kunnen toonen, dat wij beter zijn en meer vermogen dan anderen."
»Maar de edele strijders moeten zich wachten, twist- en
tweedrachtstokers te worden," merkte Rhodopis aan. »Ziet gij ginds die
watermeloenen, die als gouden kogels over den zwarten grond verspreid
liggen? Had de landman het zaad met te milde hand uitgestrooid, geene
enkele vrucht zou tot rijpheid zijn gekomen. De al te weelderige ranken
en bladeren zouden ze verstikt en den oogst verijdeld hebben. Strijd
en arbeid, ziedaar 's menschen bestemming. Maar ook hierin moet
hij, gelijk in alle zaken, maat weten te houden, zal zijn streven de
gewenschte uitkomst hebben. Nimmer de juiste grenzen te overschrijden,
dat is het geheim van den wijze."
»O, dat de koning u hoorde spreken!" riep Cresus. »In plaats van
met zijne groote verovering tevreden en op het geluk zijner tallooze
onderdanen bedacht te zijn, denkt hij er slechts aan, hoe hij nieuwe
overwinningen zal behalen. De gansche wereld zou hij gaarne onder den
voet hebben, terwijl hij zichzelf sedert de verbanning van Phanes,
bijna dagelijks door den Diw der dronkenschap ter aarde laat werpen."
»Heeft dan zijne edele moeder volstrekt geen invloed meer op
hem?" vroeg Rhodopis.
»Zij heeft hem niet eens kunnen afbrengen van zijn voornemen om
Atossa te huwen, en in eigen persoon heeft zij het bruiloftsmaal
moeten bijwonen!"
»Arme Atossa!" fluisterde Sappho.
»Als koningin van Perzië doorleeft zij ook geen gulden dagen," zeide
Cresus, »en haar leven, aan de zijde van haar broederlijken gemaal,
zal op den duur juist daarom te treuriger zijn, wijl zij niet minder
opvliegend is dan hij. Cambyzes moet haar helaas zeer achteloos
behandelen, daar hij in haar altijd nog slechts een kind ziet. De
Egyptenaren vinden overigens in dit huwelijk niets buitengewoons, want
ook bij hen worden niet zelden broeder en zuster man en vrouw." [446]
»En ook in Perzië," merkte Darius aan, ofschoon hij niet het
geringste liet merken van wat er in zijn binnenste omging, »acht men
verbintenissen met bloedverwanten de beste huwelijken."
»Om echter op den koning terug te komen," zeide Cresus, die, om den
zoon van Hystaspes te sparen, aan het gesprek zoo spoedig mogelijk
eene andere wending gaf, »ik verzeker u, Rhodopis, dat hij toch
volstrekt geen slecht mensch is. Op zijne, in hartstocht en toorn
begane misslagen, volgt altijd onmiddellijk een welgemeend berouw,
en nooit heeft hij opgehouden zich telkens opnieuw voor te nemen een
goed en rechtvaardig vorst te zijn. Onlangs bijvoorbeeld vroeg hij,
gedurende den maaltijd, voordat nog de wijn zijn geest beneveld had,
hoe de Perzen wel over hem, in vergelijking met zijn vader, dachten."
»En wat was het antwoord?" vroeg Rhodopis.
»Intaphernes redde ons handig uit de verlegenheid," zeide Zopyrus
lachend. »Want hij antwoordde den koning: 'Wij houden het er voor,
dat gij uw vader overtreft, omdat gij het gebied van Cyrus niet alleen
ongeschonden weet te bewaren, maar ons rijk door de verovering van
Egypte zelfs over de zee hebt weten uit te breiden!' Maar dit antwoord
behaagde den koning niet, want hij sloeg met de vuist op de tafel,
en riep: 'Vleier, ellendige vleier!' Intaphernes schrok geweldig van
dezen onverwachten uitval. De koning wendde zich vervolgens tot Cresus,
en vroeg dezen naar zijne meening. 'Mij dunkt,' antwoordde onze wijze
vriend, 'dat gij het hooge standpunt uws vaders nog niet hebt bereikt;
want'--voegde hij er vergoelijkend bij,--'u ontbreekt nog een zoon,
gelijk de doorluchtige afgestorvene in u achterliet.'"
»Recht goed! Uitmuntend!" riep Rhodopis, in de handen klappende, en
den edelen man toelachende, »dit woord zou den behendigen Odysseus
tot eere hebben gestrekt! Maar hoe slikte de koning deze met zoeten
honig bestreken pil?"
»Hij was er uitermate mede ingenomen, dankte Cresus voor dit antwoord,
en noemde hem zijn vriend."
