VIJFDE HOOFDSTUK.

Volgens de Egyptische wet, moest over Zopyrus het doodvonnis worden

uitgesproken. Zoodra de vrienden dit vernomen hadden, stond het besluit

bij hen vast, op staanden voet naar Saïs te reizen, en te beproeven den

gevangene door list te bevrijden. Syloson, die daar bekend was en de

Egyptische taal verstond, bood uit eigen beweging aan hun behulpzaam te

zijn. Bartja en Darius maakten zich onkenbaar door haar en wenkbrauwen

te verven, en breedgerande vilten hoeden [392] op te zetten, zoodat

zelfs de vrienden zich in hen bedrogen zouden hebben. Bovendien liet

Theopompus ze uiterst eenvoudige Grieksche kleederen aantrekken. Een

uur na de inhechtenisneming van Zopyrus kwamen zij met den rijk

gekleeden Syloson aan den oever van den Nijl samen, en bestegen een

vaartuig, dat aan hun nieuwen vriend toebehoorde, en door diens slaven

geroeid werd. Na eene korte door den wind begunstigde vaart, waren zij,

eer nog de gloeiende zon der hondsdagen hare middaghoogte bereikt had,

te Saïs, dat zich als een eiland boven de overstroomde velden verhief.

Op eene afgelegene plaats traden zij aan wal, en kwamen dadelijk

daarop in de wijk der handwerkslieden, die, in weerwil van de

verbazende hitte, met onverdroten ijver hun werk verrichtten. In den

open hof van een bakker zag men knechten, die het grove deeg met de

voeten, het fijne met de handen kneedden. Brooden van allerlei vorm

werden uit den oven gehaald, cirkelen langwerpig-rond gebakken,

wittebrooden in de gedaante van schapen, slakken en harten, in

manden gelegd. Sterke knapen plaatsten drie, vier of vijf dier

manden op het hoofd, en droegen deze vlug en handig naar de, in

de andere deelen der stad wonende klanten [393]. Een vleeschhouwer

slachtte vóor zijn huis een os, wiens pooten bijeengebonden waren,

terwijl zijne knechts op slijpsteenen hunne messen scherpten, om het

lichaam eener wilde geit te ontleden. Vroolijke schoenmakers riepen

uit hunne kramen de voorbijgangers aan, en timmerlieden, kleermakers,

schrijnwerkers en wevers [394] waren allen ijverig in de weer. De

vrouwen der ambachtslieden, met hare naakte kinderen aan de hand,

kwamen op straat, om inkoopen te gaan doen, terwijl eenige soldaten

naar den wijn- en bierschenker liepen, die zijne bedwelmende waar in

het openbaar op de straat uitventte [395].

Onze vrienden sloegen op dit alles echter geen acht; zwijgend volgden

zij Syloson, die, aan de wacht der Helleensche krijgslieden gekomen,

hen verzocht eenige oogenblikken op hem te wachten. De Samiër kende

bij toeval den dienstdoenden taxiarch, en vroeg hem dus of hij ook

van een moordenaar gehoord had, die men zeide dat van Naucratis naar

Saïs was overgebracht.

»Zeker heb ik van hem gehoord!" luidde het antwoord. »Nauwelijks een

half uur geleden is hij hier binnengebracht. Men vond aan zijn gordel

een vollen buidel, en houdt hem voor een Perzischen spion. Gij weet

toch zeker, dat Cambyzes toerustingen maakt tot een oorlog tegen

Egypte?"

»Dat is niet mogelijk!"

»Het is de stellige waarheid! Den pharao is dit ook reeds bekend. Door

Arabische kooplieden, wier karavaan gisteren te Pelusium aankwam,

is dit bericht het eerst tot ons overgekomen."

»Dit gerucht komt mij voor even dwaas te zijn als het vermoeden

betreffende den Lydiër. Ik ken dezen zeer goed, en beklaag den armen

jongen van ganscher harte. Hij behoort tot een der rijkste geslachten

van Sardes, maar is vandaar gevlucht, omdat hij een geschil had met den

Perzischen satraap Oroetes, en van diens geduchte vijandschap alles

vreezen moest. Ik zal u de geheele geschiedenis uitvoerig verhalen,

als gij mij binnen kort te Naucratis eens een bezoek brengt. Natuurlijk

zijt gij dan voor een dag of wat mijn gast, en brengt gij eenigen uwer

vrienden mede. Mijn broeder heeft mij van Samos een wijntje gezonden,

dat zeker alles overtreft, wat ge tot nog toe geproefd hebt. Slechts

eene fijne tong als de uwe gun ik dezen godendrank!"

Het aangezicht van den taxiarch glansde van genoegen, terwijl hij,

Syloson bij de hand vattende, uitriep: »Bij den hond [396], vriend, wij

zullen niet op ons laten wachten, en uwe lederzakken eere aandoen! Wat

dunkt u, zoudt gij dan Archidike [397] en de drie bloemenmeisjes niet

bestellen, met een paar fluitspelers om 't ontbijt op te luisteren?"

»Geene van die allen zal ontbreken! Maar gij brengt mij daar weer

op hetgeen ik u zeggen wilde; juist ter wille dier bloemenmeisjes

zit de jonge Lydiër thans gevangen. Een ijverzuchtige botmuil, door

eenigen zijner vrienden ondersteund, overviel den goeden jongen voor

haar huis. Mijn Lydische driftkop weerde zich dapper...."

»En deed zijn belager den grond kussen?"

»Zóo, dat hij wel nimmer meer zal opstaan."

»Dan moet die knaap wel goede vuisten hebben!"

»Hij had een zwaard bij zich."

»Des te beter voor hem."

»Neen, des te erger, want de verslagene is een Egyptenaar."

»Dat is eene gekke geschiedenis, die zeker slecht zal afloopen. Een

vreemdeling die een Egyptenaar doodt, schiet er zoo zeker het hachje

bij in, als iemand die aan de galg [398] hangt te spartelen. In allen

gevalle zal hij eenige dagen tijd hebben, om zijne oploopendheid te

betreuren. Al de priesters zijn verdiept in gebeden voor den stervenden

koning, zoodat er geen tijd is voor gerechtszaken."

»Het zou mij veel waard zijn, als men den armen schelm kon redden. Ik

ken zijn vader."

»Och, in den grond heeft hij ook niets gedaan, wat niet ieder ander

zou doen, die hart in 't lijf heeft. 't Is toch van niemand te vergen,

dat hij zich gedwee zal laten afranselen."

»Weet gij ook, in welke gevangenis de arme jongen is opgesloten?"

»Ja! Het groote gevangenhuis wordt verbouwd; daarom is hij voorloopig

in het magazijn gezet, dat de hoofdwacht der Egyptische lijfgarde

van het bosch van den Neith-tempel scheidt. Ik ben zoo even eerst

hier gekomen, en zag den armen schelm er heenbrengen."

»Hij is moedig en sterk, zou het hem met een weinig hulp van buiten

niet mogelijk zijn te ontsnappen?"

»Onmogelijk! Het gebouw, dat hem tot gevangenis dient, is twee

verdiepingen hoog, en het eenige venster dat het heeft, ziet in het

bosch der godin uit, dat, gelijk gij weet, door tien voet hooge muren

omgeven is en als eene schatkamer bewaakt wordt. Aan al de poorten

zijn dubbele posten uitgezet. Alleen waar de muur door het water

bespoeld wordt, plaatst men tijdens de overstrooming natuurlijk

geene schildwachten. Deze dieraanbidders zijn zoo voorzichtig als

de kwikstaarten!"

»Dat is jammer! Dan zullen wij den armen hals aan zijn lot

moeten overlaten. Vaarwel Daemones, geef spoedig gevolg aan mijne

uitnoodiging!"

De Samiër verliet de wachtkamer, en ging aanstonds weder naar zijne

vrienden, die hem met ongeduld zaten te wachten, en zijn bericht in

de grootste spanning aanhoorden.

Toen de Helleen hun de gevangenis beschreven had, riep Darius: »Ik

geloof, dat het ons met eenig overleg en een weinigje moed wel zal

gelukken Zopyrus te redden. Hij is behendig en vlug als eene kat,

en sterk als een beer. Ik heb een plan!"

»Laat hooren!" zeide Syloson. »Maar laat mij u vooraf zeggen, dat

ook ik nog niet wanhoop."

