Reeds te Ephesus ontving het jonge echtpaar het bericht van den dood
van Amasis. Van daar leidde hun weg eerst naar Babylon, vervolgens
naar Pasargadae in de provincie Persis, alwaar zich Cassandane,
Atossa en Cresus ophielden. Eerstgenoemde had behoefte gevoeld, vóor
den tocht naar Egypte, dien zij zou medemaken, het praalgraf van haar
overleden echtgenoot te bezoeken, dat, volgens de mededeeling van
Cresus, onlangs voltooid was. De eerwaardige vrouw, die door de kunst
van Nebenchari het gezicht terug had gekregen, was hoog ingenomen,
zoowel met het ontwerp, volgens hetwelk de grafstede was gebouwd,
als met de uitvoering ervan, en bracht dagelijks uren achtereen door
in den heerlijken tuin, die ze omgaf.
Het praalgraf van Cyrus bestond uit een reusachtigen sarkophaag
van marmerblokken, dat, gelijk een huis, op een basis van zes hooge
marmeren trappen rustte. Van binnen was de sarkophaag geheel als eene
kamer ingericht, en bevatte, behalve de gouden kist, die de door
de honden, gieren en elementen gespaarde overblijfselen van Cyrus
inhield, een zilveren bed, en eene tafel van hetzelfde metaal, waarop
gouden bekers stonden, en allerhande kleederen, alsmede de rijkste
sieraden van edelgesteenten lagen. Het geheele praalgraf was veertig
voet hoog. Lommerrijke paradijzen [422] en zuilengangen, volgens het
voorschrift van Cresus aangelegd, omringden het geheel. In het midden
der tuinen was de woning van de magiërs, aan wie de bewaking van het
graf was opgedragen. In de verte ontdekte men van hier het paleis van
Cyrus, dat, volgens den uitersten wil van den overledene, jaarlijks
gedurende eenige maanden den koningen van Perzië ten verblijf moest
strekken. In dit prachtige gebouw, dat veel op een vesting geleek,
bevond zich ook de schatkamer van het rijk, aangezien de plaats door
hare ligging bijna niet te genaken was.
De frissche berglucht, die het graf van haar geliefden afgestorvene
omgaf, deed Cassandane onbeschrijfelijk goed, en met vreugde zag zij,
dat ook Atossa op deze stille, schoone plek hare oude vroolijkheid,
die sedert het sterven van Nitetis en het vertrek van Darius, haar
verlaten had, terugkreeg. Sappho hechtte zich zeer spoedig aan hare
nieuwe moeder en zuster, en zeide evenals deze niet dan met weerzin
het schoone Pasargadae vaarwel.
Darius en Zopyrus waren bij het groote leger gebleven, dat in de vlakte
van den Euphraat bijeen werd getrokken, en ook Bartja moest alvorens
het opbrak naar Babylon terugkeeren. Cambyzes trok zijne huiswaarts
keerende betrekkingen tegemoet, en was niet uitgesproken over de
schoonheid zijner jonge schoonzuster, terwijl Sappho, gelijk zij Bartja
beleed, niet dan met vreeze tot den broeder van haar echtgenoot kon
opzien. De koning was in weinige maanden zeer veranderd. Zijn bleek
maar schoon gevormd gelaat van weleer was thans, tengevolge van het
onmatig gebruik van den wijn, opgezet en rood geworden. Zijne donkere
oogen hadden, ja, hun ouden gloed behouden, maar hun vuur was niet meer
zoo rein als voorheen. Zijn vroeger zoo weelderig, ravenzwart haar was
vergrijsd, en hing ordeloos om hoofd en kin; terwijl de zegevierende
trotsche glimlach, die eens aan zijne trekken een eigenaardig karakter
bijzette, plaats had gemaakt voor eene uitdrukking van gemelijkheid
en norsche strengheid. Alleen gedurende zijne dronkenschap, een
toestand die reeds sedert lang niet meer zeldzaam voor hem was,
hoorde men hem lachen, en dan lachte hij als een waanzinnige.
Onafgebroken toonde hij den grootsten afkeer van zijne vrouwen,
en zelfs toen hij naar Egypte optrok, liet hij zijn harem te Suza
achter, terwijl al zijne grooten hunne echte vrouwen en bijwijven
met zich voerden [423]. Toch was er niemand, die zich over de
onrechtvaardigheid van den koning te beklagen had; integendeel, met
meer nadruk dan ooit drong hij op strenge handhaving van het recht
aan, en ontdekte hij hierin ook maar de geringste tekortkoming, dan
was hij onverbiddelijk en velde hij de vreeselijkste vonnissen. Toen
hem bijvoorbeeld werd medegedeeld, dat zeker rechter Sisamnes zich had
laten omkoopen tot het uitspreken van een onrechtvaardig oordeel, liet
hij den ongelukkige de huid afstroopen, en daarmede den rechterstoel
bekleeden; daarop benoemde hij den zoon van den gestrafte tot rechter
in zijns vaders plaats, en noodzaakte hem den verschrikkelijken zetel
in te nemen. Verder wijdde hij zich met onverpoosden ijver aan zijne
veldheersplichten. De oefeningen van de bij Babylon verzamelde troepen
werden met even veel krijgstucht als beleid door hem zelven bestuurd.
Na het nieuwjaarsfeest [424] moest het leger opbreken. Na de viering
er van, die, overeenkomstig het verlangen van Cambyzes met den
grootsten luister plaats had, begaf de koning zich naar het leger,
bij hetwelk hij zijn broeder aantrof, die in de overmaat van zijn
geluk zijn gewaad kuste, en hem met zekeren trots mededeelde, dat
hij de hoop koesterde vader te zullen worden. Deze tijding deed den
koning sidderen; hij antwoordde den gelukkige geen enkel woord, dronk
aan den avond van dien dag zooveel, dat hij zijne bezinning verloor,
en riep den volgenden morgen de mobeds, magiërs en Chaldaeërs bijeen,
om hun eene vraag voor te leggen.
»Gij weet," zoo begon hij, »dat gij, mijne droomen uitleggende, hebt
gezegd, dat Atossa bestemd was om een zoon ter wereld te brengen, die
eens koning over dit rijk zal zijn. Zou ik tegen de goden zondigen,
als ik mijne zuster tot vrouw nam, en verwezenlijkte wat mijn droom
voorspeld heeft?"
De magiërs beraadslaagden eenige oogenblikken onderling; daarop wierp
Oropastes, de opperpriester, zich voor den koning neder, en zeide:
»Wij gelooven niet, dat gij met dat huwelijk zoudt zondigen; want in
de eerste plaats gebeurt het meer, dat de Perzen hunne bloedverwanten
huwen [425]; ten tweede zegt de wet wel niet, dat de reine zijne
zuster tot vrouw mag nemen, maar wel, dat de koning doen kan, wat hem
welbehaaglijk is. Handel gelijk gij wilt, en gij zult steeds gedaan
hebben, wat goed is!"
Cambyzes liet de magiërs met rijke geschenken van zich gaan, en
gaf Oropastes de uitgestrektste volmacht als stadhouder van het
rijk. Vervolgens deelde hij aan zijne moeder, wier haren daarbij van
ontzetting en afschuw te berge rezen, mede, dat hij, zoodra hij de
Egyptenaren overwonnen en den zoon van Amasis gestraft zou hebben,
voornemens was Atossa tot vrouw te nemen.
