EERSTE HOOFDSTUK.

Prexaspes, de koninklijke gezant, een der eerste beambten aan het hof,

had Gaumata, Mandane's minnaar, die inderdaad op Bartja geleek als twee

druppelen water, krank als hij was tengevolge der ontvangene wonden,

naar Babylon vervoerd. Hier verwachtte hij in den kerker zijn vonnis,

terwijl zijn verleider Boges, in spijt van de ijverigste nasporingen

der politiebeambten nergens te vinden was. De volksoploopen in

de straten van Babylon hadden zijne vlucht, die hem door de ons

bekende valdeur op de hangende tuinen mogelijk was geweest, zeer

begunstigd. Verbazende schatten vond men in zijne woning. Kisten vol

goud en sieraden, waarmede hij zich in zijne betrekking zoo gemakkelijk

had kunnen verrijken, werden teruggebracht in de koninklijke schatkist,

waaruit zij afkomstig waren. Maar Cambyzes had gaarne het tienvoudig

bedrag dezer rijkdommen uitbetaald, om den verrader zelven in handen

te krijgen.

Twee dagen na de vrijspraak der beschuldigden deed hij, tot wanhoop van

Phaedime, al de bewoneressen van het vrouwenverblijf, zijne moeder,

Atossa en de met den dood worstelende Nitetis uitgezonderd, naar

Suza overbrengen. Onderscheidene hooggeplaatste eunuchen werden op

staanden voet van hunne ambten ontzet. De geheele kaste moest boeten

voor de misdaad van hun medelid, die zijne rechtvaardige straf was

ontloopen. Oropastes, die zijn post als plaatsvervanger des konings

reeds aanvaard, en zijne onschuld aan de overtreding van zijn broeder

ten duidelijkste bewezen had, begunstigde uitsluitend magiërs met de

opengevallene plaatsen.

De volksbeweging, die van de zijde der Babyloniërs ten gunste van

Bartja had plaats gegrepen, werd den koning eerst bekend, nadat het

volk reeds lang uiteen was gegaan. In weerwil zijner bezorgdheid

voor Nitetis, aan wie hij bijkans al zijn tijd wijdde, deed hij zich

een nauwkeurig verslag geven van deze wanordelijkheden, en beval de

raddraaiers streng te straffen. Uit het voorgevallene meende hij met

grond te mogen afleiden, dat Bartja zich de gunst van het volk had

zoeken te verwerven en misschien zou hij hem zijn ongenoegen wel

duidelijk te kennen hebben gegeven, indien niet zijn beter gevoel

hem gezegd had, dat niet Bartja tegen hem maar hij tegen Bartja

misdaan had. Toch kon hij de gedachte, dat Bartja ook zonder zijn

toedoen, de oorzaak was geweest van de treurige gebeurtenissen der

laatste dagen, evenmin onderdrukken als den wensch, zich gansch

en al van zijne tegenwoordigheid te ontslaan. Daarom schonk hij

ook zijn onverdeelden bijval aan het verlangen van zijn broeder,

om de reis naar Naucratis geen oogenblik langer uit te stellen. Na

een teeder afscheid van zijne zuster en moeder, begaf Bartja zich,

twee dagen na zijne invrijheidstelling, op weg naar Egypte. Gyges,

Zopyrus en een talrijk gevolg, dat van Cambyzes kostbare geschenken

voor Sappho had medegekregen, vergezelden hem.

Darius volgde hem ditmaal niet, daar zijne liefde voor Atossa hem niet

kon doen besluiten, Babylon voor zoo langen tijd te verlaten. Ook was

de dag niet verre meer, dat hij, op bevel van zijn vader, Artystone,

de dochter van Gobryas, huwen zou. Met een bezwaard hart scheidde

Bartja van zijn vriend, wien hij met betrekking tot Atossa den raad

gaf, de grootste voorzichtigheid in acht te nemen. Cassandane was

in het geheim dezer liefde ingewijd, en had beloofd bij den koning

de voorspraak van Darius te zullen zijn. Zoo iemand, dan waarlijk

mocht de zoon van Hystaspes zijne oogen tot de dochter van Cyrus

opheffen, daar hij ten nauwste aan het regeerende huis vermaagschapt

was, en evenals Cambyzes tot de Pasargaden behoorde. Zijn stam was

eene jongere linie van de dynastie die thans het bewind voerde, en

daarom niet minder aanzienlijk [321]. Zijn vader heette het hoofd

van den geheelen rijksadel, en bestuurde als zoodanig de provincie

Perzië, het moederland, aan hetwelk dit onmetelijke wereldrijk en

zijn beheerscher hun oorsprong te danken hadden. Na het uitsterven

der familie van Cyrus, hadden de nakomelingen van Hystaspes een op

goede gronden steunend recht op den Perzischen troon. Daardoor reeds

was Darius, zijne persoonlijke voortreffelijke hoedanigheden nog

daargelaten, wel de meest geschikte echtgenoot voor Atossa. Toch

viel er vooralsnog niet aan te denken, de toestemming des konings

tot deze verbintenis te vragen. In de sombere gemoedsgesteldheid,

waarin hij sedert de laatste gebeurtenissen verkeerde, had hij licht

een weigerend antwoord kunnen geven, en zulk een antwoord moest onder

alle omstandigheden als onherroepelijk worden beschouwd.

Aldus trok Bartja naar den vreemde, zonder een schijn van zekerheid te

hebben betreffende de toekomst van het hem zoo dierbare paar. Cresus

beloofde ook hier als bemiddelaar te zullen optreden, en bracht

Bartja kort vóor zijn vertrek met Phanes in aanraking. De jongeling

behandelde den Athener, van wien hij uit den mond zijner geliefde

niets dan schoons en goeds had vernomen, uiterst minzaam, en won

spoedig de genegenheid van den aan ondervinding zoo rijken man,

die hem menigen nuttigen wenk gaf, en een aanbevelingsbrief [322]

aan den Milesiër Theopompus te Naucratis. Hij verzocht hem eindelijk

om een mondgesprek onder vier oogen. Toen Bartja met den Athener in

den vriendenkring wederkeerde, scheen hij over iets gewichtigs te

denken en was er aanvankelijk op zijn gelaat hooge ernst te lezen;

maar weldra had hij de zorgen van zich gezet, en schertste hij met

de aanwezigen, terwijl de afscheidsbeker vroolijk geledigd werd.