»Wij koopen touwladders, bindgaren en een goeden boog, bergen dat

alles in de boot en varen, zoodra het donker wordt, naar de onbewaakte

plaats van den tempelmuur. Gij helpt mij daarover te klauteren. Ik

neem de gekochte voorwerpen mede, laat het geluid van den arend hooren,

waaraan Zopyrus mij dadelijk zal herkennen, daar wij in onze jeugd er

ons meermalen op de jacht van bedienden, om elkaar te waarschuwen,

schiet den pijl met het bindgaren in het venster,--ik heb nog nooit

mijn doel gemist,--roep mijn vriend toe, aan het uiteinde er van

iets zwaars te hechten en dit neder te laten, en maak het garen

aan de touwladder vast. Dan haalt Zopyrus het reddingstoestel op,

slingert het om den ijzeren nagel, die in elk geval met de ladder

naar boven moet, daar wij toch niet weten of er in zijne cel iets te

vinden is, waaraan hij de ladder zou kunnen vastmaken, daalt naar

beneden, snelt met mij naar de plaats, waar gij met de boot wacht,

klautert met behulp van eene tweede ladder, die daar hangen moet,

over den muur, springt in de boot, en is gered!"

»Heerlijk, heerlijk!"

»Maar zeer gewaagd!" sprak Syloson. »Als wij in het heilige bosch

betrapt worden, kunnen wij verzekerd zijn, een zware straf op te

loopen. De priesters vieren daar des nachts zeer geheimzinnige feesten,

waarvan een oningewijde nimmer getuige mag zijn. Doch het meer in het

bosch [399] zal het tooneel der mysteriën zijn, en dat is tamelijk

ver van de gevangenis verwijderd."

»Welnu, dan is het gevaar ook zoo heel groot niet!" riep Darius. »Maar

denken wij het eerst aan de hoofdzaak. Op staanden voet moet er eene

boodschap naar Theopompus, om hem te verzoeken eene snelzeilende

triëre voor ons te huren en zeilreê te doen maken. Reeds is hier de

tijding van Cambyzes' krijgstoerustingen aangekomen. Men ziet ons

voor verspieders aan, en zal dus Zopyrus en zijne bevrijders met den

grootsten spoed nazitten. Het zou dus onvergeeflijk zijn, indien

wij ons nutteloos aan gevaren blootstelden. Gij, Bartja, moet de

boodschap aan onzen gastheer overbrengen, en nog heden Sappho huwen,

want morgen moeten wij Naucratis verlaten, wat er ook gebeure. Geen

tegenspraak, mijn vriend, mijn broeder! Gij kent ons reddingsplan en

weet dat gij bij de uitvoering, waartoe slechts éen noodig is, een

werkeloos toeschouwer zoudt zijn. Ik heb den aanslag ontworpen, en

zal niet dulden dat iemand anders dien ten uitvoer brengt. Morgen zien

wij elkaâr weder, want Aoeramazda beschermt de vriendschap der reinen!"

Lang wilde Bartja er niet van weten, zijne makkers in den steek te

laten; doch eindelijk gaf hij aan de vereende beden en voorstellen

van beiden gehoor, en begaf zich naar den oever, om daar eene boot

voor de terugreis naar Naucratis te huren, terwijl Syloson en Darius

de benoodigdheden ter uitvoering van het ontwerp gingen aankoopen.

Om de ligplaats der huurvaartuigen te bereiken, moest de koningszoon

den tempel van Neith voorbij. Dit was echter gemakkelijker gezegd

dan gedaan, daar het volk zich in dichte hoopen voor de hoofdpoort

van het heiligdom geschaard had. Toen Bartja was doorgedrongen tot

bij de obelisken, die naast de met de gevleugelde zonneschijf en met

wapperende vanen versierde poort van den tempel stonden, werd hij door

de tempeldienaars, die den door sphinxen aangewezen processie-weg

vrijhielden, tegengehouden. De reusachtige deuren werden geopend,

en Bartja die tegen wil en dank in de voorste rij der toeschouwers

was komen te staan, zag nu een schitterenden stoet de voorpoort

uittrekken. De onverwachte aanschouwing van vele hem van vroeger

bekende aangezichten hield zoozeer zijne opmerkzaamheid bezig, dat hij

er nauwelijks acht op sloeg, hoe hem in het gedrang zijn breedgerande

vilten hoed van 't hoofd was geraakt. Uit het gesprek van twee achter

hem staande Ionische soldaten begreep hij, dat het gezin van Amasis

den tempel had bezocht, om voor den stervenden koning te bidden en

te offeren.

Priesters, rijk getooid in pantervellen of lange witte kleederen,

openden den stoet. Op deze volgden hofbeambten, met gouden staven in

de handen, op welker spitsen pauwevederen en zilveren lotusbloemen

waren bevestigd. Daaraan sloten zich de pastophoren [400], die eene

gouden koe, het dier van Isis, op de schouders droegen. Nadat het

volk zich voor dit heilig voorwerp had neergebogen, verscheen de

koningin in priesterlijk gewaad, met een prachtig hoofdtooisel,

waarin de gevleugelde zonneschijf en de Uraeus-slang eene voorname

plaats bekleedden. Zij hield een heilig gouden sistrum [401], welks

klank de demonen moest verdrijven, in de linker en lotusbloemen

in de rechterhand. De koningin werd wederom gevolgd door de gade,

de dochter en de zuster van den opperpriester, in dergelijke doch

minder kostbare kleeding [402]. Dan verscheen de kroonprins in

rijken feestdos. Daarop volgde Tachot, de dochter van Amasis en

Ladice, de gewaande zuster van Nitetis. Zij werd in een draagstoel,

door vier jonge priesters in witte kleederen, gedragen. De wangen der

teringlijderes waren, tengevolge van de inspanning van het gebed en de

hitte van den zomerdag, met een licht blosje overtogen. Hare blauwe

oogen baadden in tranen en waren op het sistrum gevestigd, dat hare

zwakke uitgeteerde handen ter nauwernood meer konden vasthouden.

Een gemompel van deelneming doorliep de menigte, die den stervenden

koning van harte bemind had, en zijne wegkwijnende dochter met

dat medelijden beschouwde, hetwelk men in den regel voor jeugdige

teringlijders zoo diep gevoelt en zoo ruimschoots toont, vooral

wanneer zij voor een schitterend en gelukkig leven geboren schijnen

te zijn. Menig oog was vochtig, toen het de schoone lijderes

gewaarwerd. Tachot scheen de liefderijke deelneming van het volk

op te merken, althans zij sloeg hare oogen van het sistrum op, en

zag de menigte met vriendelijken en dankbaren blik aan. Maar opeens

verdween het blosje van hare wangen, om voor eene doodelijke bleekheid

plaats te maken. Het gouden instrument ontzonk hare bevende handen,

en viel kletterend op het steenen plaveisel van den processie-weg

voor Bartja's voeten neder. De jongeling gevoelde dat hij herkend

was, en bezon zich een oogenblik, of het niet beter zou zijn zich

te verbergen achter degenen, die naast hem stonden. Maar slechts een

oogenblik weifelde hij, want spoedig had het ridderlijk karakter van

den jongen held alle vrees voor eigen veiligheid overwonnen. Haastig

raapte hij het sistrum op, en bood het der kranke koningsdochter aan,

zonder het gevaar van herkend te zullen worden te tellen.

Alvorens Tachot het kostbare voorwerp uit zijne hand aannam, zag

zij hem vragend aan, fluisterde, slechts voor hem verstaanbaar:

»Zijt gij Bartja? Bij uwe moeder vraag ik u: zijt gij Bartja?"

»Ik ben het," antwoordde hij even zacht, »Bartja uw vriend!"

Meer kon hij niet zeggen, want de tempeldienaars drongen hem met geweld

onder de menigte terug. Toen hij weder op zijne vorige plaats stond,

bemerkte hij, dat Tachot, wier dragers zich opnieuw in beweging hadden

gesteld, nog eenmaal naar hem omzag. Hare wangen waren weder flauw

gekleurd, en hare thans schitterende oogen zochten de zijne. Hij

ontweek den blik der kranke niet, bukte nogmaals om eenen lotusknop,

dien zij hem had toegeworpen, op te rapen, en baande zich toen met

alle inspanning een weg door het volk, welks opmerkzaamheid hij in

hooge mate begon te trekken.

