De zon van een gloeiend heeten hondsdag was over Naucratis opgegaan. De
Nijl was reeds buiten zijne oevers getreden, en had de velden en
tuinen van Egypte met zijn wateren bedekt. De haven in den mond der
rivier wemelde thans van schepen. Egyptische vaartuigen, bemand met de
Phoenicische kolonisten van de kust der Delta, brachten fijne weefsels
van Malta aan, metalen en gesteenten van Sardinië, wijn en koper van
Cyprus. Grieksche triëren brachten fijne oliën en wijnen, mastiktakken,
metaalwerken en wollen stoffen van Chalcidice; Phoenicische en Syrische
vaartuigen, met bont gekleurde zeilen, voerden purperstoffen, koper,
tin, edelgesteenten, specerijen, glas- en tapijtwerken aan, benevens
ceders van den Libanon, voor het bouwen van huizen in het aan hout zoo
arme Egypte, ten einde deze waren in te ruilen tegen de schatten van
Aethiopië: goud, elpenbeen, ebbenhout, veelkleurige tropische vogels,
edelgesteenten en zwarte slaven, maar vooral tegen het wereldberoemde
Egyptische koren, de wagens van Memphis, Saïtisch kantwerk en fijn
papyrusriet. Maar de tijd van uitsluitenden ruilhandel was reeds lang
voorbij, en de kooplieden van Naucratis betaalden hunne inkoopen niet
zelden met klinkend goud en zorgvuldig afgewogen zilver [375].
Langs de haven dezer Helleensche volkplanting zag men groote
magazijnen. Daarnaast stonden lichtgebouwde huizen. De muziek, het
vroolijk gelach, de verleidende blikken en stemmen van geblankette
deernen lokte daar vele ledigloopende matrozen binnen [376]. Roeiers
en stuurlieden, in de meest uiteenloopende kleederdrachten,
baanden zich, soms op een vrij onzachte wijze, een weg door het
gedrang van zwarte en blanke slaven, die zware balen op de schouders
droegen. Scheepsbevelhebbers, in Helleensche of kakelbonte Phoenicische
kleeding deelden bevelen uit onder hunne manschappen, of waren ijverig
in de weer, om den groothandelaars de voor hen bestemde goederen af
te leveren. Waar bijgeval twist ontstond, vertoonden zich dadelijk
Egyptische politiebeambten met hunne lange staven, en Helleensche
havenmeesters, die door de oudste kooplieden van deze Milesische
volkplanting waren aangesteld.
Maar allengs verliet de menigte de haven, daar de tijd naderde
waarop de markt begon [377], en de vrije Helleen was niet gewoon deze
onbezocht te laten. Ditmaal echter bleven nog ettelijke nieuwsgierigen
achter, om een schoon gebouwd Samisch schip met langen zwanenhals,
de Okeia [378], op welker boeg een houten beeld van de godin Hera
[379] prijkte en dat zoo even de haven was binnengeloopen, aan
te gapen. Vooral wekten drie schoone jongelingen in Lydischen
krijgsdos hoog opzien, toen zij de triëre verlieten. Zij werden
door onderscheidene slaven gevolgd, die hun eenige kisten en pakken
nadroegen. De schoonste dezer vreemdelingen, in wie de lezer zonder
twijfel reeds onze jonge vrienden Darius, Bartja en Zopyrus heeft
herkend, wendde zich tot een havenmeester met verzoek, hem de woning
van zijn gastheer Theopompus, den Milesiër, te wijzen. Dienstvaardig
en beleefd zooals alle Grieken, ging de beambte den vreemdeling voor,
en leidde hem over de markt naar een deftig huis, het eigendom van den
aanzienlijksten inwoner van Naucratis, den Milesiër Theopompus. Juist
kondigde het luiden der klok de opening der markt aan.
Maar niet geheel zonder oponthoud hadden de jongelingen hunne
bestemming bereikt. Aan den vrij lastigen aandrang van de vischventers,
die gaarne veel geld verdienden, hadden zij zich even gemakkelijk
weten te onttrekken, als aan de veelvuldige aanbiedingen van vleesch-,
worst- en groenteverkoopers, pottenbakkers en bakkers. Toen zij
echter de standplaats der bloemenmeisjes [380] naderden, klapte
Zopyrus hard in de handen, verrukt over het schouwspel, dat zich
hier aan hem voordeed. Drie allerbekoorlijkste meisjes, in witte,
bijkans doorschijnende kleeding met gekleurde zoomen, zaten daar op
lage stoeltjes, door eene vracht van bloemen omgeven, en vlochten
gezamenlijk een grooten krans van rozen, violen en oranjebloesem. Hare
schoone, bekranste hoofdjes geleken op de drie rozeknoppen, die een
harer, welke onze vrienden het eerst bemerkt had, hun aanbood,
»Koopt mijne rozen, schoone heeren!" riep zij met heldere, welluidende
stem, »en steekt ze uwe beminden in het haar!"
Zopyrus nam de bloemen aan, riep, de hand van het meisje vasthoudende:
»Ik kom zoo pas uit verre landen hier aan, lief kind, en heb nog
geene vriendin te Naucratis, laat mij dus deze rozen in uw eigen
blonde krullen steken, en dat goudstuk in uw blanke handjes drukken!"
Het meisje schaterde het uit van blijdschap, toonde de buitengewoon
rijke gift aan hare zuster [381], en riep: »Bij Eros! Jongelingen
als gij zijt, kan het wel nimmer aan vriendinnen ontbreken! Zijt
gijlieden broeders?"
»Neen!"
»Dat is jammer, want wij zijn zusters!"
