Met echt Attische scherpzinnigheid had Phanes uit het gehoorde de ware
toedracht dezer treurige zaak opgemaakt. Hij had al spoedig begrepen,
dat ook de boosheid hare hand in het spel moest hebben gehad; want
Bartja's dolk kon niet anders, dan door tusschenkomst van een verrader,
op de hangende tuinen zijn gekomen. Terwijl hij dit zijn vermoeden
den koning te kennen gaf, werd de opperpriester Oropastes door de
stafdragers de zaal binnengeleid.
De koning zag hem toornig aan en vroeg, zonder een enkel woord tot
inleiding: »Hebt gij een broeder?"
»Ja, mijn koning. Hij en ik zijn de eenigen, die nog in leven zijn,
van zes broeders en zusters. Mijne ouders...."
»Is deze broeder ouder of jonger dan gij?"
»Ik was de oudste van ons allen, terwijl hij, de jongste, mijn vader
tot vreugde van zijn ouderdom geboren werd."
»Hebt gij ooit eene in het oog vallende gelijkenis tusschen hem en
een mijner bloedverwanten opgemerkt?"
»Ja, mijn koning, Gaumata gelijkt zoo sprekend op uw broeder Bartja,
dat men hem steeds in de priesterschool te Rhagae, waar hij zich
thans nog bevindt, den prins noemde."
»Was hij in de laatste dagen te Babylon?"
»Tijdens het nieuwjaarsfeest voor het laatst."
»Spreekt gij de waarheid?"
»Mijn kleed en mijn ambt zouden mij dubbel strafbaar maken, als ik
mijn mond opende om een leugen te zeggen."
Het gelaat van den koning werd vuurrood van toorn, en met een barsche
stem riep hij: »En toch liegt gij, want Gaumata was gisterenavond
hier!--Gij beeft! Daartoe hebt gij alle reden."
»Mijn leven behoort u, wien alles toebehoort; desniettemin zweer ik,
de opperpriester, bij den hoogsten God, dien ik dertig jaren lang
trouw gediend heb, dat ik er niets van weet, dat mijn broeder gisteren
binnen Babylon is geweest."
»Uw aangezicht draagt den stempel der waarheid."
»Gij weet dat ik, gedurende den gewichtigen dag van gisteren, geen
oogenblik uwe zijde verlaten heb."
»Dat weet ik!"
Andermaal openden zich de deuren, om de sidderende Mandane binnen te
laten. De opperpriester zag haar met verbaasden en vragenden blik in
het ontroerde gelaat. Aan het scherpziend oog van den koning ontging
het niet, dat de kamerjuffer in zekere betrekking stond tot Oropastes;
daarom vroeg hij dezen, zonder verder acht te slaan op de maagd,
die sidderend aan zijne voeten lag: »Kent gij deze vrouw?"
»Ja, mijn koning. Door mijne voorspraak verwierf zij de hooge
betrekking van eerste kamerjuffer en opperste van alle dienstdoende
personen bij de Egyptische koningsdochter--Aoeramazda schenke haar
vergiffenis!"
»Hoe kwaamt gij, een priester er toe, om deze jonge vrouw zoo uitermate
te begunstigen?"
»Haar ouders stierven aan dezelfde pest, die mijne broeders
wegrukte. Haar vader was een eerbiedwaardig priester en een vriend van
ons huis. Daarom namen wij het meisje tot ons, gedachtig aan de leer:
»Geeft gij den reinen man en zijner weduwe en zijne weezen niets, dan
zult gij van de reine en onderworpene aarde in stekende brandnetels,
in gruwzaam lijden en in de vreeselijkste plaatsen geslingerd
worden." Aldus werd ik haar pleegvader, en liet ik haar met mijn
jongsten broeder opvoeden, tot deze naar de priesterschool vertrok."
De koning wisselde een blik van verstandhouding met Phanes, en vroeg:
»Waarom behieldt gij het meisje, dat toch schoon van gelaat is,
niet bij u?"
»Toen zij de oorringen had gekregen, oordeelde ik het voegzaam haar,
eene jonkvrouw, uit mijn priesterlijk huis te verwijderen, en haar
eene zelfstandige toekomst te verzekeren."
»Heeft zij, als volwassen meisje, uw broeder nog weergezien?"
