Zes weken na de beschrevene gebeurtenissen naderde eene kleine
ruiterschaar in draf de poorten van Sardes. De paarden en hunne
berijders waren zeer bezweet en met stof overdekt. De eersten,
wier instinct hun de nabijheid van stal en kribbe deed vermoeden,
spanden hunne laatste krachten in, doch schenen voor het ongeduld
der twee mannen, die in Perzische hofkleeding aan het hoofd van den
troep reden, nog veel te weinig spoed te maken.
De goed onderhoudene koningsweg, die over het eerste terras van
het Tmolus-gebergte nu eens rees, dan weder daalde, liep door
vruchtbaar bouwland van zwarte aarde, en door bosschen van allerlei
boomen. Olijven, citroenen, platanen, moerbeziën en wijngaarden
bedekten den voet der hoogten, terwijl hooger op de pijn-, cypresse-
en noteboomwouden groeiden. Aan den rand der akkers stonden vijge-
en granaatstruiken met vruchten beladen. In het gras der weiden en in
het lommer der bosschen bloeiden veelkleurige en geurige bloemen. Nu
en dan trof men bronnen aan ter zijde van den weg, zorgvuldig door
muren afgesloten; en daarnaast waren onder schaduwrijke struikgewassen
banken aangebracht, die de reizigers gelegenheid gaven om een wijle
te rusten. De weg liep over bergspleten en beken, die tengevolge der
zomerhitte half uitgedroogd waren. Op belommerde vochtige plaatsen
bloeide de laurierroos, terwijl daar, waar de zon het sterkst brandde,
slanke palmen met hunne sierlijke kronen wuifden. Een donkerblauwe,
volkomen wolkenlooze hemel welfde zich over dit rijke landschap, dat
zuidwaarts de besneeuwde toppen van het Tmolus-gebergte, ten westen
de blauwachtig schemerende Sipylus-bergen tot gezichteinder had.
Thans voerde de weg door een boschje van berken, om welks stammen
zich, met een overvloed van druiven beladene wijnranken tot hoog in
de toppen slingerden, nederwaarts in een dal. Bij eene kromming,
van waar men een heerlijk vergezicht had, hielden de ruiters
stil. Vóor hen lag de hoofdstad van het voormalige Lydische
rijk, eens de residentie van Cresus, het gouden Sardes, in het
wijdvermaarde Hermusdal. Eene donkere steile rots stak hoog uit boven
de eenvoudige rieten daken van de tallooze huizen der stad. Op haar
top zag men reeds van verre een majestueus gebouw, uit wit marmer
opgetrokken. Het was de burcht, om welks driedubbele muren koning
Meles, vele eeuwen geleden, een leeuw had rondgedragen, opdat ze
onneembaar zouden zijn. De zuidelijke helling van den slotberg
was minder steil, en met huizen bebouwd. Noordwaarts van deze rots
verrees, op den oever van den stofgoud met zich voerenden Pactolus,
het voormalig paleis van Cresus. Aan gene zijde van het marktplein,
dat de van verrukking opgetogene reizigers als eene onbegroeide plek
te midden eener bloeiende weide voorkwam, ruischte de rosse stroom,
die zich westwaarts in een smal bergdal stortte, om daar den voet
van den grooten tempel van Cybele [354] te bespoelen. Oostwaarts
strekten zich groote tuinen uit, door welker geboomte men hier en
daar het kristalheldere Gygaeische meer zag glinsteren. Bont geverfde
speelvaartuigen, waarachter een tal van sneeuwwitte zwanen met hunne
lange halzen de diepte schenen te peilen, bedekten de oppervlakte
van het meer. Op omtrent een kwartier afstand van het water verhieven
zich talrijke, door menschenhanden opgeworpene heuvels, van welke drie
vooral door hunne aanmerkelijke grootte en hoogte de aandacht trokken
[355].
»Wat beduiden die vreemdsoortige aardhoogten?" vroeg Darius, de
aanvoerder van deze schaar, aan Prexaspes, den gezant van Cambyzes
die naast hem reed.
»Dat zijn de graven van de oude koningen van Lydië," was het
antwoord. »De grootste heuvel, links, niet de middelste, die ter
eere van een vorstelijk echtpaar, namelijk Panthea en Abradat, werd
opgeworpen, is het gedenkteeken dat men voor Alyattes, den vader van
Cresus, opgericht heeft. De koop- en handwerkslieden en de maagden van
Sardes hebben dat uit liefde voor hun overledenen koning gesticht. Aan
de vijf zuilen op den top kan men lezen, hoeveel arbeids iedere
afdeeling van het volk aan dezen berg heeft verricht. De meisjes
hebben den grootsten ijver aan den dag gelegd. De grootvader van
Gyges moet een bijzonder vriend van het schoone geslacht geweest zijn."
»Dan is de kleinzoon wel een tegenhanger van zijn grootvader!"
»Hetgeen te vreemder is, omdat ook Cresus in zijne jeugd volstrekt
geen vijand van het vrouwelijk geslacht is geweest, en de Lydiërs
in den regel voor het mingenot geboren schijnen te zijn. Ginder in
het Pactolus-dal, nabij de groote goudwasscherij, staat de tempel
der godin van Sardes, Cybele of Ma geheeten. Gij kunt de witte muren
zien door de openingen van het bosch, dat hem omgeeft. Daar is menig
lommerrijk plekje waar zich de jonge lieden van Sardes, ter eere der
godin, gelijk zij zeggen, minnend en koozend vereenigen."
»Even als te Babylon, op het feest van Mylitta."
»Op de kusten van Cyprus bestaat dezelfde gewoonte. Toen ik op
mijne terugreis uit Egypte daar landde, werd ik door eene schaar
der schoonste maagden met liefelijk gezang ontvangen. Al dansende
onder den klank van cymbalen voerden ze mij naar het bosch van hare
godin. Daar moest ik eenige goudstukken nederleggen, en werd toen
door het bekoorlijkste meisje, dat gij u kunt voorstellen, in een
purperen tent geleid, die van de heerlijkste geuren vervuld en waar
ons een bed van roze- en leliebladeren gespreid was."
