ELFDE HOOFDSTUK.

Met echt Attische scherpzinnigheid had Phanes uit het gehoorde de ware

toedracht dezer treurige zaak opgemaakt. Hij had al spoedig begrepen,

dat ook de boosheid hare hand in het spel moest hebben gehad; want

Bartja's dolk kon niet anders, dan door tusschenkomst van een verrader,

op de hangende tuinen zijn gekomen. Terwijl hij dit zijn vermoeden

den koning te kennen gaf, werd de opperpriester Oropastes door de

stafdragers de zaal binnengeleid.

De koning zag hem toornig aan en vroeg, zonder een enkel woord tot

inleiding: »Hebt gij een broeder?"

»Ja, mijn koning. Hij en ik zijn de eenigen, die nog in leven zijn,

van zes broeders en zusters. Mijne ouders...."

»Is deze broeder ouder of jonger dan gij?"

»Ik was de oudste van ons allen, terwijl hij, de jongste, mijn vader

tot vreugde van zijn ouderdom geboren werd."

»Hebt gij ooit eene in het oog vallende gelijkenis tusschen hem en

een mijner bloedverwanten opgemerkt?"

»Ja, mijn koning, Gaumata gelijkt zoo sprekend op uw broeder Bartja,

dat men hem steeds in de priesterschool te Rhagae, waar hij zich

thans nog bevindt, den prins noemde."

»Was hij in de laatste dagen te Babylon?"

»Tijdens het nieuwjaarsfeest voor het laatst."

»Spreekt gij de waarheid?"

»Mijn kleed en mijn ambt zouden mij dubbel strafbaar maken, als ik

mijn mond opende om een leugen te zeggen."

Het gelaat van den koning werd vuurrood van toorn, en met een barsche

stem riep hij: »En toch liegt gij, want Gaumata was gisterenavond

hier!--Gij beeft! Daartoe hebt gij alle reden."

»Mijn leven behoort u, wien alles toebehoort; desniettemin zweer ik,

de opperpriester, bij den hoogsten God, dien ik dertig jaren lang

trouw gediend heb, dat ik er niets van weet, dat mijn broeder gisteren

binnen Babylon is geweest."

»Uw aangezicht draagt den stempel der waarheid."

»Gij weet dat ik, gedurende den gewichtigen dag van gisteren, geen

oogenblik uwe zijde verlaten heb."

»Dat weet ik!"

Andermaal openden zich de deuren, om de sidderende Mandane binnen te

laten. De opperpriester zag haar met verbaasden en vragenden blik in

het ontroerde gelaat. Aan het scherpziend oog van den koning ontging

het niet, dat de kamerjuffer in zekere betrekking stond tot Oropastes;

daarom vroeg hij dezen, zonder verder acht te slaan op de maagd,

die sidderend aan zijne voeten lag: »Kent gij deze vrouw?"

»Ja, mijn koning. Door mijne voorspraak verwierf zij de hooge

betrekking van eerste kamerjuffer en opperste van alle dienstdoende

personen bij de Egyptische koningsdochter--Aoeramazda schenke haar

vergiffenis!"

»Hoe kwaamt gij, een priester er toe, om deze jonge vrouw zoo uitermate

te begunstigen?"

»Haar ouders stierven aan dezelfde pest, die mijne broeders

wegrukte. Haar vader was een eerbiedwaardig priester en een vriend van

ons huis. Daarom namen wij het meisje tot ons, gedachtig aan de leer:

»Geeft gij den reinen man en zijner weduwe en zijne weezen niets, dan

zult gij van de reine en onderworpene aarde in stekende brandnetels,

in gruwzaam lijden en in de vreeselijkste plaatsen geslingerd

worden." Aldus werd ik haar pleegvader, en liet ik haar met mijn

jongsten broeder opvoeden, tot deze naar de priesterschool vertrok."

De koning wisselde een blik van verstandhouding met Phanes, en vroeg:

»Waarom behieldt gij het meisje, dat toch schoon van gelaat is,

niet bij u?"

»Toen zij de oorringen had gekregen, oordeelde ik het voegzaam haar,

eene jonkvrouw, uit mijn priesterlijk huis te verwijderen, en haar

eene zelfstandige toekomst te verzekeren."

»Heeft zij, als volwassen meisje, uw broeder nog weergezien?"

