Reeds poogden de eerste zonnestralen heen te boren door de dichte
gordijnen voor de vensters van het vertrek, waarin de Egyptische
nederlag, toen Nebenchari nog altijd aan hare stervenssponde
neerzat. Nu eens betastte hij haar pols, dan weêr bestreek hij haar
voorhoofd en hare borst met geurige zalven, om daarna gedurende eene
korte poos voor zich te staren. Na een aanval van kramp scheen de
lijderes in diepen slaap gezonken. Aan het voeteneind van het bed
stonden zes Perzische heelmeesters bezweringsformulieren te prevelen,
terwijl Nebenchari aan het hoofdeinde zat, en van daar den Aziaten, die
zijne meerderheid als geneeskundige volgaarne erkenden, voorschriften
gaf. Zoo dikwijls de Egyptenaar den pols der kranke betastte, haalde
hij de schouders op, welke beweging zijne Perzische kunstbroeders
oogenblikkelijk eenparig navolgden. Van tijd tot tijd werd het
voorhangsel van het vertrek geopend, en vertoonde zich een lief
vrouwenkopje, welks blauwe oogen den geneesheer vragend aanstaarden,
om door dezen telkens met hetzelfde droeve schouderophalen beantwoord
te worden. Tweemaal was de lieve vraagster, Atossa, 's konings
zuster, terwijl zij het zware tapijt, een weefsel van Milesische
wol, nauwelijks met de teenen beroerde, tot aan het bed der lijdende
vriendin geslopen, om een zachten kus te drukken op het voorhoofd,
waarop groote zweetdroppelen parelden; maar telkens was zij door den
Egyptischen arts met strengen, afkeurenden blik naar het zijvertrek
verdreven.
Hier lag Cassandane moedeloos neder. Zij verbeidde het laatste
bedrijf van dit menschenleven. Zoodra de zon verrezen en Nitetis in
slaap gevallen was, had Cambyzes haar vertrek verlaten en zich te
paard geworpen, om, door Phanes, Prexaspes, Otanes, Darius en vele,
plotseling uit hun slaap gewekte hovelingen vergezeld, in woesten
ren de diergaarde door te stuiven. Hij wist toch bij ondervinding,
dat hij iedere gemoedsbeweging het best onderdrukken of vergeten kon,
wanneer hij in het zadel van zijn wilden hengst was gezeten.
Toen Nebenchari het dreunen der hoefslagen uit de verte vernam,
ontroerde hij van top tot teen. Met open oogen droomde hij, dat de
koning aan de spits eener onafzienbare ruiterschaar zijn vaderland
binnentrok, brandende fakkels in steden en tempels wierp, en met
geweldige vuistslagen de reuzengebouwen der pyramiden tot gruis
beukte. Te midden der rookende en smeulende puinhoopen der steden
lagen vrouwen en kinderen, uit de graven klommen de kermende stemmen
van de mummiën der gestorvenen op, en allen, priesters, krijgslieden,
vrouwen, kinderen, dooden en stervenden riepen zijn naam uit, en
vloekten hem, hem, den verrader van zijn vaderland. Eene koude,
koortsachtige siddering voer door zijne leden, krampachtig klopte
zijn hart, gelijk de aderen der stervende aan zijne zijde.--Wederom
opende zich het voorhangsel van het zijvertrek, wederom sloop Atossa
binnen, en legde ditmaal de hand op zijn schouder. Huiverend sprong
hij op, en ontwaakte. Drie dagen en drie nachten had Nebenchari bijna
onafgebroken aan dit leger doorgebracht. Was het wonder, dat zulke
droomen den overspannene en vermoeide overvielen?
Atossa sloop naar hare moeder terug. Doodelijk stil was het in
de drukkend warme ziekenkamer. De Egyptenaar herinnerde zich zijn
droom van straks; hij hield zichzelven voor, hoe hij op het punt was
een verrader en een misdadiger te worden. Nogmaals trok alles, wat
hij in zijn half slapenden, half wakenden toestand had aanschouwd,
voor het oog zijner verbeelding voorbij. Maar ditmaal werden die
ontzettende droomgezichten door een nieuw beeld verdrongen. Nebenchari
zag zichzelven naast de met ketenen beladen gestalten van Amasis,
die hem gebannen en bespot, van Psamtik en de priesters, die zijne
werken vernield hadden. Zachtkens bewogen zich zijne lippen. Aan deze
plaats durfde hij de onbarmhartige woorden, die hij in den geest zijne
om genade smeekende vijanden toeriep niet uiten. Zie, daar wischt de
hardvochtige man zich een traan uit het oog. Zijne ziel doorleefde nog
eens de lange nachten, in welke hij, met de schrijfstift in de hand,
bij het matte schijnsel der lamp had neêrgezeten, en zijne gedachten
en ervaringen, terwijl hij iedere letter zorgvuldig penseelde, in de
fijnste hiëratische teekens had neergeschreven. Voor menige oogziekte,
die de heilige boeken van Toth [336] en de verhandelingen van een
oud, hoogberoemd arts van Byblos onherstelbaar noemden, had hij een
geneesmiddel gevonden. Maar hij wist wel, dat zijne ambtgenooten
hem van misdaad zouden hebben beticht, als hij zich vermeten had er
voor uit te komen, dat hij het gewijde boek wilde verbeteren. Daarom
had hij dit opschrift voor zijn boek gekozen: »Eenige nieuwe door
Nebenchari, den oogarts, gevonden geschriften van den grooten Toth,
betreffende de oogheelkunde [337]." Na zijn dood moest zijn werk
het eigendom der boekverzameling te Thebe [338] worden, opdat al
zijne opvolgers met zijne ervaringen hun voordeel mochten doen,
en ontelbare lijders de vruchten van zijn arbeid plukken. Erkenning
zijner verdiensten na zijn dood, dat was zijn ideaal; en om dat te
verwezenlijken had hij aan de wetenschap zijne nachtrust ten offer
gebracht. Hij dorstte naar roem, als belooning van zijn wroeten en
zwoegen, voor de kaste tot welke hij behoorde.--Zie, daar staat zijn
oude mededinger Petammon, na hem de uitvinding der staarsnede ontroofd
te hebben, aan de zijde van den kroonprins, in het heilige bosch van
Neith, en stookt het vernielend vuur op. De roode gloed der vlammen
verlicht de boosaardige trekken dier beiden, en--hoor! hun spotlach,
die om wraak schreit, stijgt met de vlammen ten hemel. Ginds stelt de
opperpriester aan Amasis de brieven zijns vaders ter hand. Hoonende
en spottende woorden vloeien van de lippen des konings, het gelaat
van Neithotep gloeit van helsche vreugde.