»Zopyrus zal zich dan de krankheid van Bartja wel niet te sterk
aantrekken."
»En zeker meer tijd in het bosch van Cybele, dan aan de zijde van den
lijder doorbrengen. Het verheugt mij, den opgeruimden jongen weldra
te zullen wederzien."
»Hij zal die vlagen van neerslachtigheid, waarin gij sedert den
laatsten tijd zoo dikwijls vervalt, wel voorgoed verdrijven!"
»Ik zal al mijne krachten inspannen ze voortaan te onderdrukken,
ofschoon die sombere stemmingen, welke gij met alle recht afkeurt,
hare oorzaak hebben. Cresus zegt, dat men slechts dan kwalijk geluimd
is, als men te traag of te machteloos is, om te worstelen met de
omstandigheden. Onze vriend heeft gelijk en men zal Darius noch
van zwakheid, noch van traagheid kunnen beschuldigen. Kan ik ook de
wereld niet beheerschen, dan wil ik toch voor het minst meester van
mij zelven zijn!"
Dit zeggende, richtte zich de schoone jongeling hoog in den zadel
op. Zijn geleider zag hem met verbazing aan, en riep: »Waarlijk,
zoon van Hystaspes, ik geloof, dat gij tot groote dingen bestemd
zijt. Niet zonder doel hebben de goden hun lieveling Cyrus, toen gij
nog een knaap waart, dien droom ingegeven, die oorzaak was dat hij
u door uw vader deed opsluiten."
»En toch heb ik nog geene vleugels gekregen."
»Uw lichaam niet, maar wel uw geest. Jongeling, jongeling, gij zijt
op een gevaarlijken weg!"
»Heeft de gevleugelde dan voor een afgrond te vreezen?"
»Als zijne krachten hem begeven, ja!"
»Maar ik ben sterk!"
»Doch sterkeren zullen beproeven uwe vleugels te verlammen!"
»Laat hen begaan! Ik weet, dat ik slechts wil wat goed is, en vertrouw
op mijn gesternte."
»Weet gij ook hoe de naam van dat gesternte is?"
»Anahita [356] is de naam der ster, waaronder ik geboren ben."
»Ik geloof haar beter te kennen. Brandende eerzucht heet de zon, wier
stralen uwe handelingen besturen. Neem u in acht, jongeling! Ook ik
heb het pad bewandeld, dat òf tot roem òf tot schande, maar slechts
zelden tot waar geluk voert. De eergierige gelijkt een dorstige, die
zoutwater drinkt. Hoe meer roem hij oogst, hoe dorstiger hij wordt
naar eer en grootheid! Van gemeen krijger ben ik gezant van Cambyzes
geworden; maar wat blijft u nog na te jagen overig, gij, die thans
reeds na den koning de grootste in geheel Perzië zijt?.... Maar,
bedriegen mijne oogen mij niet, dan rijden Zopyrus en Gyges aan
de spits der ruiterschaar, die ons van de zijde der stad te gemoet
komt. De angaar, die vóor ons de herberg verliet, heeft zeker gezegd
dat wij in aantocht waren."
»Ja, zij zijn het!"
»Waarlijk! Zie maar, hoe Zopyrus met het palmblad, dat hij zoo even
afbrak, zwaait en wuift!"
»Jongens, snijdt ons spoedig een paar takken van dezen struik!--Zoo
is het goed! Laat ons nu met purpere granaatbloesems de groene palmen
beantwoorden!"
Weinige oogenblikken later omarmden Prexaspes en Darius hunne
vrienden. Daarop trokken de vereende ruiterbenden door de tuinen,
die het Gygaeische meer omgaven, en de voornaamste uitspanningsplaats
der bewoners van Sardes uitmaakten, de volkrijke stad binnen. De
zon neigde juist ten ondergang, en een frisch koeltje begon te
waaien. De burgers der stad stroomden de poorten uit, om zich in de
buitenlucht te gaan vermeien. Lydische krijgers met rijk versierde
helmen, en Perzische soldaten met cylindervormige tulbanden, liepen de
geblankette en bekranste deernen achterna. Dienstmeisjes brachten de
aan hare zorg toevertrouwde kinderen naar het meer, om hen de zwanen
te laten voederen. Onder een plataanboom zat een blinde grijze zanger,
die voor een vrij talrijk gehoor zijne weemoedige liederen met den
magadis, of twintig-snarige Lydische luit, begeleidde. Een groot aantal
knapen vermaakten zich met dobbelsteenen of met het kegelspel [357];
half volwassene meisjes stonden naar deze spelen te kijken, en gilden
somwijlen van schrik, als eene harer door den met kracht geworpen
bal werd getroffen, of deze bij ongeluk in het meer te recht kwam.
De zoo even aangekomene Perzen sloegen nauwelijks acht op dit
bonte tooneel, dat onder gewone omstandigheden in hooge mate hunne
belangstelling zou hebben gewekt. Nu echter wijdden zij hunne gansche
aandacht aan hunne vrienden, die hun veel van Bartja verhaalden,
en hoe hij de ernstige ziekte gelukkig te boven was gekomen.
Aan de metalen poort van het paleis, dat Cresus vroeger bewoond had,
kwam hun de satraap van Sardes, Oroetes, te gemoet. Het was een deftig
man, die voor deze gelegenheid zijne, met kostbare versierselen
overladene hofkleeding had aangetrokken. Zijne kleine zwarte oogen
schenen, van onder een paar borstelige ineengegroeide wenkbrauwen,
met hun doordringend scherpen blik, de gedachte van alle menschen te
willen raden. De provincie, die door hem bestuurd werd, was eene der
belangrijkste en rijkste. Zijne hofhouding streefde die van Cambyzes
in glans en rijkdom op zijde, schoon zijne dienaren en vrouwen veel
minder in aantal waren, dan die van den koning. Toch werden de ruiters
aan de poort door eene groote schaar van lijfwachten, slaven, eunuchen
en sierlijk uitgedoste ambtenaren afgewacht.
