De tijding van hetgeen er voorgevallen en op handen was scheen,
eer de zon hare middaghoogte bereikt had, reeds tot in de armste
hutten van Babylon doorgedrongen te zijn. De straten waren opgevuld
met menschen, die het zeldzame schouwspel dat de terechtstelling
der trouwlooze gemalin des konings zou aanbieden, met ongeduld
verbeidden. De zweepdragers hadden de handen meer dan vol met het in
bedwang houden der elk oogenblik aangroeiende menigte. Toen zich later
het gerucht verbreidde van de op handen zijnde terechtstelling van
Bartja en zijne vrienden, openbaarde zich de belangstelling van het
volk, dat nog dronken was van den palmwijn, die op het geboortefeest
van den koning en de daaropvolgende dagen zoo mild had gevloeid, en
dus zijne opgewondenheid bezwaarlijk meester was, op gansch andere
wijze. Beschonkene mannen schoolden samen en trokken de straten door,
roepende: »Bartja, de goede zoon van Cyrus, zal vermoord worden!" De
vrouwen, die in hare afgelegene vertrekken waren neergezeten,
vernamen nauw dien kreet, of ze ontvloden hare bewakers, en volgden,
terwijl zij in drift zelfs hare sluiers vergaten, huilende de mannen,
wier brooddronkenheid met ieder oogenblik toenam. De vreugde over
de aanstaande vernedering eener, boven zoo vele andere, schoone en
bevoorrechte zuster, maakte plaats voor deernis met het lot van den
beminden jongeling. Mannen, vrouwen, kinderen schreeuwden, vloekten,
raasden en tierden, elkander onophoudelijk aanhitsende tot betoogingen,
die meer en meer een onrustbarend karakter aannamen. Alle werkplaatsen
liepen ledig; de kooplieden sloten hunne kelders, en de schoolknapen
en dienstbaren, die bij het geboortefeest van den koning gewoonlijk
acht dagen vacantie hadden, maakten van hunne vrijheid gebruik,
om hunne stemmen te oefenen, door boven allen uit te gillen, of
luidkeels te jammeren, meerendeels zonder te weten, waarom toch
zooveel misbaar werd gemaakt. Eindelijk werd het rumoer zóo groot,
dat de macht en het gezag der zweepdragers te kort schoten om de rust
te herstellen, en eene afdeeling van de lijfwacht moest oprukken,
teneinde de straten schoon te vegen. Zoodra het volk de glinsterende
wapenrustingen en lange lansen gewaarwerd, week het terug, bezette
de zijstraten, en rotte opnieuw samen als de soldaten voorbij waren.
Bij de zoogenaamde Bel-poort, waar de groote weg een aanvang nam,
die naar het westen voerde, was het gedrang het grootst, daar het volk
vernomen had dat de Egyptische door deze poort, die zij eenige maanden
geleden met zooveel luister was binnengetrokken, op eene smadelijke
wijze de stad zou worden uitgevoerd. Zoo was dan ook te dezer plaatse
eene sterke bende zweepdragers geposteerd, wier plicht was ruimte
te maken voor de voetgangers, die door de poort moesten. Doch heden
verlieten slechts weinige inwoners de stad, want de nieuwsgierigheid
was sterker dan de drang der zaken, of het verlangen om zich buiten
te gaan ontspannen. Die echter van buiten kwamen, hoopten zich bijna
allen bij de poort op, toen zij vernamen welk belangwekkend schouwspel
door die woelige menschenmassa's verwacht werd.
Reeds stond de zon hoog aan den hemel, en moest het nog maar enkele
uren duren, alvorens de ezelrit van Nitetis een aanvang zou nemen,
toen een reisgezelschap, bestaande uit eene zoogenaamde harmamaxa,
die met vier paarden bespannen was, een tweewielige kar en een met
muildieren bespannen goederenwagen, in vliegende vaart de poort
naderde. In het eerste voertuig zaten een schoon aanzienlijk man van
omtrent vijftig jaren, in Perzische hofkleeding, en een grijsaard
in een lang wit gewaad, terwijl onderscheidene slaven in eenvoudige
hemden, met breedgerande vilten hoeden en zeer kort afgeschoren haar in
de kar hadden plaats genomen. Naast deze laatste reed een oud man, in
de kleeding van een Perzisch dienstknecht. De menner van het vierspan
kon niet dan met de grootste moeite door de opeengepakte menigte voor
zijne, met kwasten en klokjes behangene paarden ruim baan maken! Dicht
voor de poort gaf hij den moed op en riep eenige zweepdragers ter
hulp. »Maak plaats!" schreeuwde hij een hoofdman der politiebeambten
toe, die met zijn volk tot bij het voertuig doordrong. »De koninklijke
post heeft geen tijd te verliezen, en ik heb een voornaam heer in
den wagen, die u voor iedere minuut uitstel zwaar zou doen boeten!"
»Bedaar, mijn vriend!" antwoordde de hoofdman. »Gij ziet wel, dat het
vandaag gemakkelijker gaat, de stad uit, dan er in te komen. Wie is
die voorname heer?"
»Iemand, die een vrijpas van den koning bezit. Kom, maak ons nu
spoedig plaats!"
»Hm! Het gevolg ziet er niet bijzonder koninklijk uit!"
»Dat gaat u niet aan! De vrijpas...."
»Dien moet ik zien, alvorens ik u in de stad kan laten."
Deze waarschuwing richtte hij half tot den reiziger, dien hij
aandachtig en wantrouwend opnam, half tot den koetsier.
Terwijl de man die het Perzisch gewaad droeg in de mouwen van zijn
kleed naar den vrijpas zocht, wendde zich de zweepdrager tot een zijner
makkers, en zeide, op het onbeduidende gevolg wijzende: »Hebt gij
ooit zulk een wonderlijken stoet gezien? Mijn naam zal niet Giw zijn,
als deze vreemde snaken niet iets bijzonders in het schild voeren. De
minste tapijtlegger van den koning reist met viermaal grooter gevolg
dan deze kerel, die een vrijpas bezit, en de kleeding van 's konings
dischgenooten draagt."