»Ja, mijn koning. Zoo dikwijls Gaumata mij bezocht, liet ik hem met
Mandane als met zijne zuster verkeeren; toen mij echter duidelijk werd,
dat zich in de kinderlijke vriendschap de hartstocht der jeugd begon
te mengen, kwam het besluit meer en meer tot rijpheid om het meisje
uit mijn huis te verwijderen."
»Wij weten genoeg," zeide de koning, den opperpriester door een wenk
te kennen gevende, dat hij zich ter zijde kon begeven. Daarna zag
hij op het meisje neder, en zeide op gebiedenden toon: »Sta op!"
Mandane stond sidderende en bevende overeind. Haar anders zoo blozend
gelaat was bleek als de dood, en hare roode lippen hadden eene blauwe
tint aangenomen.
»Verhaal, wat gij van den avond van gisteren weet; maar bedenk,
dat éen enkele leugen uw doodvonnis is!"
De knieën van het angstige kind begonnen zoo sterk te knikken, dat
zij zich ter nauwernood staande kon houden. De vrees belette haar
een enkel woord uit te brengen.
»Mijn geduld is kort!" riep Cambyzes haar waarschuwend toe.
Mandane dreigde neder te zijgen; haar aangezicht werd nog bleeker,
hare tong was als verstijfd. Daar trad Phanes naar den vorst toe,
die opnieuw in toorn was ontstoken en vroeg hem bijna fluisterend
vergunning om het meisje te verhooren. Haar mond thans door angst
gesloten, zou met een zacht woord oogenblikkelijk geopend worden.
Cambyzes gaf met een hoofdknik zijne toestemming. Wat de Athener
voorzien had, gebeurde; want nauwelijks had hij Mandane van de
welwillendheid van al de aanwezigen verzekerd, zijne hand op haar
hoofd gelegd, en haar vriendelijk toegesproken, of zij barstte
los in snikken, en een stroom van tranen bevochtigde hare bleeke
wangen. Hij wist den band, die hare tong gesnoerd had, los te maken,
en nu verhaalde zij, dikwerf met een snik afbrekende, alles wat zij
wist. Zij verzweeg niet, dat Boges die heimelijke samenkomst had in de
hand gewerkt, en het minnend paar in zijne bescherming had genomen,
en eindigde met de woorden: »Ik weet wel, dat ik mijn leven verbeurd
heb, en dat ik het slechtste en ondankbaarste schepsel van de geheele
wereld ben. Maar al dat kwaad ware voorkomen geworden, als Oropastes
zijn broeder toegestaan had mij te huwen!"
Bij deze haastig uitgesprokene woorden, begon zij opnieuw te snikken
en biggelden groote tranen haar langs de wangen, terwijl de ernstigste
toehoorders, ja zelfs de koning, zich niet weerhouden konden even
te glimlachen.
Deze glimlach redde haar leven, dat zeker ernstig werd bedreigd. Na
hetgeen Cambyzes gehoord had, ware het hem zeker onmogelijk geweest,
zijne lippen tot een lach te plooien, als Mandane niet, met dat fijne
instinct, dat der vrouw juist in de ure van het dreigendste gevaar
zoo gereedelijk ten dienste staat, geweten had, hoe den koning in
zijne zwakke zijde aan te tasten en daarvan partij te trekken. Veel
langer dan noodig was, had zij dus stilgestaan bij de verrukking van
Nitetis over de geschenken van haar koninklijken geliefde.
»Duizendmaal," riep zij, »kuste mijne meesteres al de dingen, die men
haar van uwentwege, o koning, bracht. Maar vooral drukte zij dikwerf
hare lippen op den bloemruiker, dien gij, eenige dagen geleden, met
eigen hand geplukt hadt. En toen de ruiker begon te verwelken, nam
zij bloem voor bloem in de hand, breidde de fijne blaadjes zorgvuldig
uit, legde ze tusschen wollen doeken, en plaatste zelve hare zware
gouden zalfdoos daarop, om ze te drogen en als eene gedachtenis aan
uwe goedheid te bewaren."
Zij merkte op, dat het gelaat van haar strengen rechter bij deze
woorden verhelderde, en schepte daaruit nieuwen moed, om harer
meesteres woorden in den mond te leggen, die zij nooit had geuit. Zij
beweerde honderdmaal gehoord te hebben, dat Nitetis den naam »Cambyzes"
met onuitsprekelijke teederheid in den slaap uitriep. Eindelijk zweeg
zij, na nog met eene door snikken nauw hoorbare stem om genade te
hebben gesmeekt.