»Ja, mijn koning. Zoo dikwijls Gaumata mij bezocht, liet ik hem met

Mandane als met zijne zuster verkeeren; toen mij echter duidelijk werd,

dat zich in de kinderlijke vriendschap de hartstocht der jeugd begon

te mengen, kwam het besluit meer en meer tot rijpheid om het meisje

uit mijn huis te verwijderen."

»Wij weten genoeg," zeide de koning, den opperpriester door een wenk

te kennen gevende, dat hij zich ter zijde kon begeven. Daarna zag

hij op het meisje neder, en zeide op gebiedenden toon: »Sta op!"

Mandane stond sidderende en bevende overeind. Haar anders zoo blozend

gelaat was bleek als de dood, en hare roode lippen hadden eene blauwe

tint aangenomen.

»Verhaal, wat gij van den avond van gisteren weet; maar bedenk,

dat éen enkele leugen uw doodvonnis is!"

De knieën van het angstige kind begonnen zoo sterk te knikken, dat

zij zich ter nauwernood staande kon houden. De vrees belette haar

een enkel woord uit te brengen.

»Mijn geduld is kort!" riep Cambyzes haar waarschuwend toe.

Mandane dreigde neder te zijgen; haar aangezicht werd nog bleeker,

hare tong was als verstijfd. Daar trad Phanes naar den vorst toe,

die opnieuw in toorn was ontstoken en vroeg hem bijna fluisterend

vergunning om het meisje te verhooren. Haar mond thans door angst

gesloten, zou met een zacht woord oogenblikkelijk geopend worden.

Cambyzes gaf met een hoofdknik zijne toestemming. Wat de Athener

voorzien had, gebeurde; want nauwelijks had hij Mandane van de

welwillendheid van al de aanwezigen verzekerd, zijne hand op haar

hoofd gelegd, en haar vriendelijk toegesproken, of zij barstte

los in snikken, en een stroom van tranen bevochtigde hare bleeke

wangen. Hij wist den band, die hare tong gesnoerd had, los te maken,

en nu verhaalde zij, dikwerf met een snik afbrekende, alles wat zij

wist. Zij verzweeg niet, dat Boges die heimelijke samenkomst had in de

hand gewerkt, en het minnend paar in zijne bescherming had genomen,

en eindigde met de woorden: »Ik weet wel, dat ik mijn leven verbeurd

heb, en dat ik het slechtste en ondankbaarste schepsel van de geheele

wereld ben. Maar al dat kwaad ware voorkomen geworden, als Oropastes

zijn broeder toegestaan had mij te huwen!"

Bij deze haastig uitgesprokene woorden, begon zij opnieuw te snikken

en biggelden groote tranen haar langs de wangen, terwijl de ernstigste

toehoorders, ja zelfs de koning, zich niet weerhouden konden even

te glimlachen.

Deze glimlach redde haar leven, dat zeker ernstig werd bedreigd. Na

hetgeen Cambyzes gehoord had, ware het hem zeker onmogelijk geweest,

zijne lippen tot een lach te plooien, als Mandane niet, met dat fijne

instinct, dat der vrouw juist in de ure van het dreigendste gevaar

zoo gereedelijk ten dienste staat, geweten had, hoe den koning in

zijne zwakke zijde aan te tasten en daarvan partij te trekken. Veel

langer dan noodig was, had zij dus stilgestaan bij de verrukking van

Nitetis over de geschenken van haar koninklijken geliefde.

»Duizendmaal," riep zij, »kuste mijne meesteres al de dingen, die men

haar van uwentwege, o koning, bracht. Maar vooral drukte zij dikwerf

hare lippen op den bloemruiker, dien gij, eenige dagen geleden, met

eigen hand geplukt hadt. En toen de ruiker begon te verwelken, nam

zij bloem voor bloem in de hand, breidde de fijne blaadjes zorgvuldig

uit, legde ze tusschen wollen doeken, en plaatste zelve hare zware

gouden zalfdoos daarop, om ze te drogen en als eene gedachtenis aan

uwe goedheid te bewaren."

Zij merkte op, dat het gelaat van haar strengen rechter bij deze

woorden verhelderde, en schepte daaruit nieuwen moed, om harer

meesteres woorden in den mond te leggen, die zij nooit had geuit. Zij

beweerde honderdmaal gehoord te hebben, dat Nitetis den naam »Cambyzes"

met onuitsprekelijke teederheid in den slaap uitriep. Eindelijk zweeg

zij, na nog met eene door snikken nauw hoorbare stem om genade te

hebben gesmeekt.