Thans overhandigde de verdachte persoon hem een, naar muscus riekend,
zijden rolletje, waarop 's konings zegel en eenige schrijfteekens
zichtbaar waren.
De zweepdrager nam het aan, en onderzocht het zegel. »Dit is in orde,"
mompelde hij. Daarop begon hij het schrift te ontcijferen. Maar
nauw was hij daarmede begonnen, of hij zag den reiziger scherp in de
oogen, en riep: »Nadert mannen, omsingelt den wagen: deze man is een
bedrieger!"--te gelijk de paarden bij de teugels grijpende.
Nadat hij zich overtuigd had, dat de vreemdeling niet ontsnappen kon,
naderde hij hem andermaal en zeide: »Gij toont een vrijpas, die u niet
toebehoort: Gyges, de zoon van Cresus, voor wien gij u uitgeeft, zit
in de gevangenis, en zal nog heden terechtgesteld worden. Gij gelijkt
volstrekt niet op hem, en het zal u berouwen onder een valschen naam
hier te zijn gekomen. Stijg uit en volg mij."
De reiziger gehoorzaamde niet aan dit bevel, maar verzocht den hoofdman
in gebroken Perzisch, zich naast hem in den wagen te zetten, daar
hij hem belangrijke zaken had mede te deelen. Een oogenblik aarzelde
de beambte; toen hij echter zag, dat eene nieuwe bende zweepdragers
aanrukte, wenkte hij deze voor de van ongeduld trappelende paarden
te blijven staan, en klom toen in de harmamaxa.
De vreemdeling zag den hoofdman glimlachend aan, en vroeg: »Zie ik
er uit als een bedrieger?"
»Neen, want schoon uwe spraak verraadt, dat gij geen Pers zijt,
zoo hebt gij toch geheel het voorkomen van een edelman."
»Ik ben een Helleen, en hierheen gekomen, om Cambyzes een grooten
dienst te bewijzen. Gyges, die mijn vriend is, leende mij, toen hij in
Egypte was, zijn pas, voor het geval dat ik naar Perzië mocht willen
komen. Ik ben bereid mij zelven voor den koning te rechtvaardigen, en
heb niets te vreezen; integendeel zal de koning mij hoogst dankbaar
zijn voor de berichten, die ik hem breng. Laat mij, als uw plicht
zulks gebiedt, zonder uitstel tot Cresus brengen; deze zal borg voor
mij blijven, en u uwe lieden, die gij heden hoog noodig schijnt te
hebben, aanstonds terugzenden. Verdeel deze goudstukken onder hen,
en zeg met een paar woorden wat mijn arme vriend Gyges misdaan heeft,
en wat deze verbazende volksoploop beduidt."
De vreemdeling had wel in gebroken Perzisch, maar met zulk eene
waardigheid en overtuiging gesproken, en zijn geschenk was zóo rijk
geweest, dat de dienaar, die gewoon was voor tyrannen te bukken en te
kruipen, tegenover een vorst meende te zitten, zijne armen eerbiedig
kruiste, verschooning vroeg voor zijne onheuschheid van zoo even,
en in korte woorden begon te verhalen wat er gaande was. Hij had
in den afgeloopen nacht, gedurende het verhoor in de groote zaal de
wacht gehad, en kon dus den vreemdeling van het voorgevallene tamelijk
nauwkeurig mededeeling doen. De Griek hoorde den man in groote spanning
aan. Meermalen, vooral toen er sprake was van de ontrouw van Amasis'
dochter en van den zoon van Cyrus, schudde hij ongeloovig het hoofd. De
gevelde doodvonnissen, vooral dat van Cresus, schenen hem diep te
treffen. Maar de droeve trek verdween allengs van zijn levendig gelaat;
ja, nadat hij eene wijle had nagedacht, nam het zelfs eene vroolijke
uitdrukking aan, waaruit was op te maken, dat zijn overleg tot eenig
goed resultaat had geleid. Op eenmaal begon hij hartelijk te lachen,
sloeg zich met de vlakke hand op het hooggewelfde voorhoofd, vatte met
de linker de hand van den verbaasden hoofdman, drukte die, en zeide:
»Zou het u verblijden, als Bartja kon worden gered?"
»Onuitsprekelijk!"
»Welnu, dan beloof ik u plechtig dat gij ten minste twee talenten
[315] zult ontvangen, als gij mij in de gelegenheid stelt den koning te
spreken, voordat het eerste der doodvonnissen voltrokken is geworden."
»Maar, hoe zou ik, een arm hoofdman...."
»Gij moet, gij moet."
»Ik kan niet!"
»Ik weet wel, dat het voor een vreemdeling moeilijk, ja, bijkans
onmogelijk is, een gehoor bij uw gebieder te erlangen; maar mijne
boodschap duldt geen uitstel, want ik kan de onschuld van Bartja
en zijne vrienden bewijzen. Hoort gij, dat kan ik! Gelooft gij nu,
dat ge mij helpen moet?"
»Maar, hoe zou het mogelijk zijn?"
»Vraag niet, maar handel!--Zeidet gij niet, dat ook Darius tot de
veroordeelden behoort?"
»Ja!"
»Ik heb gehoord, dat zijn vader een zeer aanzienlijk persoon is."
»Hij is de eerste in het rijk, na de kinderen van Cyrus."
»Breng mij dan tot hem. Hij zal mij vriendelijk ontvangen, als hij
verneemt, dat ik het in mijn macht heb zijn zoon te redden."
»Wonderlijke vreemdeling! Uit uwe woorden spreekt zulk eene hoopvolle
zekerheid, dat ik..."
»Dat gij mij gerust kunt vertrouwen. Zorg nu maar gezwind, dat uw
volk ons door het gedrang helpt, opdat wij spoedig het paleis mogen
bereiken."