Eindelijk rukte het leger, dat meer dan achtmaal honderdduizend
soldaten telde, bij afdeelingen op, en kwam na twee maanden in de
Syrische woestijn aan, alwaar het de door Phanes tot bondgenooten
gemaakte Arabische stammen der Amalekieten en Gessurieten vond,
die de troepen van water voorzagen, dat zij op paarden en kameelen
aanvoerden. Bij Akko, in het land der Kanaänieten, hadden zich de
vloten der aan Perzië onderworpene Syriërs, Phoeniciërs en Ioniërs,
en de evenzeer door Phanes geworvene schepen der Cypriërs en Samiërs
vereenigd. Met de laatsten had hij een zeer bijzonder verbond
gesloten. Polycrates namelijk had de uitnoodiging van Cambyzes,
om hem met schepen bij te staan, als eene gunstige gelegenheid
beschouwd, om zich op eens te ontslaan van alle burgers, die met
zijne heerschappij niet tevreden waren. Daartoe liet hij veertig
triëren bemannen met achtduizend Samiërs, die op hem gebeten waren,
en zond deze den Perzen toe, met verzoek, niet éen dier lieden te
laten terugkeeren. Nauwelijks had Phanes deze voorwaarde vernomen,
of hij waarschuwde de Samiërs, die zoo den dood tegemoet gingen. In
plaats van tegen Egypte op te trekken, voeren ze naar Samos terug
en zochten Polycrates ten onder te brengen. Doch in een gevecht te
land werden zij door hem geslagen, waarop zij naar Sparta vluchtten,
om daar hulp tegen den tyran te zoeken.
Ruim een maand vóor den tijd der jaarlijksche overstrooming stonden
de Perzische en Egyptische legers bij Pelusium, op de noordoostkust
van den Delta, tegenover elkander.
Al de schikkingen en maatregelen van Phanes hadden zijn uitnemend
doorzicht doen blijken. De tocht van het leger door de woestijn,
die anders in den regel duizenden offers kostte, was ditmaal, dank
den Arabieren, die aan hunne beloften getrouw gebleven waren, zonder
verliezen van eenige beteekenis ten einde gebracht. Het gelukkig
gekozen jaargetijde stelde de Perzen in staat langs droge wegen en
zonder tijdverlies in Egypte door te dringen.
De koning had zijn Helleenschen vriend met groote onderscheiding
ontvangen en hem vriendelijk toegeknikt, toen Phanes hem op eerbiedigen
en tegelijk vertrouwelijken toon toeriep: »Ik heb gehoord, dat gij
sedert den dood uwer schoone vriendin minder opgeruimd zijt dan gij
placht te wezen. Het past den man zijn smart lang te dragen, terwijl
de vrouw haar leed in onstuimige maar ras voorbijgaande klachten
uitstort. Ik gevoel met u, wat er in u omgaat, want ook ik verloor
het dierbaarste wat ik had. Danken wij den goden, dat zij ons de
beste middelen tegen de smart, namelijk strijd en wraak schenken!"
Daarop vergezelde Phanes den vorst door het leger en naar den
disch. Verbazend was de invloed, dien hij op den woesten man wist
uit te oefenen. Opmerkelijk was het te zien, hoe kalm en opgeruimd
de koning werd, zoodra de Athener in zijne nabijheid was.
Waren de strijdkrachten der Perzen verbazend groot, ook het aantal
der Egyptische krijgers was niet minder te achten. Het leger werd
in den rug gedekt door de muren van Pelusium, de grensvesting, die
gebouwd was om Egypte tegen de invallen der krijgszuchtige oostelijke
volksstammen te beveiligen. Door overloopers vernamen de Perzen, dat
het gezamenlijke leger van den pharao omtrent zesmaal honderdduizend
man telde. Behalve een groot aantal strijdwagens en dertigduizend
Karische en Ionische soldaten, en het gendarmerie-korps van de Mazaïoe
[426], hadden zich tweemaal honderd-vijftigduizend Kalasiriërs,
honderd-zestigduizend Hermotybiërs, twintigduizend ruiters [427]
en ongeveer vijftigduizend man hulptroepen, onder welke de Libysche
Mascha-wascha [428] zich door hun ouden krijgsroem, de Ethiopiërs
zich door hun groot aantal onderscheidden, onder de vanen van
Psamtik vereenigd. Het voetvolk was in regimenten en compagnieën
ingedeeld, die zich onder verschillende veldteekens [429] schaarden,
en iedere afdeeling had hare eigene wapening en kleeding. Men zag
zwaar gewapenden met groote schilden, lansen en dolken [430]; bijl-
en zwaardvechters met kleine schilden en korte knotsen; slingeraars,
en schutters, die verreweg de meerderheid van het leger uitmaakten,
wier ongespannen bogen de hoogte van een mensch bereikten. De ruiters
waren alleen met een schort gekleed, en hadden geen ander wapen dan
eene lichte knots in den vorm eener morgenster; terwijl daarentegen
de wagenstrijders, die tot de aanzienlijksten van de krijgerskaste
behoorden, zeer kostbaar uitgedost ten oorlog trokken, en zoowel
aan het tuig hunner schoone wereldberoemde paarden, als aan hunne
tweewielige voertuigen schatten besteedden. Het besturen van zulk een
strijdwagen was geheel aan de zorg van den wagenmenner opgedragen,
die naast den krijgsman stond; deze zelf dacht aan niets anders, dan
hoe hij het best gebruik zou maken van boog en lans.--Het voetvolk
van de Perzen was niet veel talrijker dan dat der Egyptenaren, doch
de Aziatische ruiterij was wel zesmaal sterker dan die der bewoners
van het Nijldal.
Zoodra de beide legers tegenover elkander stonden, deed Cambyzes de
struiken en boomen der uitgestrekte Pelusinische vlakte weghakken,
en de zandheuvels die zich hier en daar verhieven slechten, ten einde
voor zijne ruiters en strijdwagens ruim baan te maken. Phanes stond
hem met zijne nauwkeurige kennis van de plaatselijke gesteldheid
getrouw ter zijde, en wist te bewerken, dat zijne, met groote
krijgskunde ontworpene plannen niet alleen door Cambyzes, maar ook
door den grijzen opperbevelhebber Megabyzus en de meest ervarene
Achaemeniden werden goedgekeurd. Zijne kennis van het terrein was
van te meer waarde, omdat de vlakte van Pelusium doorsneden werd door
moerassen, die door de Perzen, wilden zij den slag winnen, zorgvuldig
vermeden moesten worden. Na afloop van den krijgsraad verzocht de
Athener nog eens het woord, en nu sprak hij: »Thans mag ik eindelijk
ook uwe nieuwsgierigheid naar den inhoud der geslotene wagens, die ik
hierheen heb doen brengen, bevredigen. Die wagens bevatten vijfduizend
katten.--Gij lacht! Ik verzeker u echter, dat deze dieren ons van
meer nut zullen zijn dan honderdduizend zwaardvechters. Velen van
u zijn bekend met het bijgeloof der Egyptenaren, dat hun eerder de
hand aan hun eigen leven, dan aan dat eener kat zou doen slaan. Ik
zelf heb vroeger, door het dooden van zulk een dier, bijna mijn leven
verspeeld. Gedachtig aan dit bijgeloof, heb ik, waar ik ook kwam,
op Cyprus bijvoorbeeld, waar men prachtige muizenvangers vindt, op
Samos, Creta en in geheel Syrië, alle katten, die men maar meester
kon worden, doen vangen. Thans doe ik het voorstel deze dieren te
verdeelen onder de soldaten, die tegen de eigenlijke Egyptische troepen
zullen worden aangevoerd, opdat zij ze dan op hunne schilden binden,
en ze den Egyptenaren voorhouden. Ik ben overtuigd, dat ieder echt
Egyptenaar liever het slagveld zal verlaten, dan op een dier heilige
dieren schieten!"