Een kwartier later zat hij in eene boot, die hem naar Sappho en ter

bruiloft moest voeren. Zijne bezorgdheid voor Zopyrus was geheel

verdwenen; hij achtte hem reeds gered. Een zonderling gevoel van

gerustheid vervulde zijn hart, in spijt van de hem dreigende gevaren,

waarvan hij zichzelven geen rekenschap vermocht te geven.

Intusschen was de kranke koningsdochter in het paleis teruggekeerd. Zij

had zich van de feestkleederen die haar benauwden laten ontdoen en

zich met haar rustbed op een balkon doen dragen, waar zij gedurende

de heete zomerdagen, door bladplanten [403] en een bij wijze van

tent gespannen doek overschaduwd, zich bij voorkeur ophield. Van

daar kon zij het groote, met boomen beplante voorhof van het paleis

overzien, dat op dezen dag wemelde van priesters en hovelingen, als

ook van legerbevelhebbers en nomarchen. Op aller aangezicht was eene

angstige spanning te lezen, want de oogenblikken die Amasis nog te

leven had waren geteld. Zonder zelve opgemerkt te worden, ving Tachot,

in koortsachtige opgewondenheid, veel op van hetgeen onder de menigte

daar beneden verhandeld werd.

Thans, nu 's konings uiteinde met rassche schreden naderde, waren

allen, zelfs de priesters, vol van zijn lof. Hier hoorde men de

wijsheid zijner nieuwe instellingen, de omzichtigheid van zijn bestuur,

zijn onvermoeiden ijver, de gematigdheid, die hij steeds aan den

dag had gelegd, en zijn scherp vernuft hemelhoog roemen. »Hoezeer

is Egypte, onder zijn schepter, niet in bloei toegenomen!" zeide

een nomarch. »Welk een roem deed hij onze wapenen oogsten door

de verovering van Cyprus en den oorlog met de Lybiërs!" riep

een krijgsoverste. »En altijd was hij er op uit onze tempels te

verfraaien, en aan de godin van Saïs de eere te geven, die haar

toekomt!" liet een zanger van Neith er op volgen. »Hoe minzaam en

genadig was hij!" prevelde een hoveling. »Hoe behendig wist hij het

aan te leggen, om met de machtigste staten vrede te houden!" zeide de

overste der schrijvers; terwijl de schatmeester, die een traan uit

zijn oog pinkte, uitriep: »Hoe verstandig beheerde hij de inkomsten

van het rijk! Sedert Ramses III waren de schatkamers nooit zoo goed

gevuld als op den huidigen dag [404]!"--»Psamtik heeft eene groote

erfenis te wachten," fluisterde de hoveling; terwijl de krijgsman

uitriep: »Het is helaas niet te onderstellen, dat hij ze tot roemrijke

oorlogen besteden zal; de kroonprins handelt geheel overeenkomstig

den wil der priesters."--»Gij dwaalt," antwoordde de zanger; »sinds

geruimen tijd schijnt onze heer de raadgevingen zijner getrouwe

dienaren in den wind te slaan!"--»Den opvolger van zulk een vader

zal het onbegrijpelijk veel moeite kosten, aller liefde en eerbied te

winnen. Niet ieder bezit zulk eene verhevenheid van geest en zooveel

wijsheid als Amasis, en niet ieder dient het geluk, gelijk dit bij

hem het geval was!"--»Dat weten de goden!" mompelde de krijgsman.

Tachot verstond dit alles, en liet aan hare tranen den vrijen loop. Wat

men tot heden toe voor haar verzwegen had, was haar thans op eens

duidelijk geworden. Spoedig zou zij haar geliefden vader verliezen.

Nadat zij zich helder voor oogen had gesteld, welk een vreeselijke

slag haar bedreigde, en hare dienstmaagden vergeefs had gebeden

haar naar het bed van den beminden zieke te dragen, sloot zij haar

oor voor de gesprekken der hovelingen, en beschouwde het sistrum,

dat Bartja haar in de hand had gegeven en dat zij op het balkon had

medegenomen, als verwachtte zij daarin troost te zullen vinden. En zij

vond werkelijk dat, waaraan zij zoo groote behoefte had, want het was

haar, als werd zij door den klank der gouden ringen van het speeltuig

aan de werkelijkheid onttrokken, en in een lachend zonnig landschap

verplaatst. Eene zekere matheid, een gevoel van machteloosheid, dat

teringlijders meermalen overvalt, had zich van haar meester gemaakt,

en voerde haar geest in de laatste levensuren in het liefelijke land

der droomen. De slavinnen, die terwijl zij sluimerde met waaiers de

vliegen uit hare nabijheid verdreven, verzekerden later, dat zij Tachot

nooit zoo betooverend schoon gezien hadden als in die oogenblikken.

Ongeveer een uur had zij dus gelegen, toen hare ademhaling in

een zwak rochelen overging, een lichte hoest hare borst deed

rijzen, en een weinig bloed van eene flauwroode kleur op haar wit

gewaad afvloeide. Thans ontwaakte zij, en zag verwonderd en bijna

teleurgesteld de haar omringenden aan. Toen zij hare moeder Ladice

bespeurde, die op dit oogenblik het balkon betrad, glimlachte zij

weder en zeide: »O, moeder, hoe heerlijk heb ik gedroomd!"

»Het bezoek in den tempel is mijn lief kind dus goed bekomen?" vroeg

de koningin, met schrik de bloeddruppels aan de lippen der kranke

bemerkende.

»O, moeder, zoo goed! Ik heb hem weder gezien!"

Ladice zag de dienstmaagden harer dochter angstig aan, als wilde zij

vragen: »Is dan het verstand uwer arme meesteres gekrenkt?"

Tachot begreep dien blik, en zeide, al hare krachten verzamelende:

»Gij meent dat ik ijl, moeder? Ik zeg u echter, dat ik hem niet

alleen gezien, maar zelfs gesproken heb. Hij gaf mij het sistrum

in de hand, en zeide dat hij mijn vriend was. Toen raapte hij mijn

lotusknop van den grond op en verdween in het gedrang. Zie mij niet

zoo bezorgd en verbaasd aan, moeder, ik spreek de zuivere waarheid,

en heb het niet gedroomd.--Daar, hoort gij het? Tent-roet heeft hem

ook opgemerkt. Hij is zeer zeker om mijnentwil naar Saïs gekomen,

en het kinder-orakel in het voorhof des tempels heeft mij dus toch

niet bedrogen! Thans voel ik ook niets meer van mijne ziekte, en ik

droomde dat ik in een veld lag van bloeiende papavers, zoo rood als het

versche bloed der jonge offerlammeren, en dat Bartja aan mijne zijde

zat, en Nitetis naast ons knielde, en o zoo schoone liederen speelde

op eene elpenbeenen nabla [405]. En in de lucht was er een geluid,

zoo liefelijk, dat mijn hart iets gevoelde, als werd ik gekust door

Horus, den lieven kleinen god van den morgen en de lente. Ja, moeder,

wees er zeker van, dat hij weldra zal komen, en als ik hersteld ben,

dan.... dan.... O! Ach!--Moeder, ik sterf!"

Ladice knielde voor de rustbank harer dochter neder, en drukte

brandende kussen op de reeds gebrokene oogen der jonkvrouw.

Een uur later stond de koningin voor eene andere sponde, het sterfbed

van haar echtvriend.

Het aangezicht des konings was door het vreeselijk lijden zeer

vermagerd en verwrongen. Koud zweet parelde op zijn voorhoofd, en zijne

handen omklemden de gouden leeuwen, die de zijleuningen uitmaakten

van den diepen ziekenstoel, waarin hij rustte. Toen Ladice in het

vertrek kwam, opende hij de oogen, die nog altijd helder en levendig

schitterden, niettegenstaande zij een tijdlang van het licht beroofd

waren geweest.

»Waarom brengt gij Tachot niet tot mij?" vroeg hij met eene heesche

stem.

»Zij is te ziek, te lijdende om...."