Het paleis, dat nog altijd prachtig mocht worden genoemd, was ten tijde
dat Cresus het bewoonde, de heerlijkste aller vorstenwoningen. Na de
inname van Sardes hadden echter de Perzische veroveraars het grootste
gedeelte der rijkdommen van den onttroonden koning naar de schatkamers
van Cyrus te Pasargadae overgebracht, en waren de schoonste kunstwerken
door ruwe handen vernietigd geworden. Toen die schrikkelijke dagen
voorbij waren, hadden de Lydiërs menigen verborgen schat weder te
voorschijn gehaald, en zich gedurende eenige jaren van vrede, onder
de regeering van Cyrus en Cambyzes, door kunstvlijt en werkzaamheid
zoover hersteld, dat Sardes thans wederom onder de rijkste steden van
Klein-Azië, ja, van de gansche wereld mocht gerekend worden. Schoon
Darius en Prexaspes aan de pracht eener koninklijke hofhouding
gewoon waren, verwonderden zij zich niettemin over de schoonheid en
den luister van het paleis van den satraap. Vooral troffen hen de
kunstwerken van marmer, zooals men er noch te Babylon, noch te Suza,
noch te Ekbatana vond [358]. Gebakken tegels en cederhout moesten
daar de plaats van deze kostbare steensoort vervullen.
In de groote zaal vonden de vrienden Bartja, die er bleek uitzag, en
van de matras waarop hij lag de armen naar hen uitstrekte. Nadat de
hereenigde vrienden aan de tafel van den satraap den maaltijd hadden
gebruikt, begaven zij zich naar het vertrek van den herstellende,
ten einde ongestoord te kunnen spreken.
Toen zij zich daar hadden neergezet, riep Darius Bartja toe: »Thans
moet ge mij allereerst vertellen, hoe gij aan deze ongelukkige ziekte
zijt gekomen."
»Zoo gezond, als wij maar wenschen konden," begon de koningszoon,
»reisden wij, gelijk gij weet, van Babylon af, en bereikten
zonder eenige stoornis Germa, een klein stadje, aan den Sangarius
gelegen. Vermoeid van den forschen rit, verbrandt door de zon van
Chordât [359], en ontoonbaar door het stof dat op ons kleefde, sprongen
wij van onze paarden, ontdeden ons van onze kleederen, en wierpen
ons in den vloed, die voorbij de herberg stroomde, en wiens heldere
golven ons tot een bad schenen uit te noodigen. Gyges berispte ons om
onze onvoorzichtigheid; wij echter bouwden op onze geharde lichamen,
sloegen zijne vermaningen in den wind, en zwommen vroolijk in de
groene golfjes rond. Kalm en rustig als altijd liet Gyges ons begaan,
ontkleedde zich, nadat wij reeds met baden gedaan hadden, en ging toen
op zijne beurt te water. Twee uren later zaten wij weer in den zadel,
joegen als gold het dood of leven op de heirbaan voort, wisselden
bij iedere pleisterplaats van paarden, en maakten den nacht tot dag.
»In de nabijheid van Ipsus kreeg ik hevige pijn in het hoofd en
door al mijne leden. Maar ik schaamde mij te bekennen, dat ik mij
niet wel gevoelde, en hield mij goed, totdat wij te Bagis versche
paarden moesten bestijgen. Toen ik mij in den zadel wilde werpen,
begaven mij mijne krachten en mijn bewustzijn, en viel ik neder."
»Of wij ook schrikten, toen gij inéenzaktet," viel Zopyrus den spreker
in de rede. »En het was een zegen dat Gyges bij mij was. Ik had geen
raad geweten. Hij behield echter zijne volle tegenwoordigheid van
geest en handelde, na aan zijne boosheid lucht te hebben gegeven in
woorden, die voor ons juist niet zeer vleiend waren, als een omzichtig
veldheer. Die ezel van een geneesheer, die aanstonds kwam aanloopen,
zwoer bij hoog en laag, dat Bartja reddeloos verloren was, voor welk
bewijs van doorzicht ik hem een pak slaag heb gegeven."
»Dat hij zich gaarne getroostte," lachte de satraap, »daar gij bevel
gaaft, op iedere striem een goudstater te leggen."
»Ja, mijn lust om klappen uit te deelen heeft me reeds veel geld
gekost. Doch ter zake. Nauwelijks had Bartja de oogen weder geopend,
of Gyges droeg mij op naar Sardes te rijden, om een bekwamen geneesheer
en een gemakkelijken reiswagen te halen. Dien rit doet geen mensch
mij na! Een uur voor dat ik hier aankwam, stortte mijn derde paard
van vermoeidheid neder. Nu liep ik wat ik maar loopen kon op de poort
aan. De wandelaars moeten allen wel gedacht hebben, dat het mij in
de hersenen scheelde. Den eersten ruiter den besten, een koopman uit
Celaenae [360], rukte ik zonder een woord te spreken van zijn paard,
sprong er zelf op, en voordat een nieuwe dag was aangebroken, was ik
met den besten Sardischen arts en den voortreffelijksten reiswagen
van Oroetes bij onzen zieke terug, dien wij, zoo langzaam mogelijk
rijdende, naar dit paleis brachten, waar hij door eene kwaadaardige
koorts werd aangetast. Hij kraamde alle dwaasheden uit, die in een
menschenhoofd kunnen opkomen, en joeg ons zulk een angst aan, dat mij,
als ik aan die dagen denk, nog telkens het angstzweet uitbreekt."