Zoo geheel weggezonken was hij in zijne droomerijen, dat een
der Perzische geneesheeren hem waarschuwen moest, toen de kranke
ontwaakte. Hij knikte zijn kunstbroeder glimlachend toe, terwijl
hij op zijne zware oogleden wees, betastte den pols der lijderes,
en vroeg haar in het Egyptisch: »Hebt gij goed geslapen, meesteres?"
»Ik weet het niet," antwoordde de kranke, met nauw hoorbare stem. »Wel
was het mij alsof ik sluimerde; toch zag en hoorde ik alles, wat
hier in het vertrek voorviel. Ik voelde mij zoo vermoeid, dat ik niet
onderscheiden kon, of ik waakte of droomde. Is Atossa niet meermalen
bij mij geweest?"
»Juist."
»En Cambyzes bleef bij Cassandane, tot de zon opkwam; toen ging hij
naar buiten, besteeg den hengst Reksch, en reed de diergaarde in."
»Hoe weet gij dat?"
»Ik heb het gezien!"
Nebenchari zag onafgebroken met bezorgdheid in de glinsterende oogen
der jonkvrouw, die verder vroeg: »Heeft men ook niet vele honden in
den tuin achter dit huis gebracht?"
»De koning wil waarschijnlijk beproeven door de jacht zijne smart
over uw lijden een poos te vergeten."
»O, neen, dat weet ik beter! Orapastes heeft mij geleerd, dat bij
iederen stervenden Pers honden [339] worden gebracht, opdat de Diw
des doods in deze beesten vare."
»Gij leeft nog, gebiedster, en...."
»O, ik ga sterven, dat weet ik! Al had ik niet gezien, hoe gij en die
andere geneesheeren, telkens als gij mij beschouwdet, de schouders
ophaaldet, toch zou ik weten, dat ik nog slechts weinige uren te
leven heb. Het vergif is doodelijk!"
»Gij spreekt te veel, meesteres; het spreken zal u kwaad doen."
»Laat mij spreken, Nebenchari! Ik heb nog éene bede aan u te doen,
voordat ik sterf."
»Beveel, ik ben uw dienstknecht!"
»Neen, Nebenchari, mijn vriend moet gij zijn, mijn priester! Niet
waar, gij zijt niet meer boos op mij, wijl ik tot de Perzische
goden heb gebeden! Onze Hathor is toch altijd mijne beste vriendin
gebleven.--Ja, ik zie het op uw gelaat, dat gij mij vergeeft. Nu
moet gij mij ook beloven, mij niet door honden en gieren te zullen
laten verscheuren. O, de gedachte daaraan doet mij ijzen! Niet waar,
gij zult mijn lijk balsemen en met amuletten versieren?"
»Als de koning het veroorlooft."
»O, zeker! Zou Cambyzes mij dan mijn laatste verzoek kunnen weigeren?"
»Mijne kunst staat u ten dienste!"
»Ik dank u. Maar nog heb ik éene bede."
»Maak het kort! Mijne Perzische ambtgenooten wenken mij, dat ik u
het stilzwijgen moet opleggen."
»Kunt gij hen niet voor een oogenblik verwijderen?"
»Ik wil het beproeven."
Nebenchari naderde de magiërs. Hij wisselde enkele woorden met hen;
daarop verlieten zij het vertrek. Hij had hen diets gemaakt, dat hij
eene groote bezwering wilde beproeven, waarbij geen derde tegenwoordig
mocht zijn, en een nieuw geheim tegengift wilde aanwenden.
Toen de beiden alleen waren, haalde Nitetis voor een oogenblik
vrijer adem, en zeide: »Geef mij uw priesterzegen mede op de lange
reis naar de benedenwereld, en bereid mij voor tot den tocht naar
het rijk van Osiris!"
Nebenchari knielde aan hare sponde neder, en prevelde met nauw
verstaanbare stem eenige liederen, die Nitetis met zachte, plechtige
stem beantwoordde. De geneesheer stelde Osiris, den beheerscher der
benedenwereld, voor; Nitetis de ziel, die zich voor hem rechtvaardigt
[340].
Nadat deze ceremoniën afgeloopen waren, was het alsof er een nieuw
leven in de borst der kranke ontwaakte. Zij ademde vrij en geregeld,
als leed zij niet meer. Niet zonder aandoening zag Nebenchari op de
jeugdige zelfmoordenares neder. Hij was zich bewust deze ziel voor
de goden van zijn vaderland gered, en de laatste moeielijke uren van
eene schuldelooze verlicht te hebben. Gedurende deze oogenblikken was
hij, door zuiver medelijden en ware menschenliefde bewogen, zijn haat
en zijne wraakzucht vergeten. Maar toen de gedachte bij hem oprees,
dat Amasis ook over deze schoone maagd ongeluk had gebracht, werd
zijne ziel opnieuw door sombere gedachten verduisterd.--Nitetis, die
eenigen tijd zwijgend had neergelegen, keerde zich wederom vriendelijk
glimlachende tot haar nieuwen vriend, en vroeg: »Niet waar, ik zal
bij de doodenrechters genade vinden?"
»Ik hoop en geloof het!"
»Misschien vind ik Tachot voor den troon van Osiris, en mijn vader...."
»Uw vader en uwe moeder verwachten u! Zegen in uw laatste uur hen,
aan wie gij uw leven verschuldigd zijt, en vloek hen, die uw ouders
troon en leven ontroofden."
»Ik versta u niet."
»Vloek hen, mijne dochter, die uw ouders troon en leven
ontroofden!" riep de geneesheer andermaal, zich oprichtende, en in
angstige spanning op de stervende nederziende. »Vloek de boozen,
mijn kind, want deze vloek zal u voor de doodenrechters hoogere
genade doen vinden, dan duizend goede werken!"--Onder het uitspreken
dezer woorden, greep de arts de hand der lijderes, en drukte die met
hevigheid in de zijne.
Nitetis zag den toornigen man angstig aan, en lispelde, zonder recht
te weten, wat zij zeide: »Ik vloek!"
»Vloek hen, die uw ouders troon en leven ontroofden!"
»Hen, die mijn ouders troon en leven ontroofden! O--ach--mijn hart!
Uitgeput zonk zij in haar kussen neder.
Nebenchari boog zich over de lijderes, drukte, voordat de geneesheeren
van den koning binnentraden, een zachten kus op het voorhoofd der
stervende, en mompelde: »Zij sterft als mijne bondgenoote. De goden
hebben den vloek der stervende onschuld gehoord! Niet slechts als
mijn eigen, maar ook als koning Hophra's wreker breng ik het zwaard
over Egypte!"
Eenige uren later opende Nitetis nog eenmaal de oogen.