Met een schaterend gelach werd dit voorstel begroet, dat bij nadere
overweging met algemeene stemmen werd aangenomen. Cambyzes bood
den vindingrijken Athener de hand ten kus, vergoedde hem de gemaakte
onkosten met een zeer rijk geschenk, en drong bij hem aan, dat hij met
eene der aanzienlijkste Perzische vrouwen in het huwelijk zou treden
[431]. Daarop noodigde hij den Athener aan zijn avondmaaltijd. Deze
verontschuldigde zich echter, zeggende, dat hij noodzakelijk de
Ionische troepen moest gaan monsteren, over welke hem het bevel was
opgedragen, en die hij ter nauwernood kende. Hij begaf zich dus naar
zijne tent.
Aan den ingang er van vond hij zijn slaaf, in vrij hevige
woordenwisseling met een zwaar gebaarden, in lompen gekleeden,
morsigen ouden man, die met alle geweld Phanes op staanden voet wilde
spreken. Phanes, meenende een bedelaar voor zich te zien, wierp hem
een goudstuk toe; doch de oude zag niet eens naar de rijke gift, die
aan zijne voeten nederviel, maar riep, hem bij den mantel vattende:
»Ik ben Aristomachus van Sparta!"
Nu herkende Phanes zijn vriend, die door lijden en ontbering veel
had geleden, en bijna onkenbaar was geworden. Hij leidde hem in zijne
tent, liet hem de voeten wasschen en het hoofd zalven, versterkte hem
met wijn en vleesch, ontdeed hem van zijne lompen, en wierp hem eene
nieuwe chiton om de vermagerde maar nog altijd gespierde schouders.
Aristomachus liet hem stil begaan. Nadat hij zich met de voedzame
spijs en den opwekkenden drank een weinig versterkt had, beantwoordde
hij eerst de vragen van den ongeduldigen Athener, en verhaalde hem
het volgende: »Toen Psamtik het zoontje van Phanes vermoord had,
was hij, Aristomachus, tot hem gegaan met de stellige verklaring,
dat hij al zijn volk zou aansporen den Egyptischen dienst te verlaten,
indien men niet onmiddellijk het dochterke van zijn vriend in vrijheid
stelde, en voldoende rekenschap gaf van de wijze waarop het knaapje
zoo opeens was verdwenen. De kroonprins beloofde de zaak in beraad
te zullen nemen. Toen de Spartaan twee dagen later zich des nachts
scheep begaf, om naar Memphis te varen, werd hij door Ethiopische
soldaten aangegrepen, gekneveld en in het donkere ruim van een
vaartuig geworpen, dat na eene reis van vele dagen en nachten, aan
een hem onbekenden oever het anker liet vallen. Nu bevrijdde men
den gevangene uit zijn bedompten kerker, en voerde hem, onder eene
brandende hitte, door eene woestijn langs rotsen van de zonderlingste
gedaante naar het oosten. Eindelijk bereikte men een gebergte, aan
welks voet een aantal hutten verspreid lagen. Het waren de woningen
der ontelbaren, die met ketenen aan de voeten, des morgens in de
schacht van een bergwerk werden gedreven, om daar uit den harden
rotssteen goudkorrels te hakken [432]. Velen dier ongelukkigen hadden
reeds langer dan veertig jaren in dit oord van jammer en ellende
doorgebracht; de meeste veroordeelden echter werden; tengevolge van de
geweldige krachtsinspanning, die van hen gevergd werd, en de bijkans
ondraaglijke hitte, die hun tegenstroomde, zoodra zij de koele schacht
verlieten, door een vroegen dood uit hun lijden verlost.
»Mijne lotgenooten," vervolgde Aristomachus, »waren deels ter dood
veroordeelde moordenaars, doch die genade hadden gekregen, deels van
hunne tong beroofde staatsmisdadigers, deels menschen die voor den
koning gevaarlijk waren en door hem gevreesd werden, gelijk ik. Drie
lange maanden arbeidde ik in het gezelschap van dat gespuis, gedurig
bedreigd door den stok der opzichters, versmachtende in de hitte
van den middag, verkleumende wanneer de koele dauw van den nacht op
mijne naakte huid nederviel, den dood dagelijks voor oogen ziende, en
slechts staande blijvende door de hoop op wraak op mijne vervolgers. En
de goden bestuurden het zóo dat, bij gelegenheid van het feest van
Pacht [433], onze wachters, overeenkomstig de in Egypte heerschende
gewoonte, zich te buiten gingen aan den wijn, zoodat zij in diepen
slaap verzonken, en niet bemerkten hoe ik en een jonge gevangen Jood,
wiens misdaad was valsch gewicht te hebben gebruikt, en die daarom
van zijne rechterhand was beroofd geworden, op de vlucht gingen. Zeus
Lacedaemonius en de groote God van dien jongeling stonden ons ter
zijde, en sloegen onze vervolgers, wier stemmen wij dikwerf zoo dicht
achter ons hoorden, dat wij ze onderscheiden konden, met blindheid.
»Met een boog, dien ik een onzer wachters ontstolen had, voorzag
ik in ons onderhoud. Waar zich geen wild opdeed, daar voedden wij
ons met wortels, boomvruchten en vogeleieren. De stand van zon
en sterren hielp ons den rechten weg vinden. Wetende dat de Roode
Zee niet ver van de bergwerken verwijderd was, en dat wij in het
zuiden van Memphis en Thebe hadden vertoefd, waren wij er op bedacht
altijd noordwaarts te trekken. Eindelijk bereikten wij het zeestrand,
waar wij menschlievende zeelieden vonden, die ons verpleegden, tot
wij aan boord van een Arabisch schip gingen, dat mij en den Jood,
die de taal dier lieden verstond, naar Ezeon-Geber, in het land der
Edomieten bracht. Daar vernamen wij dat Cambyzes met een machtig leger
tegen Egypte oprukte, en reisden met eene Amalekietische ruiterbende,
die de Perzen van water moest voorzien, naar Harma. Van daar zwierf
ik met de achterhoede van het groote Aziatische leger, bij welke ik
soms medelijdende kerels vond, die mij een eindweegs op hunne paarden
lieten rijden, naar Pelusium, en vernam daar dadelijk, dat gij den
grooten koning als krijgsoverste diendet.--Ik heb mijn eed gehouden,
en de belangen der Hellenen in Egypte getrouw behartigd; thans is de
beurt aan u, den ouden Aristomachus te helpen, en hem het eenige te
verschaffen, waarnaar hij smachtend verlangt: wraak op zijne vijanden!"