»Gij wilt zeggen, dat wij anders drie aardige paartjes zouden zijn?"
»Dat heb ik misschien gedacht, maar niet gezegd," hernam zij heel
ondeugend.
»En uwe zusters?"
De meisjes lachten, schenen met genoegen aan zulk eene verbintenis
te denken, en boden ook Darius en Bartja rozeknoppen aan.
De jongelingen namen ze aan; betaalden insgelijks voor ieder ruikertje
een goudstuk, en konden zich niet van de schoonen afmaken, dan nadat
zij hunne helmen met laurierbladeren omkranst hadden.
Het gerucht van de ongemeene mildheid der vreemdelingen verspreidde
zich intusschen onder de vele bloemenmeisjes, die linten, bloemen
en kransen te koop boden. Ieder maakte de vrienden op hare schoone
waar opmerkzaam, en noodigde hen door blikken en woorden tot koopen
uit. Zopyrus had gaarne, als zoo menig jongeling uit Naucratis,
nog veel langer bij de meisjes vertoefd, die zich bijna alle door
schoonheid onderscheidden, en wier genegenheid licht te winnen
was; Darius echter herinnerde hem, dat zij spoed moesten maken, en
verzocht Bartja den lichtzinnigen vriend te verbieden zich verder op te
houden. Eindelijk bereikten zij dan ook, na de tafels der wisselaars
en de burgers, die, op steenen banken gezeten, onder den blooten
hemel raad hielden, te zijn voorbijgegaan, het huis van Theopompus.
Nauw had hun Grieksche gids den metalen klopper op de deur doen vallen,
of deze werd door een slaaf geopend. Daar de heer des huizes zich
op de markt bevond, werden de vreemdelingen door den portier, een in
het huis van Theopompus grijs geworden slaaf, in het andronitis [382]
geleid, met verzoek, de terugkomst van den meester daar af te wachten.
Terwijl de jongelingen zich nog onledig hielden met het beschouwen
van het schoone schilderwerk op de wanden, en de kunstige bewerking
van den steenen vloer, keerde Theopompus,--dezelfde groothandelaar,
dien wij reeds in het huis van Rhodopis leerden kennen,--van de
markt terug, gevolgd door een aantal slaven, beladen met de door hem
aangekochte waren [383]. De Milesiër heette de vrienden welkom met
bevallige minzaamheid, en vroeg hun met de meeste voorkomendheid,
waarmede hij hen dienen kon. Na zich overtuigd te hebben, dat zich
geen ongeroepen getuige in de nabijheid bevond, stelde Bartja den heer
des huizes de briefrol ter hand, die Phanes hem bij het afscheid voor
Theopompus had medegegeven.
Nauwelijks had deze den brief gelezen, of hij boog zich diep voor
den koningszoon neder, en riep: »Bij Zeus, die ons den plicht der
gastvrijheid oplegt, grootere eer dan die van uw bezoek, had mijn
huis wel niet kunnen te beurt vallen! Beschouw al wat ik heb als uw
eigendom, en verzoek ook uwe vrienden hun intrek in mijne woning te
nemen. Vergeef mij, dat ik u in uwe Lydische kleeding niet herkende. Ik
geloof dat uwe lokken korter en uw baard zwaarder zijn geworden, sedert
gij Egypte verliet. Vergis ik mij niet, dan wenscht gijlieden onbekend
te blijven?--Zooals gij wilt! De beste gastvrijheid bestaat daarin,
dat men zijne gasten geheel vrijlaat. O, nu herken ik uwe vrienden! Ook
zij hebben zich vermomd en gelijk gij het haar gekort. Ja, ik zou
durven bezweren, dat gij, mijn vriend, wiens naam..."
»Ik heet Darius."
»Dat gij, Darius, uwe haren zwart geverfd hebt. Is het zoo niet? Gij
ziet, dat mijn geheugen mij niet bedriegt. Toch mag ik daar niet al te
zeer op roemen; want meermalen heb ik u te Saïs gezien, en ook hier bij
uwe aankomst en uw vertrek. Gij, o koningszoon, zult misschien vragen,
of anderen u niet evenzeer zullen herkennen? Stellig niet! De vreemde
kleeding, het korte haar en uwe donkergekleurde wenkbrauwen hebben
u verbazend veranderd. Maar vergun mij, dat ik mij een oogenblik
verwijder! Mijn oude portier wenkt mij en schijnt eene belangrijke
boodschap te hebben."