Ditmaal rustte hare marmerkoude rechterhand in de handen van
Cassandane. Aan het voeteneind van het bed knielde Atossa; Cresus
stond aan het hoofdeinde, en ondersteunde met zijne zwakke armen
het ijzersterke lichaam van den koning, die, geheel overweldigd door
zijne smart, als een beschonkene waggelde. De stervende zag met een
helderen blik den kring rond. Zij was onbeschrijfelijk schoon. Cambyzes
boog zich over haar neder, en drukte een vurigen kus op de reeds
verstijvende lippen,--den eersten en den laatsten, dien hij haar had
mogen geven. Twee groote, warme vreugdetranen ontsprongen aan hare
brekende oogen, zachtkens ontgleed de naam Cambyzes aan hare bleeke
lippen; toen zonk zij in Atossa's armen, en ontsliep.
Wij zullen niet beproeven eene nauwkeurige beschrijving te geven van
hetgeen er gedurende de eerstvolgende uren plaats greep. Want het
stuit ons in bijzonderheden mede te deelen, hoe, op een teeken van
den eersten Perzischen arts, alle aanwezigen, met uitzondering van
Nebenchari en Cresus, met overhaasting het vertrek verlieten; hoe men
honden bij het bed der overledene bracht, en hunne schrandere koppen
naar het lijk toekeerde, ten einde de Drukhs Naçus door deze dieren
te doen verdrijven; hoe, nadat de jonkvrouw den laatsten adem had
uitgeblazen, Cassandane en Atossa, met al hare dienstbaren, dadelijk
eene andere woning betrokken, om door het lijk niet verontreinigd
te worden; hoe men alle vuren in de oude woning uitdoofde, opdat het
reine element niet in aanraking mocht komen met de onreine geesten des
doods [341]; hoe men bezweringsformulieren prevelde; hoe eindelijk
ieder die en alles wat in de nabijheid van het lijk was geweest,
talrijke wasschingen met water en runderurine moest ondergaan.
Aan den avond van dien dag werd Cambyzes weder door zijne oude kwaal,
de vallende ziekte, bezocht. Twee dagen later kreeg Nebenchari verlof,
om het lijk, overeenkomstig den laatsten wensch der gestorvene,
op Egyptische wijze te balsemen. De droefheid van den koning kende
geene perken; hij reet het vleesch van zijne armen, scheurde zijne
kleederen, en strooide asch op zijn hoofd en zijne legerstede. Al de
grooten van het hof moesten zijn voorbeeld volgen. De wachten betrokken
hunne posten, met gescheurde vanen en onder doffen trommelslag. De
cymbalen en pauken der Onsterfelijken werden met floers omwonden. De
paarden, die de overledene bediend hadden, en die, welke door het hof
gebruikt werden, moesten blauw geverfd en hunne staarten afgesneden
worden. Het geheele hofpersoneel was in donkerbruine, tot aan den
gordel gescheurde rouwkleederen gehuld, en de magiërs moesten drie
dagen en drie nachten zonder ophouden voor de gestorvene bidden,
wier ziel in den derden nacht bij de brug Chinvàt haar vonnis voor
de eeuwigheid te verwachten had [342]. Ook de koning, Cassandane
en Atossa onttrokken zich aan deze reinigingen niet. Zij zeiden,
als voor eene naaste bloedverwante, dertig lijkgebeden op, terwijl
Nebenchari in een buiten de stadspoort gelegen huis, volgens al de
regels der kunst, het lichaam begon te balsemen [343].
Negen dagen lang bleef Cambyzes in een bijna waanzinnigen toestand. Nu
woedend, dan dof en onverschillig, veroorloofde hij zelfs zijnen
verwanten en den opperpriester niet hem te naderen. Op den morgen
van den tienden liet hij den overste der zeven rechters komen, en
beval hem Gaumata, den broeder van Oropastes, zoo zacht mogelijk te
vonnissen. Nitetis had hem op haar sterfbed gebeden, het leven van
den ongelukkigen jongeling te sparen. Een uur later werd hem het
vonnis ter bekrachtiging voorgelezen. Het luidde aldus:
»Heil den koning!
Naardien Cambyzes, het oog der wereld en de zon der
gerechtigheid, in zijne zachtmoedigheid, die even uitgestrekt
is als de hemel en even onuitputtelijk als de zee, ons bevolen
heeft, de misdaad van den magiërszoon Gaumata niet met de
strengheid van den rechter, maar met de toegevendheid eener
moeder te beoordeelen en te bestraffen, zoo hebben wij,
de zeven rechters van het rijk, besloten, hem het leven,
dat hij verbeurd had, te schenken. Daar echter door de
lichtzinnigheid van dezen jongeling de aanzienlijksten en
edelsten van het rijk in levensgevaar hebben verkeerd, en
het zeer wel mogelijk zou zijn dat hij zijn aangezicht en
zijne gestalte,--welke de goden, in hunne gunst en genade,
aan het gelaat en de houding van den edelen zoon van Cyrus,
Bartja, zeldzaam gelijkend hebben gemaakt,--nogmaals tot
schade der reinen en rechtvaardigen misbruikte, hebben wij
besloten zijn hoofd zoodanig te misvormen, dat de onwaardigste
in het rijk lichtelijk van den waardigste zal kunnen worden
onderscheiden. Daarom zullen, volgens den wil en op bevel
des koning, Gaumata de beide ooren afgesneden worden [344],
ter eere der rechtvaardigen en tot schande van den onreine!"
Cambyzes bekrachtigde aanstonds dit vonnis, 't welk nog dienzelfden
dag ten uitvoer werd gelegd.
Oropastes had den moed niet, om een woord ten gunste van zijn broeder
te spreken; de schande hem aangedaan krenkte echter den eergierigen
man dieper, dan zijn dood hem zou hebben gesmart. Hij vreesde door
den verminkte veel van zijn aanzien te zullen verliezen, en beval hem
daarom zoo spoedig mogelijk Babylon te verlaten, en een landhuis te
betrekken, dat hij op den berg Arakadris [345] bezat.
Gedurende de laatste dagen had zich een armoedig gekleede vrouw,
wier aangezicht achter een dichten sluier verborgen was, dag en
nacht voor de groote poort van het paleis opgehouden, en zich noch
door de bedreigingen der wachten, noch door de ruwe spotternijen der
koninklijke dienaars van haar post laten verdrijven. Geen enkele
der mindere beambten, die de poort verlieten, ontsnapte aan hare
nieuwsgierige vragen, eerst naar den toestand der Egyptische, dan naar
de gezondheid van Gaumata. Toen een spraakzaam lampenopsteker haar, met
een boosaardigen glimlach, het vonnis mededeelde, dat over den broeder
van den grooten opperpriester geveld was, stelde zij zich aan als eene
razende, en kuste het gewaad van den verbaasden man, die haar voor
eene arme krankzinnige aanzag, en haar eene aalmoes wilde geven. Zij
weigerde deze en bleef op haar post, zich voedende met het brood,
dat meêdoogende spijsuitdeelers haar toewierpen. Toen Gaumata drie
dagen later in eene gesloten harmamaxa, met een verband om 't hoofd,
de poort van het paleis verliet, ijlde zij den wagen na, en hield niet
op met roepen, totdat de voerman zijne muildieren tot staan bracht,
om haar te vragen wat zij wilde. Nu hief zij haar sluier op en toonde
den verminkten jongeling haar aanvallig, hoog blozend gelaat. Toen
Gaumata haar zag, ontsnapte hem een kreet van verbazing, doch zich
spoedig herstellende, vroeg hij: »Wat wilt gij van mij, Mandane?"