Zonder toorn, maar met diepe verachting zag de koning op haar

neder. Haar met den voet van zich stootende, riep hij: »Uit mijne

oogen, verachtelijk schepsel! Bloed als het uwe zou de bijl van den

beul slechts bezoedelen! Uit mijne oogen!"

Mandane liet zich geen tweemaal zeggen de zaal te verlaten. Dat »uit

mijne oogen" klonk in haar oor als de liefelijkste muziek. Als eene

opgejaagde hinde vloog zij door de wijde voorhoven van het paleis,

om op de straat de saamgedrongene menigte als eene krankzinnige in

de ooren te gillen: »Ik ben vrij! Ik ben vrij!"

Nauwelijks had zij de zaal verlaten, toen Datis, het oog des konings,

terugkeerde en den koning het bericht bracht, dat men den overste

der eunuchen overal tevergeefs gezocht had. Op eene raadselachtige

wijze was hij van de hangende tuinen verdwenen. Hij, Datis, had

echter zijne onderhoorigen gelast, den vluchteling op te sporen,

en hem dood of levend over te leveren.

Deze boodschap deed den vorst in eene geweldige vlaag van toorn

uitbarsten, en hij bedreigde den politiebeambte, die van den

volksoploop opzettelijk voor zijn vorst had gezwegen, met zware

straf, indien men den voortvluchtige niet vóor den volgenden morgen

achterhaald had.

Nauwelijks had hij uitgesproken, toen de stafdrager een eunuch van

de moeder des konings binnenleidde, door wien zij haar zoon om een

mondgesprek liet verzoeken.

Cambyzes aarzelde geen oogenblik, om aan den wensch zijner blinde

moeder gevolg te geven. Hij reikte Phanes de hand ten kus, eene hooge

eer, die in den regel slechts aan dischgenooten werd gegund, en riep:

»Men stelle terstond al de gevangenen op vrije voeten. Gaat heen tot

uwe zonen, gij beangste vaders, en zegt hun, dat zij zich van mijne

gunst en genade kunnen verzekerd houden. Voor ieder hunner zal ik

wel een satrapie weten te vinden, ter vergoeding van dezen nacht van

onschuldige gevangenschap. U, mijn Helleenschen vriend, ben ik grooten

dank verschuldigd. Om mij daarvan te kwijten, en u aan mijn hof te

verbinden, verzoek ik u, u door onzen schatmeester honderd talenten

[318] te doen uitbetalen."

»Zulk eene groote som zal ik ternauwernood weten te gebruiken."

»Misbruik haar dan!" antwoordde de koning met vriendelijken

lach. Daarop verliet hij de zaal, vergezeld van zijn hofbeambten,

aan de deur zich evenwel nog eens omkeerende, om den Athener toe te

roepen: »Tot wederziens, aan den maaltijd!"

Terwijl dit alles voorviel, heerschte er in de vertrekken van de moeder

des konings de grootste neerslachtigheid. Nadat Cassandane kennis

genomen had van dien rampzaligen brief aan Bartja, geloofde zij aan

de ontrouw van Nitetis, maar volhardde in hare overtuiging omtrent

de onschuld van haar geliefden zoon. Wien kon ze nu nog vertrouwen,

als het meisje, in hetwelk zij tot nog toe de verpersoonlijking van

alle vrouwelijke deugden had meenen te aanschouwen, eene verachtelijke

boeleerster moest worden genoemd, als de edelste jongelingen zich aan

meineed konden schuldig maken? Nitetis was erger dan dood voor haar;

Bartja, Cresus, Darius, Gyges, Araspes, met wie allen haar hart door

banden des bloeds en der vriendschap verbonden was, waren zoo goed als

gestorven. En zij durfde niet eens hare tranen den vrijen loop laten,

want de zware taak rustte op haar, de uitbarstingen der wanhoop van

haar woest kind te beteugelen.