Zonder toorn, maar met diepe verachting zag de koning op haar
neder. Haar met den voet van zich stootende, riep hij: »Uit mijne
oogen, verachtelijk schepsel! Bloed als het uwe zou de bijl van den
beul slechts bezoedelen! Uit mijne oogen!"
Mandane liet zich geen tweemaal zeggen de zaal te verlaten. Dat »uit
mijne oogen" klonk in haar oor als de liefelijkste muziek. Als eene
opgejaagde hinde vloog zij door de wijde voorhoven van het paleis,
om op de straat de saamgedrongene menigte als eene krankzinnige in
de ooren te gillen: »Ik ben vrij! Ik ben vrij!"
Nauwelijks had zij de zaal verlaten, toen Datis, het oog des konings,
terugkeerde en den koning het bericht bracht, dat men den overste
der eunuchen overal tevergeefs gezocht had. Op eene raadselachtige
wijze was hij van de hangende tuinen verdwenen. Hij, Datis, had
echter zijne onderhoorigen gelast, den vluchteling op te sporen,
en hem dood of levend over te leveren.
Deze boodschap deed den vorst in eene geweldige vlaag van toorn
uitbarsten, en hij bedreigde den politiebeambte, die van den
volksoploop opzettelijk voor zijn vorst had gezwegen, met zware
straf, indien men den voortvluchtige niet vóor den volgenden morgen
achterhaald had.
Nauwelijks had hij uitgesproken, toen de stafdrager een eunuch van
de moeder des konings binnenleidde, door wien zij haar zoon om een
mondgesprek liet verzoeken.
Cambyzes aarzelde geen oogenblik, om aan den wensch zijner blinde
moeder gevolg te geven. Hij reikte Phanes de hand ten kus, eene hooge
eer, die in den regel slechts aan dischgenooten werd gegund, en riep:
»Men stelle terstond al de gevangenen op vrije voeten. Gaat heen tot
uwe zonen, gij beangste vaders, en zegt hun, dat zij zich van mijne
gunst en genade kunnen verzekerd houden. Voor ieder hunner zal ik
wel een satrapie weten te vinden, ter vergoeding van dezen nacht van
onschuldige gevangenschap. U, mijn Helleenschen vriend, ben ik grooten
dank verschuldigd. Om mij daarvan te kwijten, en u aan mijn hof te
verbinden, verzoek ik u, u door onzen schatmeester honderd talenten
[318] te doen uitbetalen."
»Zulk eene groote som zal ik ternauwernood weten te gebruiken."
»Misbruik haar dan!" antwoordde de koning met vriendelijken
lach. Daarop verliet hij de zaal, vergezeld van zijn hofbeambten,
aan de deur zich evenwel nog eens omkeerende, om den Athener toe te
roepen: »Tot wederziens, aan den maaltijd!"
Terwijl dit alles voorviel, heerschte er in de vertrekken van de moeder
des konings de grootste neerslachtigheid. Nadat Cassandane kennis
genomen had van dien rampzaligen brief aan Bartja, geloofde zij aan
de ontrouw van Nitetis, maar volhardde in hare overtuiging omtrent
de onschuld van haar geliefden zoon. Wien kon ze nu nog vertrouwen,
als het meisje, in hetwelk zij tot nog toe de verpersoonlijking van
alle vrouwelijke deugden had meenen te aanschouwen, eene verachtelijke
boeleerster moest worden genoemd, als de edelste jongelingen zich aan
meineed konden schuldig maken? Nitetis was erger dan dood voor haar;
Bartja, Cresus, Darius, Gyges, Araspes, met wie allen haar hart door
banden des bloeds en der vriendschap verbonden was, waren zoo goed als
gestorven. En zij durfde niet eens hare tranen den vrijen loop laten,
want de zware taak rustte op haar, de uitbarstingen der wanhoop van
haar woest kind te beteugelen.