Voordat hij den volgenden morgen te paard steeg, liet Nebenchari

hem om een mondgesprek verzoeken. De oogarts werd tot hem geleid, en

bad hem zich met de bezorging te willen belasten van eene briefrol

voor koning Amasis, die tamelijk groot was. Deze rol behelsde een

uitvoerig verhaal van het lijden van Nitetis, en eindigde met deze

woorden: »Zoo zal dus dit arme offer van uwe eerzucht, tot wanhoop

gebracht, door het vergif dat zij innam, binnen weinige uren, te

vroeg een prooi van den dood worden. Gelijk de spons eene teekening

van de tafel wischt, alzoo vernielt de willekeur van de machtigen

dezer aarde het geluk van een mensch. Uit zijn vaderland verbannen,

van zijne eigendommen beroofd, kwijnt uw knecht Nebenchari in den

vreemde weg. Als zelfmoordenares ligt de ongelukkige dochter van een

Egyptischen koning te zieltogen. Overeenkomstig Perzisch gebruik zal

haar lijk door honden en gieren verscheurd worden. Wee hem, die de

schuldelooze het geluk dezer aarde en de rust der toekomst ontnam!"

Bartja beloofde den in zichzelven gekeerden man, dit schrijven,

waarvan de inhoud hem onbekend bleef, te zullen medenemen. Bij zijn

vertrek richtte hij voor de poorten der stad, in tegenwoordigheid

eener juichende menigte, de steenen op, die hem volgens het Perzische

bijgeloof [323] eene gelukkige reis moesten waarborgen, en verliet

Babylon.

Intusschen was Nebenchari reeds weder op weg naar het sterfbed der

Egyptische. Bij de metalen poort in den muur, die den tuin van het

vrouwenverblijf scheidde van de hoven bij het groote paleis, trad een

in het wit gekleed grijsaard op hem toe. Nauwelijks zag hij dezen, of

hij deed een paar schreden achterwaarts, en staarde die hooge, magere

gestalte aan als ware zij eene geestverschijning. Doch daar de oude

hem vertrouwelijk en vriendelijk toelachte, verhaastte hij weder zijne

schreden, stak hem de hand toe met eene hartelijkheid, waarvoor geen

zijner Perzische bekenden hem vatbaar zou hebben geacht, en riep in

het Egyptisch: »Mag ik mijne oogen gelooven?! Oude Hib [324], gij hier

in Perzië? Eer had ik kunnen verwachten den hemel te zien instorten,

dan dat ik mij met het vooruitzicht zou hebben durven vleien u hier

aan den Euphraat te zullen wederzien! Maar zeg mij spoedig in Osiris'

naam, wat u, oude ibis, heeft kunnen bewegen, uw warm nest aan den

Nijl te verlaten, en de verre reis naar het Oosten te ondernemen?"

De oude, die zich intusschen met slap nederhangende armen diep gebogen

had, zag nu den geneesheer met eene uitdrukking van onbeschrijfelijke

blijdschap in het gelaat, betastte met sidderende handen zijne borst,

en riep, zijne rechterknie buigende en de armen ten hemel opheffende:

»Heb dank, groote Isis, dat gij den armen zwerver onder uwe hoede hebt

genomen, en hem zijn meester aldus laat wedervinden. Ach, kind, welk

een angst heb ik om uwentwil uitgestaan! Ik had mij u voorgesteld

uitgemergeld, als een verhongerd gevangene uit de steengroeven,

ellendig en wegkwijnende onder uw verdriet; en ik zie u weder met

den blos der gezondheid, eerwaardig en krachtig als te voren! Ach,

ware de arme oude Hib in uwe plaats geweest, reeds lang zou hij van

louter ergernis gestorven zijn!"

»Ik geloof het gaarne, oudje! Ook ik heb het vaderland slechts

gedwongen en met een bloedend hart verlaten. De goede goden wonen

alleen in Egypte aan den heiligen, gezegenden Nijl; het buitenland

behoort aan Seth [325]!"

»Dat gezegend mocht ge wel weglaten!" bromde de oude.

»Gij doet mij schrikken, vadertje, wat is er voorgevallen dat.....?"

»Voorgevallen? Hm--Fraaie dingen waarachtig! Maar daarvan zult

gij spoedig genoeg hooren. Kunt gij dan denken, dat ik ons huis en

mijne kleinkinderen zou verlaten hebben, om op mijn tachtigste jaar,

als een Helleensch of Phoenicisch landlooper, onder die ellendige

vreemdelingen, die de goden verdelgen mogen, te gaan reizen, als het

in Egypte nog maar eenigszins uit te houden was?"

»Maar spreek dan toch!"

»Later, later! Thans moet ge mij, om te beginnen, medenemen naar

uw huis, dat ik niet zal verlaten, zoolang wij in dit Typhonsland

blijven."

De grijsaard had deze woorden met zulk een onmiskenbaren afschuw geuit,

dat Nebenchari niet nalaten kon even te glimlachen en de vraag te doen:

»Heeft men u dan zoo onheusch behandeld, oudje?"

»Pest en Chamsin [326]!" pruttelde de grijsaard.--»Al de Perzen zijn

het nietswaardigste Typhonsgebroed op de gansche aarde! Het verwondert

me, dat zij niet allen roodharig en melaatsch geboren worden. Ach

kind, reeds twee lange dagen zit ik in deze hel, en heb al dien tijd

te midden van godenverzakers moeten leven! Men zeide mij, dat ik u

onmogelijk te spreken zou krijgen, daar ge de sponde der stervende

Nitetis niet mocht verlaten. Die arme kleine! Ik heb het altijd wel

gezegd, dat dit huwelijk met een vreemdeling slecht zou afloopen. Nu,

Amasis krijgt slechts loon naar werken als zijne kinderen hem verdriet

aandoen. Aan u alleen heeft hij dat verdiend!"

»Gij moest u schamen, oude!"

»Kom, kom! Ik zal u zeggen hoe ik over den koning denk; dat moet er

toch eens uit! Ik haat dezen gelukzoeker, die, toen hij nog een arme

jongen was, de dadels van uws vaders boomen en de naamborden van de

huisdeuren stal! O, ik heb hem als kind gekend, den deugniet! Het is

eene schande, zich door zulk een mensch, die...."

»Bedaar, bedaar toch oude!" viel Nebenchari den knecht in de rede, die

zich hoe langer zoo meer opwond. »Wij zijn niet allen van hetzelfde

hout gemaakt, en wanneer Amasis als knaap werkelijk niet meer was

dan gij, dan is het uwe schuld, dat gij op uw tachtigste jaar zooveel

minder zijt dan hij."

»Mijn grootvader was tempeldienaar, mijn vader was het, daarom moest

ik het natuurlijk ook worden...." [327]

»Gij hebt volkomen gelijk, alzoo luidt de wet der kasten, volgens

welke Amasis nooit iets anders had mogen zijn dan een arm hoofdman

der soldaten."