Weinige oogenblikken later keerde Theopompus terug, en riep: »Hoort
eens, waarde gasten, als gij onbekend wenscht te blijven, dan moet
gij u hier, te Naucratis, niet zoo aanstellen, als gij reeds gedaan
hebt! Gij hebt gekheid gemaakt met de bloemenmeisjes, en haar een
paar rozen betaald, niet als ontvluchte Lydische hekatontarchen,
maar als groote heeren, gelijk gij ook zijt. Geheel Naucratis kent
de schoone, lichtzinnige zusters Stephanion, Chloris en Irene,
die met hare kransen reeds menig jeugdig hart gevangen, en met hare
verleidelijke blikken reeds menigen blanken obool [384] uit de beurzen
onzer zorgelooze jongelieden hebben getooverd. Zoolang de markt duurt,
houden de jongelingen zich het liefst bij de bloemenmeisjes op, en
wat daar dan wordt verhandeld, wordt gewoonlijk in de stilte van den
nacht met meer dan éen goudstuk betaald. Maar voor een vriendelijk
woord en een paar rozen is men minder mild dan gij. De meisjes
hebben met uwe geschenken gepronkt, en haren schrielen vrijers
uwe goudstukken getoond. De faam is eene godin, die in den regel
vreeselijk overdrijft, en van een hagedis een krokodil maakt. Spoedig
kwam ook den Egyptischen hoofdman, die de wacht op de markt heeft,
sedert Psamtik de teugels van het bewind in handen heeft genomen,
het bericht ter oore, dat drie, kort te voren aangekomen Lydische
krijgslieden goud onder de kransvlechtsters hadden uitgestrooid. Deze
tijding wekte achterdocht en gaf den toparch [385] aanleiding, om een
beambte hierheen te zenden, ten einde naar uwe afkomst en het doel
uwer reis te vernemen. Ik heb eene list moeten gebruiken en den man,
die de boodschap bracht, iets wijs moeten maken. Overeenkomstig uw
verlangen, heb ik u voor rijke jongelingen van Sardes uitgegeven,
die aan den toorn van den satraap ontvlucht zijn.--Maar daar komt de
beambte met een schrijver, die u een pas zal brengen, opdat gij veilig
aan den Nijl zoudt kunnen vertoeven. Ik heb hem eene rijke belooning
toegezegd, als hij u behulpzaam wilde zijn, om onder de krijgslieden
van den koning te worden opgenomen. Hij is in den strik geloopen, en
gelooft mij op mijn woord. Omdat gijlieden nog zoo jong zijt, houdt
men zich overtuigd dat gij met geene geheime zending zijt belast."
Nauwelijks had de woordenrijke Helleen uitgesproken, of de schrijver,
een mager in het wit gekleed man, trad het vertrek binnen. Hij ging
naar de vreemdelingen toe, en ondervroeg hen door tusschenkomst van
zijn tolk naar hunne afkomst en het doel hunner reis. De jongelingen
herhaalden, wat door Theopompus reeds was bericht, namelijk dat zij
uitgewekene hekatontarchen waren, en verzochten den beambte hun het
middel aan de hand te doen, om onder de Egyptische hulptroepen te
worden opgenomen, en hen van passen te voorzien. Nadat hun gastheer
zich borg voor hen gesteld had, aarzelde de beambte niet langer,
en stelde hen in 't bezit der verlangde stukken.
Aldus luidde de pas van Bartja:
»Smerdes,--zoon van Sandon, uit Sardes,--ongeveer twee en
twintig jaren oud, hoog en rank van gestalte, met een schoon
gevormd gelaat, rechten neus en hoog voorhoofd, in het midden
waarvan zich een klein litteeken bevindt, mag zich, dewijl
voor hem een voldoende borg is aangewezen, daar waar de wet
vreemdelingen duldt, in Egypte ophouden.
In naam des Konings.
Sachons, schrijver."
De passen van Zopyrus en Darius waren op dezelfde wijze gesteld [386].
Toen de beambten het huis verlaten hadden, wreef Theopompus zich
in de handen, zeggende: "Nu kunt ge u, zoo gij ten minste mijn raad
steeds wilt volgen, vrij en gerust in dit land bewegen. Bewaart deze
papierrolletjes zoo zorgvuldig als uwe oogen en houdt ze steeds
bij u.--Thans noodig ik u mij aan 't ontbijt te volgen, en mij,
als mijne vraag niet onbescheiden is, te vertellen, of het gerucht,
dat zich als een loopend vuurtje over de markt verspreid heeft,
niet als gewoonlijk gelogen heeft. Eene van Colophon komende triëre
bracht namelijk het bericht, dat uw machtige broeder, edele Bartja,
zich tegen Amasis ten strijde toerust.
Aan den avond van den zelfden dag zagen Bartja en Sappho elkander
weder. Welk een heuglijke ontmoeting! De verschijning van den
koningszoon was voor Rhodopis' kleindochter eene verrassing, die hare
stoutste verwachting verre overtrof. De jonkvrouw kon gedurende het
eerste uur geene woorden vinden, om haar geluk, hare blijdschap en
hare dankbaarheid te uiten. Toen zij eindelijk weer alleen waren in
dat priëel van jasmijnen, waar zij den eersten liefdekus gewisseld
hadden, legde Sappho haar hoofdje aan het hart van den dierbaren
jongeling. Lang zaten zij sprakeloos naast elkaâr, en hadden geen
oog voor maan of sterren, die in den zoelen zomernacht, in de
diepste stilte, boven hunne hoofden de zooveel beteekenende cirkels
beschreven. Zij hadden geen oor voor het lied van de nachtegalen,
die als voorheen, in beurtzang al fluitend hun geliefkoosd »itys ito"
zongen. Zij gaven geen acht op den vochtigen dauw, dien de nacht over
hunne hoofden en de gesloten bloemklokjes uitgoot.
Eindelijk vatte Bartja beide de handen zijner bruid, en keek haar lang
zwijgend aan, als wilde hij zich hare trekken voor immer onuitwischbaar
in de ziel prenten; zij echter zag blozend voor zich, tot hij eindelijk
uitriep: »Wanneer ik van u droomde, dan waart gij schooner dan alles,
wat Aoeramazda geschapen heeft; thans zie ik, dat gij zelfs mijne
voorstellingen in den droom in schoonheid nog verre overtreft!"
En toen zij hem voor dit woord met een vriendelijken blik dankte,
sloeg hij nogmaals zijn arm om haar middel, drukte haar vaster aan
zijne borst, en vroeg: »Hebt gij aan mij gedacht?"
»Alleen, alleen aan u!"
»En hooptet ge, mij spoedig weer te zullen zien?"