»En ik," sprak de grijsaard, »maakte mij deze gelegenheid ten nutte,
om hem af te brengen van zijn plan, om de langlevende Ethiopiërs,
Ammoniërs en Carthagers te gaan beoorlogen. Van het eerste der
genoemde volken verhaalt men allerlei fabelachtige dingen, en het is
zeker dat men, met het den oorlog aan te doen, ten koste van groote
offers, altijd slechts weinig zou winnen. De oase van Ammon is,
uithoofde van de woestijn die haar van Egypte scheidt, voor een groot
leger ter nauwernood bereikbaar, en mij schijnt het zonde krijg te
voeren tegen een God en zijne schatten, ook al behoort men niet tot
zijne vereerders. Wat eindelijk de Carthagers aangaat, zoo heeft de
uitkomst reeds de waarheid mijner voorspelling gestaafd. De matrozen
van onze vloot zijn bijna allen Syriërs en Phoeniciërs, en hebben
dus natuurlijk geweigerd, tegen hunne broeders te vechten. Cambyzes
spotte met mijne redenen, noemde mij een lafaard, en zwoer eindelijk,
toen de wijn zijn verstand begon te benevelen, dat hij, ook zonder
Phanes en zonder Bartja, in staat zou zijn moeilijke ondernemingen
door te zetten en groote volkeren tot onderwerping te brengen."
»Wat beteekent deze toespeling op u, mijn zoon?" vroeg Rhodopis.
»Hij heeft den slag van Pelusium gewonnen, en niemand anders!" riep
Zopyrus, zijn vriend voorkomende.
»Maar gij," hervatte Cresus, »en uwe vrienden hadden voorzichtiger
kunnen zijn, en moeten bedenken, dat het hoogst gevaarlijk is de
ijverzucht van een man als Cambyzes op te wekken. Gij vergeet te vaak,
dat zijn hart gewond en zeer gevoelig is, zoowel voor het kleinste
verdriet als voor de felste smart. Het noodlot heeft hem de vrouw
die hij liefhad, en den vriend die hem dierbaar was ontnomen; thans
meent hij, dat het uw toeleg is hem ook nog het laatste dat hem ter
harte gaat, zijn krijgsroem, te betwisten."
»Beoordeel hem niet te hard," riep Bartja, terwijl hij de hand van
den grijsaard vatte. »Mijn broeder is nooit onrechtvaardig geweest
en het is niet in hem opgekomen, mij mijn geluk,--want als verdienste
moet gij mij dien aanval op het juiste tijdstip niet toerekenen,--te
benijden. Gij weet, dat hij mij na den slag deze prachtige sabel,
honderd edele rossen en een gouden handmolen [447] schonk, als
belooning voor mijne dapperheid!"
De woorden van Cresus hadden in Sappho's ziel eenige bezorgdheid
doen rijzen, die evenwel, na het geruststellend antwoord van haar
gemaal, weder spoedig verdreven werd, en geheel en al vergeten was,
toen Zopyrus zijn krans gereed had en dezen op het hoofd der oude
vrouw plaatste.
Gyges bood den zijnen der jeugdige moeder aan, die het kroontje van
sneeuwwitte waterleliën op hare volle bruine lokken drukte, en met
dezen eenvoudigen tooi er zoo lief en schoon uitzag, dat Bartja,
ondanks de tegenwoordigheid van zoovele getuigen, niet kon nalaten,
haar op het voorhoofd te kussen. Het gesprek nam nu eene meer vroolijke
wending. Allen deden wat zij konden, om iets tot elkanders genoegen
bij te dragen; ja zelfs Darius vergat zijn ernst, om met de vrienden,
die de sedert eenige oogenblikken opgedragene spijzen en dranken eer
aandeden, te lachen en te schertsen. Toen eindelijk de zon achter
het Mokattam-gebergte was ondergegaan, plaatsten de slaven kunstig
gesneden stoelen, voetbanken en tafeltjes op het open dek, waarheen
het vroolijke gezelschap zich thans begaf, en waar zich een heerlijk
schouwspel aan hen vertoonde, dat aller verwachting overtrof.
Het Neith-feest, dat de Egyptenaren het lampen branden noemden, en
door het geheele land met eene algemeene verlichting der huizen placht
gevierd te worden, had met het opkomen der maan een aanvang genomen. De
oevers van den stroom geleken onafzienbaar lange vuurstrepen. Iedere
tempel, ieder huis, iedere hut was, al naar het vermogen der bewoners,
met brandende lampen versierd. In de portalen der landhuizen, en
op de torentjes der grootere gebouwen flikkerden de pekvlammen in
steenen pannen; dichte rookwolken stegen op, die zich uitspreidden,
en te midden der talrijke vanen en wimpels bleven hangen. De palmen en
sykomoren, waarover de maan haar zilverglans uitgoot, spiegelden zich,
in allerlei wonderlijke vormen, in de golfjes langs den oever, die door
het schijnsel der vlammen tintelden met een rooden gloed. Maar al die
lampen en vuren waren op verre na niet toereikend, om ook het midden
van den reusachtigen stroom, waar de bark der spelevarende vrienden
zachtkens voortgleed, te verlichten. Het was als voeren zij tusschen
twee heldere dagen in een duisteren nacht. Soms ontmoette men barken,
die, met lampen verlicht, als vurige zwanen over het water dreven,
en als zij op den oever aanhielden, een stroom van gloeiend vloeibaar
metaal schenen te doorklieven. Sneeuwwitte lotusbloemen dobberden op
de golven, en vertoonden zich aan hen, die daar heenvoeren, als de
oogen der rivier. Niet het geringste geluid drong van de oevers tot
hunne ooren door, ofschoon zij zwijgend neerzaten. De kracht van de
door den noordenwind voortgedragen tonen was te gering, om het midden
van den stroom te bereiken. Alleen de riemslagen en het eentonige
gezang der matrozen braken de diepe stilte af van den helderen nacht.