Atossa stelde zich aan als eene razende, toen zij vernam dat de
doodvonnissen geveld waren. De gematigdheid, die haar door den
omgang met de Egyptische eigen was geworden, verliet haar geheel,
en haar zoo lang bedwongen onstuimig karakter deed zich nu met
verdubbelde heftigheid gelden. Nitetis, hare eenige vriendin,
Bartja haar broeder, aan wien zij met hare gansche ziel hing, Darius,
wien zij, nu gevoelde zij het eerst recht goed, niet slechts als den
redder van haar leven een dankbaar hart toedroeg, maar dien zij met
de innigheid eener eerste liefde beminde, Cresus, dien zij als haar
vader vereerde;--kortom allen, die haar dierbaar waren, zou zij nu
met één slag verliezen. Zij scheurde hare kleederen, rukte zich de
haren uit, noemde Cambyzes een monster van wreedheid, en ieder, die
aan de schuld van zulke voortreffelijke menschen geloofde, blind en
krankzinnig. Dan smolt zij weder weg in tranen, en zond ootmoedige
gebeden tot de goden op, om weinige minuten later hare moeder te
bezweren, haar naar de hangende tuinen te vergezellen, en met haar
de verdediging van Nitetis aan te hooren.
Cassandane beproefde het onstuimige meisje tot kalmte en berusting te
brengen, en verzekerde haar, dat iedere poging om Nitetis te spreken,
zou blijken ijdel te wezen. Nu begon Atossa opnieuw uit te varen,
zoodat de oude vrouw haar ten laatste met moederlijke gestrengheid
het stilzwijgen moest opleggen, en bij het aanbreken van den morgen
haar beval zich naar haar slaapvertrek te begeven.
Het meisje gehoorzaamde, doch zette zich, in plaats van zich ter rust
te begeven, aan het open venster, dat haar het uitzicht gaf op de
hangende tuinen. Met betraande oogen tuurde zij naar het huis tegenover
haar, waarin thans hare vriendin, hare zuster, eenzaam, verlaten,
verstooten, een smadelijken dood verbeidde. Plotseling scheen, door
eene buitengewone inspanning van den wil, haar door tranen verduisterd
oog opnieuw te verhelderen. Het staarde niet meer in de onbegrensde
ruimte, maar vestigde zich onafgewend op een zwart punt, dat uit de
richting van de woning der Egyptische, van oogenblik tot oogenblik
grooter en beter te onderscheiden, recht op haar aankwam, en zich
eindelijk op eene cypres voor haar venster neerliet. Opeens verdween
de toornige uitdrukking van haar liefelijk gelaat; voor de eerste maal
sedert vele uren kon zij met verruimde borst ademhalen. Zij klapte
in de handen en riep uit: »O, zie! daar is de vogel Homaï [319],
de geluksvogel! Nu zal zich alles ten beste schikken!"--Dezelfde
paradijsvogel, welks verschijning in het hart van Nitetis zulk een
troostenden balsem had uitgestort, schonk ook Atossa nieuwe hoop.
Zij nam den tuin nauwkeurig op, of ook iemand haar bespieden kon,
en toen zij niemand gewaarwerd dan den ouden hovenier, sprong zij,
bevende als eene achtervolgde ree, het venster uit, brak eenige
rozeknoppen en cypressetakjes af, en naderde daarmede den grijzen
tuinman, die hare bewegingen had gadegeslagen, terwijl hij zachtkens
het hoofd schudde. Zij streelde de wangen van den oude, als ware hij
haar vader geweest, legde hare bloemen in zijne grove hand, en vroeg:
»Hebt gij mij lief, Sabaces?"
»O, meesteres!" zeide de grijsaard, waarbij hij den zoom van het
gewaad der koningsdochter in vervoering aan de lippen drukte.
»Ik geloof u, vadertje, en wil u bewijzen, dat ik mijn ouden goeden
Sabaces vertrouw. Verberg deze bloemen goed, en begeef u, zoo snel
uwe krachten het u toelaten, naar het paleis van den koning. Zeg,
dat gij vruchten voor de tafel brengt. Naast de wachtkamer der
Onsterfelijken worden mijn arme broeder Bartja en Darius, de zoon van
den edelen Hystaspes, gevangengehouden. Zorg dat deze bloemen dadelijk,
maar hoort gij, dadelijk, met een hartelijken groet van mij, aan die
beiden ter hand worden gesteld."
»De wachters zullen mij niet bij de gevangenen toelaten."