»Ach, uur en uur dacht ik: 'hij moet komen!' Als ik 's morgens in
den tuin trad, en heenzag naar het oosten, uw geboorteland, en een
vogeltje van de rechterzijde op mij toevloog, voelde ik een zeker
trekken in het rechter ooglid [387]; wanneer ik mijne kist opruimde,
en den laurierkrans vond, die u zoo heerlijk stond, en dien ik daarom
tot een aandenken bewaarde,--Melitta zegt, dat het bewaren van zulk
een krans de trouwe liefde onderhoudt,--dan klapte ik in de handen,
en dacht: »heden moet hij komen," liep naar den Nijl en wuifde ieder
vaartuig met mijn doek het welkom toe, want ieder nieuw vaartuig,
docht mij, kon u in mijne armen voeren. En als ik u niet komen zag,
keerde ik treurig naar huis terug, en zong een lied, en tuurde in
het vuur van den haard in het vrouwenvertrek, tot grootmoeder mij uit
den droom kwam wekken, zeggende: 'hoor eens, meisjelief, wie overdag
droomt, loopt gevaar des nachts den slaap niet te kunnen vatten, en
's morgens droefgeestig, met afgematte hersenen en vermoeide leden,
van zijn leger op te staan. De dag werd ons gegeven, om te waken,
om onze oogen wijd open te houden, en te zorgen, dat geen uur onnut
voorbijga. Het verleden behoort aan de dooden. De dwazen hopen veel
van de toekomst. De wijze leeft slechts voor het tegenwoordige, dat
altijd jeugdig is en nieuw, en gebruikt dit, om alle gaven, die Zeus
ons verleend heeft, die Apollo, Pallas en Cypris ons schonken, door
arbeid zóo te gebruiken, dat zij met iederen dag in waarde rijzen,
volkomener en edeler worden, en ons denken, handelen, gevoelen en
spreken ten laatste zoo rein en welluidend zij, als de liefelijke klank
der accoorden van het snarenspel. Gij kunt den man, wien gij uw hart
geschonken hebt, en dien gij hooger dan u zelven stelt, wijl gij hem
liefhebt, niet beter dienen, en geene sprekender bewijzen geven van
uwe trouw, dan wanneer gij uw geest en uw hart, zooveel uwe krachten
toelaten, veredelt. Het schoone en goede, dat gij u eigen maakt en
aanleert, wordt voor uw geliefde een geschenk. Want als gij hem uw
gansche zijn toewijdt, dan ontvangt hij uwe deugden met u. Maar al
droomende heeft nog nooit iemand eene overwinning behaald. De dauw, die
de bloem der deugd laaft en leven geeft, noemt men zweet!'--Zoo sprak
zij; en beschaamd verliet ik ijlings den haard, greep mijn speeltuig,
leerde nieuwe liederen, of hing aan den mond mijner leermeesteres,
die mij,--in wijsheid overtreft zij menig man,--met woord en schrift
onderwees. Zoo gleed de tijd daarheen, een snel vlietenden stroom
gelijk, die, als de Nijl, van rusten noch toeven weet, en nu eens
eene, met bonte wimpels versierde, gouden boot, dan eene vraatzuchtige
booze krokodil voorbij ons stervelingen heenvoert!"
»Thans zitten wij neder in die boot des geluks! Och, dat de
tijdstroom nu ophield te vlieten! Och, bleef het immer, gelijk het nu
is!--Allerliefst meisje, wat spreekt ge verstandig, hoe goed begrijpt
gij die schoone lessen, en hoe bevallig geeft gij ze weder. Ja, mijne
Sappho, ik ben trotsch op u! In uwe liefde bezit ik een schat, die
mij veel rijker maakt dan mijn heer en broeder, voor wien de halve
wereld zich buigt!"
»Gij, trotsch op mij, gij, groote vorstenzoon, de schoonste en beste
van uw heelen stam?"
»Ik vind in mij geen hooger waarde, dan die, dat gij mij uwer waardig
keurt!"
»Groote goôn, hoe kan dit kleine hart zulk een volheid der hoogste
zaligheid bevatten, zonder te bersten als eene vaas, die men met
zuiver goud heeft overladen!"
»Wijl een ander hart, het mijne, u dien last helpt dragen, wijl uwe
ziel de mijne ondersteunt. Met deze hulp tart ik de gansche wereld,
en al 't lijden dat de nacht ons brengt."