»Niet iedereen heeft zulk een ruim geweten als dit gelukskind!"

»Ge blijft toch altijd nog dezelfde! Schaam u Hib! Zoo lang ik u ken,

en dat is nu reeds een halve eeuw, spreekt gij om het derde woord

een scheldwoord. Toen ik nog kind was, gebruiktet ge mij voor een

wrijfpaal; thans is de koning het."

»En met alle recht! Wist gij maar alles! Zeven maanden is het geleden,

dat...."

»Ik kan u thans niet aanhooren! Bij het opkomen van het zevengesternte

wil ik een slaaf zenden, die u naar mijne woning zal geleiden. Tot

zoolang blijft gij, waar ge u tot nog toe hebt opgehouden, want ik

mag mijne zieke niet langer alleen laten."

»Zoo, moogt gij niet?--Goed, ga dan, en laat den ouden Hib sterven. Ik

bezwijk, ik sterf, als ik nog een uur langer bij deze menschen moet

blijven!"

»Maar wat wilt ge dan toch?"

»In uwe vertrekken mij opsluiten, tot wij weder van hier gaan."

»Heeft men u dan zoo smadelijk bejegend?"

»Nog walg ik, als ik er aan denk wat ze mij gedaan hebben! Ze

hebben mij gedwongen met hen uit denzelfden pot te eten, en mijn

brood met hun mes te snijden. Een ellendige Pers, die lang in Egypte

gewoond heeft en met mij hierheen gekomen is, heeft hun gezegd wat

ons verontreinigt. Toen ik mij wilde scheren, ontnamen ze mij het

mes. Eene nietswaardige deern kuste me op het voorhoofd, voordat ik

nog begreep wat zij wilde. Gij behoeft niet te lachen; ik heb minstens

eene maand noodig om mij van al dat onreine te zuiveren. Toen eindelijk

het braakmiddel, dat ik genomen had, werkte, lachten ze mij in het

aangezicht uit. Maar dit was nog niet alles. Een verwenschte koksjongen

sloeg in mijne tegenwoordigheid een heilig katje zoo erbarmelijk,

dat het diertje het bijna bestierf. Een zalfbereider, die vernomen

had dat ik uw knecht was, liet mij vragen door denzelfden schavuit

Boebares, met wien ik gereisd heb, of ik ook verstand van oogheelkunde

had? Ik heb deze vraag half en half toestemmend beantwoord; want,

weet gij, in zestig jaren ziet men zijn meester wel iets van zijne

kunst af. En nu beklaagde zich de ellendige spotter,--Boebares

vertolkte mij alles,--dat hij zich zeer ongerust maakte over eene

verschrikkelijke oogkwaal. Toen ik hem vroeg, waarin die bestond, liet

hij mij antwoorden, dat hij in het duister volstrekt niet zien kon!"

»Gij hadt hem moeten antwoorden, dat het eenige middel tegen deze

krankheid is, licht aan te steken!"

»O, ik haat deze booswichten met een volkomen haat! Als ik nog éen

uur bij hen moet blijven, dan besterf ik het!"

Nebenchari lachte, en antwoordde: »Gij zult u tegenover de

vreemdelingen zeker vrij dwaas aangesteld en hen boos gemaakt

hebben. De Perzen zijn over het algemeen zeer hupsche, beleefde

lieden. Beproef het nog maar eens met hen! Hedenavond wil ik u met

alle genoegen in mijn huis opnemen; vóor dien tijd kan het evenwel

onmogelijk geschieden."

»Dacht ik het niet? Ook hij is veranderd! Osiris is dood en Seth

heerscht weder op aarde!"

»Tot weerziens, tegen dat het zevengesternte opkomt, wacht u de slaaf

Pianchi, onze oude Ethiopiër, op deze zelfde plaats."

»Pianchi de oude spitsboef, dien ik niet uitstaan kan?"

»Dezelfde!"

»Hm, het is altijd nog iets goeds, dat men blijft, wat men eenmaal

was. Ik ken wel lieden, die dat niet van zichzelve kunnen getuigen,

die, in plaats van zich bij hunne kunst te houden, ook inwendige

ziekten willen genezen, die een ouden trouwen knecht...."

»Bevelen zijn mond te houden, en geduldig den avond af te wachten."

Deze laatste in ernst gesprokene woorden misten hun doel niet. De oude

maakte nogmaals eene buiging, en zeide, alvorens zijn heer hem verliet:

»Ik ben onder de bescherming van den voormaligen krijgsoverste Phanes

herwaarts gekomen. Hij is zeer begeerig u te spreken."

»Niemand zal hem beletten mij te komen opzoeken."

»Maar gij zit den geheelen dag bij deze zieke, wier oogen zoo gezond

zijn...."

»Hib!"

»Nu, het kan mij niet schelen, al had zij de staar op beide hare

oogen. Mag Phanes dezen avond met mij komen?"

»Ik wilde u gaarne alleen spreken."

»En ik u; maar de Helleen schijnt groote haast te hebben, en weet

bijkans alles wat ik u te vertellen heb."

»Hebt gij dan gebabbeld?"

»Dat juist niet, maar...."

»Mijn vader roemde uwe trouw, en tot heden toe heb ik u voor iemand

gehouden, die zwijgen kon."

»Ik heb ook altijd mijn mond gehouden, maar deze Griek wist reeds

een groot gedeelte van wat ik weet, en het overige...."

»Welnu?"

»Het overige heeft hij behendig uit mij weten te krijgen; hoe, weet

ik zelf niet! Droeg ik niet deze amulet tegen booze blikken, dan...."

»Ik ken den Athener, en vergeef u! Het is mij wèl, dat hij hedenavond

met u komt. Maar de zon staat reeds hoog, de tijd dringt, zeg mij in

weinige woorden, wat er gebeurd is!"

»Ik zou meenen dat het hedenavond...."

»Neen, ik moet in ieder geval in hoofdzaak weten, wat er is

voorgevallen, voordat ik met den Athener spreek. Wees dus kort!"

»Gij zijt bestolen geworden."

»Anders niets?"

»Noemt gij dat dan niets?"

»Antwoord mij! Anders niets?"

»Neen!"

»Vaarwel dan!"

»Maar, Nebenchari....."

De oogarts hoorde zijn knecht niet meer, want reeds had zich de deur,

die toegang verleende tot het verblijf van 's konings vrouwen, achter

hem gesloten.