»Zij is dood!--Zij is gelukkig, want de dood is geene straf, maar

het einddoel des levens, het eenige doel, dat wij zonder moeite,

maar de goden weten het, ten koste van veel lijden bereiken. Ra voert

haar mede in zijn schuit met zijne getrouwen, en Osiris zal haar tot

zich nemen, want zij was zonder schuld. Ook Nitetis is dood. Waar is

de brief van Nebenchari?--Daar staat het: 'Zij benam zichzelve het

leven en stierf, onder het uitspreken van een zwaren vloek over u en

de uwen. Dit bericht, dat even waarachtig is als mijn haat tegen u,

zendt u de arme, verbannene, beleedigde en bestolene oogarts uit

Babylon naar Egypte toe.'

»Verneem deze woorden, Psamtik, en laat u door uw stervenden vader

waarschuwen. Alle onrecht, dat u op aarde éen drachme genot verschaft,

zal u in de ure uws doods onder een talent wanhoop doen zuchten. Om

Nitetis' wil zullen vreeselijke rampen over Egypte komen. Het bericht,

door de Arabische kooplieden gebracht, is waarheid. Cambyzes maakt

zich gereed tot een oorlog met ons, en zal Egypte overvallen als een

verschroeiende woestijnwind. Veel van hetgeen ik tot stand bracht,

en waarvoor ik mijne nachtrust heb opgeofferd, waaraan ik mijne beste

krachten heb besteed, zal vernietigd worden. En toch heb ik niet

tevergeefs geleefd, want veertig jaren lang ben ik de zorgende vader,

de weldoener van een groot volk geweest. Het verre nageslacht zal

den naam van Amasis, als dien van een groot, wijs en menschlievend

koning, met eerbied vermelden, en op mijne stichtingen te Saïs en te

Thebe vol bewondering den naam van hun bouwmeester lezen, en van de

grootte zijner macht gewagen! Ja, ook Osiris en de twee-en-veertig

rechters in de onderwereld zullen mij niet veroordeelen, en de godin

der waarheid, de meesteres der weegschaal [406], zal bevinden, dat

het gewicht mijner goede daden dat mijner booze te boven gaat!"

De koning zuchtte en zweeg een geruime poos. Eindelijk zag hij

zijne gemalin aan, met een weemoedigen blik, die van innige liefde

getuigde, en zeide: »Gij, Ladice, zijt mij eene trouwe, deugdzame

gade geweest. Ik dank u daarvoor, en bid u voor vele dingen om

vergeving. Dikwijls konden wij elkander niet begrijpen. Ja, het viel

mij gemakkelijker mij te verplaatsen in de denkbeelden van uw volk,

dan u, de godsdienstige begrippen der Egyptenaren te vatten. Gij weet,

hoe hoog ik de kunst van uwe landslieden schatte, hoe gaarne ik met uw

vriend Pythagoras verkeerde, hij, die zoo diep was ingewijd in hetgeen

wij weten kunnen en gelooven moeten, en hoeveel ik daarvan dankbaar

aannam. Hij, die den verborgen zin had gevat van leerstellingen,

die mij voorkomen boven alles heilig te zijn, ontzag zich wel met

waarheden te spotten, die de priesterschap misschien al te angstvallig

voor het volk verborgen houdt. Dat volk buigt zich gewillig voor

het onbegrijpelijke en die het verkondigen. Zou het niet schooner en

edeler zijn, wanneer men het de waarheid leerde verstaan, wanneer men

het ophief in plaats van het in onwetendheid te laten? Voorzeker, de

priesters zouden op deze wijze minder gehoorzame dienaars vinden, maar

de goden meer vrije en oprechte vereerders. Met onzen dierendienst,

Ladice, hebt gij u het minst kunnen verzoenen, maar ik acht het toch

beter en den mensch waardiger, den schepper in zijn schepsel dan in

steenen beelden te aanbidden. Bovendien hebben uwe goden alle zwakheden

met de menschen gemeen, en ik zou mijne koningin wel zeer ongelukkig

hebben gemaakt, als ik gelijk de Grieksche Zeus geleefd had."

De koning zeide dit met een glimlach. »Maar weet gij, hoe dat

komt?" vervolgde hij. »Deze Hellenen stellen den schoonen vorm boven

alles; daarom is het hun niet mogelijk het lichaam, dat zij als het

voortreffelijkste van al het geschapene beschouwen, van de ziel te

scheiden; gelijk zij ook aannemen, dat in een schoon lichaam noodwendig

eene schoone ziel moet wonen. Derhalve zijn hunne goden niets dan de

veredelde menschen, terwijl wij ons voorstellen, dat de godheid als

een kracht in de natuur en in ons zelven werkt. Tusschen beiden in

staat het dier, dat niet als wij handelt volgens geschrevene wetten,

maar gehoorzaamt aan de eeuwige wetten der natuur. Gene zijn door

de menschen uitgedacht, deze echter hebben onmiddellijk aan de goden

haar ontstaan te danken. En welk schepsel haakt zoozeer naar vrijheid,

het hoogste goed, als het dier? Welk schepsel leeft zonder leering

en onderricht zoo gelijkmatig van geslacht tot geslacht voort, als

het dier?"

Hier begaf den koning voor eenige oogenblikken zijn stem. Na eene

pauze vervolgde hij: »Ik voel dat mijn einde nadert; daarom zal ik

niet lang bij deze dingen stilstaan, maar u, mijn zoon en opvolger,

mijn uitersten wil doen kennen. Handel dienovereenkomstig, want het

is uit ervaring, dat ik tot u spreek! Maar helaas! Honderd malen heb

ik, gedurende mijn langdurig leven, gezien dat alle levensregels,

die anderen ons medegeven op onzen weg, nutteloos zijn. Geen mensch

kan voor een ander ervaringen opdoen; alleen door eigen schade en

schande wordt men wijs! Gij beklimt den troon op rijpen leeftijd,

mijn zoon, en hebt den tijd gehad om na te denken over al wat recht

en onrecht, heilzaam en verderfelijk is, en verschillende dingen te

zien en met elkander te vergelijken. Daarom geef ik u geene algemeene

lessen, maar stel mij tevreden met u enkele nuttige raadgevingen op

't hart te binden. Ik geef ze u met mijn rechterhand, maar ik vrees,

dat gij ze met de linker zult aannemen.

»Vóor alle dingen moet gij weten, dat ik gedurende de laatste

maanden, niettegenstaande mijne blindheid, slechts in schijn een

onverschillig toeschouwer was van uwe daden, en u met een bepaald

doel de handen vrijliet. Rhodopis vertelde mij eens eene fabel van

haar leermeester Aesopus: Een reiziger ontmoette een man, en vroeg

dezen, hoe veel tijds hij noodig zou hebben om de naaste stad te

bereiken. 'Loop!' was het antwoord.--'Maar zeg mij eerst, hoe lang ik

loopen moet om er te komen?'--'Loop! Loop maar!'--De reiziger meende,

dat de man hem voor den gek hield, en keerde dezen den rug toe, onder

vloeken en verwenschingen. Nadat hij eenige schreden gedaan had, riep

de ander hem terug, en zeide: 'Gij zult een uur noodig hebben, om de

stad te bereiken. Ik kon uwe vraag niet met zekerheid beantwoorden,

voordat ik eerst de snelheid van uw gang had gezien!' »Aan deze

fabel heb ik vaak gedacht, en zwijgend sloeg ik uw bestuur gade,

om u thans in uw eigen belang te kunnen zeggen, of gij te snel of

te langzaam wandeldet. Nu weet ik wat ik wenschte te weten, en bij

mijne bijzondere raadgevingen voeg ik dus de algemeene les: Onderzoek

zelf alle dingen! Op ieder mensch, maar vooral op een koning, rust

de verplichting, zich in eigen persoon te overtuigen van alles, wat

hun betreft, voor wier welzijn hij te zorgen heeft. Gij, mijn zoon,

ziet te veel door vreemde oogen, hoort te veel door vreemde ooren,

en put veel te weinig uit oorspronkelijke bronnen. Uwe raadslieden,

de priesters, bedoelen zeker niets dan wat goed is, maar,--Neithotep,

ik bid u, laat ons een oogenblik alleen!"