»Die zal u gegeven worden," riep de Athener, terwijl hij de
hand van den grijsaard drukte. »Ik zal u aan de spits der
zwaargewapende Milesiërs stellen, en u volle vrijheid laten,
tegen onze gemeenschappelijke vijanden te woeden zooveel gij maar
wilt! Maar daarmede heb ik mij nog in lange niet van den plicht der
dankbaarheid gekweten, en ik prijs de goden, dat zij mij het geluk
beschoren hebben, u door een enkel woord gelukkig te maken.--Weet,
dat weinige dagen na uw verdwijnen een Spartaansch schip, onder bevel
van uw voortreffelijken zoon, te Naucratis is binnengeloopen, om u,
den vader van twee overwinnaars in de Olympische spelen, op bevel
der ephoren naar uw vaderland terug te brengen!"
Bij dit bericht voer den grijsaard eene trilling van vreugde
door de leden; tranen welden er in zijne oogen, en zijne lippen
prevelden zachtkens een gebed. Daarop sloeg hij zich met de vlakke
hand voor het voorhoofd, en zeide met bevende stem: »Thans wordt het
verwezenlijkt,--thans zal het waarheid worden!--Vergeef mij, Phoebus
Apollo, dat ik aan de woorden uwe priesteres dorst twijfelen! Wat
beloofde de godspraak mij?
'Als van 't besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalen
In 't effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt,
Dan voert de ranke boot u, moe van 't ommedwalen,
Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt;
En van de vijf moogt gij in 't eind verwerven
Wat gij zoo lang, met rouw in 't hart, moest derven.'
»Thans wordt vervuld, wat de god mij heeft toegezegd. Thans mag,
thans wil ik naar mijn vaderland terugkeeren! Eerst echter hef ik
de handen op en bid Dike, de godin der eeuwige rechtvaardigheid,
dat zij mij het zalige genot der wrake niet onthoude!"
»Morgen breekt de dag der vergelding aan!" riep Phanes, met het
gebed van den ouden man instemmende. »Morgen breng ik aan de schim
van mijn zoon de doodenoffers, en ik zal mij niet ter ruste begeven,
alvorens Cambyzes, met de door mij gepunte pijlen, het hart van Egypte
heeft getroffen!--Kom thans, mijn vriend, en laat mij u aan den koning
voorstellen. Een man als gij zijt drijft een ganschen hoop Egyptische
slingeraars op de vlucht!"
't Was intusschen nacht geworden. Daar de onversterkte legerplaats
der Perzen ieder oogenblik blootlag voor een aanval van den vijand,
stonden de soldaten op den hun aangewezen post in het gelid. De
voetknechten leunden op hunne schilden en speren, en de ruiters hielden
zich bij hunne gezadelde en getoomde paarden naast de wachtvuren
strijdvaardig. Cambyzes reed de rijen zijner helden langs, en verhoogde
aller moed en strijdlust door groet en toespraak. Alleen het centrum
van het leger had zich nog niet geordend, daar dit was samengesteld
uit de Perzische lijfwachten, de stafdragers, de Onsterfelijken en
de bloedverwanten des konings, die onder zijn onmiddellijk bevel
tegen den vijand moesten oprukken. Verder hadden zich de Grieken uit
Klein-Azië op last van Phanes ter ruste begeven, in plaats van thans
reeds aan te treden. De Athener had begrepen, dat zijne soldaten al
hunne krachten voor den aanstaanden strijd van noode hadden, en hun
dus toegestaan zich, geheel gekleed en gewapend, te slapen te leggen,
terwijl hij over hen waakte. Aristomachus was door de Ioniërs met
groot gejuich ontvangen en door den koning met een vriendelijk woord
verwelkomd. Hij had van dezen den vereerenden last ontvangen, aan
het hoofd van de helft der Hellenen de linkerflank van het centrum
te dekken, terwijl Phanes met de andere helft aan de rechterzijde
der koninklijke garde zou strijden. De koning had zich voorbehouden
aan het hoofd der tienduizend Onsterfelijken, aan wier spits de
blauw-rood-gouden rijksbanier en de vaan van Kawe wapperde [434],
het gevecht te besturen. Bartja had het commando over het regiment
Perzische lijfwachten, duizend man sterk, en de van het hoofd tot
de voeten gepantserde cavalerie op zich genomen. Cresus eindelijk
voerde het bevel over de afdeeling van het leger, belast met het
bewaken van de onmetelijke schatten, die het leger met zich voerde,
van de vrouwen der edelen, en de moeder en zuster van den koning.
Zoodra de lichtende Mithra boven de kim verrees, en de duistere geesten
van den nacht zich in hunne holen terugtrokken, werd het heilige vuur,
dat van Babylon aan de spits van het heir vooruit gedragen was, tot
eene verbazende hoogte opgestookt en door de magiërs en den koning
met kostbare reukwerken gevoed. Daarop bracht Cambyzes het offer, en
smeekte, terwijl hij de gouden schaal ophief, om overwinning en roem.
Hierop gaf hij den Perzen het wachtwoord: 'Aoeramazda, helper en
aanvoerder', en stelde zich aan het hoofd zijner garde, wier tulbanden
met kransen waren versierd. Ook de Hellenen verrichtten hun offer, en
hieven een ontzaglijk gejuich aan, toen de priesters hun aankondigden,
dat de voorteekenen hun de overwinning beloofden. 'Hebe' was hun
parool [435].--Ook de Egyptische priesters hadden den dag met offer en
gebed begonnen, waarna de troepen zich in slagorde schaarden. Voor het
centrum reed Psamtik op een gouden wagen met booghouders van hetzelfde
metaal. Zijne paarden waren getooid met purperen dekken en schabrakken
van gouddraad, en droegen struisvederen op de fiere koppen. Zijn
wagenmenner stamde af van een aanzienlijk Egyptisch geslacht [436], en
stond met de teugels en de zweep in de hand ter linkerzijde van zijn
vorst, die de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte droeg. Links
van het centrum moesten de Helleensche, rechts de Carische soldaten
strijden. De ruiterij stond aan de uiterste einden van de beide
vleugels van het leger; de Egyptische en Ethiopische voetknechten
hadden zich rechts en links van de wagenstrijders en Hellenen in zes
gelederen geschaard.