Toen het zevengesternte was opgekomen, zat Nebenchari in een

der prachtige vertrekken, die hem in den oostelijken vleugel van

het paleis, nabij de woning van Cassandane, ten verblijf waren

aangewezen. De minzaamheid, waarmede hij zijn ouden dienaar had

ontvangen, had weder plaats gemaakt voor den ernst, waardoor hij zich

onder de levenslustige Perzen den naam van somberen knorrepot had

verworven. Hij was een echte Egyptenaar, geheel en al een kind dier

priesterkaste, welker leden, zelfs in hun vaderland, met statigen

tred en hoog ernstig gelaat langs de straten gingen, en zich nooit

de geringste scherts veroorloofden; terwijl zij in den kring hunner

kastgenooten of van hun gezin alle gemaakte deftigheid vergaten,

en vrij en vroolijk, ja, dikwerf uitgelaten konden zijn.

Nebenchari ontving Phanes zeer hoffelijk, maar koel, hoewel hij hem

reeds te Saïs had gekend, en gebood den ouden Hib, na eene korte

begroeting, hem met den overste alleen te laten.

»Ik heb u opgezocht," begon de Athener in het Egyptisch, dat hij

volkomen machtig was, »omdat ik belangrijke dingen met u te bespreken

heb...."

»Van welke ik reeds onderricht ben!" luidde het korte antwoord van

den arts.

»Dat betwijfel ik," hervatte Phanes, met een ongeloovig gezicht.

»Gij zijt uit Egypte verdreven; door den kroonprins Psamtik rusteloos

vervolgd en bitter gegriefd, en komt nu naar Perzië, om Cambyzes te

belezen het werktuig uwer wraakzucht tegen mijn vaderland te worden."

»Gij bedriegt u! Jegens uw vaderland heb ik mij van geene schuld te

kwijten; maar des te meer heb ik op het huis van Amasis te verhalen."

»Gij weet, dat in Egypte staat en koning éen zijn."

»Ik meen daarentegen te hebben opgemerkt, dat de priesters van uw

vaderland zich gaarne de macht in den staat aanmatigen."

»Dan zijt gij zeker beter op de hoogte dan ik. Ik hield tot dusver

de Egyptische koningen voor oppermachtig."

»Dat zijn zij ook, zoolang zij zich onafhankelijk weten te houden

van den invloed uwer kaste.--Ook Amasis buigt zich thans voor de

priesters."

»Dat is wat nieuws voorwaar!"

»Alsof men het u niet sinds lang zou hebben medegedeeld."

»Meent gij dat?"

»Voorzeker! Maar nog zekerder weet ik dat het hem eene, hoort gij,

eene enkele maal gelukt is, den wil zijner meesters voor den zijnen

te doen buigen."

»Uit het vaderland komt mij slechts weinig ter oore, ik weet dus

volstrekt niet, wat gij bedoelt."

»Ik geloof u. Want zoo ge het wist, en de vuisten niet baldet, zoudt

ge niet beter zijn dan een hond die kwispelstaart, terwijl men hem

trapt, en den man die hem kwelt de handen lekt!"

De arts verbleekte bij deze woorden, en zeide: »Ik weet, dat ik door

Amasis beleedigd ben geworden; maar ik verzoek u wel in overweging

te nemen, dat ik de wraak een te uitnemend gerecht acht, dan dat ik

het met een vreemdeling zou willen deelen!"

»Goed gesproken! Wat evenwel mijne wraak betreft, ik vergelijk die

met een wijnberg, die zoo vol is, dat ik alleen niet in staat ben

den oogst te plukken."

»En gij zijt hierheen gekomen om behulpzame arbeiders aan te werven?"

»Zoo is het! En ik laat de hoop ook nog niet varen, dat gij den oogst

met mij zult willen deelen."

»Gij dwaalt! Mijne taak is volbracht; de goden zelve hebben zich

daarmede belast. Amasis is er streng genoeg voor gestraft, dat hij

mij uit mijn vaderland, uit den kring van vrienden en leerlingen,

naar dit onreine land gezonden heeft, ter bereiking zijner eigene

baatzuchtige bedoelingen."

»Gij meent zijne blindheid?"

»Misschien!"

»Zoo weet gij niet, dat uw kunstbroeder Petammon de huid, die

den oogappel van Amasis bedekte, doorgesneden, en hem het licht

teruggeschonken heeft?"

Deze tijding trof den Egyptenaar als een donderslag. Hij werd

doodsbleek en knarste op de tanden. Maar spoedig was hij zichzelven

weer meester, en antwoordde den Athener: »Vervolgens hebben de goden

den vader in zijne kinderen gestraft."

»Hoe bedoelt gij dat? Met Psamtik leeft Amasis, zooals hij thans

gestemd is, in de beste overeenstemming. Tachot, ja, is lijdende,

maar bidt en offert juist daarom te ijveriger met den vader. Wat

eindelijk Nitetis betreft, haar dood zal hem, dit weet gij zoo goed

als ik, niet zoo diep treffen."

»Wederom begrijp ik u niet."

»Hoogst natuurlijk, zoolang gij onderstelt, dat ik de schoone kranke

voor eene dochter van Amasis aanzie."

De Egyptenaar ontroerde andermaal hevig. Zonder schijnbaar daarop

acht te geven, vervolgde Phanes: »Ik ben beter onderricht, dan gij

u kunt verbeelden. Nitetis is de dochter van Hophra, den onttroonden

voorganger van uw koning. Amasis heeft haar doen opvoeden, als ware

zij zijne eigene dochter, ten eerste, om uwe landslieden in den waan

te brengen, dat de van den troon gestooten pharao zonder nakomelingen

was gestorven; ten tweede echter, om Nitetis van alle aanspraak op

een troon, die van rechtswege haar alleen toekomt, te versteken. Aan

de oevers van den Nijl heeft ook de vrouw de bevoegdheid om te

regeeren!" [328]

»Dit zijn altemaal vermoedens...."

»Die ik door onomstootelijke bewijzen tot zekerheid kan maken! Onder

de papieren, die uw oude dienaar Hib in een kastje met zich bracht,

moeten zich brieven bevinden van uw vader, den zoo beroemden

vroedmeester...." [329]

»Gesteld, dat dit zoo ware, dan zijn toch in ieder geval deze

geschriften mijn eigendom, en ben ik niet bereid daar afstand van te

doen; ten tweede zoudt gij in Perzië te vergeefs naar een man zoeken,

die in staat is het schrift van mijn vader te ontcijferen."