Lang vermeiden zich de vrienden, zonder een woord te spreken, in de
aanschouwing van dit zeldzaam en onvergelijkelijk schoon tafereel,
dat voor hunne oogen langzaam scheen voorbij te gaan. Eindelijk maakte
Zopyrus een einde aan de stilte, met een diepen zucht uitroepende:
»Hoezeer benijd ik u, Bartja! Als het was gelijk het behoort, dan
had ieder onzer in dit uur een lief wijfje aan zijne zijde!"
»Wie heeft u dan verboden een uwer uitverkorene vrouwen met u te
nemen?" antwoordde de gelukkige echtgenoot.
»Mijne vijf andere levensgezellinnen," zeide de jonge man met een
zucht. »Had ik Parysatis, het dochterke van Oroetes, de jongste mijner
lievelingen, alleen met mij genomen, dan zou dit gelukkig uur wel mijn
laatste wezen; want morgen zouden er zeker een paar oogen minder op
de wereld zijn geweest!"
Bartja glimlachte en zeide, de hand van zijne Sappho drukkende:
»Ik geloof haast, dat ik mij mijn leven lang met éene vrouw zal
vergenoegen!"
De jonge moeder beantwoordde den zachten druk der geliefde hand, en
zeide: »Ik vertrouw u niet, vriend Zopyrus, want het komt mij voor,
dat gij minder den toorn ducht dier schepseltjes, die u toch vrij
onverschillig zijn, dan wel terugdeinst voor eene overtreding van de
zeden en gebruiken van uw vaderland. Men heeft mij reeds verhaald,
dat men in de vrouwenvertrekken tegen mijn armen Bartja uitvaart,
omdat hij mij niet door eunuchen laat bewaken, en mij vergunt aan
zijne zijde het leven te genieten."
»Hij verwent u schrikbarend," hernam Zopyrus, »en onze vrouwen
beginnen, wanneer wij haar een weinig korthouden, zich reeds te
beroepen op zijne goedheid en toegeeflijkheid. Let op, binnenkort
zal aan de poort des konings een oproer onder de vrouwen uitbarsten,
en de Achaemeniden, die de scherpste zwaarden en de best gerichte
pijlen niet vreezen, zullen met spitse tongen doorstoken en in een
zilten tranenvloed verdronken worden."
»O, gij onbeschaamde Pers," sprak Syloson met een lach, »het zal
noodig zijn, dat wij u leeren wat meer eerbied te hebben voor de
evenbeelden van Aphrodite!"
»Wilt gij, Hellenen, ons leeren?" vroeg de jonkman. »Bij Mithra,
onze vrouwen hebben het even goed als de uwe! Alleen de Egyptische
leven ongelooflijk vrij."
»Dat is waar!" zeide Rhodopis. »De bewoners van dit vreemde land
kennen sinds duizenden jaren aan ons zwak geslacht dezelfde rechten
toe, waarop de mannen voor zich aanspraak maken. In vele opzichten
genieten wij zelfs nog grootere onderscheiding dan zij. De Egyptische
wet bijvoorbeeld beveelt niet den zonen, maar den dochteren hare grijze
ouders te onderhouden en te verplegen. Het gebod bewijst, hoe juist
de wijze voorvaderen van het thans zoo diep vernederde volk de natuur
der vrouw wisten te beoordeelen; hoe zij begrepen, dat wij u, mannen,
in trouwe zorg, oplettende hulpvaardigheid en opofferende liefde verre
overtreffen!--Spot niet met deze dierenaanbidders, die ik, ik beken
het gaarne, niet begrijp, maar daarom toch bewonder, daar Pythagoras,
de meester van alle wetenschap, mij verzekerd heeft, dat de wijsheid,
in de leeringen der priesters verborgen, even ontzagwekkend is als
de pyramiden."