De ongelukkige hief de handen smeekend naar hem op, en riep: »O verlaat
mij niet, Gaumata! Neem mij met u! Ik vergeef u al het ongeluk, dat
gij over mij en mijne arme meesteres hebt gebracht. Ik heb u zoo lief,
en wil u verplegen en voor u zorgen, als uwe geringste dienstmaagd!"
De jongeling voerde in zijn hart een korten strijd. Reeds wilde hij
de deur van den wagen openen, en de geliefde zijner kindsheid in zijne
armen sluiten, toen hij den hoefslag van naderende paarden vernam. Hij
zag om, en werd een wagen vol magiërs gewaar, die naar den burcht
togen om te bidden, en herkende onder hen verscheidenen zijner oude
medeleerlingen aan de priesterschool. Schaamte overmeesterde hem;
hij vreesde door hen, die hij, als broeder van den opperpriester,
meermalen uit de hoogte had behandeld, te zullen worden gezien. Hij
wierp dus Mandane een beurs met goud toe, die zijn broeder hem bij
het afscheid gegeven had, en gebood den voerman zoo snel mogelijk
door te rijden. In wilde vaart sleepten de muildieren het voertuig
voort. Mandane schopte de goudbeurs weg, liep den wagen na en klemde
er zich aan vast. Een der raderen vatte haar kleed en rukte haar
neder. Met de kracht der vertwijfeling sprong zij overeind, haalde
de muildieren weder in, die, daar de weg bergopwaarts ging, minder
spoed konden maken en vatte ze bij de teugels. Nu maakte de voerman
van zijn driesnoerigen geesel gebruik; de dieren steigerden, wierpen
het meisje ter aarde, en joegen voort. Haar laatste angstkreet drong
als een dolksteek in de wonden van den verminkte.
Op den twaalfden dag, na den dood van Nitetis, ging Cambyzes weder
jagen. Deze uitspanning met hare vermoeienissen, hare gevaren en
haar opwekkenden invloed, was het meest geschikt om hem afleiding te
geven. De grooten en waardigheidsbekleeders ontvingen hun heer met
daverend gejuich, waarvoor hij hen met een vriendelijk wuiven zijner
hand dankte. De weinige dagen smarts hadden den man, die nooit leed
of zorg had gekend, zeer veranderd. Zijn aangezicht was bleek, zijn
gitzwart hoofd- en baardhaar grauw geworden. Het bewustzijn zijner
kracht sprak niet meer zoo duidelijk als voorheen uit zijne blikken;
hij had toch de smartelijke ervaring opgedaan, dat er een sterker
wil was dan de zijne; dat hij wel verdelgen en dooden, maar een leven
dat hem zoo dierbaar was niet redden kon. Alvorens de stoet opbrak,
monsterde Cambyzes de jagers, riep Gobryas tot zich, en vroeg naar
Phanes.
»Mijn koning heeft niet bevolen...."
»Eens voor altijd is hij onze gast, en behoort hij tot ons
geleide. Roep hem, en volg ons!"
Gobryas boog, keerde haastig naar het paleis terug en voegde zich na
een halfuur met Phanes wederom bij 's konings gevolg.
Den Athener viel menige vriendelijke groet van de leden van den stoet
ten deel; eene omstandigheid, die des te meer bevreemding moest wekken,
omdat er in den regel geene afgunstiger menschen zijn dan hovelingen,
en geen sterveling meer verzekerd kan wezen, van door vele nijdige
oogen te worden aangezien, dan de gunsteling van een monarch. Doch
Phanes scheen eene uitzondering op dezen regel te maken. Hij was al
de Achaemeniden zoo ongedwongen en zoo vriendelijk tegemoet gekomen,
had ieder in het bijzonder zoo fijn weten te vleien, had door los
daarheen geworpen zinspelingen op een grooten krijg, die niet kon
uitblijven, in hunne zielen zoovele blijmoedige gedachten gewekt, en
de Perzen door zijne geestigheden, die hij op uitstekende wijze te pas
wist te brengen, zoo vroolijk gestemd, dat, op weinige uitzonderingen
na, allen het gezelschap van den Athener hoogst aangenaam was. Toen
hij zich van den stoet gescheiden had, om met den koning een wilden
ezel te vervolgen, moesten de jagers elkander toestemmen, dat zij
nog nimmer zulk een uitstekend mensch als Phanes hadden gezien. Men
bewonderde de wijsheid waarmede hij de onschuld der gevangenen
aan den dag had gebracht, de behendigheid waarmede hij 's konings
gunst had weten te winnen, de vaardigheid waarmede hij de Perzische
taal had aangeleerd. Daarbij werd hij door geen der Achaemeniden in
schoonheid en regelmaat van gestalte en gelaatstrekken overtroffen. Op
de jacht deed hij zich als een volmaakt ruiter kennen, en in den
strijd met een beer als een bij uitnemendheid stout en geoefend
jager. Toen de hovelingen op den terugtocht al deze eigenschappen
hemelhoog verhieven, riep de oude Araspes: »Ik stem volgaarne toe,
dat deze Helleen, die zich overigens ook reeds in den krijg van de
beste zijde heeft doen kennen, een zeldzaam man is; maar zeker zoudt
gij hem niet half zooveel lof toezwaaien, als hij geen vreemdeling,
als hij niet iets nieuws voor u was."
Phanes had deze woorden verstaan, want hij bevond zich in de
onmiddellijke nabijheid van den spreker, hoewel dichte struiken hem
voor een oogenblik onzichtbaar maakten. Toen Araspes zweeg, voegde
hij zich bij de Perzen en zeide glimlachend: »Ik heb uwe gesprekken
verstaan en dank u voor uwe goede gezindheid jegens mij. Het tweede
deel van uwe samenspraak was mij bijna nog aangenamer dan het eerste,
daar het toch de door mij zelven reeds gemaakte opmerking bevestigde,
dat gij Perzen het grootmoedigste aller volken zijt, daar gij de
deugden van vreemdelingen gelijk stelt met, ja, zelfs nog hooger
aanschrijft dan uwe eigene."