Zoodra de opperpriester zich verwijderd had, vervolgde de koning: »Zij

willen wat goed is, maar slechts dat wat voor hen goed is! En wij zijn

niet koningen voor priesters en aanzienlijken, maar voor het volk. Geef

daarom niet uitsluitend acht op den raad dezer trotsche kaste, maar

onderzoek zelf, door met eigen oogen alle smeekschriften te lezen,

en trouwe, u toegedane en door het volk beminde nomarchen te kiezen,

die u leeren, wat den Egyptenaren ontbreekt, wat zij van u hopen en

wat zij behoeven. Weet gij nauwkeurig hoe het in het land gesteld is,

dan is het zoo moeilijk niet goed te regeeren. Kies gij maar bekwame

beambten; voor de juiste en doelmatige verdeeling van het rijk heb

ik gezorgd. Onze wetten zijn goed en proefhoudend bevonden. Houd u

daaraan, en vertrouw niemand, die zich voor verstandiger uitgeeft dan

de wet. Ik zeg u, de wet is altijd en in elk geval verstandiger dan

de enkele mensch, en die haar overtreedt heeft straf verdiend. Niemand

gevoelt dit zoo diep als het volk, dat zich voor ons te gewilliger alle

offers getroost, naarmate wij meer onze eigene inzichten aan de wet

ten offer weten te brengen. Gij bekommert u niet veel om het volk. De

stem des volks is in den regel wat ruw; maar meestal spreekt zij de

waarheid, en niemand heeft de waarheid meer noodig dan een koning. De

pharao, die uiterst gewillig den raad van priesters en hovelingen

volgt, zal de meeste vleierijen hooren. Daarentegen zal hij, wiens

streven het is, de wenschen van het volk te vervullen, veel te lijden

hebben van zijne omgeving. Met zichzelven zal hij echter vrede hebben,

en eere bij het nageslacht. Veel heb ik gedurende mijn leven misdaan,

en toch zullen de Egyptenaren mij beweenen, want ik kende ten allen

tijde hunne behoeften, en zorgde als een vader voor hun geluk. Een

koning, die zijne plichten kent, moet zich de liefde zijns volks

weten te verwerven; en dit zal hem niet moeilijk vallen. Daarentegen

is het een ondankbaar streven den bijval der grooten te zoeken. Bijna

onmogelijk acht ik het de tevredenheid van beiden te oogsten.

»Herinner u steeds, dat gij en de priesters voor het volk, en

niet het volk voor u en de priesters bestaat. Houd den godsdienst

in waarde om zijns zelfs wil en als den hechtsten grondslag van

de gehoorzaamheid des volks jegens zijne koningen; maar doe haren

verkondigers steeds gevoelen, dat gij hen niet als de verpersoonlijking

doch als de dienaren der godheid beschouwt. Het is hun gelukt zich

in het bewustzijn der menigte boven de godheid te stellen, en van de

Egyptenaren gehoorzame priesterknechten in plaats van godendienaars

te maken. Dit werk van zoovele eeuwen kan de macht van een vorst

niet vernietigen, maar wij kunnen den priesters wel beletten het

belang van den staat ondergeschikt te maken aan hunne bijzondere

bedoelingen. Geloof mij, mijn zoon, de priesterschap zal, zoodra zij

den invloed harer kaste bedreigd ziet, zich niet ontzien het welzijn

van den staat in de waagschaal te stellen!

»Houd, gelijk de wet u voorschrijft, aan het oude vast; maar sluit

nimmer de poorten van het rijk voor het nieuwe, dat beter blijkt te

zijn. Booze menschen alleen verwerpen haastig het oude; dwazen vinden

alles goed, wat nieuw en vreemd is, maar bekrompenen van verstand

of baatzuchtige bevoorrechten klemmen zich onvoorwaardelijk aan het

oude vast en noemen allen vooruitgang zonde. De wijze legt er zich op

toe datgene in stand te houden, wat in het verleden gebleken is goed

te zijn; dat wat blijken mocht schadelijk te werken af te schaffen;

wat beter is, onverschillig uit welke bron het voortvloeit, aan te

nemen. Mijn zoon, handel gij evenzoo! De priesters zullen beproeven

u terug te dringen, de Hellenen u voorwaarts te drijven. Sluit u

bij de eene of andere partij aan; maar wacht er u voor, tusschen

beide in te blijven staan en heden aan deze, morgen aan gene het

oor te leenen. Wie op twee stoelen tegelijk wil zitten, komt op den

grond te recht. De eene partij zij uw vriend, de andere uw vijand,

want beproeft gij beide te vriend te houden, dan zullen zij zeer

spoedig beide uwe vijanden zijn. De menschen zijn nu eenmaal zoo;

zij haten degenen, die hunne vijanden wèl doen.

»Gedurende de laatste maanden, dat gij zelfstandig regeerdet, hebt

gij, door uw onzalig weifelen, beide partijen tegen u in het harnas

gejaagd. Wie, gelijk de kinderen, nu eens voorwaarts gaat, dan weer

terugkrabbelt, komt nooit vooruit en verbruikt geheel nutteloos

zijne krachten. Ik hield het met de Hellenen, en was de tegenstander

der priesters, tot ik mijn laatste uur voelde naderen. Voor het

maatschappelijk leven schenen mij de dappere en verstandige Grieken

bijzonder bruikbaar; nu ik ga sterven heb ik daarentegen hen noodig,

die mij een pas naar de onderwereld moeten bezorgen. Mogen de goden het

mij vergeven, dat ik, zelfs nog in mijn laatste uur, mijn mond niet

beletten kan een taal te spreken, die zoo lichtzinnig klinkt. Zooals

ìk ben, hebben zij mij gemaakt, en zij moeten het nu ook maar voor

lief met mij nemen. Ik wreef in mijne handen toen ik koning werd;

moogt gij de hand op uw hart leggen, als gij den troon bestijgt!--Roep

thans Neithotep weder binnen, u beiden heb ik nog iets te zeggen!"

Toen de opperpriester aan zijne zijde stond, strekte de koning de hand

naar hem uit, en vervolgde: »Ik scheid zonder wrok van u, ofschoon ik

meen, dat gij uwe plichten als priester beter wist te vervullen, dan

die op u rustten als zoon van dit land en dienaar des konings. Psamtik

zal, geloof ik, gewilliger gehoorzamen dan ik. Eén ding echter druk

ik u beiden op het hart: Ontslaat de Helleensche krijgsbenden niet

uit uw dienst, dan nadat gij met hare hulp de Perzische legermacht

hebt bevochten, en zoo ik hoop overwonnen! Mijne voorspelling van

vroeger heeft geene waarde; men verliest zijne opgewektheid, en ziet

de zaken een weinig donker in, als de stervensure nadert. Zonder de

hulptroepen zoudt gij reddeloos verloren zijn; met hunne hulp is het

niet onmogelijk, dat het Egyptische leger de overwinning behaalt. Weest

bedachtzaam en brengt den Ioniërs aan het verstand, dat zij aan den

Nijl voor de vrijheid van hun eigen vaderland strijden. Cambyzes

zou na eene overwinning met Egypte niet tevreden zijn, terwijl de

nederlaag der Perzen den onderworpen Ioniërs de vrijheid zou kunnen

hergeven. Ik wist wel, Neithotep, dat gij het met mij eens zoudt zijn,

want in den grond meent gij het goed met Egypte. Thans verzoek ik u mij

de heilige gebeden voor te lezen. Ik voel mij zeer uitgeput; het zal

spoedig gedaan zijn. Kon ik die arme Nitetis maar vergeten! Had zij

recht ons te vervloeken? Mogen de doodenrechters en Osiris zich over

onze zielen erbarmen!--Zet u hier neder, Ladice, en leg de hand op

mijn gloeiend voorhoofd; en gij, Psamtik, zweer, in tegenwoordigheid

dezer getuigen, dat gij uwe stiefmoeder zult hoogachten en ontzien,

als waart gij haar eigen kind.--Arme vrouw! Gij zult mij spoedig

bij Osiris komen zoeken. Wat bindt u nog verder zonder echtgenoot en

kinderen aan deze aarde? Wij hebben Nitetis als onze eigene dochter

opgekweekt, en toch werden wij om harentwil zoo zwaar gekastijd. Maar

haar vloek treft ons alleen; niet u, Psamtik, niet uwe kinderen!--Breng

mij thans mijn kleinzoon. Ik geloof waarlijk, dat er een traan over

mijne wang rolt. Zoo gaat het gewoonlijk; te scheiden van kleine

dingen, waaraan men zich gewend heeft, kost ons de meeste moeite."