»En uw groote meester heeft gelijk!" sprak Darius. »Gij weet, dat ik
sedert verscheidene weken dagelijks met Neithotep, den opperpriester
van Neith, dien ik uit zijne gevangenis heb laten bevrijden, en met
den ouden Onoephis verkeer, of, beter gezegd, mij door hen laat
onderrichten. Hoeveel nieuws heb ik van die twee grijsaards niet
geleerd! Hoeveel treurigs vergeet ik niet, als ik naar hun onderwijs
luister! De geheele geschiedenis van den hemel en van de aarde is hun
bekend. Zij weten den naam van iederen koning, de toedracht van elke
belangrijke gebeurtenis sedert de laatste vierduizend jaren. Zij dragen
kennis van den loop van alle sterren, en van de werken en stelsels
van alle kunstenaars en wijzen gedurende hetzelfde tijdsverloop. Want
dat alles staat opgeteekend in groote boeken, die te Thebe in een
paleis, dat zij 'Inrichting ter bevordering van de gezondheid der
ziel' noemen, bewaard worden. Hunne wetten zijn eene rijke bron
van wijsheid, en de geheele staatsinrichting is met verwonderlijk
doorzicht geheel berekend voor de behoeften des lands. Ik wilde wel,
dat wij in ons vaderland op zulk eene orde, zulk eene regelmaat konden
roemen! Al hunne wetenschap berust op het gebruik der getallen, met
welker hulp het alleen mogelijk is de banen der sterren te berekenen,
het bestaande nauwkeurig te beschrijven en te bepalen, ja zelfs door
verlenging en verkorting der snaren de tonen te regelen. Het getal
is het eenig zekere, dat met alle willekeur en met elke uitlegging
spot. Ieder volk heeft zijne eigene begrippen van recht en onrecht,
iedere wet kan door veranderde omstandigheden onbruikbaar worden;
doch waarheden, die haar grondslag in getallen hebben, staan voor
eeuwig onomstootelijk vast. Wie zal ooit weerspreken, dat tweemaal
twee vier is? De getallen bepalen duidelijk en zeker den inhoud van
al het bestaande. Al wat bestaat is gelijk aan zijn inhoud. Daarom
vindt men in de getallen het ware zijn, het wezen van alle dingen!"
»In naam van Mithra, Darius, houd op, het schemert mij voor de
oogen!" riep Zopyrus, zijn vriend in de rede vallende. »Wie u zoo hoort
spreken, moet wel denken dat gij uw geheele leven in het gezelschap
dier spitsvondige haarkloovers gesleten en nooit een zwaard gehanteerd
hebt! Wat gaan ons die getallen aan?"
»Meer dan gij denkt!" antwoordde Rhodopis, »ook Pythagoras is in deze
leerstellingen, die tot de geheimenissen der Egyptische priesters
behooren, door denzelfden Onoephis ingewijd, die u, Darius, thans den
toegang tot de mysteriën ontsluit. Breng mij eens spoedig een bezoek,
dan zal ik u mededeelen hoe heerlijk schoon de groote Samiër de wetten
der getallen met die der tonen in overeenstemming heeft gebracht.--Maar
zie, zie, daar zijn de pyramiden!"
De vrienden stonden van hunne zitplaatsen op, en bewonderden zwijgend
het grootsche schouwspel, dat zich aan hunne oogen voordeed. Daar lagen
op den linker oever van den stroom, door de maan met een zilverachtig
licht beschenen, de aloude reuzengraven van machtige heerschers, in
hunne ontzaglijke afmetingen, als zoovele bewijzen voor de scheppende
kracht van den menschelijken wil, als zoovele vingerwijzingen op het
ijdele van alle aardsche grootheid. Wat was er geworden van dien
Choefoe, die met het zweet zijner onderdanen steenen tot een berg
had opgestapeld; van dien Chafra, die de goden verachtte, en prat
op zijne eigene krachten, de poorten des tempels zou hebben gesloten
[448] om zichzelven en zijn naam te vereeuwigen door een grafteeken,
ter voltooiing waarvan een bijna bovenmenschelijke inspanning noodig
was geweest? Hunne ledige doodkisten leeren ons misschien, dat zij
door de doodenrechters onwaardig zijn gekeurd de rust van het graf te
genieten, en tot een nieuw leven te herrijzen; terwijl de bouwmeester
van de derde en schoonste pyramide, Menkera, die zich met een veel
kleiner grafteeken vergenoegde, en de deuren des tempels wederom
opende, ongestoord mocht rusten in zijne kist van blauw bazalt [449].
Daar lagen de pyramiden te midden van de nachtelijke stilte, door
de sterren verlicht, onder de hoede van den wachter der woestijn,
den reusachtigen sphinx, hare spitsen verheffende boven de naakte
rotsen der Lybische steenheuvels. Aan hare voeten sluimerden in
kostbare graven de mummiën van de getrouwe dienaars harer oprichters,
en tegenover het verhevene grafteeken van den vromen Menkera verrees
een tempel, waarin de priesters van Osiris voor de zielen van de
tallooze, in de doodenstad van Memphis bijgezette afgestorvenen gebeden
opzonden. Westwaarts, daar waar de zon zich achter de Lybische bergen
had verscholen, waar de vruchtdragende bodem vervangen werd door de
dorre woestijn, hadden de Memphiten hunne graven gebouwd. Daarheen
hielden de vrienden hunne blikken gericht, terwijl eene heilige
huivering en eene eerbiedige bewondering hunne lippen gesloten hielden.