Al de aanwezigen, gevleid door dit woord, zagen hem glimlachend
aan. Phanes vervolgde: »Hoe geheel anders zijn bijvoorbeeld
de Joden! Deze houden zich voor het eenige volk, dat den goden
welgevallig is, en halen zich daardoor de verachting van alle
verstandigen en den haat der geheele wereld op den hals. En dan
de Egyptenaren! Gij kunt u niet voorstellen, hoe dwaas dit volk
zich aanstelt! Hing het alleen af van de priesters, die eene groote
macht hebben, dan werden alle buitenlanders vermoord, en het geheele
rijk van Amasis voor iederen vreemdeling ontoegankelijk gemaakt. Een
echte Egyptenaar lijdt liever honger, dan dat hij met een onzer uit
denzelfden pot zou eten. Nergens vindt men zoovele zeldzaamheden,
zooveel dat de bevreemding en verbazing wekt, als daar. Maar, om
billijk te zijn, moet ik ook bekennen, dat Egypte met recht als het
rijkste en best bebouwde van alle landen der wereld bekend is. Hij,
wien dit rijk toebehoort, behoeft zelfs de goden om hunne schatten niet
te benijden. En de verovering van dat schoone land zou niet de minste
moeite kosten. Een tienjarig verblijf in Egypte heeft mij met dat land
nauwkeurig bekend doen worden, en ik weet, dat de geheele krijgerskaste
van Amasis tegen eene enkele schaar, als die uwer Onsterfelijken, niet
is opgewassen.--Nu, wie weet, wat de toekomst nog brengt! Misschien
doen wij allen te zamen nog wel eens een uitstapje naar den Nijl. Ik
houd het er voor, dat uwe goede zwaarden tamelijk lang gerust hebben!"
Algemeene en luide kreten van bijval waren het antwoord op deze
welberekende woorden van den Athener.
Cambyzes had het gejuich van zijn gevolg nauw vernomen, of hij wendde
zijn paard om, en vroeg naar de oorzaak er van. Phanes haastte zich het
woord te nemen, en antwoordde, dat de Achaemeniden hunne blijdschap
niet hadden kunnen smoren, bij de gedachte aan de mogelijkheid van
een nieuwen oorlog.
»Welken oorlog?" vroeg de koning, voor het eerst sedert langen tijd
lachende.
»Wij spraken slechts over de mogelijkheid er van, in het algemeen,"
antwoordde Phanes los weg. Daarop wendde hij zijn paard en reed
den koning op zijde. Zijne stem nam een welluidenden, tot het hart
doordringenden toon aan. Met welsprekenden blik zag hij den koning in
de oogen en zeide: »O, mijn vorst, wel ben ik niet als uw onderdaan
in dit schoone land geboren, wel mag ik eerst sinds korten tijd er
op roemen den machtigste aller vorsten te kennen, maar toch kan ik
de, misschien misdadige gedachte niet van mij zetten, dat de goden
mijn hart van mijne geboorte af, tot een innig vriendschapsverbond
met u hebben voorbestemd. Niet de groote weldaden, die gij over mij
hebt uitgestort, hebben mij zoo onbegrijpelijk snel en vast aan u
verbonden. Deze heb ik niet van noode, want ik behoor tot de rijken
mijns volks, en ik heb geen zoon, geen erfgenaam, wien ik mijne
schatten kan nalaten. Eenmaal noemde ik een knaap den mijne. Het was
een schoon, een heerlijk schoon kind!.... Maar dat wilde ik u niet
zeggen, ik..... Gij wordt toch niet boos over mijne vrijmoedigheid,
o koning?"
»Hoe zou ik dat kunnen?" vroeg de monarch, tot wien, vóor den Athener,
niemand ooit op dergelijke wijze gesproken had, en die zich tot den
zonderlingen vriend met onweerstaanbare kracht voelde heengetrokken.
»Tot op den huidigen dag was mij uwe droefheid te heilig, dan dat ik ze
had willen storen; thans echter is de tijd gekomen, om u aan uwe smart
te ontrukken en uw verkoeld hart opnieuw in gloed te ontsteken. Gij
moet thans dingen vernemen, waardoor gij u diep beleedigd zult voelen."
»Er is niets meer, dat mij zou kunnen bedroeven!"
»Mijne woorden zullen niet uwe smart, maar uw toorn opwekken!"
»Gij maakt mij nieuwsgierig."
»Men heeft u snood bedrogen; u, zoowel als de lieve maagd, die voor
weinige dagen in het schoonste tijdperk des levens werd weggerukt."
Met fonkelende oogen zag Cambyzes den Athener vragend in het gelaat.
»Koning Amasis van Egypte heeft zich veroorloofd, met u, den machtigen
beheerscher der aarde, een misdadig spel te spelen. Die schoone
jonkvrouw was niet zijne dochter, schoon zij zelve geloofde het kind
van Amasis te zijn. Zij..."
»Maar dat is onmogelijk!"
»Dat zou men oppervlakkig zoo zeggen, en toch spreek ik de zuivere
waarheid! Amasis heeft een net van leugen en bedrog geweven, waarin
hij een geheel volk, en ook u, o koning, heeft gevangen. Nitetis, het
schoonste schepseltje, dat ooit uit eene vrouw geboren werd, was ja
eene vorstentelg, maar niet aan den overweldiger Amasis, neen, aan den
onttroonden koning Hophra had deze parel het aanzijn te danken! Frons
het voorhoofd, mijn vorst, gij hebt er alle reden toe; want een gruwel
is het, voorwaar, door vrienden en bondgenooten bedrogen te worden!"
Cambyzes gaf zijn hengst de sporen, en riep, nadat Phanes, om zijne
laatste woorden beter te doen werken, een tijdlang gezwegen had:
»Verder! Verder! Ik moet meer weten!"
»De onttroonde koning had twintig jaren [346] lang in lichte
gevangenschap te Saïs geleefd, toen zijne gemalin, die drie kinderen
ter wereld en even zoovele ten grave had gebracht, andermaal zwanger
werd. Hophra was boven alle beschrijving gelukkig, en wilde, om
voor deze genade zijn dank te betuigen, in den tempel van Pacht
[347], eene Egyptische godin, aan wie de Egyptenaren den zegen der
zwangerschap toeschrijven, gaan offeren, toen een voormalige groote
van zijn hof, Patarbemis genaamd, dien hij in een oogenblik van
toorn ten onrechte verminkt had, hem met eene bende slaven overviel
en nedersabelde. Amasis liet de weduwe, die op het punt was van te
bevallen, dadelijk naar zijn paleis overbrengen, en voor haar een
vertrek in gereedheid brengen, naast dat zijner gemalin Ladice, die,
gelijk zij, met iederen dag de moedervreugde te gemoet zag. De weduwe
van Hophra schonk daar het leven aan een meisje, doch bezweek zelve
onder hare verlossing. Twee dagen later beviel Ladice, en ook zij
van eene dochter.--Doch wij zijn hier aan de poort van het paleis
genaderd. Zoo gij het mij wilt veroorloven, zal ik u het bericht
van den vroedmeester, die de hand heeft gehad in dit vroom bedrog,
doen voorlezen. Zijne aanteekeningen zijn, door eene wonderbare
beschikking der goden, waarvan ik u later meer zal verhalen, in mijne
handen geraakt. Onoephis, een voormalig opperpriester van Heliopolis
in Egypte, woont hier te Babylon en kent alle schrijfwijzen [348]
van zijn volk. Nebenchari, de oogarts, zal, gelijk zeer natuurlijk
is, weigeren een bedrog, dat zijn vaderland gewis in het verderf zal
storten, aan den dag te brengen."