Atossa stelde zich aan als eene razende, toen zij vernam dat de

doodvonnissen geveld waren. De gematigdheid, die haar door den

omgang met de Egyptische eigen was geworden, verliet haar geheel,

en haar zoo lang bedwongen onstuimig karakter deed zich nu met

verdubbelde heftigheid gelden. Nitetis, hare eenige vriendin,

Bartja haar broeder, aan wien zij met hare gansche ziel hing, Darius,

wien zij, nu gevoelde zij het eerst recht goed, niet slechts als den

redder van haar leven een dankbaar hart toedroeg, maar dien zij met

de innigheid eener eerste liefde beminde, Cresus, dien zij als haar

vader vereerde;--kortom allen, die haar dierbaar waren, zou zij nu

met één slag verliezen. Zij scheurde hare kleederen, rukte zich de

haren uit, noemde Cambyzes een monster van wreedheid, en ieder, die

aan de schuld van zulke voortreffelijke menschen geloofde, blind en

krankzinnig. Dan smolt zij weder weg in tranen, en zond ootmoedige

gebeden tot de goden op, om weinige minuten later hare moeder te

bezweren, haar naar de hangende tuinen te vergezellen, en met haar

de verdediging van Nitetis aan te hooren.

Cassandane beproefde het onstuimige meisje tot kalmte en berusting te

brengen, en verzekerde haar, dat iedere poging om Nitetis te spreken,

zou blijken ijdel te wezen. Nu begon Atossa opnieuw uit te varen,

zoodat de oude vrouw haar ten laatste met moederlijke gestrengheid

het stilzwijgen moest opleggen, en bij het aanbreken van den morgen

haar beval zich naar haar slaapvertrek te begeven.

Het meisje gehoorzaamde, doch zette zich, in plaats van zich ter rust

te begeven, aan het open venster, dat haar het uitzicht gaf op de

hangende tuinen. Met betraande oogen tuurde zij naar het huis tegenover

haar, waarin thans hare vriendin, hare zuster, eenzaam, verlaten,

verstooten, een smadelijken dood verbeidde. Plotseling scheen, door

eene buitengewone inspanning van den wil, haar door tranen verduisterd

oog opnieuw te verhelderen. Het staarde niet meer in de onbegrensde

ruimte, maar vestigde zich onafgewend op een zwart punt, dat uit de

richting van de woning der Egyptische, van oogenblik tot oogenblik

grooter en beter te onderscheiden, recht op haar aankwam, en zich

eindelijk op eene cypres voor haar venster neerliet. Opeens verdween

de toornige uitdrukking van haar liefelijk gelaat; voor de eerste maal

sedert vele uren kon zij met verruimde borst ademhalen. Zij klapte

in de handen en riep uit: »O, zie! daar is de vogel Homaï [319],

de geluksvogel! Nu zal zich alles ten beste schikken!"--Dezelfde

paradijsvogel, welks verschijning in het hart van Nitetis zulk een

troostenden balsem had uitgestort, schonk ook Atossa nieuwe hoop.

Zij nam den tuin nauwkeurig op, of ook iemand haar bespieden kon,

en toen zij niemand gewaarwerd dan den ouden hovenier, sprong zij,

bevende als eene achtervolgde ree, het venster uit, brak eenige

rozeknoppen en cypressetakjes af, en naderde daarmede den grijzen

tuinman, die hare bewegingen had gadegeslagen, terwijl hij zachtkens

het hoofd schudde. Zij streelde de wangen van den oude, als ware hij

haar vader geweest, legde hare bloemen in zijne grove hand, en vroeg:

»Hebt gij mij lief, Sabaces?"

»O, meesteres!" zeide de grijsaard, waarbij hij den zoom van het

gewaad der koningsdochter in vervoering aan de lippen drukte.

»Ik geloof u, vadertje, en wil u bewijzen, dat ik mijn ouden goeden

Sabaces vertrouw. Verberg deze bloemen goed, en begeef u, zoo snel

uwe krachten het u toelaten, naar het paleis van den koning. Zeg,

dat gij vruchten voor de tafel brengt. Naast de wachtkamer der

Onsterfelijken worden mijn arme broeder Bartja en Darius, de zoon van

den edelen Hystaspes, gevangengehouden. Zorg dat deze bloemen dadelijk,

maar hoort gij, dadelijk, met een hartelijken groet van mij, aan die

beiden ter hand worden gesteld."

»De wachters zullen mij niet bij de gevangenen toelaten."