Bartja greep de hand van zijn vriend en zeide, zich tot Darius
wendende: »Hem en Gyges dank ik mijn leven. Zij hebben mij, tot op
het oogenblik dat zij ulieden te gemoet reden, geene minuut verlaten,
en mij verpleegd, gelijk eene moeder haar ziek kind. Ook aan uwe
goedheid, Oroetes, ben ik veel verplicht, en dubbel, wijl gij er u
zelven onaangenaamheden door hebt berokkend."
»Hoe was dat mogelijk?" vroeg Darius.
»Die Polycrates van Samos, wiens naam in Egypte zoo dikwerf genoemd
werd, heeft den beroemdsten geneesheer, op welken Griekenland ooit
trotsch mocht wezen, aan zich verbonden. Oroetes schrijft terstond,
nadat ik ziek in zijn huis ben gekomen, aan Democedes [361] en
verzoekt hem, onder de schoonste beloften, dadelijk naar Sardes te
reizen. Samische zeeroovers, die de geheele Ionische kust onveilig
maken, vangen den bode op, en brengen den brief van Oroetes aan hun
heer Polycrates over. Deze opent hem en zendt den afgezant naar hier
terug met de boodschap, dat Democedes in zijn dienst is. Als Oroetes
[362] hem noodig had, kon hij zich tot Polycrates zelven wenden. Onze
edele vriend vernederde zich om mijnentwille, en verzocht den Samiër
zijn geneesheer naar Sardes te zenden."
»En Polycrates?" vroeg Prexaspes.
»De hoogmoedige tyran van het eiland zond oogenblikkelijk den bekwamen
arts, die mij, zooals gij ziet, geheel genezen heeft, en eerst voor
weinige dagen met rijke geschenken Sardes verliet."
»Overigens," viel Zopyrus zijn vriend in de rede, »kan ik zeer goed
begrijpen, waarom de Samiër niet lichtvaardig afstand doet van zijn
lijfarts. Ik verzeker u Darius, die man heeft zijn gelijke niet! Hij
is schoon als Minutscher, verstandig als Piran Wisa, sterk als Rustem
[363] en dienstvaardig als het heilige Soma [364]. Gij hadt eens
moeten zien, hoe hij metalen schijven, die hij discus noemde, wist
te slingeren! Ik ben geen kind als 't op worstelen aankomt, maar wij
waren geen minuut aan den gang, of ik lag reeds op den grond. En dan
kan hij geschiedenissen verhalen, dat den toehoorders er het hart in
't lijf van opspringt."
»Wij hebben een diergelijk man leeren kennen," zeide Darius, lachende
om de geestdrift van zijn vriend, »namelijk Phanes, den Athener,
die gekomen is om onze onschuld te bewijzen."
»Democedes, de geneesheer, is uit Kroton, 't welk dicht bij de plek
moet liggen, waar de zon ondergaat."
»Maar," liet Oroetes er op volgen, »dat evenals Athene door Hellenen
bewoond wordt. Weest op uwe hoede voor deze menschen, mijne jonge
vrienden, want ze zijn even listig, bedrieglijk en zelfzuchtig,
als sterk, verstandig en schoon."
»Democedes is edel en waarheidlievend!" riep Zopyrus.
»En Phanes," verzekerde Darius, »wordt zelfs door Cresus voor even
deugdzaam als dapper gehouden."
»Ook Sappho," bevestigde Bartja, »heeft van den Athener niets dan goeds
getuigd, maar zwijgen wij van de Hellenen. Oroetes is hun vriend niet,
wijl zij hem door hunne weêrspannigheid de handen vol werk geven."
»Dat weten de goden!" zuchtte de satraap. »Eéne Grieksche stad is
moeielijker in toom te houden, dan alle landen tusschen den Euphraat
en den Tigris."
Terwijl de satraap sprak, was Zopyrus eens naar het venster gegaan
om uit te zien. Thans viel hij den spreker in de rede met te zeggen:
»De sterren staan reeds zeer hoog, en Bartja heeft rust noodig;
haast u daarom Darius, en verhaal ons wat van huis!"
De zoon van Hystaspes knikte toestemmend, en deed nu omstandig verslag
van de voorvallen, die wij reeds hebben bijgewoond. Het uiteinde
van Nitetis vond vooral bij Bartja oprechte deelneming, terwijl het
ontdekte bedrog van Amasis allen met verbazing en onrust vervulde.
»Nadat de eigenlijke afkomst der overledene onwederlegbaar bewezen
was," vervolgde de verhaler, na eene korte pauze, »scheen Cambyzes een
ander mensch te zijn geworden. Hij riep ons allen samen tot het houden
van krijgsraad, en had aan tafel, in plaats van rouwkleederen, voor
het eerst weder zijn koninklijk gewaad aan. Gij kunt u voorstellen,
met welk een gejuich het vooruitzicht op een oorlog met Egypte
begroet werd. Zelfs Cresus, die anders Amasis niet ongenegen is, en
gewoonlijk voor den vrede stemt, had ditmaal niets hiertegen in te
brengen. Den volgenden morgen werd, gelijk dit gewoonlijk geschiedt,
nogmaals overwogen, wat in den roes besloten was. Nadat velen hunne
zienswijze hadden doen kennen, verzocht ook Phanes het woord te mogen
hebben. Hij sprak wel een uur achtereen. Maar welk een taal! Het was
alsof de goden hem woord voor woord in den mond hadden gelegd. Onze
taal, die hij zich in ongelooflijk korten tijd eigen heeft gemaakt,
vloeide als honig van zijne lippen, en perste het eene oogenblik
ons allen heete tranen uit de oogen, om ons het volgende in een
stormachtig gejuich of in woeste kreten van verontwaardiging te doen
losbarsten. Iedere beweging zijner handen was bevallig als het wenken
eener danseres, en toch mannelijk en vol waardigheid.