»Vergeef mij, dat ik u weder op eenige dwalingen opmerkzaam moet

maken. Dat bedoelde kastje berust onder mij en zal, hoezeer ik anders

ook het eigendomsrecht eerbiedig, niet in uwe handen worden gesteld,

alvorens ik den inhoud er van aan de verwezenlijking mijner bedoelingen

dienstbaar heb gemaakt; ten andere woont hier te Babylon werkelijk,

door de goedgunstige beschikking der goden, een man, die in staat

is iedere schrijfwijze, die een Egyptisch priester kan verstaan,

te ontcijferen. Herinnert gij u toevallig ook den naam Onoephis?"

Ten derden male ontstelde de arts merkbaar, en zoodra hij zich

eenigszins hersteld had, vroeg hij: »Zijt gij er wel zeker van,

dat deze man nog altijd tot de levenden behoort?"

»Gisteren heb ik hem gesproken. Gelijk gij weet, is hij opperpriester

te Heliopolis geweest; vandaar dat hij in al uwe geheimen is

ingewijd. Mijn wijze landgenoot Pythagoras van Samos kwam indertijd

naar Egypte, en na zich aan eenige uwer ceremoniën te hebben

onderworpen, kreeg hij verlof het onderricht der priesterkaste van

Heliopolis bij te wonen. Hij won door zijne buitengewone geestesgaven

en zijne uitstekende hoedanigheden de liefde van den edelen Onoephis,

werd door hem met alle mysteriën [330] bekend gemaakt, en wist deze

dienstbaar te maken aan de ontwikkeling der menschheid. Ik zelf

en mijne voortreffelijke vriendin Rhodopis zijn er trotsch op,

ons zijne leerlingen te mogen noemen. Toen het uwe medepriesters

ter oore kwam, dat Onoephis de mysteriën verraden had, besloten

de priesterlijke rechters hem ter dood te brengen. Hij zou moeten

sterven door een vergif, dat men uit de pitten van den perzikboom kan

bereiden. De veroordeelde vernam nog intijds welk lot hem verbeidde,

en vluchtte naar Naucratis, waar hij in het huis van Rhodopis, van

wier edel karakter Pythagoras hem veel had verhaald, eene door den

vrijbrief des konings gewaarborgde schuilplaats vond. Hier maakte hij

kennis met Antimenidas, broeder van den dichter Alcaeus van Lesbos,

die jaren achtereen, tijdens hij op bevel van Pittacus, den wijzen

heerscher van Mytilene, als balling buiten zijn vaderland omzwierf,

te Babylon geleefd en onder Nebucadnezar, den toenmaligen koning

van Assyrië, bij het leger gediend had. Deze Antimenidas verschafte

hem aanbevelingsbrieven aan de Chaldeërs. Onoephis reisde naar den

Euphraat, zette zich te Babylon neder en moest naar eene broodwinning

omzien, daar hij in zeer bekrompene omstandigheden zijn vaderland

verlaten had. Hij vond dan ook een middel van bestaan door de

aanbeveling van Antimenidas. Op den huidigen dag nog voorziet hij, die

eenmaal tot de machtigsten van Egypte behoorde, zij het ook op karige

wijze, in zijn onderhoud, door de Chaldeërs, bij hunne sterrenkundige

berekeningen op den toren van Bel, met zijne uitgebreide kennis,

die hunne wetenschap verre overtreft, behulpzaam te zijn. Onoephis is

bijkans tachtig jaren oud, maar nog volkomen helder van geest. Toen

ik hem gisteren sprak en zijne hulp inriep, zeide hij mij die toe met

oogen, die van blijdschap straalden. Uw vader was een zijner rechters;

maar wel verre van zijn haat van den vader op den zoon over te dragen,

laat hij u door mij groeten."

Onder het aanhooren van dit verhaal, had Nebenchari peinzend voor zich

gestaard. Toen Phanes zweeg, zag hij dezen aan met een doordringenden

blik, en vroeg: »Waar zijn mijne papieren?"

»In handen van Onoephis, die daarin naar de oorkonde zoekt, welke ik

van noode heb."

»Dat is natuurlijk! Heb de goedheid mij te zeggen, hoe de kist,

die Hib goedvond naar Perzië te brengen, er uitziet."

»Het is een koffertje van zwart ebbenhout. Het deksel is kunstig

gesneden. Men ziet in het midden een gevleugelden kever en aan de

vier hoeken..."

Nebenchari haalde weder vrij adem en zeide: »Dat bevat niets dan

eenige aanteekeningen van mijn vader."

»Die misschien toch toereikend zullen zijn, om mij te doen slagen. Ik

weet niet, of men u verhaald heeft, dat ik mij verheugen mag in de

hoogste gunst bij Cambyzes te staan."

»Des te beter voor u! Ik kan u verzekeren dat de papieren, die u van

het grootste nut zouden zijn, in Egypte zijn gebleven."

»In eene groote, met vele kleuren beschilderde kist van sykomorenhout,

niet waar?"

»Hoe weet gij dat?"

»Omdat ik,--let wel Nebenchari,--omdat ik u naar waarheid kan

verzekeren,--ik zweer niet, want Pythagoras, de meester, verbiedt het

gebruik van den eed,--dat juist deze kist, met haar geheelen inhoud,

in het bosch van den Neith-tempel te Saïs, op bevel des konings

verbrand is."

Deze woorden, die Phanes langzaam uitsprak, terwijl hij op

iedere lettergreep drukte, troffen den Egyptenaar als zoovele

bliksemschichten. De kalmte en de bezadigdheid, die hij tot dusver

had weten te bewaren, waren verdwenen. Eene onbeschrijfelijke woede

zette zijne wangen in gloed, en deed zijne oogen vlammen schieten;

maar ook slechts gedurende eene enkele minuut. Toen ging zijne woede

in eene ijzingwekkende bedaardheid over, zijne gloeiende wangen

verloren alle kleur, en zijn akelig vertrokken mond sprak koel en

gelaten: »Om mij tot uw bondgenoot te maken, wilt ge mij met haat

jegens mijne vrienden vervullen. Ik ken u, Hellenen! Uitgeleerd in

listen en streken, versmaadt gij geen enkel middel, hoe bedrieglijk

en leugenachtig ook, om uwe oogmerken te bereiken."

»Gij beoordeelt mij en mijne landgenooten, gelijk dit van een

Egyptenaar te wachten is; dat is, gij houdt ons, als vreemdelingen,

voor de slechtste menschen die ge u denken kunt. Ditmaal echter

bedriegt gij u!--Laat den ouden Hib komen, en hij u herhalen, wat

gij uit mijn mond niet voor waarheid wilt aannemen."

Nebenchari's gelaat nam weder eene sombere uitdrukking aan, toen Hib,

gehoor gevende aan 's meesters roepstem, het vertrek binnentrad.

»Nader!" luidde Nebenchari's barsch bevel. De knecht gehoorzaamde,

de schouders ophalende.