Psamtik liet zich langs de rijen zijner dapperen rijden en hield
eenige oogenblikken voor de Hellenen stil. Hij sprak hun op deze
wijze toe: »Het verheugt mij, gij helden, van wier dapperheid
Cyprus en Lybië getuigen kunnen, dat ik ditmaal uw roem zal mogen
deelen en uwe hoofden met nieuwe kransen sieren. Vreest niet dat ik,
wanneer wij onze vijanden verdelgd hebben, uwe vrijheden zal gaan
verkorten. Ik weet het: lasteraars hebben u in het oor geblazen, dat
gij zulk een snooden ondank van mij te verwachten hebt; ik verzeker
u echter dat, zoo wij overwinnen, ik u en uwe nakomelingen op alle
wijzen zal begunstigen en bevoordeelen, en de Hellenen ten allen
tijde de steunpilaren van mijn rijk zal noemen! Bedenkt verder, dat
gij heden niet alleen voor mij, maar voor de vrijheid van uw eigen
vaderland zult strijden. Het ligt toch voor de hand dat Cambyzes,
indien hij Egypte onder den voet krijgt, niet tevreden zal zijn met
deze éene zegepraal, maar al spoedig de begeerige hand zal uitstrekken
naar het schoone Hellas en zijne eilanden. Behoef ik u er nog op te
wijzen hoe deze juist ingesloten zijn door Egypte en het gebied uwer
Aziatische broeders, die reeds als slaven onder het juk der Perzen
zuchten?--Uwe toejuichingen bewijzen mij dat gij mij toestemt; ik
verzoek u mij nog slechts een oogenblik aan te hooren, want mijn
plicht gebiedt mij, den man te noemen, die niet alleen Egypte, maar
ook zijn eigen vaderland voor goud aan den grooten koning van Perzië
heeft verkocht. Die man heet Phanes!--Gij moogt niet morren als had
ik gelasterd, want ik zweer u, dat diezelfde Phanes de door Cambyzes
hem aangebodene schatten heeft aangenomen, en dezen beloofd hem niet
slechts den weg naar Egypte te wijzen, maar hem ook de poorten van
zijn en uw vaderland te openen. Deze man kent landen en volken door en
door, en is voor geld tot alles in staat. Ziet gij niet, hoe hij ginds
naast den koning op en neer gaat, hoe hij zich voor hem in het stof
werpt? Is dat een Helleen? Ik meen wel eens gehoord te hebben, dat de
Grieken zich slechts voor hunne goden dus vernederen. Maar in waarheid,
wie zijn vaderland verkoopt, houdt op een burger er van te zijn!--Gij
zijt het met mij eens? Gij weigert, den schelm langer uw landgenoot
te noemen? Welnu, zoo wil ik de dochter van dien ellendeling, die ik
als gijzelares heb moeten behouden, en die de vrek tegelijk met zijn
vaderland verkocht, in uwe handen stellen. Doet met het kind van een
schurk, wat u goeddunkt. Versiert het met rozen, valt voor hetzelve
neder; maar vergeet niet, dat het den man toebehoort, die den naam
'Helleen' te schande maakte, die u, die zijn vaderland verried!"
De Grieken hieven na deze toespraak een geweldig geschreeuw
aan, terwijl zij het bevende meisje uit de handen van den koning
ontvingen. Een ruw soldaat hief het ongelukkige schepseltje in de
hoogte, en toonde het aan den vader, die haar duidelijk herkennen
kon, daar de beide legers slechts een boogschot van elkaar verwijderd
waren. Tegelijk brulde een Egyptenaar, die zich later door zijn luide
stem beroemd maakte [437], den bevenden vader toe: »Geef acht, Athener,
hoe men hier te lande verraders straft!"--Een Kariër greep het mengvat,
welks inhoud hem en zijne makkers bedwelmd had, stiet zijn zwaard
in de borst van het kind, liet het onschuldige bloed in het metalen
vat vloeien, vulde een beker met het afschuwelijke mengsel en ledigde
dien, als dronk hij het welzijn van den van woede en afschuw aan den
grond genagelden vader. Als krankzinnigen vielen de andere soldaten
op het mengvat aan, en slurpten, gelijk wilde dieren het door bloed
verontreinigde druivensap [438].
Op dit oogenblik schoot Psamtik, met een oog fonkelende van helsche
vreugde, zijn eersten pijl op de Perzen af. De soldaten wierpen het
lijkje van het kind met verachting van zich, hieven hun krijgslied
aan, dronken van het ingezwolgen bloed, en snelden hunne Egyptische
krijgsmakkers ver vooruit, den dood of de overwinning tegemoet. Maar
ook de gelederen der Perzen stelden zich thans in beweging, en Phanes
wierp zich, buiten zich zelf van woede en smart, gevolgd door zijne,
over de schandelijke wreedheid hunner landgenooten, verontwaardigde
zwaargewapenden, op dezelfde mannen, wier liefde hij door zijne
tienjarige trouw meende te hebben verdiend en verworven.
Toen de zon hare middaghoogte bereikt had, scheen zich het geluk der
wapenen naar de zijde der Egyptenaren te neigen. Toen de dagtoorts
op het punt was van uitgebluscht te worden, hadden de Perzen eenig
voordeel behaald. En toen eindelijk de volle maan in al haar glans
aan den hemel stond, verlieten de Egyptenaren in overijlde vlucht
het slagveld, om den dood te vinden in de moerassen en in de golven
van den Pelusinischen Nijlarm achter hen of onder de zwaarden der
Aziaten, tot het laatste oogenblik voor de vrijheid van hun vaderland
strijdende. Twintigduizend Perzen en vijftigduizend Egyptenaren bleven
op het slagveld; de gekwetsten, verdronkenen en gevangenen waren
nauwelijks te tellen [439]. Psamtik was onder de laatsten geweest,
die het slagveld verlieten. Op een edel ros had hij, licht gewond, den
anderen oever van den Nijl bereikt, en met weinige duizenden zijner
getrouwen den weg naar Memphis ingeslagen. Want voor de versterking
en verdediging der pyramidenstad waren alle voorzorgen genomen.
Van de Hellenen, die onder de vanen van Psamtik gestreden hadden,
waren slechts weinigen aan den dood ontkomen. Zoozeer had de naar
wraak dorstende Phanes met zijne Ioniërs in hunne rijen gewoed. Tien
duizend Kariërs werden gevangengenomen. Den moordenaar van zijn kind
velde de Athener met eigen hand. Ook Aristomachus had, in spijt van
zijn houten been, wonderen van dapperheid verricht. Toch was het
zoo min hem, als iemand dergenen die hunne wraak te koelen hadden,
mogen gelukken, Psamtik in handen te krijgen.
Toen, na het einde van den slag, de Perzen juichend naar hunne
legerplaatsen terugkeerden, werden zij door Cresus, de achtergeblevene
priesters en soldaten met vreugdekreten ontvangen en met offers en
gebeden werd den goden voor de roemrijke overwinning dank gebracht. Aan
den anderen morgen riep de koning al de bevelhebbers bijeen, en
verdeelde onder hen, naar hunne verdiensten, allerlei eereteekens,
als: kostbare kleederen, gouden ketens, ringen, sabels en sterren
van edelgesteenten, terwijl hij onder de soldaten gouden en zilveren
munten deed uitstrooien.
De hoofdaanval der Egyptenaren had het centrum van het Perzische
leger gegolden, dat door den koning in persoon werd aangevoerd, en
was zóo heftig geweest, dat de lijfwachten reeds begonnen te wijken,
toen Bartja op het juiste oogenblik met zijne ruiterij aankwam,
de vluchtenden met nieuwen moed bezielde, en eindelijk, vechtende
als een leeuw, door zijne dapperheid en behendigheid den slag ten
voordeele der Perzen besliste.
De Perzen jubelden den jongeling te gemoet en noemden hem luide
»Overwinnaar van Pelusium" en »den beste der Achaemeniden".