»Binnen een uur wacht ik u met dien man. Cresus, Nebenchari en al
de Achaemeniden, die in Egypte zijn geweest, zullen insgelijks bij
dit verhoor tegenwoordig zijn. Alvorens ik handel, moet ik zeker van
mijne zaak zijn. Uw getuigenis is mij niet voldoende, want van Amasis
zelven heb ik vernomen, dat gij reden te over hebt, om een wrok jegens
zijn huis te koesteren."
Op den bepaalden tijd stonden de opgeroepene personen voor den
koning. De gewezen opperpriester Onoephis was een grijsaard van
tachtig jaren, wiens beenderig hoofd volkomen op een doodshoofd zou
hebben geleken, zoo niet zijne twee groote grijze oogen, vol geest
en gloed, de leden der vergadering hadden aangestaard. Daar zijne
verlamde leden hem niet gedoogden te staan, zat hij vóor den koning
in een leunstoel en hield een groote papyrusrol in zijne vermagerde
hand. Zijne kleeding was, gelijk het een priester betaamde, wit
als sneeuw, doch hier en daar gescheurd en gelapt. Voorheen was hij
misschien groot en slank van gestalte geweest; thans was hij echter
onder den last der jaren, en tengevolge van lijden en ontberingen,
zoo gebogen en ineengekrompen, dat zijn lichaam zich dwergachtig
klein, zijn hoofd zich daarentegen onnatuurlijk groot vertoonde. Naast
dezen vreemden man stond Nebenchari, die de kussens, welke 's mans rug
steunden, te recht schikte. De arts eerbiedigde in hem niet alleen den
in alle mysteriën ingewijden opperpriester, maar ook den hoogbejaarden
grijsaard [349]. Ter linkerzijde van den oude stonden Phanes, Cresus,
Darius en Prexaspes.
De koning was op zijn troon gezeten. Zijn gelaat stond ernstig en
somber, toen hij, het stilzwijgen afbrekende, aldus begon te spreken:
»De edele Helleen Phanes, dien ik mijn vriend meen te mogen noemen,
heeft mij zeer vreemde mededeelingen gedaan. Amasis van Egypte moet
mij allersnoodst bedrogen hebben. Mijne overledene gemalin zou niet
zijne, maar de dochter van zijn voorganger geweest zijn!"
Bij deze woorden liet zich een gemompel van verbazing hooren.
»Die grijsaard hier tegenover ons is gekomen, om ons de bewijzen voor
dit bedrog te leveren."
Onoephis boog het hoofd, ten teeken van toestemming.
»Thans richt ik allereerst de vraag tot u, Prexaspes, mijn gezant: Is u
Nitetis uitdrukkelijk als de dochter van Amasis voorgesteld geworden?"
»Uitdrukkelijk! Wel had Nebenchari in een onderhoud met uwe moeder
Cassandane de andere tweelingsdochter, Tachot, als de schoonste van
de twee koningstelgen geprezen, doch Amasis stond er op, dat Nitetis
naar Perzië zou gaan. Ik vermoedde dat hij u, met u zijn liefste
kleinood af te staan, een uitnemend blijk van vriendschap wilde geven,
en liet dus mijn aanzoek om de hand van Tachot varen. Want inderdaad
de overledene verdiende mijns inziens, zoowel in schoonheid als in
karakter, verre de voorkeur boven hare zuster. In zijn brief aan u
schreef hij ook, gelijk gij u wel zult herinneren, dat hij u zijn
schoonste en liefste kind toevertrouwde."
»Dat schreef hij, ja!"
»En Nitetis was stellig de schoonste en edelste van het
zusterenpaar," zeide Cresus, ter bevestiging van de verklaring van
den gezant. »Overigens kwam het mij voor, dat Tachot de lieveling
van den koning en van de koningin was!"
»Zeer zeker!" liet Darius er op volgen; »Amasis plaagde Bartja eens
onder den maaltijd zeggende: »Zie niet te diep in de oogen van Tachot,
want al waart gij een god, toch zou ik niet gedoogen, dat gij haar
naar Perzië voerdet!"--De kroonprins Psamtik schrikte geweldig van
deze scherts zijns vaders, en riep hem waarschuwend toe: 'Vader,
denk aan Phanes!' Wij begrepen echter niet wat dit te beduiden had."
»Aan Phanes?"
»Ja mijn koning," antwoordde de Athener. »Amasis had mij eens, in
zijn roes, deelgenoot van zijn geheim gemaakt; Psamtik waarschuwde
hem nu slechts, zich niet andermaal te vergeten."
»Verhaal mij ook dit geval!"
»Toen ik als overwinnaar van Cyprus te Saïs terugkeerde,. werd er een
groot feest aan het hof gevierd. Amasis gaf mij op allerlei wijzen
blijken van zijne hooge ingenomenheid, omdat ik zulk eene schoone
provincie voor hem gewonnen had. Hij omarmde mij, tot ergernis
en verbazing der overige Egyptenaren. Hoe hooger zijn roes steeg,
des te vuriger werd hij ook in de uitdrukking zijner dankbaarheid en
vriendschap. Toen ik hem eindelijk met Psamtik naar zijne vertrekken
bracht, en wij die zijner dochters voorbijgingen, bleef hij staan,
en zeide: »Daar slapen de meisjes. Als gij uwe vrouw verstooten wilt,
Athener, dan geef ik u Nitetis tot gemalin! Ik zou u gaarne tot mijn
schoonzoon hebben! Het is een heel bijzonder geval met dat meisje,
Phanes! Gij hebt veel van haar vader gehoord, van Hophra...." Psamtik
liet den beschonkene niet voortgaan. Hij legde hem de hand op den mond,
en zond mij met een barsch woord naar mijne woning. Daar overdacht
ik het gehoorde, en kwam toen tot vermoedens, die mij gebleken zijn
de zuivere waarheid te wezen. Ik bid u, koning, dezen grijsaard
te bevelen, de op deze zaak betrekking hebbende bladzijden uit het
dagboek van den vroedmeester Imhotep voor u te vertolken."