Na den twijfel is er niets, dat zich schielijker verbreidt, dan de
hoop op de vervulling van een vurigen wensch, vooral wanneer die
hoop ons met volle overtuiging wordt voorgespiegeld. De hoofdman der
zweepdragers stelde opeens een onbeperkt vertrouwen in den zonderlingen
reiziger, sprong, zijn geesel zwaaiende, uit den wagen, en riep zijne
onderhoorigen toe: »Deze edele heer is gekomen, om Bartja's onschuld
te bewijzen, en moet aanstonds voor den koning gebracht worden. Volgt
mij vrienden, en maakt ons plaats!"
Op dit oogenblik verscheen juist eene afdeeling van de lijfwacht
te paard. De hoofdman snelde op den aanvoerder toe, en bad hem,
ondersteund door het geroep der menigte, die reeds begreep wat de
bedoeling was, den vreemdeling naar het paleis te geleiden. Inmiddels
besteeg de reiziger het paard van zijn knecht en volgde de Perzen,
die hem ruim baan maakten.
Snel als de wind verbreidde zich de heuglijke tijding door de
reusachtige stad. Hoe verder de ruiters kwamen, des te gewilliger
scheidden zich de volksdrommen, des te luider verhief zich het
gejuich der menigte, zoodat de rit van den vreemdeling ten laatste
een zegetocht geleek. Na weinige minuten hielden de ruiters voor
de poort van het paleis stil. Nog waren hun de metalen deuren niet
geopend, toen een tweede stoet opdaagde. Aan het hoofd van dezen reed
langzaam de grijze Hystaspes, in bruine, gescheurde rouwkleederen,
op een blauwgeverfd paard, welks staart en manen afgeschoren waren. De
grijsaard was gekomen, om den koning genade voor zijn zoon te smeeken.
Nauwelijks werd de hoofdman der zweepdragers den edelen grijsaard
gewaar, of hij wierp zich vol vreugde voor zijn paard neder, en
deelde hem, met de armen op de borst gekruist, mede, welke hoop de
vreemdeling in hem had doen ontwaken. Hystaspes wenkte den reiziger,
die zich op zijn paard bevallig voor hem boog, en liet zich door dezen
de verklaring van den zweepdrager bevestigen. Ook in zijn hart werd
de hoop weder levend. Hij verzocht den vreemdeling hem te volgen,
voerde hem binnen het paleis en verlangde van den opperstafdrager,
dat hij hem voor den koning zou brengen. Hij gebood den Griek zoolang
aan de deur van 's konings vertrek te wachten.
Cambyzes lag, op het oogenblik dat zijn grijze bloedverwant
binnentrad, doodsbleek op zijn purperen divan uitgestrekt. Aan
zijne voeten knielde een schenker, die bezig was met de scherven
op te rapen van een kostbaren glazen bokaal, dien de koning, wijl
de hem daarin geboden drank niet smaakte, ongeduldig op den grond
had geworpen. Eene menigte hofbeambten omgaven hun vertoornden
gebieder op eerbiedigen afstand. Het was allen aan te zien, dat zij
de opbruisende drift van den vorst vreesden, en zich liefst zoo ver
mogelijk van hem verwijderd hielden. Eene ademlooze stilte heerschte in
de uitgestrekte zaal, door welker geopende vensters het verblindende
licht en de drukkende hitte van een Babylonischen Mei-dag naar binnen
stroomden. Een groote hond, van edel Epirotisch ras, was de eenige,
die het waagde de diepe stilte af te breken. Cambyzes had met een
forschen schop het hem liefkoozende dier afgewezen, dat nu een kermend
gehuil aanhief. Voordat de stafdrager Hystaspes binnenleidde, was de
koning van zijn divan afgesprongen. Hij kon de vadsige rust niet meer
verdragen; hij dreigde van smart en woede te stikken. Het gehuil van
den hond deed aanstonds eene gedachte opkomen in zijn afgemarteld,
naar vergetelheid smachtend brein.
»Op de jacht!" brulde hij, overeindspringende, zijne ontstelde
hovelingen toe.
De jagermeesters, stalmeesters en de opperbewaker der honden spoedden
zich voort, om het bevel van hun heer ten uitvoer te leggen,
die hun nog toeriep: »Ik wil den ontembaren hengst Reksch [316]
bestijgen. Brengt de valken in gereedheid, laat al de honden los,
ontbiedt een ieder die de speer kan voeren! Wij zullen de diergaarde
eens terdege opruimen!"
Als hadden deze weinige woorden zijn geweldig lichaam geheel
uitgeput, zoo viel hij opnieuw op den divan neder. Hij bemerkte
niet, dat Hystaspes was binnengekomen; zijne sombere blikken volgden
onafgebroken het vroolijk spel der stofjes in de door het venster
vallende zonnestralen. De vader van Darius durfde den vertoornden
vorst niet aanspreken. Om 's konings aandacht op zich te vestigen,
ging hij voor het venster staan, zoodat zijne schaduw de breede
lichtstraal verdeelde.
Cambyzes sloeg eerst een toornigen, daarna een smartelijken blik op
dien man in zijne gescheurde kleeding, en vroeg: »Wat wilt ge? Waarom
knielt ge?"
»Heil zij den koning! Uw arme dienaar en oom is gekomen, om de genade
van zijn heer in te roepen!"
»Sta op en verwijder u! Gij weet, dat ik voor meineedigen en valsche
getuigen geene genade ken. Beter is het een dooden, dan een eerloozen
zoon te hebben."
»Maar als Bartja eens onschuldig ware, en Darius...."
»Gij vermeet u mijne uitspraak te bedillen?"
»Dat zij verre. Wat de koning doet is goed, en duldt geene tegenspraak;
maar...."
»Zwijg! Ik wil niet, dat men deze zaak opnieuw aanroere. Gij zijt
als vader te beklagen, maar mij hebben de laatste uren ook geene
vreugde gebracht. Ik heb medelijden met u, grijsaard, maar ik mag
het vonnis van uw zoon niet intrekken, evenmin als gij het bedreven
kwaad ongedaan kunt maken."