»Hebt gij u door dezen man laten omkoopen? Ja, of neen? Ik verlang de

waarheid te hooren, want het geldt mijn geluk of mijn ongeluk voor de

toekomst. Zijt gij in de listige en bedrieglijke strikken van dezen

meester verward geraakt, ik zal het u vergeven, wijl ik aan u, mijn

ouden getrouwen knecht, groote verplichting heb. Zeg de waarheid,

ik bezweer het u in den naam uwer Osirische vaderen!"

Het geelachtige aangezicht van den oude was, gedurende deze

toespraak van zijn heer, vaalbleek geworden. Eenige oogenblikken

lang nokte hem, onder veel snikken, de stem in de keel. Eindelijk,

nadat het hem gelukt was de tranen, die met alle kracht in zijne

oogen wilden opwellen, terug te dringen, riep hij, half toornig,

half bedroefd: »Heb ik het niet dadelijk gezegd: Hij is in dit land

der smaadheid en rampzaligheid betooverd en bedorven. Zooals de waard

is, vertrouwt hij zijne gasten! Ja, zie mij maar boos aan, het kan

mij niet schelen. Waarover zou ik mij ook verder nog bekommeren, als

men mij, ouden man, die zestig jaren lang in hetzelfde huis trouw en

eerlijk gediend heb, voor een schurk, een spitsboef, een verrader,

ja, misschien wel voor een moordenaar uitmaakt!"

Bij deze laatste woorden begonnen de oogen van den grijsaard, in

weerwil zijner geweldige inspanning om zich goed te houden, in heete

tranen te zwemmen.

De fijngevoelige Phanes klopte hem op den schouder, en zeide, zich tot

Nebenchari wendende: »Hib is een trouw dienaar. Noem mij een schurk,

als hij een obool van mij heeft aangenomen."

De geneesheer had deze woorden van den Athener niet noodig, om van de

onschuld van zijn knecht volkomen overtuigd te zijn. Hij kende hem

zoo lang en zoo door en door, dat hij in de, ook tot de geringste

veinzerij onbekwame trekken van den oude, als in een geopend boek

las. Hij trad dus naar hem toe, en zeide op den toon van zacht verwijt:

»Ik heb u van niets beschuldigd, oude. Wat behoeft gij u zoo driftig

te maken over eene bloote vraag!"

»Ja, ik zou me zeker nog moeten verheugen over uwe schandelijke

verdenking?"

»Neen, dat behoeft niet;--maar ik veroorloof u thans te verhalen,

wat er, gedurende mijn afzijn, in mijn huis is voorgevallen."

»Eene mooie geschiedenis! Als ik daaraan denk, wordt het mij zoo

bitter in den mond, alsof ik een kolokwintappel kauw."

»Gij zeidet dezen morgen, dat men mij bestolen had."

»Ja, en hoe!--Zoo is nog niemand vóor ons bestolen geworden! Hadden de

spitsboeven slechts tot de dievenkaste [331] behoord, dan zouden wij

ons nog kunnen troosten; want vooreerst zouden we dan het grootste

deel van ons eigendom teruggekregen hebben, en ten andere er niet

slechter aan toe zijn geweest, dan vele anderen; maar...."

»Blijf bij de zaak, want mijn tijd is beperkt!"