Een nieuwe gast was dienzelfden avond in het huis van Rhodopis

aangekomen, namelijk Kallias, de zoon van Phaenippus [407], uit wiens

mond wij indertijd het verslag van de Olympische spelen vernamen. De

wakkere Athener was weinige uren te voren uit zijne vaderstad

wedergekeerd en als een oud, beproefd vriend met open armen door

Rhodopis ontvangen, en dadelijk ingewijd in de geheimen van haar

huis. Knakias, de oude slaaf, had wel-is-waar voor een paar dagen

de welkomstvaan ingenomen, maar wetende dat Kallias zijne meesteres

ten allen tijde welkom was, leidde hij hem even gerust tot haar,

als hij iederen anderen bezoeker afwees.

De Athener had veel nieuws te vertellen, en toen Rhodopis zich

eindelijk om de eene of andere bezigheid verwijderen moest, volgde

hij Sappho, zijne lieveling, in den tuin, om daar naar den vriend

uit te zien, dien zij verlangend wachtte. Kallias plaagde haar niet

weinig, wijl zij zich na zulk eene korte scheiding reeds angstig

maakte. In het eerst lokte zijne scherts een glimlach om hare lippen,

doch langzamerhand nam hare bezorgdheid toe, en werd haar gelaat

ernstiger. Nu riep hij de oude Melitta, die bijna nog angstiger dan

hare meesteres den weg naar Naucratis opzag, en verzocht haar het

snarenspeeltuig, dat hij had medegebracht, in den tuin te brengen.

Nadat hij de schoone, tamelijk groote luit van goud en elpenbeen aan

de jonkvrouw ter hand had gesteld, zeide hij: »Dit heerlijke speeltuig

heeft de uitvinder er van, de goddelijke Anakreon, op mijne bestelling,

opzettelijk voor u doen maken. Hij noemt het barbiton [408] en weet het

de heerlijkste tonen te ontlokken, die zelfs nog in het schimmenrijk

zullen voortklinken. Ik heb den dichter, die zijn geheele leven aan

de Muzen, Eros en Dionysos wijdt [409], veel van u verhaald, en hem

moeten beloven u het volgende liedje, dat hij op u heeft gemaakt,

als een geschenk van hem aan te bieden. Luister:

"Werd op Sipylos' gebergte,

In den tijd van 't grijs verleên,

Tot heur straf Amphion's gade,

Niobé, verkeerd in steen;

Is weleer Pandion's dochter,

In 't onmeetlijk ruim der lucht,

Als een vluggewiekte zwaluw,

Theseus wrekend zwaard ontvlucht;--

Ik, ik wilde uw spiegel wezen,

Opdat mij ten allen tijd',

't Harte door uw hemelsche oogen

Werd gekoesterd en verblijd!

'k Wenschte steeds met heet verlangen,

Dat ik u ten mantel wierd,

Die u met zijn losse plooien

Langs de blanke schoudren zwiert!

Of ik zag mij gaarn veranderd,

In het helder bronkristal,

Dat, met oorenstreelend ruischen,

Kronkelt door het lomrig dal,

Opdat, als ge uw poezle leden

Wascht in 't zilverspattend vocht,

Ik, bij felle zomerhitte,

Die verkoelen, streelen mocht!

'k Zag mij liever nog herschapen

In den balsem, lieve maagd!

Die er op uw vlechten druppelt,

En u door zijn geur behaagt;

In de paarlen, die er dartlen,

Stoeien langs uw' elpen hals,

Of in d'overkostbren gordel

Van uw golvend boezemmalsch!

Maar het liefste, dierbre schoone,

Als mijn hart zijn wensch bezat,

In uw schoentje, opdat gedurig

Mij uw kleine voet betrad."

»Gij duidt den zanger toch niet ten kwade, dat hij een weinig vrij

is geweest?"

»Hoe zou ik dat kunnen! Met een dichter moet men het zoo nauw niet

nemen!"

»Allerminst met dezen!"

»Die zulk een uitstekenden zanger tot overbrenger zijner liederen

kiest!"

»O, gij vleister! Ja, toen ik twintig jaren jonger was, werden mijne

stem en voordracht met recht geroemd; maar thans is dat lang voorbij!"

»Gij bedelt om nog meer lof, ik laat mij dien evenwel niet

afdwingen. Maar is deze zoogenaamde barbiton, met hare zoete tonen,

ook voor andere liederen dan die van den Teër [410] geschikt?"

»Zeer zeker! Neem het plektron [411] slechts, en beproef zelve eens

de snaren te tokkelen, die trouwens voor uw teedere vingers wel wat

zwaar zijn."

»Ik kan niet zingen; ik maak mij te ongerust over Bartja en zijne

vrienden."

»Dat is met andere woorden, dat het verlangen naar den beminde u

de keel als toeschroeft. Kent gij het lied uwer Lesbische moei, de

groote Sappho, dat de gemoedsgesteldheid schildert, waarin gij u in

dit oogenblik allerwaarschijnlijkst bevindt?"

»Ik geloof het niet."

»Zoo luister. Voorheen pronkte ik het liefst met dit gedicht, dat

geene vrouw, maar Eros zelf schijnt te hebben vervaardigd:

"Wel hem! die aan uw zij, uw teedre stem mag hooren;

Wiens blik den lach verrast, die kleurt op lip en koon;

Hij is door 't godendom ten lievling uitverkoren,

Hij evenaart de goôn.

"Wen u mijn oog ontwaart, begint mij 't hart te jagen,

En 't bloed stroomt, als gezweept, door de adren op en neêr;

Mijn tong ligt zonder spraak, en om mijn leed te klagen,

Vinde ik geen klanke meer.

"Een licht en vluchtig vuur komt door mijn leen gevlogen,

Een kil en machtloos zweet breekt me op 't voorhoofd door;

Het duister van den nacht omvangt de brekende oogen,

En 't suist en ruischt me in 't oor.

"Als door een koorts vermand, vangt 't lichaam aan te beven,

Een vaal en doodlijk bleek bedekt mij 't aangezicht;

Ik kwijn, ik zwijm, ik schei, van eeuw'gen nacht omgeven,

Weldra van 't levenslicht."

»Welnu, wat zegt gij van dit lied? Maar, bij Heracles, kindlief,

wat zijt gij bleek geworden! Hebben deze regelen u zoo aangedaan,

of zijt gij alleen maar getroffen door de getrouwe voorstelling van

uw eigen smachtend hart? Stel u toch gerust, meisje, wie weet wat uw

geliefde zoo lang ophoudt."

»Niets, niet met al!" klonk op dit oogenblik eene heldere

mannenstem. En weinige seconden later lag Sappho aan de borst van

den geliefden jongeling.

Kallias zag zwijgend deze omarming aan, en glimlachte van genoegen

over de uitnemende schoonheid van dit jeugdige paar.

»Vóór alle dingen," riep de koningszoon, nadat hij met Kallias kennis

had gemaakt, »moet ik uw grootmoeder thans opzoeken. In plaats van

binnen vier dagen moet nog heden de bruiloft gevierd worden. Ieder

uur vertragens kan ons gevaarlijk worden. Is Theopompus hier?"

»Ik denk het wel," antwoordde Sappho, »want ik zou niet weten, waarom

grootmoeder anders zoolang in huis blijft. Maar wat zeidet gij daar

van de bruiloft? Ik geloof...."

»Laat ons eerst naar binnen gaan, liefste; ik vrees dat er een onweder

opkomt. De lucht betrekt zwaar, en het wordt ondraaglijk drukkend."

»Kom dan spoedig," riep Sappho, »zoo gij niet wilt, dat ik van

nieuwsgierigheid sterf! Over het onweder behoeft gij u zoo erg niet

te verontrusten. Zoo oud als ik ben, heeft het in Egypte om dezen

tijd nooit geweerlicht of gedonderd [412]."

»Dan zult gij heden iets vreemds zien gebeuren," zeide de Athener

lachend. »Zoo even viel er een zware regendroppel op mijn kale

kruin. Toen ik hierheen kwam, streken de Nijlzwaluwen vlak over het

water heen. En zie, de maan verschuilt zich reeds. Kom maar spoedig

naar binnen, anders verrast de bui u nog. Hei daar, slaaf, draag

zorg dat er een zwart lam worde geofferd aan de goden der onderwereld

[413]!"