»Maar zoo Bartja toch eens onschuldig ware. Wanneer de goden...."
»Meent gij, dat de geesten des hemels bedriegers en meineedigen
ondersteunen?"
»Neen, mijn koning! Maar een nieuwe getuige heeft zich opgedaan,
die...."
»Een nieuwe getuige? Voorwaar, ik zou gaarne de helft van mijn rijk
geven, als ik overtuigd kon worden van de onschuld van zoo velen,
die aan mijn huis zoo nauw verwant zijn!"
»Heil zij mijn heer, het oog des rijks! Buiten toeft een Helleen,
naar zijne gestalte en houding te oordeelen, een der edelsten van
zijn stam. Deze beweert de onschuld van Bartja te kunnen bewijzen."
De koning hernam met een bitteren lach: »Een Helleen! Wellicht een
bloedverwant van de schoone, die Bartja voorgaf zoo hartstochtelijk
te beminnen? Wat zou deze vreemdeling van de aangelegenheden van
mijn huis weten? Maar ik ken die Ionische hongerlijders, vermetel
en schaamteloos mengen zij zich in alles, en meenen ons met hunne
listigheid om den tuin te kunnen leiden. Hoeveel hebt gij, oom,
voor dezen nieuwen getuige betaald? De Grieken zijn even mild met
leugens, als de magiërs met zegenspreuken, en ik weet zeer goed,
dat zij voor goud tot alles in staat zijn. Ik ben nieuwsgierig uw
nieuwen getuige te zien. Roep hem! Maar als hij mij bedriegen wil,
laat hem dan blijven waar hij is, en bedenken dat, waar het hoofd van
een zoon van Cyrus valt, het op de koppen van duizend Grieken niet
aankomt!"--Bij deze woorden fonkelde 's konings oog opnieuw van toorn;
Hystaspes antwoordde niets, maar liet den Helleen roepen.
Alvorens deze binnentrad, bonden de stafdragers een doek voor zijn
mond, en zeiden hem, dat hij zich voor den koning moest nederwerpen. De
Griek trad in eene ongedwongene, edele houding naar den vorst toe,
die met zijn bliksemend oog tot op den bodem zijner ziel scheen te
willen doordringen, en wierp zich, overeenkomstig Perzisch gebruik,
voor hem neder en kuste den grond.
Het innemend gelaat en de fiere gestalte van den vreemdeling, die
zijn blik rustig en met bescheidenheid beantwoordde, scheen een
gunstigen indruk op den koning te maken; althans hij liet hem niet
lang in zijne slaafsche houding, en vroeg hem, op vrij minzamen toon:
»Wie zijt gij?"
»Ik ben een Grieksch edelman, mijn naam is Phanes, mijne vaderstad
Athene. Tien jaren lang heb ik, als krijgsoverste en aanvoerder der
Grieksche soldaten, in dienst van Amasis niet zonder roem gestreden."
»Zijt gij dezelfde, die de Egyptenaren de overwinning op Cyprus
deed behalen?"
»Dezelfde."
»Wat voert u naar Perzië?"
»De roem van uw naam, o Cambyzes, en de begeerte, mijn zwaard en
mijne ondervinding aan u ten dienst te stellen."
»Verder niets? Wees oprecht, en bedenk, dat een enkele leugen u het
leven kan kosten. Wij Perzen, hebben andere begrippen van de waarheid,
dan gij, Hellenen!"
»Ook ik haat de leugen, al ware het alleen omdat zij de schoonheid van
's menschen karakter misvormt."
»Welnu, spreek dan!"
»Gij hebt gelijk, o koning, er bestaat nog eene derde oorzaak, om
welke ik naar Perzië kwam, en deze zal ik u ook later doen kennen. Zij
betreft iets ongemeen belangrijks, tot de bespreking waarvan wij
echter veel tijd noodig hebben; heden echter..."
»Juist heden wil ik gaarne iets nieuws hooren. Vergezel mij op de
jacht! Gij komt, als waart gij geroepen, want nooit had ik grootere
behoefte aan afleiding dan thans."
»Ik zal u gaarne vergezellen, wanneer gij...."
»Men stelt den koning geen voorwaarden! Zijt gij bedreven in de jacht?"
»Ik heb menigen leeuw in de Lybische woestijn gedood."
»Volg mij dan!"
Bij de gedachte aan het jachtvermaak scheen de koning zijne uitputting
geheel te boven te zijn, en reeds wilde hij de zaal verlaten, toen
Hystaspes zich andermaal aan zijne voeten wierp, en met opgehevene
handen uitriep: »Moet mijn zoon, moet uw broeder dan onschuldig
sterven? Bij de ziel uws vaders, die mij zijn trouwsten vriend placht
te noemen, bezweer ik u, dezen edelen vreemdeling aan te hooren!"
Cambyzes bleef staan. Hij fronste het voorhoofd, zijne stem klonk
dreigend en hol, en zijne oogen schoten vuur, toen hij den Griek
toeriep, terwijl hij zijne hand tegen hem ophief: »Zeg wat gij
weet! Maar bedenk, dat gij met het eerste leugenachtige woord uw
eigen doodvonnis uitspreekt!"
Phanes hoorde deze dreigende woorden met de grootste kalmte aan,
en antwoordde, met eene bevallige buiging: »Voor de zon en voor mijn
koning kan niets verborgen blijven. Hoe zou een arm sterveling voor
den almachtige de waarheid kunnen bedekken? De edele Hystaspes zegt,
dat ik stellig de onschuld van uw broeder zal bewijzen; ik kan echter
slechts hopen en wenschen dat ik dit groote doel bereiken moge. Dit
is zeker, dat de goden mij een spoor hebben doen ontdekken, waardoor
't mij mogelijk schijnt een geheel nieuw licht over de gebeurtenissen
van gisteren te verspreiden. Oordeel zelf of mijne hoop zoo geheel
ijdel is, en of ik mij met een droombeeld gevleid heb. Maar bedenk
steeds, dat het mijn oprecht verlangen was u te dienen, en dat mijne
dwaling, gesteld dat ik mij bedrogen heb, zeer vergeeflijk is. Bedenk,
dat er niets zekers op de wereld is, en dat een ieder geneigd is dat,
wat hij waarschijnlijk acht, ontwijfelbaar zeker te noemen."