»Ik ben niet in staat zijne rede weder te geven, want mijne woorden
zouden bij de zijne klinken, als tromgeroffel bij donderslagen. En
toen wij eindelijk, door onze geestdrift weggesleept, eenstemmig
tot den krijg besloten, nam Phanes nog eenmaal het woord, en deed de
middelen en wegen aan de hand, om op de gemakkelijkste wijze de zege
te behalen."
Darius kon niet voortgaan, want Zopyrus was, onder luid gejuich,
hem om den hals gevallen. Ook Bartja, Gyges en de satraap Oroetes
verheugden zich van harte over zijne mededeeling, en drongen bij den
verhaler aan, om hun het einde te doen kennen.
»In de maand Farwardin [365]," begon de jongeling opnieuw, »moeten
onze legers aan de grenzen van Egypte staan, wijl in Murdâd [366] de
Nijl buiten zijne oevers treedt, en den marsch van het voetvolk zeer
zou bemoeilijken. De Helleen Phanes is thans op weg naar de Arabieren,
om een verbond met hen te sluiten. De zonen der woestijn moeten ons in
hun dor en onherbergzaam land van water en van gidsen voorzien. Verder
wil hij het rijke Cyprus, dat hij eens voor Amasis veroverde, in onze
hand stellen. De koningen van dit eiland hebben, op zijne voorspraak,
hunne kronen behouden, en zullen aan zijne raadgevingen onmiddellijk
gehoor geven. De Athener zorgt voor alles, en kent overal den weg,
als kon hij gelijk de Zon de geheele aarde overzien. Hij toonde ons
ook eene afbeelding van al de landen, op eene koperen tafel."
Oroetes gaf over alles zijne goedkeuring te kennen, en zeide: »Ook
ik bezit zulk eene afbeelding van de wereld. Een Milesiër, Hecataeus
[367] genaamd, die voortdurend reizen doet, heeft deze geteekend,
en mij voor een pas ten geschenke gegeven."
»Die Hellenen bedenken van alles!" riep Zopyrus, die zich niet het
flauwste denkbeeld kon maken van zulk eene voorstelling van de aarde.
»Ik zal u morgen mijne tafel laten zien," zeide Oroetes; »thans echter
moeten wij Darius niet meer in de rede vallen.'"
»Phanes trok dus naar Arabië," vervolgde de verslaggever, »terwijl
Prexaspes afreisde, om u, Oroetes, niet slechts te bevelen zoovele
soldaten als mogelijk is,--vooral Ioniërs en Kariërs, over wie het
bevel aan den Athener zal worden opgedragen,--bijeen te brengen,
maar ook om Polycrates een verbond met ons voor te slaan."
»Een verbond met hem, met den zeeroover?" vroeg Oroetes, wiens gelaat
merkbaar betrok.
»Met denzelfden," antwoordde Prexaspes, zich houdende, als ware hem
de trek van onwil op het aangezicht van den satraap ontgaan. »Phanes
heeft van den man, die over zoovele voortreffelijke schepen te bevelen
heeft, reeds toezeggingen gekregen, zoodat wij ons van den gunstigen
uitslag uwer zending verzekerd kunnen houden."
»De Phoenicische, Syrische en Ionische oorlogsschepen," hernam de
stadhouder, »zullen meer dan voldoende zijn, om de Egyptische vloot
te overwinnen."
»Daarin hebt gij volkomen gelijk. Maar indien Polycrates zich
tegen ons verklaarde, dan zouden wij ons bezwaarlijk ter zee kunnen
handhaven. Uit uw eigen mond toch hebben wij gehoord, dat hij in de
Aegaeische zee den schepter voert."
»Desniettemin keur ik een verbond met den zeeschuimer ten sterkste af!"
»Vóor alle dingen zoeken wij goede bondgenooten, en de zeemacht
van Polycrates boezemt ons ontzag in. Eerst wanneer wij met zijne
hulp Egypte veroverd hebben, dan komt de tijd, om zijn overmoed te
fnuiken. Maar wat ook verder van de zaak zij, ik moet u verzoeken allen
persoonlijken wrok ter zijde te stellen, en slechts op het welslagen
van het groote ontwerp bedacht te zijn. Deze woorden spreek ik in den
naam des konings, wiens ring ik draag, en verplicht ben u te toonen."
Oroetes boog zich zwijgend voor dit teeken van het vorstelijk gezag,
en vroeg: »Wat verlangt Cambyzes van mij?"
»Hij beveelt u, alle mogelijke pogingen in het werk te stellen, om
een verbond met den Samiër tot stand te brengen, en verder, dat gij
uwe troepen hoe eer hoe liever naar het hoofdleger in de Babylonische
vlakte laat oprukken."
De satraap boog, en verliet in trotsche houding het vertrek.
Zoodra men het geluid zijner schreden in de zuilengang van het
binnenhof hoorde, sprak Zopyrus: »De arme man! Het is bijster hard
voor hem, den overmoedige, die zich zoo menige beleediging jegens
hem veroorloofde, met zulk eene boodschap aan boord te komen. Denk
slechts aan de geschiedenis met den arts!"
»Gij zijt al te toegevend," hernam Darius, zijn vriend in de rede
vallende. »Deze Oroetes bevalt mij niet! Zóo mag men een bevel des
konings niet opnemen. Zaagt gij niet, dat hij zijne lippen aan bloed
beet, toen Prexaspes hem den zegelring van onzen vorst toonde?"
»In dezen man woont een hoogmoedig hart," voegde de gezant er bij. »Hij
verliet ons zoo spoedig, omdat hij zijn toorn niet langer meester was."
»Toch moet ik u verzoeken," zeide Bartja, »het gedrag van den
satraap, wien ik grooten dank verschuldigd ben, voor mijn broeder
te verzwijgen."