»Neem dezen ring en druk hun dien in de hand. Men kan toch de

ongelukkigen niet verbieden, zich in de aanschouwing van bloemen

te verlustigen?"

»Ik zal het beproeven."

»Ik wist wel, dat gij mij liefhadt, goede Sabaces! Ga nu, en keer

spoedig terug!"

De grijsaard verwijderde zich haastig. Atossa zag hem peinzend na,

en sprak bij zichzelve: »Thans zullen zij beiden weten, dat ik hen

tot aan hun dood heb bemind. De roos beteekent: ik bemin u; de altijd

groene cypres: trouw en onwankelbaar."--Na verloop van een uur keerde

de oude man terug, en bracht Atossa, die hem te gemoet snelde, den

ring van Bartja waaraan hij zoozeer gehecht was, en van Darius een

in bloed gedoopten Indischen doek.

Met tranen in de oogen ontving Atossa deze panden uit de hand van den

grijsaard; daarop ging zij onder een breedgetakten plataanboom zitten,

drukte de beide voorwerpen afwisselend aan hare lippen, en zeide tot

zichzelve: »Bartja's ring beteekent, dat hij aan mij denkt; en de in

bloed gedoopte doek van Darius, dat hij zijn laatsten druppel bloed

voor mij veil heeft."

Atossa lachte weemoedig, terwijl zij deze woorden fluisterde; en van

dat oogenblik was zij kalm, en dacht aan het lot harer vrienden met

bittere tranen.

Weinige uren later bracht een bode van Cresus aan de aanzienlijke

vrouwen het bericht, dat de onschuld van Bartja en zijne vrienden

bewezen, en ook Nitetis zoo goed als gerechtvaardigd was. Onmiddellijk

zond Cassandane hare dienaren naar de hangende tuinen, om Nitetis uit

te noodigen onverwijld tot haar te komen. In vreugde even uitgelaten

als in droefheid, liep Atossa den draagstoel harer vriendin tegemoet,

en vloog van de eene harer dienstmaagden naar de andere, om haar

toe te roepen: »Allen zijn onschuldig; allen, allen zullen voor ons

gespaard blijven!"

En toen de draagstoel met hare vriendin eindelijk naderde, toen zij

het voorwerp harer liefde, bleek als de dood, weerzag, barstte zij

in hevig snikken uit, viel Nitetis reeds onder het uitstijgen om

den hals, en bedekte haar gelaat met kussen, tot zij bemerkte, dat

de knieën der geredde knikten, en zij een krachtiger steun behoefde

dan haar zwakken arm.

De Egyptische werd bewusteloos in de vertrekken van de moeder des

konings gedragen. Toen zij de oogen weder opsloeg, rustte haar hoofd,

dat bleek was als marmer, in den schoot der blinde, voelde zij den

druk van Atossa's warme lippen op haar ijskoud voorhoofd, en stond

Cambyzes, die onmiddellijk aan de roepstem zijner moeder gehoor had

gegeven, naast haar rustbed.

Verbaasd en angstig zag zij den kring van hen, die haar zoo vurig

liefhadden, rond. Eindelijk herkende zij de haar omringenden. Nu

streek zij met de vlakke hand over het strakke voorhoofd, als wilde

zij een sluier verwijderen, die haar gezicht benevelde, lachte

allen vriendelijk toe en sloot dan hare oogen weder. Zij meende,

dat de liefderijke Isis haar een schoon droombeeld voortooverde,

en beproefde dit met al de kracht harer ziel vast te houden.

Toen riep de driftige Atossa haar nogmaals met teederheid bij haar

naam. Andermaal opende Nitetis de oogen en deze ontmoetten opnieuw

de liefdevolle blikken dergenen, van wie zij meende gedroomd te

hebben. Ja, daar was hare Atossa, daar hare moederlijke vriendin,

daar, niet de vertoornde koning, maar de man die haar beminde. Thans

ontsloot ook hij de lippen en riep, zijn streng gebiedend oog smeekend

op haar vestigende: »O, Nitetis, ontwaak! Gij moogt, gij kunt niet

schuldig zijn!" Zij schudde zachtkens het hoofd, en een lachje van

geluk zweefde over haar beeldschoon aangezicht, als de adem der

jeugdige lente over een rozenbed.

»Zij is onschuldig; bij Mithra, zij kan niet schuldig zijn!" riep

Cambyzes andermaal, terwijl hij zonder acht te geven op de aanwezigen,

op de knieën viel.