»Gij spreekt goed, en uwe woorden doen mij denken
aan... Vervloekt! Spreek, en maak het kort! Reeds verneem ik het
gebas der honden in het voorhof."
»Ik bevond mij nog in Egypte, toen uw gezantschap daar aankwam om
Nitetis af te halen. In het huis mijner voortreffelijke, beroemde
landgenoote en vriendin Rhodopis maakte ik kennis met Cresus en zijn
zoon, terwijl ik uw broeder en zijne vrienden slechts vluchtig mocht
ontmoeten. Desniettemin bleef mij de herinnering aan het schoone gelaat
van den koninklijken jongeling zeer levendig bij; want toen ik later
te Samos de werkplaats van den grooten beeldhouwer Theodorus bezocht,
herkende ik dadelijk zijne trekken...."
»Hebt gij hem dan op Samos ontmoet?"
»Neen, maar Theodorus had aan het hoofd van een zonnegod, dien de
Alkmaeoniden voor den nieuwen tempel te Delphi bij hem besteld hadden,
de gelaatstrekken van uw broeder gegeven, die hij vast in zijn geheugen
had geprent."
»Het begin van uw verhaal is reeds niet zeer geloofwaardig. Hoe was
het mogelijk, de trekken van een gelaat, dat men niet vóor zich heeft,
zoo trouw weer te geven!"
»Theodorus heeft dit meesterstuk volbracht, en zoo gij zijne
kunstvaardigheid op de proef wilt stellen, zal hij u met genoegen
een tweede beeltenis van uw broeder...."
»Ik begeer die niet. Ga voort!"
»Op mijne reis herwaarts, die ik, dank zij de voortreffelijke
maatregelen uws vaders, in ongelooflijk korten tijd heb gedaan,
daar ik bij iedere vierde mijl van paarden wisselde...."
»Wie heeft u vrijheid gegeven, als vreemdeling, van de postpaarden
gebruik te maken?"
»De voor den zoon van Cresus opgestelde pas, die toevallig in mijn
bezit kwam, toen Gyges, om mijn leven te redden, mij dwong, zijne
kleederen met de mijne te verwisselen."
»Een Lydiër bedriegt den vos, een Syriër den Lydiër; maar een Ioniër
beiden," zeide de koning zacht, terwijl er voor de eerste maal weer
een glimlach om zijne lippen speelde. »Cresus verhaalde mij deze
geschiedenis.--Arme Cresus!" Bij deze woorden trok er wederom een
wolk over Cambyzes' gelaat, en zijne hand beproefde de rimpels op
zijn voorhoofd glad te strijken.
De Athener ging intusschen voort: »Zonder eenige ontmoeting vervolgde
ik mijne reis, tot ik hedenmorgen, in het eerste uur na middernacht,
door een vreemdsoortig voorval werd opgehouden...."
De koning luisterde reeds met meerdere opmerkzaamheid, en drong den
Athener, die het Perzisch niet zeer vlug sprak, wat voort te maken.
»Wij waren," ging Phanes met zijn verhaal voort, »tusschen het
laatste en voorlaatste posthuis Babylon genaderd, en hoopten reeds
vóor het opgaan der zon de stad te zullen bereiken. Ik dacht aan
mijn veelbewogen verleden, en mijn droeve, door de herinnering aan
ongewrokene beleedigingen gekwelde ziel vond geene rust, terwijl de
Egyptische grijsaard aan mijne zijde, door het eentonig geluid der
tegen het paardentuig bengelende klokjes, den gestadigen hoefslag
der paarden en het ruischen van den stroom slaperig geworden,
aan mijne zijde zachtkens ingedommeld was. De nacht was boven alle
beschrijving schoon en stil. De maan goot haar licht over den weg uit,
en vereenigde haar schijnsel met het flikkeren der tallooze sterren,
om het vreedzaam landschap in al zijne schoonheid voor mijn bewonderend
oog te ontsluieren. Sinds een uur hadden wij geen enkel voertuig,
geen enkelen ruiter gezien. De geheele bevolking uit de omstreken van
Babylon was, gelijk wij later vernamen, naar de stad getrokken om,
bij gelegenheid van uw geboortefeest, de pracht van uwe hofhouding te
aanschouwen en in uwe milde gaven te deelen. Op eens echter trof het
geluid van een onregelmatigen hoefslag en het geklingel van klokjes
mijn oor, en weinige oogenblikken later hoorde ik duidelijk om hulp
roepen. Mijn besluit was aanstonds genomen. Ik verzocht den Perzischen
dienaar, die mij te paard begeleidde, af te stijgen, wierp mij in
den zadel, beval den voerman van de kar, waarop mijne slaven zaten,
de muildieren niet te ontzien, maakte mijn dolk en mijn zwaard los, gaf
mijn ros de sporen, en rende naar de plaats van waar het hulpgeschrei,
dat ieder oogenblik luider werd, tot mij kwam. Nog geene minuut later
was ik getuige van een ontzettend tooneel. Drie knapen, van een woest
voorkomen, rukten een jongeling, die het witte kleed der magiërs
droeg, van zijn paard, begroetten hem met eene hagelbui van slagen,
en waren, toen ik op de plek aankwam, juist voornemens hun slachtoffer
in den Euphraat te werpen, die daar ter plaatse de wortels der palm-
en vijgeboomen langs den weg bespoelt. Zonder mij te bedenken hief
ik mijn Helleensch krijgsgeschreeuw aan, dat reeds menigen vijand
deed beven, en wierp mij op de moordenaars, die laf als alle lieden
van dat soort het hazenpad kozen, zoodra zij een hunner kameraden met
gekloofden schedel op den grond zagen liggen. Ik liet de ellendelingen
loopen, en boog mij over den zwaargewonden jongeling neder. Maar wie
beschrijft mijne verbazing, toen ik in hem uw broeder Bartja meende
te herkennen! Ja, dat waren volmaakt dezelfde trekken, die ik te
Naucratis en in de werkplaats van Theodorus gezien had, dat waren...."