Prexaspes boog even, doch Darius hernam: »In ieder geval moet men dezen
man in het oog houden. Juist te dezer plaatse zoover van 's konings
poorten, te midden van vijandige volken, hebben wij stadhouders noodig,
die hun heer gewilliger gehoorzamen, dan Oroetes, die zich schijnt
te verbeelden koning van Lydië te zijn!"
»Zijt gij verstoord op den Satraap?" vroeg Zopyrus.
»Ik geloof ja," luidde het antwoord. »Als ik iemand ontmoet, dan
gevoel ik aanstonds iets, dat mij tot hem trekt, of dat mij een
onverwinnelijken afkeer van dien persoon inboezemt. Deze plotselinge,
onverklaarbare gewaarwording heeft mij nog nooit bedrogen. Oroetes
mishaagde mij reeds, voordat ik nog een woord uit zijn mond had
vernomen. Evenzoo ging het mij met den Egyptenaar Psamtik, terwijl
ik mij door Amasis voelde aangetrokken."
»Gij zijt nu eenmaal geheel anders dan wij!" hernam Zopyrus in
scherts. »Maar doe mij het genoegen, en laat den armen Oroetes
rusten. Het is goed dat hij weg is, want nu kunt gij vrijer van huis
spreken. Hoe maakt het Cassandane en uwe godin Atossa? Hoe is het met
Cresus? Wat voeren mijne lieve vrouwtjes uit? Zij zullen binnenkort
eene nieuwe deelgenoote harer vreedzame uitspanningen krijgen, want ik
ben van plan morgen om de hand van het schoone dochterken van Oroetes
te vragen. Met de oogen hebben wij elkaar reeds allerlei lieve dingen
verteld. Ik weet niet, of de hare Perzisch of Syrisch spraken; maar
wij begrepen elkander toch volkomen."
De vrienden lachten, en Darius riep, weder in de algemeene vroolijkheid
deelende: »En nu zult gij eene blijde boodschap vernemen, die ik
eigenlijk, als het beste, tot nagerecht bewaard heb. Hé! Bartja,
spits de ooren, vriend! Uwe moeder, de edele Cassandane, heeft het
gezicht teruggekregen!--Ja, ja, het is de zuivere waarheid!--Wie haar
genezen heeft?--Wie anders dan die Egyptische knorrepot, die nu zoo
mogelijk nog somberder en gemelijker is dan voorheen. Maar houd u nu
stil en laat mij voortgaan, anders wordt het nog morgen eer Bartja
kan gaan slapen.--Eigenlijk moesten wij u thans aan uw lot overlaten,
want het beste weet gij, en gij kunt daarvan dus droomen.--Gij wilt
niet? Dan moet ik in Mithra's naam maar verder verhalen, al bloedt
mijn hart er ook bij.
»Laat mij met den koning beginnen!--Zoolang Phanes te Babylon was,
scheen hij zijne smart over het verlies der Egyptische niet te
gevoelen. De Athener mocht geen oogenblik zijne zijde verlaten. Deze
twee waren evenmin van elkaar te scheiden als Reksch en Rustem
[368]. In dit gezelschap had Cambyzes geen tijd om te treuren,
want de Helleen had ieder oogenblik nieuwe invallen, en hield niet
slechts den koning, maar ons allen op eene bewonderenswaardige
wijze bezig. Daarbij waren allen met hem ingenomen; ik geloof,
omdat niemand hem recht benijden kan. Zoodra hij toch alleen was,
welden er tranen in zijne oogen, bij de gedachte aan zijn vermoorden
lieveling. Daarom was zijne opgeruimdheid, die hij, beste Bartja,
ook in het hart van uw ernstigen broeder wist over te storten,
dubbel bewonderenswaardig.--Iederen morgen reed hij met Cambyzes en
ons allen naar den Euphraat, en vermaakte zich met het gadeslaan
van de oefeningen der jeugdige Achaemeniden. Als hij de knapen
spoorslags de zandheuvels zag voorbijrijden, en de potten die er op
geplaatst waren met pijlen zag doorschieten; als hij aanschouwde
hoe zij elkander met houtblokken wierpen en deze behendig wisten
te ontwijken [369], beleed hij, dat hij hun dit niet zou kunnen
nadoen. Daarentegen verklaarde hij met ons allen in het speerwerpen
en worstelen naar den prijs te willen dingen. Levendig als hij is,
sprong hij aanstonds van zijn paard, trok tot onzer aller ergernis
[370] zijne kleederen uit, en slingerde, tot groot vermaak der knapen,
hun onderwijzer in het worstelen als een veertje in het zand. Dan
liet hij eene menigte pochhanzen, die zich met hem meten wilden,
eene buiteling maken, en mij ware hetzelfde lot beschoren geweest,
als hij zich niet reeds teveel vermoeid had. Toch verzeker ik u, dat
ik sterker ben dan hij, en veel zwaardere blokken kan optillen. Maar
die Athener is onbegrijpelijk vlug en behendig, en slingert zich om
zijn tegenstander als de klimop om een stam. Zijne naaktheid kwam hem
ook goed te stade. Indien het niet onvoegzaam was, moest men eigenlijk
altijd ongekleed worstelen, gelijk de Hellenen, die zich bovendien de
huid met olijfolie inwrijven.--In het speerwerpen overtrof hij allen
evenzeer. Daarentegen vloog de pijl van den koning, die, gelijk wij
weten, trotsch is op den roem van de beste schutter in geheel Perzië te
zijn, veel verder dan de zijne. Hij roemde zeer de bij ons bestaande
gewoonte, dat na den worstelstrijd de overwonnene den overwinnaar de
hand kust. Eindelijk leverde hij een staaltje van eene nieuwe oefening,
het vuistgevecht. Doch de nuttigheid hiervan wilde hij niet toonen
door met een vrije te vechten; daarom liet de koning den grootste en
sterkste van alle slaven, Bessus, mijn stalknecht, komen, die met
zijne reuzenarmen de achterpooten van een paard samendrukt, zoodat
het dier staat te rillen en zich niet kan verroeren. Die geweldige
sladood, die minstens een hoofd langer was dan Phanes, lachte, en
haalde medelijdend de schouders op, toen hij hoorde, dat hij met dezen
vreemdeling een vuistgevecht moest houden. Zeker van zijn zegepraal,
stelde hij zich tegenover den Athener en deed oogenblikkelijk een
onbesuisden slag naar hem, die een olifant zou hebben gedood. Phanes
ontweek dien echter, en bracht op hetzelfde oogenblik den reus met de
bloote vuist zulk een geweldigen slag onder de oogen toe, dat een dikke
bloedstroom uit zijn mond en zijn neus sprong, en de onbehouwen kerel
huilend nederstortte. Toen men hem overeind had geholpen, geleek zijn
aangezicht op eene groenachtig blauwe pompoen. De knapen hadden niet
weinig pret hierover. Wij bewonderden de vlugheid van den Helleen,
en verblijdden ons in de goede stemming van den koning, die nog
duidelijker uitkwam, toen Phanes zijne stem met de luit begeleidde,
en vroolijke Grieksche liederen en dansmelodieën zong.