Toen het ranke vaartuig, door den noordenwind gestuwd, de rustplaats
der dooden en de ontzaglijke dammen [450], die de stad van Menes
tegen de overstroomingen van den machtigen vloed beveiligden,
voorbijgedreven was, en men de residentie der vorige pharao's nader
en nader kwam, en ten laatste de millioenen en millioenen lichten
zichtbaar werden, die ter eere der godin Neith allerwegen ontstoken
waren, raakten eindelijk de tongen los. Woorden van bewondering en
verrukking stroomden over de lippen, toen de reuzentempel van Ptah
[451], het oudste bouwwerk van dit eeuwenoude land, zich aan hunne
oogen vertoonde. Duizenden lampen verlichtten het huis van den god,
honderden vuren brandden op de poorten, op de tinnen der muren en
op de daken van het heiligdom. Tusschen de sphinxenrijen, die de
onderscheidene ingangen met het hoofdgebouw verbonden, gloeiden
brandende fakkels, en het ledige huis van den heiligen stier Apis
[452] glinsterde bij het flikkeren van ontelbare veelkleurige vlammen,
als een door het tropisch avondrood beschenen krijtberg. En boven
dien, langs al zijne omtrekken verlichten tempel fladderden wimpels,
en wapperden vanen, slingerden zich bloemfestoenen, en golfden de
welluidende tonen van muziek en gezang.
»Heerlijk, heerlijk!" riep Rhodopis, die naar woorden zocht, om hare
opgetogenheid over dit betooverend schouwspel uit te drukken. »Zie
hoe die bont beschilderde zuilen en wanden schitteren; zie welke
zonderlinge schaduwen de obelisken en sphinxen werpen op den gelen
gladgepleisterden vloer der voorhoven!"
»En welk een geheimzinnig donker," liet Cresus er op volgen, »heerscht
ginds in het heilige woud van den god! Nooit te voren heb ik iets
schooners gezien!"
»Ik echter," verzekerde Darius, heb nog wonderlijker dingen aanschouwd,
en gij zult mij gelooven, als ik u zeg, dat ik getuige ben geweest
van de mysteriën van Neith."
»O, verhaal ons daar iets van!" riepen de vrienden.
»Neithotep weigerde eerst mij toegang te verschaffen. Toen ik hem
evenwel beloofde, dat ik mij verborgen zou houden en de vrijstelling
van zijn kind zou bewerken, bracht hij mij op zijne sterrenwacht,
vanwaar ik ver in het rond kon zien, en zeide, dat ik eene voorstelling
van de lotgevallen van Osiris en zijne gade Isis zou aanschouwen [453].
»Nauwelijks had hij mij verlaten, of ik zag vreemdsoortige,
veelkleurige lichten, die zulk een helderen gloed door het geheele
woud verspreidden, dat mijn blik tot in het binnenste gedeelte
kon doordringen. Voor mij lag een spiegelglad meer, door fraaie
boomen en bonte bloembedden omgeven. Vergulde booten dobberden op
het heldere water. In die booten zaten schoone knapen en meisjes in
sneeuwwitte kleederen, en zongen heerlijke liederen. Geen schipper
was er om ze te sturen, en toch gleden de vaartuigjes, met allerlei
sierlijke wendingen, als door eene tooverhand bestuurd over het effen
watervlak. Te midden dezer booten dreef een prachtig groot schip,
welks boorden flonkerden van edelgesteenten. Een schoone knaap scheen
de geheele bemanning uit te maken, maar het wonderbaarste was, dat
het roer hetwelk hij bestuurde, slechts uit eene witte lotusbloem
bestond, welker teedere blaadjes den waterspiegel te nauwernood
beroerden. In het midden van het vaartuig rustte op zijden kussens eene
met vorstelijke pracht uitgedoste vrouw van zeldzame schoonheid. Aan
hare zijde zat een man van meer dan menschelijke grootte, die eene
met klimop omkranste hooge kroon op de golvende lokken, een pantervel
om de schouders en een van boven omgebogen staf in de rechterhand
droeg. Op het achterschip stond, onder een dak van rozen, klimop en
lotusbloemen, eene sneeuwwitte koe [454], met gouden horens en een
purperen dekkleed over den rug. Die man was Osiris, die vrouw Isis,
die knaap aan het roer Horus, de zoon van het goddelijk paar, de koe
het heilige dier der onsterfelijke vrouw. Al de kleine booten voeren
het groote schip voorbij. Zoodra zij de bewoners des hemels naderden,
hieven de jongelingen en maagden een groot gejuich aan, welk eerbewijs
door een regen van bloemen en vruchten werd beantwoord. Eensklaps
barstte een onweder los, welks gerommel zich luider en luider
deed hooren, en ten laatste in een ijselijk gekraak overging. Toen
trad uit het donkerste gedeelte van het woud een vreeselijk man te
voorschijn. Hij was bedekt met de huid van een everzwijn, en zijn
afschuwelijk gelaat was omgeven door eene dichte massa roode verwarde
haren. Door zeventig mannen vergezeld, die er eveneens uitzagen,
sprong hij in het meer en zwom naar het schip van Osiris [455].