»O, wek den nijd, den toorn der goôn niet op, wien toch te vaak 't
geluk der stervelingen verdriet. Sinds gij van ons zijt weggegaan,
hebben wij menigen dag van tranen doorleefd. De arme kinderen van den
goeden Phanes, een knaap, schoon als Eros, een meisje zoo zacht en
rooskleurig als een wolkje, dat liefelijk door het morgenrood beschenen
wordt, brachten eenige dagen door in onze woning. Grootmoeder werd weer
vroolijk en jong, toen zij de lieve, bloeiende kinderen aanschouwde. Ik
schonk hun van stonde aan mijn hart, schoon dit u geheel alleen
behoort. Maar met dat hart is 't zonderling gesteld. Gelijk de zon,
verbreidt het licht en warmte, en 't wordt toch niet koud; zelfs houdt
't altijd nog gloed genoeg over, om wie daar aanspraak op hebben mede
te koesteren. Ach, die kinderen van Phanes, ik had ze zoo lief!--Op
een avond zaten wij met Theopompus alleen in het vrouwenvertrek, toen
zich voor het huis een woest getier liet hooren, en de deur als met
hamerslagen gebeukt werd. De oude Knakias, onze trouwe slaaf, spoedde
zich naar de deur doch had deze nog niet bereikt, toen ze reeds voor 't
geweld bezweek, en een bende woeste krijgsknechten door het voorportaal
in het andronitis, en van daar, na de middendeur verbrijzeld te hebben,
tot ons doordrong. Grootmoeder vertoonde hun den brief, bij welken
Amasis haar huis tot een onschendbare wijkplaats had verklaard. Maar
zij lachten met dat geschrift en toonden een gezegeld stuk, waarin
de kroonprins Psamtik uitdrukkelijk gebood de kinderen van Phanes op
staanden voet aan dien ruwen hoop over te leveren. Theopompus bestrafte
de soldaten over hunne onbeschoftheid, en zeide, dat de kinderen, die
onze gasten waren, te Corinthe tehuis hoorden, en niets met Phanes
gemeen hadden. De hoofdman der krijgslieden beantwoordde den edelen
man echter met smaad en spot, stiet mijne bezorgde grootmoeder ruw op
zijde, drong met geweld in haar slaapvertrek, waar naast hare kostbare
schatten, aan het hoofdeinde van hare eigene legerstede, de twee
kinderen vreedzaam sluimerden. Ze rukten de kleinen uit hunne bedjes
en brachten ze in eene opene boot,--het was een koude nacht,--naar
de koningsstad. Weinige weken later was het knaapje dood. Men zeide,
Psamtik had het jongske doen vermoorden. Het lieve meisje zucht nog
heden in een duisteren kerker, verlangende naar ons en naar haar
vader. O, mijn geliefde, spreek, is het niet hard, dat zelfs het
reinste geluk niet onvergald kan blijven? De traan van zaligheid in
mijn oog vermengt zich nu reeds met den bitteren traan der smart,
en deze mond, die straks nog lachte, kan nu geen woorden vinden,
sterk genoeg om 't lijden uit te drukken, dat dit hart gevoelt."
»Ik voel, wat gij lijden moet, mijne liefste; doch klagen kan ik niet
als gij, teedere vrouw. Wat u slechts de tranen uit de oogen perst,
doet mij de vuisten ballen. De schoone knaap die u dierbaar was,
het meisje dat in den kerker wegkwijnt, zullen weldra gewroken
worden. Geloof, wat ik u zeg! Alvorens de Nijl andermaal buiten
zijne oevers treedt, zal een verbazend leger dit land binnendringen,
en rekenschap eischen van dien moord!"
»O liefste vriend, hoe gloeien thans uwe oogen! Zoo schoon, zoo
heerlijk zag ik u nog nooit! Ja, ja, de knaap moet gewroken worden,
en niemand dan gij mag zijn wreker zijn!"
»Mijne zachte Sappho wordt op eens krijgshaftig!"
»Waar de boosheid over hare gruwelen juicht, daar behoort ook de
vrouw heldenmoed te toonen. Ook de vrouw verheugt zich als de misdaad
gestraft wordt!--Maar zeg mij, is de oorlog reeds verklaard?"
»Nog niet, maar toch trekken reeds van alle zijden legerscharen naar
het dal van den Euphraat, van waar het groote leger moet oprukken."
»O, reeds ontzinkt mij de moed, straks zoo snel ontvlamd. Ik sidder
bij het vernemen van het woord 'krijg.' Hoevele moeders maakt hij
niet kinderloos! Hoevele vrouwen hullen het jeugdig hoofd niet in den
sluier der weduwen, als Ares woedt! Hoevele legersteden worden niet
door tranen besproeid, als Pallas hare huiveringwekkende Aegis zwaait!"
»Hoe verheft zich daarentegen de man in den woesten strijd, hoe
verruimt zich zijn borst, hoeveel krachtiger wordt zijn arm niet! En
rekent gij dan uwe vreugde voor niets, wanneer de geliefde held,
met roem overladen, als overwinnaar huiswaarts keert? Het hart eener
Perzische vrouw moet kloppen van geestdrift, als zij van veldslagen
hoort gewagen. Want is het leven van haar gade haar dierbaar, zijn
krijgsroem moet haar meer waard zijn."
»Ga ten strijde! Mijn gebed zal u beschermen."
»En de rechtvaardige zaak zal zegevieren! Eerst slaan wij het leger
van den pharao,--dan wordt Phanes' dochterke bevrijd...."
»En dan de edele Aristomachus, die de plaats van den gevluchten
Phanes heeft ingenomen. Hij is opeens verdwenen; waar hij bleef,
weet niemand. Men beweert, dat de kroonprins den dappere, die hem met
zijn wraak dreigde over de mishandeling van Phanes' kinderen, in een
donkeren kerker heeft geworpen. Zoo hij hem maar niet--wat erger zou
zijn dan de pijnlijkste dood--naar eene afgelegene steengroeve heeft
doen sleepen. De arme grijsaard was door booze vijanden onschuldig
uit zijn vaderland gebannen. Op den dag zelven van zijn verdwijnen,
kwam er eene boodschap van wege de Spartanen hier aan den Nijl, waarbij
Aristomachus, door wiens zonen Sparta in aanzien was gerezen, met al
de eer, die Hellas een mensch kan schenken, naar de boorden van den
Eurotas werd teruggeroepen. Een schip met kransen versierd wachtte
den onvolprezen grijsaard, en aan 't hoofd van het gezantschap stond
zijn eigen roemrijke en krachtige zoon."
»Ik ken dien man met zijn stalen wil, die zichzelven verminkte om
de schande te ontgaan. Bij de Anahita-ster, die ginds in het oosten
tintelend ondergaat, wij zullen hem wreken!"
»Maar, mijn beste Bartja, is het reeds zoo laat? De tijd is
voor mij omgevlogen als een koeltje, dat onze voorhoofden kust en
voorbijsnelt. Hoort gij daar niet roepen? Ja, men wacht ons! Vóor het
aanbreken van den dag moet gij in de stad, in het huis van uw edelen
gastheer zijn. Vaarwel, mijn held!"