Dit gejuich drong ten laatste ook tot den koning door en vervulde hem
met spijt en wrok. Cambyzes was zich bewust, met waren heldenmoed
en reuzenkracht gestreden te hebben, zonder zijn leven te sparen;
en toch zou het met hem en zijn leger gedaan zijn geweest, zoo deze
knaap hem niet intijds was ter hulp gesneld. Zijn broeder, die hem
reeds het geluk verbitterd had, dat hem de liefde had kunnen schenken,
ontstal hem nu de helft van zijn krijgsroem. Hij gevoelde dieper dan
ooit dat hij Bartja haatte, en onwillekeurig balde hij de vuisten,
toen hij den jongen man, op wiens gelaat een edel bewustzijn van
eigenwaarde was te lezen, zag naderen.
Phanes werd door zijne wonden aan zijn leger gebonden; naast hem lag
Aristomachus, die doodelijk gekwetst was.
»Toch heeft het orakel gelogen," mompelde de Spartaan. »Ik sterf,
zonder mijn vaderland te hebben wedergezien!"
»Het orakel sprak de waarheid!" antwoordde Phanes. »Hoe luidden de
laatste woorden der Pythia?
'Dan voert de boot u, moe van 't ommedwalen,
Waar 't vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt.'
»Zoudt gij den zin dier woorden niet verkeerd hebben uitgelegd? Zij
doelen ongetwijfeld op de boot van Charon, die u naar uw eigenlijk
vaderland, naar de groote rustplaats van alle zwervers, naar het rijk
van den Hades zal overvoeren."
»Ja, gij hebt gelijk, mijn vriend, naar den Hades is de reis!"
»En de vijf, de ephoren, hebben u vóor uw dood vergund, wat zij u
zoo lang weigerden, namelijk, naar uw geliefd Lacedaemonië terug
te keeren. Gij hebt alle reden om den goden dankbaar te zijn, die u
zulke zonen en zulk een wraak op uwe vijanden schonken. Als ik van
mijne wonden herstellen mag, zal ik naar Hellas trekken en uw zoon
mededeelen, dat zijn vader een roemrijken dood gestorven is, na op
zijn schild van het slagveld te zijn gedragen."
»O, doe dat, en breng hem mijn schild, opdat hij het als eene
gedachtenis van zijn ouden vader beware. Ik behoef hem overigens niet
te vermanen steeds deugdzaam te zijn."
»Zal ik Psamtik, wanneer wij hem in onze handen krijgen, zeggen dat
gij niet weinig hebt bijgedragen tot zijn val?"
»Dat is niet noodig, hij zag mij, alvorens te vluchten, en liet van
schrik over deze onverwachte verschijning zijn boog vallen. Die hem
vergezelden meenden, dat hij hun hiermede een teeken gaf, om hun heil
in de vlucht te zoeken, en gehoorzaamden onmiddellijk."
»De goden verderven den booswicht door zijne eigene wandaden. Psamtik
liet den moed zinken, meenende, dat zelfs de geesten uit de onderwereld
tegen hem te velde trokken."
»Hij had met de levenden reeds de handen vol genoeg! De Perzen hebben
goed gevochten. Niettemin zou zonder Bartja en zonder ons de slag
verloren zijn geweest!"
»Ongetwijfeld!"
»Zeus Lacedaemonius, ik dank u!"
»Bidt gij?"
»Ik prijs de goden, die mij vergunnen van de aarde te vertrekken
zonder zorg voor mijn vaderland. Deze bijeengeraapte benden zijn niet
gevaarlijk voor den Griekschen staat.--Hei daar, arts! Wanneer zal
ik sterven?"
De heelmeester van Milete, die de Klein-Aziatische Grieken naar Egypte
gevolgd was, glimlachte droevig, en zeide, wijzende op den pijl,
die nog in de borst van den Spartaan stak: »Nog slechts weinige uren
blijven u te leven overig. Zoodra ik het wapen uit de wonde trek,
zult gij sterven."
De Spartaan dankte den arts, zeide Phanes vaarwel, droeg hem de
groete aan Rhodopis op, en trok, voordat men het hem kon beletten,
met vaste hand den pijl uit zijne borst. Weinige oogenblikken later
was hij een lijk.
Dienzelfden dag bracht een Lesbisch vaartuig een Perzisch gezantschap
naar Memphis, dat van den koning moest eischen zich en de stad op
genade en ongenade over te geven. Cambyzes volgde het op den voet,
na eene afdeeling van het leger onder Megabyzus te hebben afgezonden
om het beleg voor Saïs te slaan.
Te Heliopolis kwamen hem gezanten van de Helleensche inwoners van
Naucratis en van de Lybiërs te gemoet, die hem baden om bescherming
en vrede. Zij brachten hem een gouden krans, benevens rijke
geschenken. Hij nam deze genadig aan, en gaf hun de verzekering
zijner vriendschap. De afgevaardigden van Cyrene en Barka wees hij
echter toornig terug, en hunne schatting, bedragende vijfhonderd
zilverminen [440], die hem al te onbeduidend voorkwam, strooide hij
met eigen hand onder zijne soldaten uit. Ter zelfder plaatse kreeg
hij ook het bericht, dat de inwoners van Memphis, bij de aankomst
van zijne gezanten, in menigte waren samengestroomd, het schip in
den grond geboord, en die er op waren, zonder aanzien van personen,
in stukken gescheurd en binnen de vesting gesleept hadden. Toen
Cambyzes dit vernam werd hij woedend, en riep: »Bij Mithra, voor
elken dezer vermoorden zullen tien inwoners van Memphis met hun
leven boeten!"--Twee dagen later sloeg zijn leger voor de poorten der
reuzenstad de tenten op. Slechts korten tijd duurde het beleg, daar
de bezetting veel te klein was om de vesting behoorlijk te verdedigen,
en de moed der burgerij na de nederlaag van Pelusium zeer gezonken was.
Koning Psamtik zelf trok, aan het hoofd zijner voornaamste hofbeambten,
zijn overwinnaar te gemoet. De ongelukkige man had zijne kleederen
gescheurd en alle teekenen van rouw aangenomen. Cambyzes ontving hem
met een koel zwijgen, en gebood dat men hem en zijn gevolg in hechtenis
nemen en wegvoeren zou. De weduwe van Amasis, Ladice, die zich eveneens
aan den Perzischen koning kwam vertoonen, werd met achting bejegend,
en op voorspraak van Phanes, wien zij zich altijd genegen had betoond,
onder veilig geleide naar haar vaderland Cyrene gezonden, waar zij
bleef tot aan den val van haar neef Arkesilaus III, en de vlucht harer
zuster Pheretime [441]. Toen nam zij de wijk naar Anthylla in Egypte,
welke stad haar toebehoorde, en leefde daar in de grootste afzondering,
tot zij in hoogen ouderdom overleed. Cambyzes achtte het beneden zich,
het jegens hem gepleegde bedrog op eene vrouw te wreken, en koesterde
buitendien als Pers te grooten eerbied voor eene moeder, vooral voor
eene koninginne-moeder, om der weduwe van Amasis ook maar een haar
te krenken. Terwijl Cambyzes de residentie Saïs belegerde en innam,
vertoefde Psamtik in het paleis der pharao's streng bewaakt, doch te
gelijk bejegend met al de onderscheiding, waarop een vorst aanspraak
kon maken.