»Intusschen had Cassandane, door de kunst van den Egyptenaar
Nebenchari, het gezicht teruggekregen, eene gebeurtenis die
natuurlijk veel bijdroeg, om 's konings zwaarmoedigheid te
verdrijven. Wij beleefden goede dagen, en reeds maakte ik plannen
om de hand van Atossa te vragen, toen Phanes naar Arabië vertrok,
en alles een geheel ander aanzien kreeg. Zoodra namelijk de Athener
de poort verlaten had, was het alsof alle booze Diws plotseling in
den koning gevaren waren. Somber en zwijgend ging hij in en uit,
en om zijne zwaarmoedige gedachten te verdrijven, gebruikte hij
reeds in den vroegen morgen kannen vol van den zwaarsten Syrischen
wijn. Des avonds was hij in den regel zoo dronken, dat men hem naar
zijne vertrekken moest dragen, terwijl hij 's morgens met heftige
krampen en hoofdpijnen ontwaakte. Overdag liep hij rond, als zocht
hij iets, en 's nachts hoorde men hem meermalen den naam van Nitetis
uitspreken. De geneesheeren waren zeer bezorgd voor zijne gezondheid,
en gaven hem dranken, die hij echter liet wegwerpen. Cresus had
volkomen gelijk, toen hij op zekeren dag tot de artsen zeide: 'Eer
men iemand wil gaan genezen, gij heeren magiërs en Chaldaeërs,
moet men weten aan te wijzen, welk gedeelte van zijn organisme
lijdt. Kunt gij dat?--Neen? Dan zal ik u zeggen, wat den koning
deert. Hij lijdt inwendig, en heeft eene onzichtbare wonde. Zijn
lijden is verveling, de wonde zit in het hart. Voor het eerste is de
Athener de beste geneesmeester, voor het andere weet ik geen middel,
want de ondervinding leert, dat zulke wonden of van zelve genezen,
of den lijder doen doodbloeden.'
»'Ik weet een geneesmiddel voor den koning!' riep Otanes, toen hij dit
woord van Cresus vernam. 'Wij moeten hem zien te bewegen om de vrouwen,
of althans mijne dochter Phaedime, van Suza terug te ontbieden. De
liefde verstrooit de wolken der zwaarmoedigheid, en doet het bloed
sneller door de aderen stroomen!' Wij deelden alle zijne zienswijze,
en drongen bij hem aan, dat hij onzen vorst aan de in ballingschap
levende vrouwen zou herinneren. Otanes maakte van de gelegenheid,
die de eerste de beste maaltijd hem bood, gebruik, om Cambyzes het
voorstel te doen de vrouwen terug te laten komen, doch werd zoo ruw
door den koning afgesnauwd, dat het ons allen leed deed.
»Kort daarop ontbood Cambyzes op een morgen alle mobeds en Chaldaeërs,
om hun de verklaring van een vreemdsoortig droomgezicht te vragen. Hij
had namelijk gedroomd, dat hij zich midden op een dorre vlakte bevond,
die glad en effen als een dorschvloer, niet het geringste halmpje
voortbracht. Ontstemd over het woest en treurig aanzien van die
plek, wilde hij andere, meer vruchtbare oorden op gaan zoeken, toen
Atossa verscheen, en zonder hem op te merken, op eene bron toeliep,
die eensklaps als door een tooverslag liefelijk ruischend uit den
dorren grond opborrelde. Verbaasd zag hij dit schouwspel aan, en
bemerkte hoe overal, waar de voet zijner zuster den verzengden bodem
had aangeraakt, slanke terpentijnboomen [371] opschoten, die grooter
werden en in cypressen veranderden, welker kruinen tot aan den hemel
reikten. Toen hij Atossa wilde aanspreken, ontwaakte hij.
»De mobeds en Chaldaeërs beraadslaagden lang, en legden den droom alzoo
uit, dat Atossa, bij alles wat zij ondernam, door het geluk begunstigd
zou worden. Cambyzes stelde zich met dat antwoord tevreden, doch toen
hij in den volgenden nacht een diergelijk droomgezicht had, bedreigde
hij de mobeds met den dood, als zij hem geene andere verklaring
gaven. De wijzen bedachten zich lang, en antwoordden eindelijk:
'Atossa zal eenmaal koningin en de moeder van machtige vorsten worden.'