»Snel als de wind namen de kleine booten de vlucht, en de lotusbloem
ontzonk aan de bevende hand van den jeugdigen stuurman. Sneller dan de
gedachte wierp zich het monster op Osiris en versloeg hem, bijgestaan
door zijn ijzingwekkend gevolg, wierp het lijk in eene mummiekist en
deze in de golven, die als door tooverkracht de drijvende doodkist met
zich voerden. Intusschen had Isis in eene der kleine booten den vasten
wal bereikt, en dwaalde nu met loshangende haren, onder het uiten van
luide weeklachten en gevolgd door de jonkvrouwen, die evenals zij de
booten verlaten hadden, langs den oever. Allen zochten nu, onder het
uitvoeren van fantastische dansen en het zingen van roerende liederen,
waarbij de maagden met zwarte byssus-doeken, velerlei vreemde bogen
beschreven, het lijk van den verslagene.--De jongelingen bleven evenmin
werkeloos, maar brachten onder dans en hamerslag eene kostbare doodkist
voor het spoorloos verdwenen lijk in gereedheid. Toen deze voltooid
was, sloten zij zich bij de vrouwen van de droeve Isis aan, en zwierven
met haar, ijverig zoekende en treurliederen zingende, langs den oever.
»Op eens vernam men eene zachte liefelijke stem, uit een onzichtbaren
mond, die, gedurig luider wordende, zong:
"Spoed u langs des Nijlstrooms boorden,
Treurende Isis, naar het Noorden;
Waar Egypte's heil'ge vloed
't Brakke vocht van 't meer ontmoet,
Vindt gij den geliefde weder:
Aan den oever ligt hij neder,
Op zijn rietbed uitgestrekt,
't Hoofd van leliën omgeven,
En door schom'lend groen gedekt.
Rozige flammingo's zweven,
Als zijn wachters dag en nacht
Om zijn goddelijke sponde,
En der nachtegalen klacht
Trilt weemoedig in het ronde."
»Alzoo zong die wonderbare stem, tevens meldende, dat het lijk van den
god naar Gebal [456] in Phoenicië was gedreven. De zoon van Neithotep,
die bij mij gebleven was, noemde dit gezang, dat mij in de ziel greep,
'den wind van het gerucht'.
»Nauwelijks had Isis deze blijde tijding vernomen, of zij wierp haar
rouwgewaad af, en hief, begeleid door de stemmen van haar bekoorlijk
gevolg, een vroolijk jubellied aan. Het gerucht had haar niet misleid:
werkelijk vond de godin op den noordelijken oever van het meer de
lijkkist en het lichaam van haar god weder. Zoodra de kist onder zang
en dans aan wal was gebracht, wierp Isis zich op het geliefde lijk. Zij
riep Osiris bij zijn naam, en bedekte de mummie met duizend kussen,
terwijl de jongelingen een sierlijk grafgewelf van lotusbloemen en
klimopranken voor den doode vlochten.
»Nadat het stoffelijk overschot van den geliefde was bijgezet,
verliet Isis de plaats van gejammer, om haar zoon op te zoeken. Zij
vond hem op den oostelijken oever van het meer, waar ik sedert lang
reeds een beeldschoonen jongeling had opgemerkt, die zich met andere
knapen van denzelfden leeftijd in het wapenspel oefende. Deze stelde
den intusschen veel grooter geworden Horus voor.
»Terwijl zich de moeder in de aanschouwing van haar schoon kind
verheugde, ontstond er plotseling opnieuw een geweldig onweder, dat ten
tweeden male de nadering van den Typhon aankondigde. Het monster wierp
zich op het bloeiende graf van zijn slachtoffer, rukte het lichaam uit
de kist, en hieuw het in veertien stukken, die hij onder bazuingeschal
en zware donderslagen her- en derwaarts langs den oever strooide.
»Toen Isis wederom het graf van haar echtgenoot naderde, vond zij niets
dan verwelkte bloemen en eene ledige kist; maar langs het meer vlamden,
op veertien verschillende plaatsen, in allerlei kleuren veertien vuren
op. De weduwe snelde met hare maagden op deze vuren toe, terwijl de
jongelingen met Horus aan hunne spits op den tegenoverliggenden oever
Typhon bevochten.
»Ik wist niet, waarheen oogen en ooren het eerst te wenden. Hier
woedde, onder het ratelen van den donder en het geschetter van
trompetten, een verschrikkelijke krijg, waarvan ik de oogen niet
afwenden kon. Daar zongen lieftallige maagden, onder het uitvoeren
van tooverachtige dansen, onbeschrijfelijk opwekkende liederen. Isis
toch had bij ieder der plotseling ontvlamde vuren, waarvan ik zoo even
melding maakte, een der ledematen van haar echtvriend teruggevonden,
en vierde thans feest.