Cambyzes gaf den ouden man een teeken, en deze las nu, met eene zoo
luide en heldere stem, als niemand uit zulk een gebrekkig lichaam zou
verwacht hebben, het navolgende: »Op den vijfden dag der maand Toth
[350] werd ik bij den koning ontboden. Ik was daarop voorbereid,
want de koningin lag reeds in barensweeën. Met mijne hulp beviel
zij voorspoedig van een zwak dochterken.--Toen de min het kindje
had overgenomen, bracht Amasis mij achter het voorhangsel, dat het
slaapvertrek zijner gemalin in tweeën scheidde. Daar lag eene tweede
zuigeling, waarin ik het kort te voren ter wereld gekomene kind van
Hophra's weduwe, die op den derden dag van Toth onder mijne handen
gestorven was, herkende. De koning wees op het sterke, goed ontwikkelde
kindje, en zeide: »Dit is een ouderloos schepseltje. Daar de wet
gebiedt, dat men zich over de verlatene weezen moet ontfermen [351],
zoo hebben Ladice en ik besloten dit meisje op te voeden, als ware zij
onze eigene dochter. Nu is er ons veel aan gelegen, dat de waarheid
voor het volk en voor het kind zelf geheim blijve. Daarom verzoek
ik u het diepste stilzwijgen in acht te nemen, en te verbreiden dat
Ladice mij tweelingen heeft geschonken. Zijt gij ons hierin ter wille,
zoo ontvangt gij nog heden vijf duizend gouden ringen, en jaarlijks
zoolang gij leeft het vijfde van die som. Ik boog, zonder een woord te
spreken, gebood alle aanwezigen de kraamkamer te verlaten, en riep hen
eenige oogenblikken later terug, om de mededeeling te doen, dat Ladice
van eene tweede dochter verlost was. Het eigenlijke kind van Amasis
ontving den naam Tachot, het ondergeschovene werd Nitetis geheeten."
Bij deze woorden sprong Cambyzes van zijn zetel op en doorliep de
zaal met groote stappen. Zonder zich een oogenblik te laten storen,
vervolgde Onoephis onmiddellijk: »Op den zesden dag der maand
Toth. Toen ik mij hedenmorgen, ten einde een weinig uit te rusten van
de vermoeienissen van den afgeloopen nacht, had nedergelegd, verscheen
een dienaar van den koning, met het mij toegezegde goud en een brief,
die het verzoek inhield een kinderlijkje te bezorgen, dat, alsof dit
het overleden dochtertje van Hophra ware, met groote plechtigheid zou
worden begraven. Niet zonder groote moeite heb ik, een uur geleden
de zuigeling van het arme meisje, dat heimelijk bevallen is, bij de
oude vrouw, die aan den ingang der doodenstad woont, gekregen. Zij
wilde van haar gestorven lieveling, die haar zooveel smart en schande
had gebracht, geen afstand doen; en eerst toen ik haar beloofde, dat
de kleine op de kostbaarste wijze gebalsemd en bijgezet zou worden,
gaf zij toe. In mijne groote artsenijkast, die ditmaal mijn zoon
Nebenchari, in plaats van mijn dienaar Hib dragen moest, brachten
wij het lijkje in de kraamkamer van Hophra's weduwe. Het kind van
het arme meisje zal met alle vorstelijke eer begraven worden. Durfde
ik haar maar mededeelen welk een heerlijk lot hare lieveling na den
dood wacht.--Zoo even werd Nebenchari voor den koning ontboden."
Bij de tweede vermelding van dezen naam bleef Cambyzes staan, en
vroeg: »Is onze oogarts Nebenchari dezelfde, van wien dit geschrift
melding maakt?"
»Nebenchari," antwoordde Phanes, »is de zoon van denzelfden Imhotep,
die de beide kinderen verruilde!"
De oogarts keek somber voor zich.
Cambyzes nam de papyrusrol uit de hand van Onoephis, beschouwde een
oogenblik, het hoofd schuddende, de schrijfteekens die ze bedekten,
naderde toen den geneesheer, en zeide: »Bezie deze teekens, en zeg
mij of uw vader ze waarlijk geschreven heeft?"
Nebenchari viel op de knieën, en hief zijne handen smeekend op.
»Heeft uw vader deze teekenen geschreven? vraag ik."
»Ik weet niet, of.... Inderdaad...."
»De waarheid wil ik hooren! Ja, of neen?"
»Ja, mijn koning; maar..."
»Sta op, en wees verzekerd van mijne genade! Het betaamt een onderdaan
zijn vorst getrouw te zijn. Vergeet evenwel niet, dat gij thans mij
als uw koning hebt te beschouwen. Cassandane heeft mij doen weten,
dat gij haar morgen door eene kunstbewerking het gezicht zoudt
wedergeven. Waagt gij niet te veel?"
»Ik ben van mijne kunst zeker, o koning!"
»Nog eens, wist gij van dit bedrog af?"
»Ja--mijn vorst."
»En gij liet mij in mijne dwaling?"
»Ik had Amasis moeten zweren, het geheim te zullen bewaren, en
een eed..."
»De eed is heilig!--Draag zorg, Gobryas, dat aan deze Egyptenaren een
deel van onzen tafel worde gebracht. Gij schijnt groote behoefte aan
betere voeding te hebben, oude!"
»Ik heb niets van noode, dan lucht om te ademen, een stuk brood en
een dronk water, om niet van honger en dorst om te komen, een rein
gewaad om den goden en mij zelven te behagen, en een eigen kleine
kamer om niemand in den weg te staan. Nooit ben ik rijker geweest
dan op den huidigen dag."
»Hoezoo?"
»Ik sta gereed een koninkrijk weg te schenken."
»Gij spreekt in raadselen."
»Ik heb door mijne vertaling bewezen, dat uwe overledene gemalin een
kind van Hophra is geweest. Volgens onze wet heeft ook de dochter van
een koning recht op den troon, indien er geene zonen of broeders zijn;
wanneer deze wederom kinderloos sterft, dan is haar echtgenoot haar
wettige opvolger. Amasis heeft de kroon geroofd, terwijl Hophra en
zijn nakomelingen door het recht van geboorte aanspraak op den troon
hadden. Psamtik verliest alle recht op den schepter, zoodra zich
een broeder, een zoon, eene dochter of een schoonzoon van Hophra
opdoet. Alzoo begroet ik in mijn koning, den toekomstigen heer van
mijn schoon vaderland."
Cambyzes nam deze hulde aan, en Onoephis vervolgde: »Ook heb ik in
de sterren gelezen, dat Psamtik zal ondergaan; maar dat de kroon van
Egypte voor u is bestemd."
»Ik zal de sterren niet tot leugenaars maken!" riep Cambyzes, »U
echter, vrijgevige oude, beveel ik een wensch uit te spreken, het
komt er niet op aan welken."
»Laat mij in een wagen uw leger volgen. Ik heb geene andere begeerte
meer, dan aan den Nijl mijne oogen te sluiten."