»Geliefde, vaarwel! Binnen vijf dagen zingen wij het
bruiloftslied.--Gij beeft, als ging ik reeds ten strijde!"
»Mijn zenuwen trillen bij de gedachte aan de grootte van ons geluk,
gelijk dit het geval is bij de aanschouwing van al wat grootsch en
ontzagwekkend is."
»De goede Rhodopis roept al weder. Laat ons thans gaan! Ik heb
Theopompus verzocht, overeenkomstig het gebruik met uwe grootmoeder
te bepalen, wanneer en hoe het huwelijksfeest zal worden gevierd. Ik
blijf vermomd in zijn huis, tot ik u, als mijne geliefde gade, tot
mij mag nemen."
»En ik zal u volgen!"
Toen de jongelieden den volgenden morgen met hun gastheer in diens
tuin wandelden, riep Zopyrus: »Ik heb dezen ganschen nacht door van
uwe Sappho gedroomd, gelukkige Bartja! Zulk een lief schepseltje
werd er nog nooit geboren. Wanneer Araspes haar heeft gezien, zal
hij mij moeten toestemmen, dat Panthea niet de schoonste van alle
vrouwen was. Mijne nieuwe gemalin te Sardes, die ik voor een wonder
van schoonheid hield, komt mij thans als een nachtuil voor. Aoeramazda
is een verkwister! Met Sappho's bekoorlijkheden had hij drie vrouwen
gelukkig kunnen maken. Klonk haar stemmetje niet als muziek, toen
zij ons in 't Perzisch goeden nacht wenschte?"
»Gedurende mijn afzijn," antwoordde Bartja, »heeft zij de taal van
mijn vaderland geleerd van eene oude vrouw uit Susa, echtgenoote van
een tapijthandelaar uit Babylon, die te Naucratis woont, en met dit
met zooveel moeite verworven geschenk verraste zij mij."
»Zij is een voortreffelijk meisje!" riep de groothandelaar. »Mijne
overledene gade beminde de kleine, als ware zij haar eigen kind
geweest, en had haar gaarne met onzen zoon, die te Milete aan het
hoofd mijner zaken staat, zien huwen. Maar de goden hebben het anders
gewild! Toch zou mijne ontslapene gade zich verblijden, als zij de
bloemguirlandes ten huize van Rhodopis kon zien!"
»Is het dan bij u gebruikelijk, de woning eener bruid met bloemen te
versieren?" vroeg Zopyrus.
»Voorzeker!" antwoordde Theopompus. »Als gij eene met bloemguirlandes
behangene deur voorbijgaat, dan weet gij dat daar eene bruid is;
ziet gij een olijftak aan een huis hangen, dan zegt u dit zooveel als
dat daar een zoon ter wereld is gekomen; een wollen windsel boven de
deur strekt tot teeken, dat er een meisje is geboren [388]. Een vat
met water voor de deur beduidt, dat daar een sterfhuis is.--Maar het
marktuur is daar, mijne vrienden! Ik moet u verlaten, want gewichtige
zaken vorderen elders mijne tegenwoordigheid."
»Ik vergezel u," riep Zopyrus, »om kransen voor het huis van Sappho
te bestellen!"
»Ha! ha!" hernam de Milesiër lachend, »gij voelt u naar de
bloemenmeisjes getrokken? O, spreek mij niet tegen, ik heb het wel
geraden. Wanneer gij lust hebt, kunt gij gerust met mij gaan; maar ik
bid u wat minder mild te zijn dan gisteren, en aan uwe verkleeding
te denken, daar gij anders wel eens in gevaar zoudt kunnen geraken,
als er bijgeval stellige berichten kwamen, dat Egypte een oorlog met
Perzië boven 't hoofd hangt!"
De Helleen liet zich door een slaaf de sandalen aanbinden, en begaf
zich, door Zopyrus gevolgd, naar de markt, van waar hij weinige uren
later terugkeerde. Er moest iets gewichtigs zijn voorgevallen, want
de anders zoo opgeruimde man keek bijzonder ernstig, toen hij zich
bij de achtergeblevene vrienden neerzette.
»Ik vond de geheele stad in rep en roer," begon hij te verhalen,
»want het gerucht liep, dat Amasis gevaarlijk ziek was. Toen wij
zoo even, tot het afdoen van zaken, op de beurs [389] bijeenstonden,
en ik groote kans had op den geheelen voorraad van al mijne hoog in
prijs staande artikelen groote sommen te verdienen, die ik, ingeval de
prijzen door de zekerheid van den aanstaanden oorlog dalen mochten,
tot het aankoopen van nieuwe waren dacht te besteden--want dat ik
tijdig bekend ben met de toerustingen van uw machtigen broeder,
kan mij van ontzaglijk veel nut zijn--verscheen de toparch in onzen
kring, en bracht de tijding, dat Amasis niet alleen zeer krank was,
maar dat alle artsen hem hadden opgegeven. Met een uur kan het bericht
van 's konings dood en van een belangrijken ommekeer in den stand van
zaken tot ons komen. De dood van dezen vorst is het zwaarste verlies,
dat ons Hellenen kan treffen; want hij was ons ten allen tijde zeer
genegen, en begunstigde ons, waar hij maar kon. Zijn zoon daarentegen,
een verklaard vijand van de Grieken, zal alles in het werk stellen,
om ons zoo mogelijk allen uit Egypte te jagen. Naucratis met onze
tempels is hem sinds lang een doorn in het oog. Had zijn vader het hem
niet belet, en waren de Helleensche soldaten hem niet onontbeerlijk,
dan zou hij ons, gehate vreemdelingen, reeds voor lang uit zijn rijk
hebben verdreven. Als Amasis gestorven is, zal geheel Naucratis de
legerscharen van Cambyzes als vrienden begroeten. Wij Grieken weten
toch bij ondervinding, dat gijlieden ook achting hebt voor volken,
die geen Perzen zijn, en hunne rechten pleegt te eerbiedigen."