Onder de voorname Egyptenaren, die het volk tot tegenstand hadden
aangezet, nam Neithotep, de opperpriester van Neith, de eerste plaats
in. Hij werd met honderd zijner ongelukkige medeschuldigen te Memphis
in boeien geklonken. Het grootste deel van de koninklijke hofbeambten
huldigde Cambyzes echter vrijwillig te Saïs. Zij noemden hem Ramestoe,
dat is kind der zon, en verlangden dat hij zich plechtig tot koning
van Opper- en Neder-Egypte zou laten kronen en zich volgens oud gebruik
in de priesterkaste zou doen opnemen. Cambyzes liet zich dit alles op
raad van Cresus en Phanes welgevallen, hoewel tegen zijn zin. Wat meer
zegt: hij offerde zelfs in den tempel van Neith, en deed zich van den
nieuwen opperpriester eene vluchtige verklaring geven van de beteekenis
der mysteriën. Eenige oude hovelingen nam hij in zijne omgeving op,
en aan vele rijksbeambten gaf hij hooge posten. Inzonderheid verstond
de admiraal van Amasis' Nijlvloot de kunst om zich in de gunst te
dringen, hij werd zelfs door Cambyzes tot zijn dischgenoot benoemd
[442]. Toen de Perzische vorst eindelijk de stad verliet, stelde
hij Megabyzus tot gouverneur aan. Doch nauwelijks had de koning Saïs
verlaten of het volk, dat zich met moeite had ingehouden, gaf aan zijne
woede lucht. Perzische wachten werden heimelijk vermoord, de bronnen
vergiftigd en de stallen der ruiterij in brand gestoken. Megabyzus
ging tot den koning, om zich over het voorgevallene te beklagen;
hij trachtte Cambyzes te doen inzien hoe zulke vijandelijkheden licht
tot openbaren opstand konden leiden, wanneer men ze niet onderdrukte
door krachtig op te treden. »Laat," zoo zeide hij, »aan de tweeduizend
jongelingen van Memphis, die gij ten zoenoffer voor den moord aan ons
gezantschap gepleegd ter dood veroordeeld hebt, op staanden voet hun
vonnis voltrekken. Ook zou het niet kwaad zijn den zoon van Psamtik,
om wien het volk zich anders eens zeker ten opstand scharen zal,
mede te doen sterven. De dochters van den vorigen koning en van den
opperpriester Neithotep moeten, gelijk ik vernomen heb, water dragen
voor de baden van den edelen Phanes."
De Athener glimlachte, en zeide: »Cambyzes, mijn heer, heeft mij
op mijn verzoek toegestaan er zulke voorname dienstmaagden op na
te houden."
»Maar u verboden," viel Cambyzes in, »een der leden van het gevallen
vorstenhuis naar het leven te staan. Slechts een koning mag koningen
straffen!"
Phanes boog zich. Cambyzes wendde zich weder tot Megabyzus, en
beval hem de tweeduizend veroordeelden den volgenden dag, tot een
waarschuwend voorbeeld, ter dood te doen brengen. Betreffende het lot
van den koningszoon zou hij later wel een besluit nemen; intusschen
moest deze met de overige veroordeelden naar de gerechtsplaats
worden geleid. »Men moet zien," riep hij, »dat wij van plan zijn,
alle vijandelijkheden met de grootste gestrengheid te keer te gaan!"
Toen Cresus het waagde om genade voor den onschuldigen knaap te
smeeken, glimlachte Cambyzes, zeggende: »Wees gerust, oude vriend,
het kind is nog in leven, en zal het misschien niet minder goed bij ons
hebben, dan uw zoon, die bij Pelusium zoo dapper heeft gestreden! Maar
ik zou gaarne weten of Psamtik zijn lot zoo gelaten en mannelijk weet
te dragen als gij, nu vijf en twintig jaar geleden."
»Dat is gemakkelijk te onderzoeken!" riep Phanes, »zoo het den
koning slechts behaagt hem naar het slotplein te doen geleiden,
en de gevangenen en veroordeelden voor zijn aangezicht te laten
voorbijvoeren; dan zal het blijken, of hij zich als een man, dan wel
als een lafhartige gedraagt."
»Dat zal geschieden!" antwoordde Cambyzes. »Ik zal mij verborgen
houden, en hem ongemerkt gadeslaan. Gij zult mij vergezellen, Phanes,
en mij den naam en den stand van iederen gevangene noemen!"
Aan den morgen van den volgenden dag begaf de Athener zich met den
koning op het balkon, dat het uitgestrekte, met boomen beplante,
slotplein omgaf. De planten en bloemen hielden de twee mannen
verborgen, die de geringste beweging van menschen daar beneden opmerken
en ieder woord verstaan konden. Door eenigen zijner vroegere hovelingen
omgeven, leunde Psamtik tegen een palmboom en staarde met een somberen
blik onafgebroken op den grond, terwijl zijne dochter en het kind van
Neithotep, benevens andere aanzienlijke jonkvrouwen, als slavinnen
gekleed, het plein overgingen, gevulde waterkannen dragende. Zoodra
de meisjes den koning gewaarwerden, hieven zij luide klachten aan, die
Psamtik uit zijn gemijmer opwekten. Hij herkende de jammerende maagden
en boog zijn hoofd diep neder. Doch spoedig hief hij het weder op, en
vroeg zijne oudste dochter, voor wien zij water droeg? Toen hij vernam,
dat zij voor Phanes het werk van slavinnen verrichten moest, verbleekte
hij, liet het hoofd op de borst vallen, en riep de meisjes toe: »Gaat!"
Weinige oogenblikken later betraden de gevangenen het plein, met
strikken om den hals en toomen in den mond, door Perzische wachters
geleid [443]. De trein werd geopend door den kleinen Necho, die de
handjes naar zijn vader uitstrekte, en hem bad de vreemde, booze
menschen, die hem wilden dooden te straffen. De Egyptenaren konden
hunne tranen niet bedwingen, toen zij deze woorden van den knaap,
hun kroonprins, vernamen. Doch de oogen van Psamtik bleven droog, en
wederom vestigde hij den blik op den grond, en wenkte den weenenden
knaap met de hand een laatst vaarwel toe.
Kort daarop verschenen zij, die te Saïs in hechtenis waren
genomen. Onder dezen bevond zich ook de grijze Neithotep. De vroegere
opperpriester was in lompen gehuld en strompelde met moeite voort,
leunende op een stok. De poort binnentredende en de oogen opslaande,
zag hij zijn ouden leerling Darius. Vergetende waar hij zich bevond,
liep hij aanstonds naar dezen toe, klaagde hem zijn nood, bad hem
om zijne hulp en voorspraak, en eindigde met om eene aalmoes te
smeeken. Darius schonk hem een rijke gift, 't geen ten gevolge had,
dat de andere Achaemeniden, die in de, nabijheid stonden, den oude
schertsend tot zich riepen, en hem kleine muntstukken toewierpen,
die hij niet zonder moeite en met vele dankbetuigingen opraapte. Toen
Psamtik dit gewaarwerd, barstte hij in tranen los, riep op smartelijken
toon zijn ouden vriend bij den naam, en sloeg zich met de krampachtig
gesloten vuist voor het voorhoofd.