»Zonderling!" kon Hystaspes niet nalaten uit te roepen.
»Misschien al te zonderling, om geloofd te kunnen worden," liet
Cambyzes volgen. »Neem u in acht, Helleen, en bedenk, dat mijn arm
ver reikt! Ik zal de waarheid van uw verhaal doen onderzoeken."'
»Ik ben gewoon," antwoordde de Athener met eene diepe buiging, »de
leer te volgen van den wijzen Pythagoras, wiens roem misschien ook
tot uw oor is doorgedrongen, en steeds, alvorens ik spreek, bij mij
zelven te overleggen, of hetgeen ik zeggen ga mij vroeger of later
ook zou kunnen berouwen."
»Dat klinkt schoon en wijs; maar, bij Mithra, ik heb een schepsel
gekend, dat den naam van denzelfden leeraar gestadig op de lippen had,
en zich in hare daden als de trouwste leerlinge van Angramainjus
heeft doen kennen. Gij kent de verraderes, die nog heden als een
giftige adder van de aarde zal worden verdelgd."
»Zult gij het mij niet euvel duiden," vroeg Phanes, die de sporen eener
vreeselijke smart op het gelaat van den koning duidelijk opgemerkt had,
»als ik u eene andere spreuk van onzen grooten meester voorhoude?"
»Spreek!"
»Elk goed wordt even snel verloren, als verworven. Als dus de goden
u smarten toezenden, zoo draag ze met geduld. Mor niet onwillig,
maar bedenk dat de goden niemand zwaardere lasten opleggen, dan
hij vermag te dragen. Hebt gij eene wonde in het hart, zoo raak die
evenmin aan als een lijdend oog. Tegen zielelijden bestaan slechts
twee geneesmiddelen: hoop en geduld!"
Cambyzes luisterde aandachtig naar deze gulden spreuken, uit den mond
van Pythagoras opgevangen, en lachte pijnlijk, toen hij het woord
»geduld" vernam. Maar het verhaal van Phanes had hem bijzonder geboeid,
en hij noodigde dezen dus uit voort te gaan.
»Wij droegen," vervolgde Phanes met eene nieuwe buiging, »den
bewusteloozen jongeling in mijn wagen, en brachten hem naar het niet
ver meer verwijderde posthuis. Daar sloeg hij de oogen op, en vroeg,
mij angstig aanziende, wie ik was en waar hij zich bevond? De waard
uit het posthuis stond bij ons; daarom moest ik mij, om den vrijpas
niet te logenstraffen, die mij nieuwe paarden bezorgde, voor Gyges,
den zoon van Cresus uitgeven.
»De gewonde scheen hem te kennen, wiens naam ik mij toeëigende, want
hij schudde zachtkens het hoofd en fluisterde: Gij zijt niet degeen,
voor wien gij u uitgeeft. Daarop sloot hij weder de oogen en kreeg
eene hevige koorts. Wij ontkleedden hem, deden hem eene aderlating
en verbonden zijne kwetsuren. Mijn Perzische dienaar, die Bartja had
gezien aan het hof van Amasis, alwaar hij de betrekking van opzichter
over de stallen bekleed had, en de Egyptische grijsaard, die mij
vergezelde, boden mij de behulpzame hand, en de eerste hield niet op te
verzekeren, dat de gekwetste niemand anders dan uw broeder was. Zelfs
de waard van het posthuis zwoer, toen we 's jongelings gelaat van het
bloed gezuiverd hadden, dat de aangerande zonder eenigen twijfel de
jongere zoon van uw grooten vader was. Intusschen was mijn Egyptische
reisgenoot naar buiten gegaan, en had uit de reisapotheek [317], zonder
welke een Egyptenaar niet dan ongaarne zijn vaderland verlaat, een
drank gekregen, waarvan hij den kranke een weinig ingaf. De droppels
werkten zoo wonderbaar, dat het door de koorts heftig bewogen bloed
na weinige uren tot rust kwam, en de jongeling bij het opkomen der
zon wederom de oogen opsloeg. Nu bogen wij ons voor hem neder, als
voor uw broeder, en vroegen hem of hij verlangde naar het paleis
te Babylon vervoerd te worden. Hij verzekerde ons echter met drift,
dat hij niet diegeen was, voor wien wij hem aanzagen, maar...."
»Wie mag zoo sprekend op Bartja gelijken? Spreek! Ik ben nieuwsgierig,
dit te vernemen!" viel de koning den spreker in de rede.
»Hij gaf voor de broeder te zijn van uw opperpriester, dat zijn naam
was Gaumata, en dat men dezen op den pas, die in de mouwen van zijn
kleed verborgen was, kon vinden. De waard van de herberg vond het
bedoelde stuk, en bevestigde de bewering van den lijder, die kort
daarop weder door eene nieuwe heftige aandoening van koorts werd
aangegrepen, gedurende welke hij allerlei onsamenhangende woorden
uitbracht."
»Kondet ge ook verstaan, wat hij zeide?"
»Voorzeker! Hij herhaalde onophoudelijk hetzelfde. De hangende tuinen
schenen vooral zijne gedachten bezig te houden. Hij moest kort
te voren aan een groot gevaar zijn ontkomen, en heeft op gemelde
plaats waarschijnlijk eene samenkomst gehad met zijne liefste,
Mandane geheeten."