»Dat dansen hadt gij moeten zien, Zopyrus! Het is mij onmogelijk u
de bevalligheid van al de bewegingen der jonkvrouwen te schetsen,
en gij kunt u evenmin voorstellen, hoe schoon het was, toen zij, na
schijnbaar in de grootste verwarring door elkander te hebben gezwierd,
op eens in onberispelijk regelmatige rijen tegenover elkaar stonden, om
dan opnieuw in een oogwenk de grootste verwarring met de volkomenste
orde te verwisselen. Bovendien schoten er gestadig verblindende
lichtstralen uit de dwarlende rijen. Ze werden veroorzaakt doordat
iedere danseres een spiegel tusschen de schouders had, die bij iedere
beweging eene flikkering teweegbracht, en wanneer zij stilstonden
het beeld van eene andere maagd weerkaatste.
»Nauwelijks had Isis op éen na het laatste der ledematen [457]
van Osiris gevonden, of van den anderen oever werden jubelkreten
en zegeliederen gehoord. Horus had Typhon verslagen, en drong nu,
om zijn vader te bevrijden, de opene poort der onderwereld binnen,
die zich op den westelijken oever van het meer bevond, en bewaakt
werd door een grimmig vrouwelijk nijlpaard [458].
»Nu lieten zich al duidelijker en duidelijker liefelijke harp- en
fluittonen hooren. Een hemelsche geur steeg gestadig uit de aarde op,
en een rooskleurig licht verspreidde zich met toenemende helderheid
over het woud. Aan de hand van zijn roemrijken zoon verliet Osiris
de poorten der onderwereld. Isis snelde haar verlosten, haar uit den
doode verrezen echtgenoot in de armen, gaf den schoonen Horus opnieuw
in plaats van zijn zwaard eene lotusbloem in de hand, en strooide
bloemen en vruchten uit, terwijl Osiris zich onder een met klimop
omkransten troonhemel nederzette, en de hulde van al de geesten van
de aarde en den Amenthes [459] ontving."
Darius zweeg. Na hem nam Rhodopis het woord.
»Wij danken u voor uwe schoone beschrijving; maar nog grooter zou
onze erkentelijkheid zijn, als gij ons den zin wildet verklaren van
deze wonderlijke voorstelling, die toch zeker niet zonder hoogere
beteekenis is."
»Uw vermoeden is juist," antwoordde Darius; »maar wat ik weet, moet
ik verzwijgen, want ik heb Neithotep onder eede beloofd, niet uit de
school te zullen klappen!"
»Zal ik u zeggen," vroeg Rhodopis, »welke beteekenis ik, op grond
van de inlichtingen van Pythagoras en Onoephis, aan die voorstelling
hecht? Isis dunkt mij de liefderijke aarde te zijn, Osiris het water
dat de aarde drenkt, of de Nijl die haar vruchtbaar maakt, Horus
de jeugdige lente, Typhon de alles verzengende dorheid. De laatste
overwint Osiris, dat is de vochtigheid. De goede aarde, van hare
voortbrengingskracht beroofd, zoekt weeklagende den geliefden gade,
dien zij in het koelere noorden, waarheen de Nijl zich voortspoedt,
wedervindt. Eindelijk is Horus, de jeugdige groeikracht der natuur,
in sterkte toegenomen, en overwint nu Typhon of de dorheid. Osiris
was slechts schijndood, gelijk de vruchtbaarheid; hij stijgt nu
uit de onderwereld op, en regeert met zijne gade, de milde aarde,
opnieuw in het gezegende Nijldal."
»En daar de verslagene God zich in de onderwereld loffelijk gedroeg,"
schertste Zopyrus, »ontving hij, aan het slot dezer zonderlinge
vertooning, de hulde van alle bewoners van den Haméstegân, Duzakh en
Gorothman [460], of hoe men deze woningen van het geheele Egyptische
zielenheir ook noeme!"
»Amenti wordt zij genoemd!" antwoordde Darius, terwijl hij een meer
opgeruimden toon aannam. »De geschiedenis van het goddelijk echtpaar
is echter niet alleen een zinnebeeld van het leven der natuur, maar
verkondigt ook dat de menschelijke ziel na den lichamelijken dood,
evenals de verslagen Osiris, niet ophoudt te leven."
»Wel bedankt," antwoordde de ander; »ik zal er om denken voor het
geval, dat ik in Egypte sterf. In elk geval moet ik een volgenden
keer dit schouwspel bijwonen, het koste wat het wil."
»Ik deel uw wensch," zeide Rhodopis, »gij zult het der oude vrouw
wel niet euvel duiden, dat zij nieuwsgierig is."
»Gij blijft eeuwig jong!" viel Darius haar in de rede. »Uwe taal is
zoo schoon gebleven als uw aangezicht, en uw geest is even helder
als uw oog!"
»Vergeef mij," riep Rhodopis, als had zij dit vleiend woord niet
gehoord, »dat ik u in de rede val. Van oogen sprekende, doet gij mij
denken aan den oogarts Nebenchari, en mijn geheugen is zoo verzwakt,
dat ik, voordat ik het vergeet, u eenige inlichtingen omtrent hem
moet vragen. Ik hoor niets meer van den kundigen man, aan wien toch
de edele Cassandane zoo veel verschuldigd is."