In het woonvertrek van Rhodopis vonden zij, gelijk Sappho terecht

vermoed had, Theopompus. Hij had zoo even zijn verhaal van de

gevangenneming van Zopyrus en van de reis van Bartja en zijne vrienden

ten einde gebracht. Daar beiden uiterst bezorgd waren over den afloop

dezer zaak, was het eene groote vreugde althans den koningszoon zoo

geheel onverwacht voor zich te zien. In weinige woorden bracht Bartja

hen op de hoogte van de gebeurtenissen der laatste uren, en verzocht

Theopompus op staanden voet werk te maken van een zeilree schip voor

hem en zijne vrienden.

»Dat treft uitnemend!" riep Kallias. »Mijne eigene triëre, die mij

heden naar Naucratis bracht, ligt in de haven gereed, en is tot uw

dienst. Ik heb slechts den stuurman te bevelen de manschap bijeen en

alles gereed te houden.--Gij hebt mij niet te danken, veel meer ben ik

u dank schuldig voor de eer, die gij mij bewijst. Hei daar, Knakias,

zeg dadelijk aan mijn slaaf Philomelus, die buiten in de voorzaal

wacht, dat hij zich naar de haven late roeien, en mijn stuurman

Nausarchus gelaste alles tot vertrek gereed te houden. Stel hem slechts

dit zegel ter hand, dat hem tot alles de noodige volmacht geeft!"

»En mijne slaven?" vroeg Bartja.

»Knakias zal mijn ouden hofmeester bevel geven, hen naar het schip

van Kallias te brengen," antwoordde Theopompus.

»Als zij dit teeken zien, zullen zij geen bezwaar maken, om hem te

volgen," hernam Bartja, den ouden knecht zijn ring gevende.

Toen Knakias met vele buigingen het vertrek verlaten had, vervolgde

de koningszoon: »En nu, mijne moeder, heb ik u een dringend verzoek

te doen."

»Ik raad wat het is," zeide Rhodopis vriendelijk. »Gij wenscht,

dat men de voltrekking van uw huwelijk bespoedige, en ik zie wel in,

dat ik aan uw verlangen gehoor zal moeten geven."

»Als ik mij niet bedrieg," riep Kallias, »dan hebben wij hier met twee

menschen te doen, die, zonderling genoeg, zich van harte verblijden

over het gevaar dat hen bedreigt."

»Het kon wel zijn, dat gij juist geraden hadt," antwoordde Bartja,

heimelijk de hand zijner liefste drukkende. Daarop wendde hij zich

nogmaals tot Rhodopis, en bad haar, zonder aarzelen haar kostelijk

kleinood, waarvan hij alleen de waarde wist te schatten, af te staan.

Rhodopis richtte zich hoog op, legde hare rechterhand op Sappho's,

hare linker op Bartja's hoofd, en zeide: »Er bestaat eene sage,

kinderen, die verhaalt, dat in het land der rozen een blauw meer

is, dat nu eens rustig kabbelt, dan heftig golft en woedt; dat

het water van dit meer nu eens zoet smaakt als honig, dan bitter

als gal. Gij zult de beteekenis dezer sage leeren kennen en in het

gewenschte rozenland van uwen echt, nu kalme dan onrustige, nu zoete

dan bittere uren doorleven. Zoolang gij kind waart, Sappho, zijn uwe

dagen zonder eenige droefenis, als een lentedag voorbijgegaan. Toen gij

als jonkvrouw leerdet, wat het zegt lief te hebben, heeft zich uw hart

geopend voor de smart, die u eene welbekende gast werd, gedurende die

scheiding van zoovele maanden, eene gast, die bij tusschenpoozen zal

terugkeeren en aankloppen zoolang gij leeft. Uw plicht, Bartja, is het,

den indringer, voorzooveel dit in uw vermogen is, van Sappho verwijderd

te houden. Ik ken de menschen, en voordat Cresus mij eenige verzekering

omtrent uw edel hart had gegeven, wist ik, dat gij mijner kleindochter

waardig waart. Daarom veroorloofde ik u met haar den kweeappel te

eten, daarom vertrouw ik u zonder vrees haar toe, die ik tot heden

als een heilig pand bewaard heb. Beschouw gij uwe vrouw evenzeer

als een geleenden schat, want niets is gevaarlijker voor de liefde,

dan de behaaglijke zekerheid van het uitsluitend bezit.--Men heeft

mij berispt, omdat ik het onervarene kind naar uw land laat trekken,

waar de vrouwen zoo weinig in tel zijn. Ik weet echter wat liefde is,

en dat er voor eene jonkvrouw die bemint geen ander vaderland bestaat,

dan het hart van den man, aan wien zij zich heeft overgegeven; dat een

door Eros getroffen vrouwenhart geen grooter ongeluk kent, dan dat van

gescheiden te moeten leven van den man harer keuze. En buitendien,

ik vraag u, Kallias en Theopompus, zijn dan uwe echtgenooten zoo

hoog boven die der Perzen bevoorrecht? Moet de Ionische, de Attische

vrouw niet, evenals de Perzische, in vrouwenvertrekken haar leven

slijten, en blij zijn als men haar eens eene enkele maal toestaat,

dicht gesluierd en door wantrouwige slaven vergezeld, over straat te

gaan?--Wat de veelwijverij der Perzen aangaat, deze vrees ik zoomin

voor Sappho als voor Bartja! Hij zal zijne vrouw trouwer zijn dan een

Helleen, want in Sappho zal hij vereenigd vinden, wat gij, Kallias,

eensdeels in uwe vrouw, anderdeels in de huizen der meer ontwikkelde

hetaeren vindt; ik bedoel: eene echte huismoeder en eene ontwikkelde

vrouw, die door aangename gesprekken den man weet te boeien.--Neem

haar tot u, mijn zoon; vol vertrouwen en gewillig stel ik Sappho in

uwe handen, gelijk een oud strijder aan zijn sterken zoon het beste

wat hij heeft, namelijk zijne wapenen, met vreugde overgeeft. Werwaarts

zij ook trekke, steeds zal zij toch eene Helleensche blijven en, dit is

mij een groote troost, in haar nieuw vaderland haar Grieksche afkomst

eere aandoen en het Grieksche volk nieuwe vrienden bezorgen. Ik dank

u voor uwe tranen, mijn kind! Ik ben in staat de mijne te bedwingen,

doch heb deze kunst aan het lot duur, zeer duur betaald!--Dezen eed,

edele Bartja, hebben de goden gehoord. Vergeet hem nooit, en neem

haar tot u als uw eigendom, uwe vriendin, uwe vrouw! Voer haar weg,

zoodra uwe vrienden wederkomen. De goden wilden niet, dat op Sappho's

huwelijksfeest de hymenaeus [414] gezongen zal worden!"

Dit zeggende, legde de oude vrouw de handen der gelieven ineen, sloot

Sappho aan haar hart, en drukte een zachten kus op het voorhoofd van

den jongen Pers. Daarop wendde zij zich tot de beide Hellenen, op

wie dit tooneel een diepen indruk had gemaakt, en zeide: »Dat was een

stille huwelijksplechtigheid, zonder gezang en zonder fakkellicht. Moge

ze door een te gelukkiger huwelijksleven worden gevolgd!--Ga, Melitta,

en haal den bruiloftstooi der bruid, de armbanden en halsketens, die

in het bronzen kastje op mijne kleedtafel liggen, opdat onze lieveling

haar gemaal in een gewaad, dat de toekomstige vorstinne past, de hand

kunne reiken." [415]

»Spoed u!" riep Kallias, die thans weder in zijne gewone opgeruimde

stemming kwam. »Ook mag de nicht der grootste hymenaeën-dichteres

[416] niet zonder zang en muziek haar bruidsvertrek binnentreden. Daar

het huis van den heer gemaal wat al te ver van hier is, zullen wij

onderstellen, dat het ledige andronitis zijne woning zij. Daarheen

geleiden wij door de middeldeur de jonge vrouw, en gebruiken aan

den huiselijken haard een vroolijk bruiloftsmaal.--Hier, slavinnen,

verdeelt u in twee koren. Gij neemt de rol der jongelingen en gij die

der maagden op u, en zingt voor ons de hymenaeus van Sappho: 'Zooals in

het gebergte'. Ik speel voor fakkeldrager [417], eene waardigheid, die

mij in ieder geval toekomt. Gij moet weten, Bartja, dat mijne familie

het erfelijk recht bezit, bij de mysteriën van Eleusis de fakkels te

dragen, waarom men ons dadoechen of fakkeldragers noemt.--Hei daar,

slaaf! Zorg voor kransen aan de deur van het andronitis, en beveel

uw onderhoorigen, dat zij ons bij ons binnentreden met suikerwerk

bestrooien [418]. Zie eens aan, brave Melitta, van waar hebt gij die

schoone bruids- en bruigomskronen van violen en mirten zoo spoedig

gehaald [419]?--Waarlijk, de regen stort bij stroomen door de opening

van het dak!--Ha! Ha!--Hymen heeft Zeus overgehaald ook een handje

te helpen, opdat er niets aan uw bruiloftsfeest ontbreke. Daar gij

het bad niet hebt kunnen nemen, dat bruid en bruigom, volgens oud

gebruik, aan den morgen van den bruiloftsdag moeten gebruiken, moet

gij voor een oogenblik hieronder staan en den regen van Zeus het

geheiligd bronwater laten vervangen! Heft gij thans het lied aan,

meisjes! Laat de jonkvrouw het verlies van haren maagdelijken staat

betreuren en de jongelingen het lot der jonggehuwden nemen."