»Ja, dat weet ik al! De oude Hib kan hier in Perzië niets naar uw

zin doen. Doch dat komt er niet op aan. Gij zijt meester en hebt

dus maar te bevelen; ik ben maar knecht en moet dus gehoorzamen. Ik

hoop het niet te vergeten. Nu dan, 't was juist in de dagen, dat

het groote Perzische gezantschap naar Saïs kwam om Nitetis te halen,

en zich door het gansche volk als een troep vreemde dieren te laten

aangapen, dat het schandelijke feit plaats greep. 's Avonds, terwijl

de zon ondergaat, zit ik op het muggentorentje, en speel met mijn

kleinzoon, den oudsten jongen van mijne Benra [332], die een heerlijk

dik ventje geworden is, en voor zijn leeftijd bijzonder verstandig en

sterk. De guit vertelt me juist, dat zijn vader, gelijk de Egyptenaren

plegen te doen, als hunne vrouwen de kinderen te veel alleen laten,

de schoenen zijner moeder had weggestopt [333], en ik lach, dat de

tranen me over de wangen loopen. Want ge moet weten, dat ik Benra,

die geen mijner kleinkinderen bij mij wil laten wonen, omdat ik,

zoo zegt zij, ze bederf, deze poets van harte gunde. Plotseling

wordt er met den klopper zoo geweldig op de huisdeur geslagen, dat

ik waarachtig meen, dat er hier of daar brand is, en den jongen van

mijne knie laat vallen. Zoo hard ik maar kan, loop ik de trappen af,

neem met mijne lange beenen telkens drie treden in eens, en schuif den

grendel terug. De deur vliegt open en eene gansche bende tempeldienaars

en politie-agenten,--daar waren minstens vijftien man,--dringt het

huis binnen, nog voordat ik den tijd heb te vragen, wat ze van mij

hebben willen. Pichi, de onbeschaamde tempeldienaar van Neith,--gij

kent hem wel,--duwt mij op zij, grendelt de deur van binnen dicht,

en beveelt den troep mij te knevelen, als ik niet terstond alles

doe wat hij mij gebieden zal. Ik laat het natuurlijk niet onder mij,

maar scheld hem braaf uit. Gij weet, heer, dat ik dit niet laten kan,

als iets mij ergert. En nu doet hij mij,--bij onzen god Toth, die

de wetenschap beschermt, ik spreek de waarheid, heer,--nu doet die

melkmuil mij de handen binden, verbiedt mij, den ouden Hib, verder een

woord te spreken, en zegt dat hij van den opperpriester in last heeft,

mij vijf en twintig stokslagen te doen geven, als ik mij niet zonder

tegenspraak aan al zijne bevelen onderwerp. Tegelijk toont hij mij den

ring van den opperpriester. Nu moest ik, of ik wilde of niet, dezen

schoft gehoorzamen, die niets minder eischte, dan dat ik hem dadelijk

alle geschriften, die gij hadt achtergelaten, zou overhandigen. Maar

de oude Hib is zoo dom niet, dat hij zich in den eersten strik den

besten laat vangen, hoewel menschen, die hem beter moesten kennen,

meenen dat hij omkoopbaar en de zoon van een ezel is.--Wat doe ik

dus? Ik stel me aan, alsof ik geheel van mijn stuk ben door het zien

van den zegelring, verzoek Pichi zoo beleefd mogelijk mijne handen

los te maken, en zeg dat ik den sleutel zal halen. Men maakt mijne

handen los; ik ren de trap op, bij vijf treden te gelijk, ruk de deur

van uwe slaapkamer open, duw mijn kleinzoon, die voor de deur staat,

naar binnen, en schuif er den grendel voor. Dank mijne lange beenen

ben ik de anderen zoo ver vooruit, dat ik den tijd heb, den knaap

het zwarte kastje, dat gij aan mijne bijzondere zorg hadt aanbevolen,

onder den arm te geven, het kleine kereltje door het venster te zetten

op het balkon, dat aan de zijde van den tuin langs het huis loopt,

en hem te bevelen het kostbare kastje dadelijk in de duiventil te

stoppen. Daarop open ik de deur, als ware er niets gebeurd, maak Pichi

wijs, dat de jongen een mes in den mond had gehad, en ik daarvan zoo

geschrikt was, dat ik uit angst op zulk een dwaze manier de trap was

opgevlogen, en den knaap voor zijn straf wat te luchten had gezet. De

vent, die zoo dom is als het broertje van een nijlpaard, gelooft me,

en laat zich nu het geheele huis door leiden. Eerst leggen ze beslag

op de groote kist van sykomorenhout met papieren, die gij mij bevolen

hadt niet minder zorgvuldig te bewaren, dan op de papyrusrollen

op uwe schrijftafel, en verder op alle geschrevene stukken, die in

het huis voorhanden zijn. Zonder ze eerst te schiften of in te zien,

smijten zij alles in de groote kist, en dragen die naar beneden. Doch

het zwarte kastje lag ongeschonden en veilig in de duiventil. Mijn

kleinzoon is de slimste jongen uit geheel Saïs!

»Toen de kist het huis werd uitgedragen, kon ik mijne, tot dusverre met

zooveel moeite onderdrukte woede niet langer bedwingen. Ik dreigde den

onbeschaamden indringers, dat ik hen bij de rechters, en als dit niet

hielp, bij den koning zou aanklagen, en zonder twijfel zou ik ook het

volk tegen hen hebben opgehitst, als die vervloekte Perzen, die eene

wandeling door de stad deden, niet juist op dit oogenblik de geheele

aandacht der saamgestroomde menigte hadden getrokken. Dienzelfden avond

ging ik naar mijn schoonzoon die, gelijk gij weet, ook tempeldienaar

van de godin Neith is, en verzocht hem alles in het werk te stellen,

om het lot der gestolene schriften te weten te komen. Die goede

man is nog altijd dankbaar voor de rijke huwelijksgift, die gij aan

mijne Benra hebt geschonken. Drie dagen later kwam hij mij zeggen,

dat hij er getuige van geweest was, hoe men uwe fraaie kist, met

al de daarin geborgen rollen, verbrand had. Van louter ergernis

kreeg ik de geelzucht; doch mijne ziekte belette mij niet mijne

klachten voor de rechters te brengen. Deze ellendelingen zijn echter,

gelijk gij weet, zelve priesters, en wilden dus niets van de zaak

weten. Nu diende ik namens u een verzoekschrift bij den koning in,

maar werd door dezen afgesnauwd met de niet zeer malsche bedreiging,

dat men mij als landverrader zou beschouwen, als ik nog eens van

die papieren een woord durfde kikken. Nu had ik mijne tong [334]

te lief, om nog verder eenigen stap te doen. De grond brandde onder

mijne voeten. Ik kon niet in Egypte blijven, want ik moest u spreken;

ik moest u zeggen hoe men u beleedigd had; ik moest u, die zeker meer

vermoogt dan uw arme knecht, tot wraakneming aansporen; ik moest u ook

het zwarte kastje brengen, dat men mij misschien anders nog zou hebben

onttroggeld. Alzoo verliet ik mijn vaderland en mijn kleinzoontje

met een bloedend hart, om, zoo oud als ik ben, naar het typhonisch

buitenland te trekken.--Ach! de kleine jongen is zoo wijs! Toen ik hem

bij het afscheid kuste, zeide hij: 'Blijf bij ons, grootvader! Als de

vreemdelingen u verontreinigen, dan mag ik u niet meer kussen.'--Benra

laat u hartelijk groeten, en mijn schoonzoon doet u weten, uit goede

bron vernomen te hebben dat Psamtik, de kroonprins, en Petammon,

de oogarts, uw oude mededinger, de bewerkers dezer vervloekte daad

zijn. Daar ik mij niet aan de typhonische zee durfde toevertrouwen,

reisde ik met eene karavaan Arabische kooplieden tot Thadmor, de

palmrijke rustplaats der Phoeniciërs [335] in de woestijn, en van

daar met Sidonische kooplieden tot Karchemis aan den Euphraat, waar

zich de weg, die van Phoenicië naar Babylon voert, met dien tusschen

Sardes en Babylon vereenigt. Doodmoede zat ik in het boschje voor de

herberg, toen een vreemdeling, die met koninklijke postpaarden reisde,

daar aankwam. Aanstonds herkende ik in hem den voormaligen overste

der Helleensche soldaten."

»En ik," viel Phanes den verteller in de rede, »herkende even spoedig

in u, oude, den langsten en twistzieksten mensch, dien ik ooit gezien

heb. Honderd malen heb ik te Saïs om u moeten lachen, als gij de

kinderen stondt uit te schelden, die u naliepen, zoo dikwijls gij,

met het artsenijkastje onder den arm, uw meester door de straten

volgdet. Ja, ik herinnerde mij zoodra ik u zag eene aardigheid, die

zich de koning eens te uwen koste liet ontvallen. Toen gij beiden

op zekeren dag voorbijkwaamt, zeide hij: »Die oude lijkt wel een

grimmige uil, die door kleine vogels omfladderd en voor den gek

gehouden wordt; en Nebenchari moet zeker eene booze vrouw hebben,

die hem, tot loon voor al de oogen die hij ziende maakt, zijne eigene

dreigt uit te krabben!"

»Schandelijk, schandelijk!" riep de oude, in verwenschingen

uitbarstende.

De arts had, zwijgend en in gedachten verzonken, het verhaal van

zijn knecht aangehoord. Van tijd tot tijd veranderde de kleur van

zijn gelaat. Toen hij hoorde dat men zijne papieren, de vruchten

van zoovele doorwaakte nachten, verbrand, met medeweten van zijne

standgenooten en van den koning vernietigd had, balde hij de vuisten,

en rilde hij over zijn gansche lichaam, als werd hij door eene heftige

koorts aangegrepen.