»Mandane!" prevelde Cambyzes voor zichzelven, »Mandane! Als ik mij
niet bedrieg, draagt de eerste kamerjuffer van de dochter van Amasis
dien naam."
Aan het fijne gehoor van den Griek ontsnapten deze woorden niet. Eenige
seconden bezon hij zich; dan plooide een blijde glimlach zijne lippen,
en riep hij: »Stel de gevangenen gerust op vrije voeten, mijn koning,
want ik blijf u met mijn hoofd borg, dat Bartja niet op de hangende
tuinen geweest is!"
De koning zag den koenen spreker verwonderd, maar vriendelijk
aan. Het opene en innemende gelaat, de vrije en ongedwongene houding,
waarmede de Athener tegenover hem stond, was hem iets geheel nieuws,
en oefende een wonderlijken invloed op hem uit, evenals de zeelucht
op iemand, wiens verhit voorhoofd voor de eerste maal door haar wordt
afgekoeld. Terwijl zijn grooten, ja zelfs zijne naaste bloedverwanten
hem slechts met gekromden rug durfden toespreken, stond deze Griek, met
zijne rijzige, fiere gestalte, als zijns gelijke voor hem. Terwijl de
Perzen ieder woord dat zij tot hun gebieder richtten, met bloemrijke
volzinnen en vleiende spreekwijzen plachten op te sieren, sprak de
Athener rond, eenvoudig en ongekunsteld. Daarbij ging zijne rede met
zulke bevallige gebaren en zoo sprekende blikken vergezeld, dat de
koning, ondanks Phanes' onbedrevenheid in de Perzische taal, hem beter
verstond, dan de, in den regel in gelijkenissen ingekleede berichten
zijner eigene onderdanen. Alleen tegenover dezen man en tegenover
Nitetis vergat hij, dat hij vorst was. Hier stond de mensch voor den
mensch; hier voelde de despoot niet meer, dat hij met iemand sprak,
wiens leven of dood een speelbal zijner luimen was. Zoo machtig werkten
de waardigheid van den man, het gevoel van eigenwaarde in een mensch,
die zichzelven bewust is rechtmatige aanspraak op vrijheid te hebben,
en de zedelijke meerderheid zelfs op den strengen dwingeland. Ook was
er nog iets anders, dat Cambyzes zoo snel voor dezen man innam. De
Griek toch scheen gekomen te zijn, om hem misschien den dierbaarsten
en reeds verloren geachten schat weder te geven. Maar kon het leven
van dezen vreemden avonturier als borg voor de zonen van de eersten
in Perzië worden aangenomen? En toch voelde zich de koning door den
voorslag van Phanes niet beleedigd. Hij glimlachte veeleer over de
stoutheid van den Helleen, die zich in zijn ijver van den doek, die
zijn mond en baard bedekte, bevrijd had, en riep: »Bij Mithra, het
komt mij voor, Helleen, dat gij het goed met ons meent! Ik neem uw
voorslag aan. Zijn de gevangenen in spijt uwer vermoedens, schuldig,
dan zijt gij verplicht uw leven lang als mijn dienaar aan dit hof te
blijven; gelukt het u echter datgene te bewijzen, waarnaar mijn hart
zoo vurig verlangt, dan verhef ik u tot den rijkste uwer landgenooten."
Phanes maakte glimlachend een gebaar, als wilde hij zeggen, dat
hij dit niet begeerde, en vroeg: »Veroorlooft gij mij, tot u en uwe
hofbeambten eenige vragen te richten?"
»Spreek en vraag, hoe en wat gij wilt!"
Op dat oogenblik trad de opperjachtmeester in de zaal, en kondigde aan,
dat alles in gereedheid was.
»Men wachte!" sprak de koning op barschen toon tot zijne dischgenooten,
die tengevolge van den gemaakten spoed, om 's konings bevel ten uitvoer
te leggen, bijkans buiten adem waren. »Ik weet niet, of er heden wel
van jagen zal komen. Waar is de hoofdman der zweepdragers Bischen?"
Datis, het zoogenaamde oog des konings, het hoofd van alle
politiebeambten des rijks, snelde naar buiten en keerde binnen weinige
minuten, die Phanes zich ten nutte had gemaakt, om verscheidene der
aanwezige grooten over allerlei voor hem gewichtige bijzonderheden
te ondervragen, met den genoemden persoon terug.
»Wat doen de gevangenen?" vroeg Cambyzes den voor hem op den grond
liggenden hoofdman.
»Heil zij den koning! Zij verwachten rustig den dood, want het is
zoet door uw wil te sterven."
»Hebt gij ook iets van hunne gesprekken afgeluisterd?"
»Ja, mijn koning!"
»Belijden zij elkander, dat zij schuldig zijn?"
»Mithra alleen vermag in het hart te zien; maar gij, mijn vorst, zoudt,
als ik, uw armste knecht, aan de onschuld dezer veroordeelden gelooven,
als gij hen hoordet spreken."
De hoofdman zag angstig tot den koning op, vreezende dat deze woorden
misschien zijn toorn zouden hebben opgewekt. Cambyzes antwoordde echter
met een blik van tevredenheid, in plaats van op te vliegen. Plotseling
deed eene sombere gedachte eene wolk over zijn voorhoofd trekken, en
nauw hoorbaar vroeg hij: »Wanneer is het vonnis aan Cresus voltrokken?"
De hoofdman sidderde, toen hij dit woord vernam; het angstzweet parelde
op zijn voorhoofd, en slechts stamelend konden zijne lippen uitbrengen:
»Hij is.... hij heeft.... wij dachten...."
»Wat dacht gij?" hernam Cambyzes, in wiens borst een straal van hoop
doordrong. »Hebt gij misschien mijn bevel niet op staanden voet ten
uitvoer gebracht? Leeft Cresus wellicht nog? Spreek, spreek, ik wil
de volle waarheid weten!"
De hoofdman kromde zich als een worm aan de voeten van zijn gebieder,
en stamelde eindelijk, de handen smeekend naar hem opheffende: »Genade,
genade, mijn koning! Ik ben een arm man, en heb dertig kinderen,
van welke vijftien...."