Cambyzes verwonderde zich hierover, verwijderde de bloemen en
planten, waarachter hij zich tot dusver had verborgen gehouden, en
riep den ongelukkige toe: »Zeg mij, zonderling mensch, waarom gij,
bij de aanschouwing van uwe diep vernederde dochter, en van uw zoon
die den dood te gemoet gaat, niet geweeklaagd en geschreid hebt, en
jegens een bedelaar, die niet eens tot uw huis behoort, zoo groote
deelneming aan den dag legt?"
Psamtik zag naar zijn overwinnaar op, en antwoordde: »Het ongeluk
van mijn huis, zoon van Cyrus, is te groot voor mijne tranen; het
lot van een vriend, die op hoogen ouderdom, van den aanzienlijksten
en gelukkigsten man in het rijk een ellendige bedelaar is geworden,
mag ik echter beweenen!"
Cambyzes knikte den armen vorst minzaam toe, en toen hij zich
omkeerde, bemerkte hij, dat niet alleen in zijn oog een traan was
opgeweld. Cresus, Bartja en alle aanwezige Perzen, ja zelfs Phanes,
die beiden koningen tot tolk had gediend, waren diep geroerd. De
trotsche veroveraar had een welbehagen in deze tranen, en sprak, zich
tot den Athener wendende: »Mij dunkt, Helleensche vriend, dat wij
genoeg gewroken zijn.--Sta op, Psamtik, en beproef gelijk deze edele
grijsaard--dit zeggende wees hij op Cresus--u aan uw tegenwoordig lot
te gewennen. Het bedrog van uw vader is aan u en aan uw huis streng
genoeg vergolden geworden. Dezelfde kroon, die Amasis de dochter van
Hophra, mijne onvergetelijke gemalin, ontroofd heeft, heb ik u van
het hoofd gerukt. Om Nitetis' wil heb ik dezen oorlog begonnen; thans
schenk ik uw zoon het leven, wijl zij hem heeft liefgehad. Voortaan
moogt gij als onze dischgenoot in volle vrijheid aan ons hof verkeeren,
en de eer mijner grooten deelen. Ga den knaap halen, Gyges! Hij zal,
gelijk gij voorheen, met de zonen der Achaemeniden worden opgevoed."
De Lydiër snelde naar de deur van het balkon, om dezen hem zoo
aangenamen last ten uitvoer te brengen, doch eer hij deze had
bereikt, riep Phanes hem terug. Met opgericht hoofd en een fier
gelaat plaatste zich de Athener tusschen den koning en Psamtik,
die van zalige verrukking stond te trillen, en zeide:
»Uw gang, edele Lydiër, zou vergeefsch zijn; Necho, de zoon
van Psamtik, is reeds niet meer! Ondanks uw bevel, mijn vorst,
heb ik, onder voorwendsel dat ik eene volmacht van u bezat, den
beul doen bevelen den kleinzoon van Amasis, als zijnde de eerste
en aanzienlijkste van al de gevangenen, ter dood te brengen. Het
horengeschal, dat gij zoo even vernomen hebt, was het teeken dat
de laatste aan den Nijl geboren kroonprins van Egypte den adem had
uitgeblazen. Ik weet wat mij te wachten staat, Cambyzes, en bid niet
om een leven, welks hoogste doel thans bereikt is. Ook uw verwijtenden
blik, o Cresus, versta ik. Gij beklaagt de vermoorde kinderen; maar
och, het leven is zulk een samenweefsel van jammer en teleurstelling,
dat ik, met uw grooten raadsman Solon, hem het gelukkigst acht, wien
de goden, gelijk weleer aan Kleobis en Biton [444], een vroegen dood
geven. Zoo ik ooit genade in uwe oogen heb gevonden, Cambyzes, zoo
mijne raadgevingen u van eenig nut zijn geweest, veroorloof mij dan,
als eene laatste gunst, nog enkele woorden te spreken. Gij, Psamtik,
weet, wat ons tot vijanden heeft gemaakt. Gij allen, aan wier achting
mij veel gelegen is, zult het thans evenzeer vernemen.
»Door den vader van dezen man werd ik in zijne plaats tot bevelhebber
der tegen Cyprus gezondene troepen benoemd en streed met roem, terwijl
hij slechts vernedering en schande had geoogst; tegen mijn wil, werd
ik bekend met een geheim, dat zeer gevaarlijk had kunnen worden voor
zijne aanspraken op den troon; eindelijk belette ik hem, eene deugdzame
jonkvrouw weg te voeren uit het huis harer grootmoeder, eene vrouw,
die door alle Hellenen hooggeacht en geëerbiedigd wordt.--Dat is het,
wat hij mij nooit heeft kunnen vergeven, en hem heeft bewogen mij, toen
ik den dienst van zijn vader verlaten moest, tot een strijd op leven
en dood uit te dagen. Thans is onze worsteling beslist. Gij hebt mijne
onschuldige kinderen doen vermoorden, en op mij als op een schadelijk
ondier jacht gemaakt; dat is uwe geheele wraakoefening geweest! Ik
heb u van den troon gestooten en u en uw volk tot slaven gemaakt. Ik
heb uwe dochter mijne slavin genoemd, uw zoon heb ik doen ombrengen,
en ik heb gezien hoe hetzelfde meisje, dat gij eenmaal vervolgdet,
de gelukkige gade van een held is geworden. Gij, gevallen koning,
hebt mij rijker en machtiger dan een mijner landslieden zien worden;
gij, ongelukkige, moest mij--en dit was het schoonste gedeelte mijner
wraak--van mededoogen met uw ijzingwekkend lot zien weenen!--Wie,
gelijk ik, de diepste rampzaligheid van zijn vijand slechts eene
seconde overleven mag, dien noem ik even gelukkig als de zalige
goden. Thans heb ik niets meer te zeggen!"
Phanes zweeg en drukte zijn hand op zijn wond. Cambyzes zag hem
een tijdlang met de grootste verbazing aan, deed daarop een stap
voorwaarts, en wilde reeds den gordel van den Athener aanraken, een
teeken, dat met de onderteekening van een doodvonnis gelijkstond
[445], toen zijn blik op de keten viel, die hij den Athener, tot
belooning voor de behendigheid waarmede hij de onschuld van Nitetis
had bewezen, om den hals had gehangen. De gedachte aan de vrouw
zijner eenige liefde, en aan de dankbaarheid die hij verschuldigd
was aan dezen zeldzamen man, wegens verschillende door hem bewezene
diensten, onderdrukte zijn toorn, en deed zijne, tot het noodlottige
sein reeds opgehevene hand weder zinken. Gedurende enkele seconden
stond de strenge vorst tegenover den ongehoorzamen vriend, toen hief
hij andermaal, aan eene plotselinge ingeving gehoor gevende, zijne
rechterhand op, en wees gebiedend naar den uitgang van het plein.
Phanes boog zich zwijgend, kuste het kleed van den koning en steeg
langzaam de trap af naar het plein. Psamtik zag hem na met verbeten
woede, sprong toen naar de borstwering van het balkon, doch zonk,
eer hij zijne lippen tot een vloek had kunnen openen, uitgeput neder.
Cambyzes wenkte zijn gevolg, en gebood zijn jachtmeester de
toebereidselen te maken tot eene leeuwenjacht in de Lybische bergen.