»Neem dezen ring en druk hun dien in de hand. Men kan toch de
ongelukkigen niet verbieden, zich in de aanschouwing van bloemen
te verlustigen?"
»Ik zal het beproeven."
»Ik wist wel, dat gij mij liefhadt, goede Sabaces! Ga nu, en keer
spoedig terug!"
De grijsaard verwijderde zich haastig. Atossa zag hem peinzend na,
en sprak bij zichzelve: »Thans zullen zij beiden weten, dat ik hen
tot aan hun dood heb bemind. De roos beteekent: ik bemin u; de altijd
groene cypres: trouw en onwankelbaar."--Na verloop van een uur keerde
de oude man terug, en bracht Atossa, die hem te gemoet snelde, den
ring van Bartja waaraan hij zoozeer gehecht was, en van Darius een
in bloed gedoopten Indischen doek.
Met tranen in de oogen ontving Atossa deze panden uit de hand van den
grijsaard; daarop ging zij onder een breedgetakten plataanboom zitten,
drukte de beide voorwerpen afwisselend aan hare lippen, en zeide tot
zichzelve: »Bartja's ring beteekent, dat hij aan mij denkt; en de in
bloed gedoopte doek van Darius, dat hij zijn laatsten druppel bloed
voor mij veil heeft."
Atossa lachte weemoedig, terwijl zij deze woorden fluisterde; en van
dat oogenblik was zij kalm, en dacht aan het lot harer vrienden met
bittere tranen.
Weinige uren later bracht een bode van Cresus aan de aanzienlijke
vrouwen het bericht, dat de onschuld van Bartja en zijne vrienden
bewezen, en ook Nitetis zoo goed als gerechtvaardigd was. Onmiddellijk
zond Cassandane hare dienaren naar de hangende tuinen, om Nitetis uit
te noodigen onverwijld tot haar te komen. In vreugde even uitgelaten
als in droefheid, liep Atossa den draagstoel harer vriendin tegemoet,
en vloog van de eene harer dienstmaagden naar de andere, om haar
toe te roepen: »Allen zijn onschuldig; allen, allen zullen voor ons
gespaard blijven!"
En toen de draagstoel met hare vriendin eindelijk naderde, toen zij
het voorwerp harer liefde, bleek als de dood, weerzag, barstte zij
in hevig snikken uit, viel Nitetis reeds onder het uitstijgen om
den hals, en bedekte haar gelaat met kussen, tot zij bemerkte, dat
de knieën der geredde knikten, en zij een krachtiger steun behoefde
dan haar zwakken arm.
De Egyptische werd bewusteloos in de vertrekken van de moeder des
konings gedragen. Toen zij de oogen weder opsloeg, rustte haar hoofd,
dat bleek was als marmer, in den schoot der blinde, voelde zij den
druk van Atossa's warme lippen op haar ijskoud voorhoofd, en stond
Cambyzes, die onmiddellijk aan de roepstem zijner moeder gehoor had
gegeven, naast haar rustbed.
Verbaasd en angstig zag zij den kring van hen, die haar zoo vurig
liefhadden, rond. Eindelijk herkende zij de haar omringenden. Nu
streek zij met de vlakke hand over het strakke voorhoofd, als wilde
zij een sluier verwijderen, die haar gezicht benevelde, lachte
allen vriendelijk toe en sloot dan hare oogen weder. Zij meende,
dat de liefderijke Isis haar een schoon droombeeld voortooverde,
en beproefde dit met al de kracht harer ziel vast te houden.
Toen riep de driftige Atossa haar nogmaals met teederheid bij haar
naam. Andermaal opende Nitetis de oogen en deze ontmoetten opnieuw
de liefdevolle blikken dergenen, van wie zij meende gedroomd te
hebben. Ja, daar was hare Atossa, daar hare moederlijke vriendin,
daar, niet de vertoornde koning, maar de man die haar beminde. Thans
ontsloot ook hij de lippen en riep, zijn streng gebiedend oog smeekend
op haar vestigende: »O, Nitetis, ontwaak! Gij moogt, gij kunt niet
schuldig zijn!" Zij schudde zachtkens het hoofd, en een lachje van
geluk zweefde over haar beeldschoon aangezicht, als de adem der
jeugdige lente over een rozenbed.
»Zij is onschuldig; bij Mithra, zij kan niet schuldig zijn!" riep
Cambyzes andermaal, terwijl hij zonder acht te geven op de aanwezigen,
op de knieën viel.