»Ik wil weten, of Cresus leeft of niet!"
»Hij leeft! Ik dacht, dat ik niet misdeed, als ik hem, wien ik alles
verplicht ben, een paar uren langer in het leven liet, opdat hij...."
»Het is genoeg!" riep thans de koning, ruimer ademhalende. »Ditmaal
zal ik u uwe ongehoorzaamheid niet toerekenen, en wijl gij zoovele
kinderen hebt, mag de schatmeester u vijf talenten uitbetalen.--Ga
thans naar de gevangenen; verzoek Cresus hier te komen, en zeg den
anderen, dat zij, zoo ze onschuldig zijn, goedsmoeds kunnen wezen."
»Mijn koning is het licht der wereld en een oceaan van genade!"
»Bartja en zijne vrienden behoeven niet langer opgesloten te
blijven. Zij mogen zich onder uwe bewaking in het voorhof van het
paleis begeven. Gij, Datis, ga dadelijk naar de hangende tuinen en
beveel Boges, de voltrekking van het vonnis der Egyptische op te
schorten. Wijders moet eene afdeeling der lijfwacht naar het posthuis
worden gezonden, waarvan de Athener gesproken heeft, om den daar
liggenden gekwetste herwaarts te brengen."
Het oog van den koning wilde zich verwijderen. Phanes hield hem
evenwel terug, en vroeg: »Veroorlooft mijn koning mij éene opmerking?"
»Spreek!"
»Het komt mij voor, dat de overste der eunuchen ons de beste
inlichtingen kan geven. Die jongeling sprak terwijl hij ijlde zijn
naam meermalen uit, en wel in verband met dien zijner liefste."
»Haast u, Datis, breng Boges dadelijk hier!"
»Ook moet, dunkt mij, de opperpriester Oropastes, als broeder van
Gaumata, verhoord worden en evenzeer Mandane, die, gelijk mij zoo
even voor vast is verzekerd, de eerste kamerjuffer der Egyptische is."
»Zend beiden hierheen, Datis!"
»Wanneer men eindelijk Nitetis zelve...."
Bij deze woorden van den Athener verbleekte de koning, en eene lichte
huivering voer door zijne leden. Hoe gaarne zou hij de geliefde
hebben wedergezien! Maar de sterke vorst vreesde de betooverende of
verwijtende blikken van deze vrouw. Daarom riep hij, naar de deur
wijzende, Datis toe: »Ga, en haal Boges en Mandane; de Egyptische
moet nog, onder goede bewaking, op de hangende tuinen blijven!"
De Athener boog eerbiedig, als wilde hij zeggen: »Gij alleen hebt op
deze plaats te bevelen."
De koning beschouwde hem met zichtbaar welgevallen, en zette zich
weder op zijn purperen divan. In gepeins verdiept, liet hij het hoofd
in de hand rusten, en vestigde zijn blik op den grond. Het beeld der
eenmaal zoo innig geliefde vrouw trad, ondanks alle inspanning om
het te verdrijven, telkens helderder voor zijne verbeelding, en de
gedachte, dat deze trekken onmogelijk die eener bedriegster konden
zijn, dat Nitetis misschien toch nog onschuldig was, verkreeg steeds
vaster voet in zijn voor de hoop opnieuw ontsloten hart. Bleek Bartja
werkelijk onschuldig te zijn, dan was ook iedere andere dwaling
denkbaar; dan wilde hij in persoon naar de hangende tuinen gaan,
hare hand vatten en hare verdediging aanhooren. Heeft de liefde een
man, in de kracht des levens, in het hart getroffen, dan slingert zij
zich, gelijk de aderen door het lichaam, door zijn gansche wezen heen,
en kan slechts met zijn leven worden uitgeroeid.
Toen Cresus in de zaal verscheen, ontwaakte Cambyzes uit zijne
mijmeringen, hief den grijsaard, die zich aan zijne voeten geworpen
had, vriendelijk op, en zeide: »Gij hebt u aan mij vergrepen; ik
wil echter genade bewijzen, gedachtig aan het laatste woord van mijn
stervenden vader, waarmede hij mij gebood u als raadgever en vriend
te eeren. Neem uw leven uit mijne hand terug, en vergeet mijn toorn,
gelijk ik uwe oneerbiedigheid vergeten wil. Laat u thans door dien
man, die voorgeeft u te kennen, mededeelen wat hij onderstelt. Daarna
verneem ik gaarne ook uwe meening."
Diep bewogen wendde Cresus zich tot den Athener, en liet zich door
dezen, na hem hartelijk welkom te hebben geheeten, in zijne vermoedens
inwijden. De grijsaard werd met ieder oogenblik oplettender, hief,
toen Phanes zweeg, zijne handen ten hemel op, en riep: »Vergeeft
mij, gij eeuwige goden, dat ik ooit aan uwe rechtvaardigheid heb
getwijfeld. Is het niet opmerkelijk, Cambyzes? Mijn zoon waagde zijn
leven, om het leven van dezen edelen mensch te redden, en thans voeren
de goden den geredde naar Perzië, om wat Gyges hem deed tienvoudig
te vergelden! Ware Phanes door de Egyptenaren vermoord geworden, dan
zouden wellicht reeds in dit uur de hoofden onzer zonen zijn gevallen."
Bij deze woorden wierp Cresus zich aan de borst van Hystaspes, die,
gelijk hij, zijn geliefden zoon als ten tweeden male zag geboren
worden.
De koning, Phanes en de Perzische grootwaardigheidsbekleeders
aanschouwden met diepe ontroering de elkander omarmende
grijsaards. Geen der aanwezigen twijfelde meer aan de onschuld van
Bartja, ofschoon die tot nog toe slechts door vermoedens kon worden
bewezen. Waar het geloof aan schuld zwak is, vindt de verdediger
gewoonlijk wijd geopende ooren.