»Hij is zeer te beklagen!" antwoordde Darius. »Reeds gedurende den
tocht naar Pelusium vermeed hij allen omgang met iedereen, zoodat
hij zelfs van zijn landgenoot Onoephis niets wilde weten. Niemand
dan zijn oude broodmagere knecht mocht hem bedienen en gezelschap
houden. Na den slag echter onderging zijn geheele wezen plotseling
eene verbazende verandering. Met een gelaat, waarop zijne verrukking
stond te lezen, trad hij voor den koning, om hem verlof te vragen,
Megabyzus naar Saïs te mogen vergezellen, en zich twee burgers dier
stad tot slaven uit te kiezen. Cambyzes meende den weldoener zijner
moeder geene bede, welke ook, te mogen weigeren, en voorzag hem dus
van de vereischte volmacht. In de residentie van Amasis aangekomen,
spoedde hij zich naar den tempel van Neith, deed den opperpriester,
die zich bovendien aan het hoofd had gesteld der oproerige burgers,
en een door hem gehaten oogarts in hechtenis nemen, en verklaarde
hun, dat zij, tot straf voor het verbranden van zekere geschriften,
van dien dag tot hun dood een Pers, aan wien hij hen zou verkoopen,
in den vreemde de gemeenste slavendienst zouden moeten bewijzen. Ik
was getuige van dit tooneel, en ik kan niet ontkennen, dat ik een
zekere vrees, waarvan ik mij zelven geen rekenschap kon geven, voor
den Egyptenaar gevoelde, toen ik hem zijn vijanden aldus hun vonnis
hoorde aankondigen. Neithotep liet hem uitspreken, en zeide toen,
zonder den minsten angst te laten blijken: 'Als gij, dwaze zoon,
ter wille van uwe verbrande geschriften, uw vaderland verraden hebt,
zoo hebt gij even onrechtvaardig als onverstandig gehandeld. Ik heb
uwe kostbare werken met zorg bewaard; ik heb ze in onzen tempel doen
bergen, en er een afschrift van gezonden aan de boekverzameling te
Thebe. Wij hebben niets doen verbranden, dan alleen de door Amasis
aan uw vader geschrevene brieven en eene oude kist, die geene waarde
had. Psamtik en Petammon waren daarbij tegenwoordig, en besloten,
u, tot dank voor uwe geschriften en als vergoeding voor de papieren,
die wij, om Egypte te redden, oordeelden te moeten verbranden, in de
doodenstad een nieuw erfelijk graf te doen bouwen. Op de wanden er
van zult gij in sierlijk schilderwerk het aantal en den inhoud uwer
werken, uw stamboom en vele andere schoone voorstellingen vinden,
die op u betrekking hebben.'
»De arts verbleekte, en liet zich eerst bij zijne boeken, daarna
in zijn nieuw prachtig grafvertrek brengen. Hierop schonk hij zijne
slaven, die niettemin als gevangenen naar Memphis waren gevoerd, de
vrijheid, en ging, waggelend als een dronkaard en onophoudelijk de
hand over zijn voorhoofd strijkende, naar zijn huis. Hier stelde hij
zijn testament op, waarbij hij den kleinzoon van zijn ouden knecht Hib
als erfgenaam van al zijne goederen aanwees, en begaf zich toen, onder
voorwendsel dat hij zich plotseling ongesteld gevoelde, te bed. Den
volgenden morgen vond men hem dood. Door gebruik van het vreeselijke
strychnos-sap [461] had hij een einde aan zijn leven gemaakt."
»Ongelukkige man!" riep Cresus, »Door de goden met blindheid geslagen,
moest hij, als verrader van zijn vaderland, in plaats van wraak,
wanhoop oogsten."
»Ik beklaag hem van harte!" zeide Rhodopis zachtkens, als in
gedachten. »Maar zie, reeds halen de roeiers hunne riemen in. Wij
hebben onze bestemming bereikt; ginds wachten uwe draagstoelen en
wagens. Het is een heerlijk tochtje geweest! Vaarwel, vrienden, komt
mij spoedig te Naucratis opzoeken. Ik keer met Syloson en Theopompus
aanstonds derwaarts terug. Geef aan de kleine Parmys uit mijn naam
honderd kussen, en zeg aan Melitta, dat zij met het kind omstreeks den
middag niet buiten moet gaan. Dat is niet goed voor de oogen. Goeden
nacht, Cresus,--goeden nacht, vrienden! Vaarwel, beste zoon!"
De Perzen verlieten, wuivende en groetende, het schip. Ook Bartja
keerde zich nog eens om, maar struikelde daarbij, en viel op den
grond. Zopyrus snelde toe en riep zijn vriend, die reeds zonder zijn
hulp was opgestaan, lachend toe: »Pas op, Bartja! Het spelt geen
geluk, als men bij het aan wal stappen valt.--Ook ik ben gevallen,
toen wij te Naucratis het schip verlieten."