»Over deze uitlegging was de koning volkomen tevreden, en met een
zonderling lachenden trek om den mond, vertelde hij ons toen zijn
droom. Dienzelfden dag werd ik bij Cassandane geroepen, die mij
waarschuwde dat ik, als ik mijn leven lief had, alle hoop op het
bezit harer dochter moest laten varen. Reeds wilde ik den tuin der
eerwaardige vrouw verlaten, toen ik Atossa achter een granaat-boschje
gewaar werd. Zij wenkte mij. Ik snelde naar haar toe. Wij vergaten
gevaar en smart, en namen eindelijk afscheid, voor eeuwig. Thans
weet gij alles. En terwijl ik nu afstand heb gedaan van het lieve
schepseltje, omdat alle verdere hoop op haar bezit razernij zou zijn,
moet ik mij zelven geweld aandoen, om niet gelijk de koning, ter wille
van eene vrouw aan het mijmeren te geraken en mij aan droefgeestigheid
over te geven. Ziedaar nu het einde der geschiedenis, dat wij reeds
meenden te voorzien, toen Atossa's roos mij, den ter dood veroordeelde,
tot den gelukkigste aller stervelingen maakte. Had ik ulieden in
die ure, die wij dachten dat onze laatste zou zijn, mijn geheim niet
verraden, het zou met mij in het graf zijn gegaan.--Maar wat bazel
ik! Weet ik dan niet, dat ik op uwe geheimhouding rekenen kan? Wat ik
u bidden mag, kijk me niet langer zoo droevig aan. Ik geloof dat ik
nog altijd te benijden ben, want ik heb een uur van geluk doorleefd,
dat tegen honderd jaren van ellende opweegt.--Ik dank u, ik dank
u!--Maar, laat mij nu spoedig eindigen!
»Drie dagen na mijn afscheid van Atossa moest ik Artystone, de dochter
van Gobryas, huwen. Zij is schoon, en zou gewis ieder ander, behalve
mij, gelukkig maken. 's Morgens na de feestviering kwam de angaar met
het bericht van Bartja's ziekte te Babylon aan. Ik snelde dadelijk
naar den koning, vroeg en verkreeg verlof u te mogen gaan opzoeken en
verplegen, en u voor het gevaar, dat in Egypte uw leven bedreigt, te
waarschuwen. In spijt van de tegenwerpingen mijns schoonvaders, nam ik
van mijne nieuwe gemalin afscheid, en snelde, door Prexaspes vergezeld,
herwaarts, om u, Bartja, met Zopyrus naar Egypte te volgen, terwijl
Gyges den gezant als tolk naar Samos zal begeleiden. Alzoo beveelt de
koning, wiens gemoedsgesteldheid in de laatste dagen veel verbeterd is,
doordien hij in de wapenschouwing der aanrukkende legerafdeelingen
eene goede afleiding vindt, en de Chaldaeërs hem verzekerd hebben,
dat de planeet Adar [372], die hun krijgsgod Chanon toebehoort, den
Perzischen wapenen eene groote overwinning belooft. Wanneer denkt
gij de reis te kunnen hervatten, Bartja?"
»Morgen, als gij wilt," antwoordde deze. »De geneesheeren verzekeren,
dat het zeetochtje mij volstrekt niet schaden zal. De reis over land
tot Smyrna is slechts kort."
»En ik," liet Zopyrus er op volgen, »verzeker u, dat uw liefje u
spoediger gezond zal maken, dan alle artsenijmengers in de geheele
wereld!"
»Laat ons afspreken, dat wij binnen drie dagen opbreken," hernam
Darius. »Want wij hebben nog velerlei zaken voor de afreis in orde
te brengen. Bedenk slechts, dat wij in een zoo goed als vijandelijk
land komen! Bartja moet, alzoo heb ik de zaak overlegd, zich voor
een tapijthandelaar uit Babylon uitgeven. Ik stel zijn broeder voor,
en Zopyrus is een koopman in sardisch rood [373]."
»Zouden wij ons niet als krijgslieden kunnen vermommen?" vroeg
Zopyrus. »Het is wat al te vernederend, voor zulke bedrieglijke
schacheraars te worden aangezien. Hoe zoudt gij bijvoorbeeld er
over denken, als wij ons voor Lydische soldaten uitgaven, die in het
Egyptische leger dienst komen nemen, om eene straf in het vaderland
te ontgaan?"
»Dat voorstel is zoo onaannemelijk niet," zeide Bartja. »Ook geloof
ik, dat men ons op 't uiterlijk eer voor krijgers dan voor kooplieden
zal aanzien."
»Hierin zoudt gij u toch kunnen vergissen," antwoordde Gyges. »Zulk
een Helleensch groothandelaar en scheepsgezagvoerder draagt de borst
zoo hoog, als behoorde hem de gansche wereld toe. Overigens vind ik
den voorslag van Zopyrus nog zoo slecht niet."
»Het zij zoo!" zeide Darius, na nog een oogenblik nagedacht te
hebben. »Dan moet Oroetes ons aan de kleederen van Lydische taxiarchen
[374] helpen."
»Waarom zoudt gij u niet als chiliarchen laten aankleeden?" riep
Gyges. »Het zou stellig achterdocht wekken omdat gijlieden nog zoo
jong zijt."
»Maar wij kunnen toch niet als gemeene soldaten optreden."
»Neen, maar wel als hekatontarchen!"
»Ook al goed," hernam Zopyrus vroolijk, »als ik maar geen koopman
behoefte wezen!--Binnen drie dagen aldus van hier. 't Doet mij
genoegen, dat gijlieden mij toch nog den tijd laat, om mij van
het dochtertje van dezen satraap te verzekeren, en nog eens het
Cybele-bosch te bezoeken, waar ik reeds sinds lang naar verlang. En
nu goeden nacht, Bartja! Slaap morgen een gat in den dag. Wat zou
Sappho wel zeggen, als gij met zulke bleeke kaken en zulke fletse
oogen tot haar kwaamt!"