»Het zij zoo! Laat mij thans alleen, vrienden, en zorgt dat alle
dischgenooten heden aan den maaltijd verschijnen. Onder het genot van
den beker zullen wij krijgsraad houden. Een veldtocht naar Egypte
schijnt mij oneindig meer de moeite waardig, dan een strijd tegen
de Massageten!"
»Heil den koning!" riepen de aanwezigen jubelend, waarna zij zich
verwijderden, terwijl Cambyzes zijne aan- en uitkleeders ontbood,
om voor het eerst zijn rouwkleed met het schitterende koninklijk
gewaad te verwisselen.
Cresus en Phanes begaven zich gearmd naar den tuin, die, met
zijne schoone boomen en fraaie heesters, grootsche waterwerken en
veelkleurige bloembedden, aan de oostzijde van het paleis lag. Het
gelaat van den Athener straalde van geluk, terwijl de onttroonde
koning bezorgd en weemoedig voor zich staarde.
»Hebt gij wel bedacht, Helleen," begon de laatste, »welk een fakkel
gij zoo even in de wereld hebt geslingerd?"
»Slechts kinderen en dwazen handelen onbedacht."
»Gij vergeet de door hartstocht verblinden."
»Tot dezen behoor ik niet."
»Toch is de wraakzucht de vreeselijkste van alle hartstochten."
»Ja, als men er in eene oogenblikkelijke opwelling gehoor aan
geeft. Mijne wraakzucht is zoo koel als dit ijzer; maar ik ken mijn
plicht."
»De eerste plicht van ieder deugdzaam mensch is, zijn eigen geluk
minder te achten dan dat van zijn vaderland."
»Dat weet ik...."
»Gij verliest evenwel uit het oog, dat gij met het Egyptische rijk
ook uw eigen vaderland den Perzen overlevert!"
»Dit ben ik niet met u eens."
»Gelooft gij dan, dat Perzië het schoone Griekenland met vrede zal
laten, als het eens in 't bezit is van al de overige kusten der
middelzee?"
»Volstrekt niet; maar ik ken mijne Hellenen, en houd het er voor, dat
zij alle legers der barbaren met roem zullen wederstaan, en als het
gevaar naakt, grooter zullen zijn dan ooit te voren. De nood zal al
onze afzonderlijke stammen vereenigen, ons tot een groot eendrachtig
volk maken, en de tronen der tyrannen omverwerpen."
»Altemaal droomen!"
»Die verwezenlijkt zullen worden, zoo waar ik hoop, dat ik weldra
gewroken zal zijn!"
»Ik kan de gegrondheid uwer onderstelling kwalijk beoordeelen, daar de
tegenwoordige toestand van uw vaderland mij geheel vreemd is. Maar ik
houd u voor een verstandig man, die het schoone en goede liefheeft,
en te rechtschapen denkt, om uit bloote wraakzucht een geheel volk
in 't verderf te willen storten. Het is voorwaar wel vreeselijk,
dat eene gansche natie boeten moet voor de schuld van een enkele,
zoo die enkele eene kroon draagt! Doch verhaal mij thans, als gij
ten minste iets aan mijn oordeel hecht, welk onrecht uwe wraakzucht
zoo geweldig heeft doen ontbranden!"
»Luister dan, en beproef nimmer weer mij van mijn voornemen af
te brengen! Gij kent den Egyptischen kroonprins, gij kent ook
Rhodopis. Eerstgenoemde was mijn doodvijand, om meer dan éene reden;
zij de vriendin van alle Hellenen, en in het bijzonder de mijne. Toen
ik Egypte verlaten moest, bedreigde Psamtik mij met zijn wraak. Uw
zoon Gyges redde mijn leven. Eenige weken later kwamen mijne kinderen
te Naucratis; van daar zouden zij mij naar Sigeum volgen. Rhodopis
nam hen in haar huis en onder hare bescherming. Een ellendeling had
het geheim weten uit te visschen, en het den kroonprins verraden. In
den volgenden nacht werd het huis der Thracische vrouw omsingeld en
doorzocht. Men vond mijne kinderen en voerde ze weg. Intusschen was
Amasis blind geworden; hij liet in dien toestand zijn verwenschten
zoon de handen geheel vrij, en deze ontzag zich niet, mijn eenigen
jongen.... te...."
»Hij liet hem dooden?"
»Gij zegt het."
»En uw tweede kind?"
»Het meisje is thans nog in zijne macht."
»Maar men zal het arme schepseltje vermoorden, als men verneemt...."
»Laat het sterven. Liever wil ik kinderloos, dan ongewroken ten
grave dalen!"
»Ik versta u, en kan u thans niet meer laken. Het bloed van uw zoon
eischt wraak."
Dit zeggende, drukte de grijsaard de rechterhand van den Athener,
die na zijne tranen gedroogd en zijne aandoening overwonnen te
hebben uitriep: »Kom, thans naar den krijgsraad! Niemand heeft
grootere redenen, om Psamtik voor zijne schanddaden te danken, dan
Cambyzes. Deze hartstochtelijke man deugt niet voor vredevorst."
»En toch houd ik het voor de eerste plichten eens konings, om aan
de innerlijke welvaart van zijn rijk te arbeiden. Maar de menschen
zijn nu eenmaal zoo dwaas, dat zij hunne beulen hooger waardeeren
dan hunne weldoeners. Hoevele liederen zijn er niet ter eere van
Achilles gezongen, en wie is nog ooit op den inval gekomen, om de
wijze regeering van Pittacus te bezingen [352]?"
»Er behoort dan ook meer moeds toe, om bloed te vergieten dan om
boomen te planten."
»Maar meer goedheid en verstand, om wonden te heelen dan om wonden
te slaan.--Maar, voor dat wij de zaal binnengaan, moet ik u nog eene
dringende vraag doen. Zal Bartja, als Amasis met de ontwerpen van
den koning bekend wordt, zonder gevaar te Naucratis kunnen blijven?"
»Waarlijk niet. Ik heb hem dan ook gewaarschuwd, en aangeraden daar
ginds vermomd en onder een valschen naam op te treden."
»Was hij aanstonds daartoe bereid?"
»Hij scheen ten minste van plan te zijn mijn wenk te gehoorzamen."
»In ieder geval zal het goed zijn hem een bode na te zenden, om hem
aan te raden op zijne hoede te zijn."
»Wij zullen dit den koning verzoeken."
»Kom thans! Daar rijden reeds de wagens, die den maaltijd voor den
hofstoet bevatten, de keuken uit."
»Hoeveel menschen worden er wel dagelijks door den koning gespijzigd?"
»Omtrent vijftien duizend [353]."
»Dan mogen de Perzen de goden wel danken, dat hunne koningen slechts
éen maaltijd daags houden!"