Geene enkele beweging van den priester was den Athener ontgaan. Aan

menschenkennis ontbrak 't hem niet, en hij wist dat een woord van

spot de ziel van den eerzuchtige dikwerf dieper wondt, dan zware

beleedigingen. Daarom bracht hij juist nu de scherts te berde, die

Amasis zich eens, toen hij aan zijne neiging tot gekscheren toegaf,

had veroorloofd. Ook had zijne berekening niet gefaald, want hij zag

hoe Nebenchari, bij zijne laatste woorden, eene roos, die vóor hem op

de tafel lag, met de vlakke hand krampachtig platdrukte. Terwijl hij

een glimlach van voldoening haastig onderdrukte, vervolgde Phanes:

»Maar verneem thans in korte trekken het einde van de reisavonturen

van den braven Hib. Ik noodde hem mijn wagen met mij te deelen. Eerst

weigerde hij met zulk een verwenschten vreemdeling als ik op éen kussen

te gaan zitten. Doch eindelijk gaf hij aan mijn verzoek gehoor. Hij

had aan de laatste pleisterplaats gelegenheid, op den broeder van den

opperpriester Oropastes de proef te nemen van de handgrepen, die hij

u en uw vader heeft afgezien, en kwam eindelijk behouden te Babylon

aan, waar ik zelf hem in het paleis van den koning een onderkomen

verschafte, daar wij u, uithoofde der droevige omstandigheid waarin

uwe landgenoote zich bevindt, niet te spreken konden krijgen. Het

overige is u bekend."

Nebenchari knikte even, ten teeken van toestemming, en gebood Hib

met een wenk het vertrek te verlaten.

De oude gehoorzaamde brommend en tusschen de tanden scheldende. Toen de

deur zich achter hem gesloten had, trad de geneesheer op den krijgsman

toe, en zeide: »Ik vrees, Helleen, dat wij, in spijt van dit alles,

toch geene bondgenooten zullen kunnen zijn!"

»En waarom niet?"

»Omdat ik vermoed dat uwe wraak, in vergelijking met die, welke ik

mij verplicht acht te nemen, veel te zacht en te onbeduidend zal zijn."

»Wat dat betreft, hebt gij niet te vreezen!" antwoordde de

Athener. »Mag ik u mijn bondgenoot noemen?"

»Ja! Onder éene voorwaarde!"

»Laat hooren!"

»Gij moet mij in de gelegenheid stellen, met eigene oogen de uitkomst

onzer wraakoefening te zien."

»Dat wil zeggen, als Cambyzes naar Egypte trekt, wenscht gij het

leger te volgen?"

»Ja! En als mijne vijanden in smaad en ellende nederliggen, dan

wil ik hun toeroepen: »Ziet gij, lafaards, dit ongeluk hebt gij

te wijten aan den armen, verbannen oogarts!"--O mijne geschriften,

mijne geschriften! Zij waren mij even dierbaar als vrouw en kind,

die ik beiden verloren heb. Zij waren bestemd, om aan honderden te

leeren, hoe den blinden het licht weer te geven, hoe den zienden de

zoetste gave der goden, de bloem van het gezicht, de bewaarplaats

van het licht, het ziende oog voortdurend te doen behouden. Nu

mijne geschriften vernield zijn, heb ik tevergeefs geleefd! Met

mijne geschriften hebben die ellendelingen mij zelven verbrand! O,

mijne geschriften, mijne geschriften!"--Bij deze woorden snikte de

ongelukkige man, dat er 't hart van breken moest.

Phanes trad nu op hem toe, vatte zijne rechterhand, en zeide: »U,

mijn vriend, hebben de Egyptenaren geslagen, ik ben echter door

hen nog schandelijker mishandeld geworden. Dieven zijn, ja, in

uwe woning gedrongen, maar mij hebben moordenaars huis en hof in

de asch gelegd. Weet gij, Nebenchari, weet gij, wat men mij gedaan

heeft?--Toen zij mij verdreven en vervolgden, waren zij in hun recht;

want volgens hunne wetten was ik des doods schuldig. Ware het daarbij

gebleven, ik had hun kunnen vergeven, want ik had dezen Amasis lief,

gelijk een vriend zijn vriend liefheeft. Dat wist de ellendeling,

en toch liet hij toe, wat bijna ongelooflijk schijnt. O, het is,

alsof mijne hersenen branden, als ik aan het ontzettende feit

denk!--Als wolven drongen zij in den nacht het huis eener weerlooze

vrouw binnen en stalen mijne kinderen, een meisje en een jongen, de

trots, de vreugde, de troost van mijn eenzaam leven. En wat deden zij

met de arme schepseltjes? Het meisje hielden zij gevangen, gelijk zij

voorgaven, om mij te verhinderen Egypte den vreemdelingen in handen te

spelen; den knaap evenwel, een toonbeeld van schoonheid en goedheid,

mijn eenigen zoon, heeft de kroonprins Psamtik, misschien wel met

medeweten van Amasis, doen vermoorden. Onder de smart der ballingschap

was mijn hart eerst ineengekrompen en daarna gevoelloos geworden;

thans echter gevoel ik, hoe de hoop op wraak het doet zwellen en van

blijde verrukking kloppen!"

Nebenchari zag met blikken, gloeiende van een somber vuur, in de

vlammende oogen van den Athener, en zeide, terwijl hij hem de hand

reikte: »Wij zijn bondgenooten!"

De Helleen vatte de rechterhand van den arts en antwoordde: »Thans

geldt het in de eerste plaats, ons van de gunst des konings te

verzekeren!"

»Ik zal Cassandane het gezicht hergeven!"

»Zoudt ge dat kunnen?"

»De kunstbewerking, die Amasis ziende heeft gemaakt, heb ik

uitgevonden. Petammon heeft ze van mij geleerd uit mijne verbrande

geschriften."

»Waarom hebt gij ze dan niet vroeger toegepast?"

»Omdat ik niet gewoon ben mijne vijanden geschenken te doen."

Bij deze woorden voelde Phanes zich door eene lichte huivering

aangrijpen. Hij herstelde zich evenwel spoedig, en zeide: »Ook

ik kan mij verzekerd houden van 's konings gunst. De gezanten der

Massageten zijn heden reeds naar hun land teruggekeerd. De vrede is

hun toegestaan, en...."

Op dit oogenblik werd de deur opengerukt, een eunuch van Cassandane

vloog het vertrek binnen, en riep Nebenchari toe: »Onze meesteres

Nitetis is stervende! Maak u dadelijk gereed, en volg mij!"

De arts groette zijn bondgenoot met een wenk, trok zijne sandalen aan,

en begaf zich naar het bed der stervende koningsbruid.

Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers · 第 28 / 38 题