»Ik zal er wel voor zorgen," zeide Bartja, »dat mijn broeder al uwe
oude vrijheden bevestigt, en er u nog meerdere verleent."
»Moge hij spoedig Egypte binnenrukken!" riep de Helleen uit. »Wij
weten dat Psamtik, zoodra hij slechts de handen volkomen vrij heeft,
ons bevelen zal onze tempels, die hem een gruwel zijn, omver te
halen. Reeds sedert lang is ons het bouwen eener offerplaats te
Memphis verboden."
»Hier evenwel", zeide Darius, »hebben wij schoone tempels gezien,
toen wij van de haven kwamen."
»Wij bezitten er verscheidene.--Doch daar komt Zopyrus met mijn
slaven, die hem een berg van kransen nadragen. Hij ziet er zoo recht
opgeruimd uit, en heeft zeker al een zeer aangenaam onderhoud met
de bloemenmeisjes gehad. Goeden morgen, vriend! Gij schijnt u om de
treurige boodschap, die gansch Naucratis met rouw vervult, niet zwaar
te bekommeren!"
»Ik gun Amasis nog honderd jaren!" was het antwoord. »Maar als hij
sterft, zal men wel wat meer te doen hebben, dan op ons acht te
geven. Wanneer denkt gijlieden naar Rhodopis te gaan, vrienden?"
»Zoodra het duister wordt."
»Breng dan de edele vrouw deze bloemen als een geschenk van mij. Ik
had nooit kunnen denken, dat eene oude vrouw zulk een indruk
op mij zou maken. Ieder harer woorden klinkt als muziek, en hoe
ernstig en verstandig het ook is wat zij zegt, het weet toch, als de
vroolijkste scherts, onze ooren binnen te dringen. Ditmaal kan ik u
niet begeleiden, Bartja, want ik zou u toch maar hinderen! Wat zijn
uwe plannen, Darius?"
»Ik zou niet gaarne de gelegenheid verzuimen, om Rhodopis te spreken."
»Dat kan ik denken! Gij moet altijd alles weten en leeren; terwijl
ik er veel van houd, alles te genieten. Wilt gij mij voor hedenavond
verlof geven, vrienden? Ziet eens...."
»Ik weet alles!" viel Bartja den dartelen jongeling lachend in de
rede. »Gij hebt de bloemenmeisjes tot heden slechts bij dag opgenomen,
en zoudt ook gaarne weten, hoe zij er bij lamplicht uitzien."
»Gij slaat den spijker op den kop!" antwoordde Zopyrus, die moeite
deed, om een ernstig gezicht te zetten. »In dit opzicht ben ik als
Darius zeer begeerig naar kennis."
»Dan wenschen wij u veel genoegen bij de drie zusters!"
»Liever niet;--slechts bij Stephanion, de jongste!"
Toen Bartja, Darius en Theopompus het huis van Rhodopis verlieten,
brak de morgen reeds aan. Syloson, een aanzienlijk Helleen, een broeder
van Polycrates, door wien hij uit zijn vaderland gebannen was, had
ook den avond bij Rhodopis doorgebracht en keerde nu met Theopompus en
zijne gasten terug naar Naucratis, waar hij sedert jaren woonde. Deze
man, dien zijn broeder wel in ballingschap deed leven, maar het hem
evenwel nooit aan geld liet ontbreken, voerde den schitterendsten
staat van alle burgers van Naucratis, en was evenzeer beroemd om zijne
kwistige maaltijden, als om zijne kracht en behendigheid. Buitendien
onderscheidde Syloson zich door schoonheid en prachtige kleeding. Alle
jongelingen van Naucratis rekenden het zich tot eene eer, de snede
en de schikking der plooien van zijn gewaad na te volgen. Ongehuwd
zijnde en zonder bezigheden, bracht hij dikwerf den avond in het
huis van Rhodopis door, die hem onder hare beste vrienden telde,
en hem dan ook in het geheim harer kleindochter had ingewijd.
Op dien avond was men overeengekomen, dat het huwelijk binnen vier
dagen, in alle stilte en heimelijk, zou worden voltrokken. Reeds had
Bartja den kweeappel met zijne geliefde, die op denzelfden dag Zeus,
Hera en de overige beschermgoden van het huwelijk hare offers gebracht
had, gegeten en zich door deze zinnebeeldige handeling plechtig met
haar verloofd [390]. Syloson had op zich genomen, voor de zangers van
het huwelijkslied en voor de fakkeldragers te zorgen. De feestmaaltijd
zou in het huis van Theopompus, als dat van den bruidegom, worden
aangericht. De kostbare bruidsgeschenken van den koningszoon waren
reeds aan Rhodopis ter hand gesteld. Bartja had het vrij aanzienlijk
erfdeel zijner geliefde van de hand gewezen en op hare grootmoeder
overgedragen, die echter bepaald geweigerd had zich dit te laten
welgevallen. Syloson geleidde de vrienden tot aan het huis van
Theopompus, en wilde juist afscheid van hen nemen, toen men, in de
stilte van den nacht, een geweldig straatrumoer vernam. Kort daarop
kwam er eene Egyptische patrouille voorbij, die een zwaar geboeid man
naar de gevangenis bracht. De gevangene scheen zeer boos te zijn,
en werd hoe langer zoo driftiger, naarmate de soldaten minder acht
sloegen op zijn gebroken Grieksch, en zijn vloeken in eene hun geheel
onbekende taal.