Een Perzisch geneesheer naderde thans de als uit den dood verrezene,

en bestreek hare slapen met eene zalfolie, die een aangenamen geur

verspreidde, terwijl de oogarts Nebenchari, onder het prevelen van

bezweringsformulieren, haar hoofdschuddend den pols voelde, en haar

een drank uit zijne kleine apotheek ingaf. Nu herkreeg zij haar volle

bewustzijn, en vroeg, zich tot Cambyzes wendende, nadat zij zich met

moeite opgericht en de liefdesbetuigingen harer vriendinnen beantwoord

had: »Hoe kondet gij zoo iets van mij denken, mijn koning!" Geen

verwijt, slechts diepe smart sprak uit deze woorden, die Cambyzes

alleen beantwoorden kon met de stamelende bede: »Vergeef mij!"

Cassandane dankte haar zoon voor dit bewijs van zelfverloochening,

met een vriendelijken blik harer blinde oogen, en zeide: »Ook ik,

mijne dochter, heb uwe vergiffenis noodig."

»Ik heb geen oogenblik aan u getwijfeld!" riep Atossa, de vriendin

met zekeren trots en in verrukking op den mond kussende.

»Uw schrijven aan Bartja bracht mijn geloof aan uwe onschuld aan het

wankelen," sprak de koningin-moeder.

»En toch was het alles zoo eenvoudig en natuurlijk!" antwoordde

Nitetis. »Hier, mijne moeder, neem dezen brief uit Egypte. Cresus zal

hem wel voor u ontcijferen. Deze zal u alles verklaren. Misschien

ben ik onvoorzichtig geweest. Laat u door uwe moeder aangaande den

inhoud voorlichten, mijn koning! O, ik bid u, spot niet met mijn arme,

kranke zuster. Als eene Egyptische eenmaal iemand bemint, kan zij hem

niet meer vergeten.--Het wordt mij zoo benauwd! Mijn einde nadert! De

laatste uren waren zoo ijselijk! Het verschrikkelijke doodvonnis,

dat Boges, die vreeselijke man, mij voorlas, dat vonnis drong mij

vergif te nemen. Ach, mijn hart!"

Dit zeggende, zonk zij weder in den schoot der blinde

neder. Nebenchari, de oogarts, sprong toe, gaf de kranke wederom eenige

droppels in, en riep: »Dacht ik het niet? Zij heeft vergif genomen,

en zal onherroepelijk sterven, ook al weerhoudt dit tegengif den dood

nog eenige dagen!"

Bleek en als gevoelloos elke zijner bewegingen volgende, stond Cambyzes

naast hem, terwijl Atossa het voorhoofd der geliefde vriendin met

tranen besproeide.

»Men brenge melk en mijne groote artsenijkast!" gebood de

oogarts. »Roept ook dienstmaagden, om haar weg te dragen, want vóór

alle dingen is rust noodig."

Atossa snelde naar een zijvertrek; Cambyzes echter vroeg den arts,

zonder hem aan te zien: »Is er geene hope?"

»Het vergif, dat zij genomen heeft, moet onfeilbaar den dood ten

gevolge hebben."

Toen de koning dit woord vernomen had, stiet hij den arts van de

kranke weg, en riep: »Zij zal, zij moet leven! Ik beveel het! Hier

eunuch! Ontbied alle geneesmeesters uit geheel Babylon, roep alle

priesters en mobeds [320]! Zij zal leven, hoort gij, zij moet leven,

ik beveel het, ik, de koning!"

Op dit oogenblik opende Nitetis de oogen, als wilde zij het bevel van

haar gebieder aanstonds vervullen. Haar gelaat was naar het venster

gekeerd. Dáar, op den cypres, zat nog altijd de paradijsvogel, met

het gouden kettinkje aan den voet.--De blikken der lijdende vielen

het eerst op den voor haar neergezonken geliefde, die zijne gloeiende

lippen op hare rechterhand drukte. Glimlachend fluisterde zij: »O,

welk een geluk!" Dan werd zij den vogel gewaar, wees er naar met de

linkerhand, en riep: »O, zie, zie! De vogel van Ra, Phoenix!"

Hierop sloot zij de oogen, en lag kort daarop in eene hevige koorts.

Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers · 第 26 / 38 题