Nu begonnen vijf geoefende sopraan-stemmen op klagenden toon het lied

van Sappho te zingen:

"Zooals in het gebergte de hyacinth, door de voeten

Van den herder vertrapt, ten bodem zinkt, waar de purpren

Bloem verwelkt in het stof, geknakt, door ieder vergeten;--

Zoo wordt de jonkvrouw, wanneer zij de bloem harer kuischheid

verspeeld heeft,

Door de mannen geminacht en door de maagden gemeden.

Hymen, o Hymenaeus, o Hymen, kom, Hymenaeus!"

Een koor van zwaardere stemmen antwoordde op jubelenden toon:

"Zooals de wingerd die treurt, wen ze eenzaam staat op de vlakte,

Maar aan de olmen gepaard omhoog schiet, ranken en druiven

Slingerend hoog om den top, tot innige vreugd van den landman;--

Zoo wordt de vrouw, in den bloei harer jeugd den huw'lijksband

knoopend,

Innig bemind door haar man en verheugt zij het hart harer ouders.

Hymen, o Hymenaeus, o Hymen, kom, Hymenaeus!"

Hierna vereenigden beide koren zich in het: »Hymen kom, Hymenaeus" om

dit nogmaals en nogmaals op smachtenden en juichenden toon te herhalen.

Plotseling verstomde het gezang, daar een bliksemstraal, gevolgd door

een zwaren donderslag, door de opening van het dak flikkerde, waaronder

Kallias het jonge paar had geplaatst. »Ziet gij?" riep de dadoeche,

zijne hand ten hemel heffende, »Zeus zelf zwaait de bruiloftsfakkel,

en zingt den hymenaeus voor zijne lievelingen!"

Nauwelijks was de volgende morgen aangebroken, of Bartja en Sappho

traden uit hun slaapvertrek den tuin in, die na het onweder,

dat den ganschen nacht door met heftigheid gewoed had, evenals het

aangezicht der jonggehuwden, met een waas van nieuw jeugdig leven was

overtogen. Het schoone paar was zoo vroegtijdig van het bruidsleger

opgestaan, wijl in Bartja's ziel de bezorgdheid over het lot zijner

vrienden, die hij in den roes van zijn geluk bijna vergeten had,

zich opnieuw en met onweerstaanbare kracht had doen gelden.

De tuin lag op een kunstmatig aangelegden heuvel, die zich boven

de overstroomde vlakte verhief, en een uitgestrekt vergezicht

opende. Op den spiegel van den prachtigen stroom dreven witte en blauwe

lotusbloemen, aan den oever en op de ondiepe plaatsen vertoonden zich

dicht opeengedrongen groote zwermen watervogels. Zooals de sneeuwvelden

op het hooggebergte deden de aan de oevers van den stroom staande

zwermen zilverreigers zich aan het oog voor. Eenzaam beschreven

breedgevleugelde arenden groote kringen in de reine morgenlucht,

tortelduiven wiegden zich in de kronen der palmen, terwijl pelikanen en

eenden op den waterspiegel dreven, om, zoodra het gekleurde zeil eener

bark zichtbaar werd, snaterend en klapwiekend omhoog te stijgen. De

lucht was door het nachtelijk onweder afgekoeld. Er woei een frissche

noord-oostenwind, die reeds een vrij groot aantal vaartuigen over

de onder water staande velden de rivier opstuwde, ofschoon de zon

nog maar even boven de kim was gerezen. Het gezang der matrozen, het

plassen der riemen en het gekwinkeleer der vogelen vereenigden zich,

om het eentonige en toch bonte landschap van het overstroomde Nijldal

meer leven te geven.

De jeugdige echtelingen stonden, elkaar met de armen omstrengelend,

voor den lagen muur, die den tuin van Rhodopis omgaf, en vermeiden

zich, onder het wisselen der teederste woorden, in de aanschouwing

van het liefelijke tooneel, tot Bartja's scherpe blik een vaartuig

ontdekte, dat door den wind en krachtige riemslagen met spoed

voortgedreven, recht op het landhuis aanhield. Weinige minuten later

legde de boot bij den tuin aan, en kort daarop stonden Zopyrus en

zijne bevrijders voor den koningszoon.

Het plan van Darius was, dank zij het heftige en op dien tijd van het

jaar zoo zeldzame onweder, dat de Egyptenaren niet weinig had doen

ontstellen, uitnemend gelukt. Evenwel mocht er geen oogenblik verspild

worden, daar het wel te verwachten was, dat de Saïten den vluchteling

met al de hun ten dienste staande middelen zouden vervolgen. Na een

kort, maar daarom te teederder afscheid, scheurde Sappho zich van

hare grootmoeder los, en besteeg aan de hand van Bartja, gevolgd

door de oude Melitta, die haar naar Perzië zou vergezellen, de boot

van Syloson, en een uur later de sierlijk gebouwde Hygieia [420],

het snelzeilend zeeschip van Kallias.

De Athener verwelkomde de vluchtelingen aan boord zijner triëre en

nam vooral van Sappho en Bartja een hartelijk afscheid. De laatste

hing den ouden man eene ongemeen kostbare keten om den hals, ten

bewijze zijner dankbaarheid; terwijl Syloson den edelen Darius,

tot een aandenken aan het gemeenschappelijk doorgestane gevaar, zijn

purperen mantel, een onschatbaar meesterstuk van Sidonische verfkunst,

dat de bewondering van Hystaspes' zoon had opgewekt, om de schouders

wierp. Darius nam dit geschenk met blijdschap aan en riep den broeder

van Polycrates bij het afscheid toe: »Herinner u steeds, Helleensche

vriend, dat ik u grooten dank schuldig ben, en stel mij zoo spoedig

mogelijk in de gelegenheid, u een wederdienst te bewijzen!"

»Maar dan komt gij eerst tot mij, tot Zopyrus," riep de geredde,

terwijl hij zijn belangeloozen bevrijder omarmde. »Ik ben bereid mijn

laatste goudstuk met u te deelen, en wat meer zegt, mij om uwentwil

eene week lang te laten opsluiten in het verwenschte gat, waaruit

ge mij hebt verlost!--Maar reeds worden de ankers gelicht. Vaarwel,

dappere Helleen! Groet de drie gezusters, de bloemenmeisjes van mij,

vooral de kleine Stephanion, en zeg haar dat, tengevolge mijner

tusschenkomst, haar langbeenige bruidegom haar in lang het leven

niet zal verbitteren.--Ja, nog iets! Neem dezen buidel met goud voor

de vrouw en de kinderen van den Egyptischen wijsneus, die bij die

geschiedenis het leven verloor."

Thans vielen de ankers rammelend op het dek neer; de wind vulde het

uitgespreide zeil, en uit het ruim der triëre steeg het eentonig

keleusma of roeierslied, waarbij de triëraules met de fluit maat en

toon aangaf [421]. Bartja en Sappho stonden op den achtersteven van

het vaartuig, naast het houten beeld van Hygieia, zijn beschermgodin,

en tuurden zoo lang in de richting van Naucratis, tot de oevers van

den Nijl voor hun starenden blik niet meer te onderkennen waren,

en de blauwe golven der Helleensche zee de boorden van de triëre met

haar schuim bespatten.

Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers · 第 32 / 38 题