Nauw hadden Bartja en Darius de stem van den gebondene gehoord, of
zij snelden op hem toe, en herkenden Zopyrus. Syloson en Theopompus
hielden de patrouille staande en vroegen den aanvoerder, wat hun
gevangene misdaan had. De beambte, die, als ieder kind te Naucratis,
den Milesiër en den broeder van Polycrates kende, maakte eene diepe
buiging, en vertelde, dat de vreemde jongeling een moord begaan had.
Theopompus nam nu den hoofdman ter zijde, en beloofde hem veel geld,
als hij den gevangene wilde loslaten, doch kon van den Egyptenaar
niets meer gedaan krijgen, dan dat hij hem toestond met zijn gast
even te spreken.
Toen de vrienden bij Zopyrus stonden, verzochten zij hem hun spoedig te
verhalen, wat er voorgevallen was, en vernamen dat hun levenslustige
vriend, bij het aanbreken van den nacht, de bloemenmeisjes bezocht
had, tot aan de eerste ochtendschemering bij Stephanion gebleven en
toen de straat opgegaan was. Nauwelijks had hij de huisdeur achter
zich gesloten, of hij werd door onderscheidene jongelieden, die hem
allerwaarschijnlijkst bespied hadden, aangevallen. Met een hunner,
die zich Stephanion's bruidegom noemde, had hij het 's morgens reeds
aan den stok gehad. De deerne had den lastigen vrijer op vrij snibbige
wijze den rug toegekeerd en Zopyrus bedankt, toen deze den indringer
met klappen dreigde. Toen de Achaemenide zag, dat hij geheel omsingeld
was, trok hij aanstonds zijn zwaard, en sloeg de slechts met stokken
gewapende aanvallers zonder moeite terug, doch had daarbij het ongeluk,
den jaloerschen vrijer, die vrij woest op hem indrong zoo zwaar te
wonden, dat hij nederstortte. Intusschen was de patrouille genaderd,
en wilde Zopyrus, op het roepen van den gewonde: »moordenaars,
roovers!" in hechtenis nemen. Doch de Pers was niet genegen, tot
zoo geringen prijs zijne vrijheid te verkoopen. Door het gevaar
waarin hij zich bevond nog meer aangevuurd, vloog de strijdlustige
jongeling met opgeheven zwaard op de soldaten los, en had zich reeds
ruim baan gemaakt, toen eene tweede bende toesnelde, en hem met de
eerste vereenigd opnieuw aangreep. Wederom zwaaide hij zijn wapen,
dat ditmaal een Egyptenaar den schedel in tweeën spleet. Een tweede
houw wondde een soldaat in den arm. Toen hij echter een derden houw
wilde doen, voelde hij plotseling, dat men een strik om zijn hals
slingerde, die hoe langer zoo vaster aangetrokken werd. Opeens kon
hij geen adem meer halen en verloor zijn bewustzijn. Toen hij weder
bijkwam, was hij gekneveld, en moest, in spijt van zijn pas en zijn
beroep op Theopompus de bende volgen.
Nadat hij zijn verhaal geëindigd had, gaf de Milesiër den jongeling
op de ondubbelzinnigste wijze zijne ontevredenheid te kennen, hem
verzekerende, dat zijn ontijdige strijdlust de treurigste gevolgen
na zich zou kunnen sleepen. Daarop wendde hij zich nogmaals tot den
hoofdman, en bad dezen zijn vriend op vrije voeten te stellen. Hij
zou voor den gevangene borg blijven. Doch de man wees alle aanzoeken
koel maar stellig van de hand, en verzekerde dat hij zijn eigen leven
zou verspelen met den moordenaar de geringste gunst toe te staan. In
Egypte toch bestond eene wet, die ook den heler van een moord met de
doodstraf bedreigde [391]. Hij moest, zoo verzekerde de aanvoerder,
den misdadiger op staanden voet naar Saïs brengen, en daar aan den
nomarch overleveren, die zijn vonnis zou vellen.
»Hij heeft," hiermede eindigde hij, »een Egyptenaar vermoord, en moet
daarom door een Egyptische rechtbank gevonnist worden. In ieder ander
geval ben ik tot uw dienst."
Intusschen had Zopyrus met zijne beide vrienden gesproken, en hen
aangemaand niet bezorgd voor hem te zijn. »Ik zweer u, bij Mithra,"
riep hij, toen Bartja hem te kennen gaf dadelijk er voor uit te willen
komen wie hij was, ten einde zijne vrijheid te verkrijgen, »dat ik mij,
zonder er een oogenblik over te denken, mijn zwaard in het hart stoot,
wanneer gij u om mijnentwille in de handen dezer Egyptische honden
overlevert. Reeds is het gerucht van den aanstaanden krijg door
de geheele stad verspreid; zoodra Psamtik verneemt, welke kostbare
vogels in zijn net zitten, zal hij zich niet lang bezinnen, maar het
spoedig dichttrekken, om u als gijzelaars te behouden. Aoeramazda
schenke u heil en zegen en reinheid! Leeft gelukkig, vrienden, en
denkt menigmaal aan den lustigen Zopyrus, die voor strijd en liefde
geleefd heeft, en voor liefde en strijd in den dood gaat!"
De hoofdman had zich intusschen weder aan het hoofd der bende gesteld,
en zijnen lieden bevel tot oprukken gegeven.
Eenige oogenblikken later was Zopyrus uit het gezicht der hem
nastarende vrienden verdwenen.