Een Perzisch geneesheer naderde thans de als uit den dood verrezene,
en bestreek hare slapen met eene zalfolie, die een aangenamen geur
verspreidde, terwijl de oogarts Nebenchari, onder het prevelen van
bezweringsformulieren, haar hoofdschuddend den pols voelde, en haar
een drank uit zijne kleine apotheek ingaf. Nu herkreeg zij haar volle
bewustzijn, en vroeg, zich tot Cambyzes wendende, nadat zij zich met
moeite opgericht en de liefdesbetuigingen harer vriendinnen beantwoord
had: »Hoe kondet gij zoo iets van mij denken, mijn koning!" Geen
verwijt, slechts diepe smart sprak uit deze woorden, die Cambyzes
alleen beantwoorden kon met de stamelende bede: »Vergeef mij!"
Cassandane dankte haar zoon voor dit bewijs van zelfverloochening,
met een vriendelijken blik harer blinde oogen, en zeide: »Ook ik,
mijne dochter, heb uwe vergiffenis noodig."
»Ik heb geen oogenblik aan u getwijfeld!" riep Atossa, de vriendin
met zekeren trots en in verrukking op den mond kussende.
»Uw schrijven aan Bartja bracht mijn geloof aan uwe onschuld aan het
wankelen," sprak de koningin-moeder.
»En toch was het alles zoo eenvoudig en natuurlijk!" antwoordde
Nitetis. »Hier, mijne moeder, neem dezen brief uit Egypte. Cresus zal
hem wel voor u ontcijferen. Deze zal u alles verklaren. Misschien
ben ik onvoorzichtig geweest. Laat u door uwe moeder aangaande den
inhoud voorlichten, mijn koning! O, ik bid u, spot niet met mijn arme,
kranke zuster. Als eene Egyptische eenmaal iemand bemint, kan zij hem
niet meer vergeten.--Het wordt mij zoo benauwd! Mijn einde nadert! De
laatste uren waren zoo ijselijk! Het verschrikkelijke doodvonnis,
dat Boges, die vreeselijke man, mij voorlas, dat vonnis drong mij
vergif te nemen. Ach, mijn hart!"
Dit zeggende, zonk zij weder in den schoot der blinde
neder. Nebenchari, de oogarts, sprong toe, gaf de kranke wederom eenige
droppels in, en riep: »Dacht ik het niet? Zij heeft vergif genomen,
en zal onherroepelijk sterven, ook al weerhoudt dit tegengif den dood
nog eenige dagen!"
Bleek en als gevoelloos elke zijner bewegingen volgende, stond Cambyzes
naast hem, terwijl Atossa het voorhoofd der geliefde vriendin met
tranen besproeide.
»Men brenge melk en mijne groote artsenijkast!" gebood de
oogarts. »Roept ook dienstmaagden, om haar weg te dragen, want vóór
alle dingen is rust noodig."
Atossa snelde naar een zijvertrek; Cambyzes echter vroeg den arts,
zonder hem aan te zien: »Is er geene hope?"
»Het vergif, dat zij genomen heeft, moet onfeilbaar den dood ten
gevolge hebben."
Toen de koning dit woord vernomen had, stiet hij den arts van de
kranke weg, en riep: »Zij zal, zij moet leven! Ik beveel het! Hier
eunuch! Ontbied alle geneesmeesters uit geheel Babylon, roep alle
priesters en mobeds [320]! Zij zal leven, hoort gij, zij moet leven,
ik beveel het, ik, de koning!"
Op dit oogenblik opende Nitetis de oogen, als wilde zij het bevel van
haar gebieder aanstonds vervullen. Haar gelaat was naar het venster
gekeerd. Dáar, op den cypres, zat nog altijd de paradijsvogel, met
het gouden kettinkje aan den voet.--De blikken der lijdende vielen
het eerst op den voor haar neergezonken geliefde, die zijne gloeiende
lippen op hare rechterhand drukte. Glimlachend fluisterde zij: »O,
welk een geluk!" Dan werd zij den vogel gewaar, wees er naar met de
linkerhand, en riep: »O, zie, zie! De vogel van Ra, Phoenix!"
Hierop sloot zij de oogen, en lag kort daarop in eene hevige koorts.