NEGENDE HOOFDSTUK.

Nitetis, de onschuldige oorzaak van al deze treurige verwikkelingen,

had, sinds den geboortedag van den koning, onbeschrijfelijk smartelijke

uren doorleefd. Na de harde woorden, waarmede Cambyzes de arme

jonkvrouw de deur der zaal had gewezen, wijl haar onverklaarbaar

gedrag zijn ijverzucht had opgewekt, was niet de minste tijding

van haar toornigen geliefde, van zijne moeder of zuster tot haar

gekomen. Sedert zij te Babylon aankwam, was zij iederen dag gedurende

eenige uren met Cassandane en Atossa samengeweest. Toen zij zich tot

de eerwaardige weduwe wilde doen brengen, om deze hare zonderlinge

houding te verklaren, verbood Candaules, haar nieuwe bewaker haar, in

weinige niet zeer eerbiedige bewoordingen, het huis te verlaten. Tot

dusverre had zij zich gevleid, dat eene vrijmoedige openbaring van wat

zij uit den brief harer moeder had vernomen, alle misverstand uit den

weg zou ruimen. In hare verbeelding zag zij Cambyzes reeds, berouw

gevoelende over zijne dwaze ijverzucht, haar om vergeving biddende

en de hand reikende. Eindelijk kwam er een weinig opgeruimdheid in

hare ziel, als zij zich een woord te binnen bracht, eens uit den

mond van Ibycus opgevangen: »Gelijk een krachtig man veel heviger

dan een zwak mensch door de koorts wordt aangetast, zoo oefent de

ijverzucht ook grooteren invloed uit op een waarlijk beminnend hart,

dan op een, dat slechts door oogenblikkelijken hartstocht in verrukking

is gebracht." Had de groote kenner der liefde de waarheid gesproken,

dan moest Cambyzes, wiens ijverzucht zoo snel en zoo heftig ontvlamd

was, haar wel vurig liefhebben.

Maar te midden dezer gedachten, die haar weder eenige hoop gaven,

mengden zich voortdurend andere droeve herinneringen aan het land

harer geboorte en duistere vermoedens, voor welke zij haar hart niet

vermocht te sluiten. Toen de middagzon het aardrijk met hare gloeiende

stralen verzengde, en er nog altijd geene boodschap van hem, dien

zij beminde, tot haar werd gebracht, werd zij door eene koortsachtige

onrust overvallen, die van oogenblik tot oogenblik haar meer benauwde,

naarmate de nacht zijne schaduwen begon uit te breiden. Toen het begon

te schemeren, trad Boges in haar vertrek, en verhaalde haar in de

grievendste en beleedigendste bewoordingen, dat de koning in het bezit

was van haar brief aan Bartja, en dat de tuinmansjongen, die dezen

had moeten bezorgen, ter dood gebracht was. Hare gemartelde zenuwen

waren niet sterk genoeg dezen nieuwen schok te weerstaan. Alvorens

Boges haar verliet, had hij de bewustelooze in haar bijzonder vertrek

moeten dragen, hetwelk hij zorgvuldig van buiten had gesloten.

Weinige minuten later klommen twee mannen, een jongeling en een oude

man, door de valdeur, die Boges twee dagen te voren zoo nauwkeurig

had onderzocht. De oude hield zich dicht aan den muur van het huis,

en bleef daar staan, terwijl de jongeling den wenk van eene uit

het venster wuivende hand volgde, en in de kamer sprong. Er werden

ettelijke verzekeringen van liefde en de namen Gaumata en Mandane

zacht gefluisterd, tal van kussen gewisseld en beloften van trouw

vernieuwd. Eindelijk klapte de oude in de handen. De jongeling gaf

onmiddellijk aan dit afgesproken teeken gehoor. Na de dienstmaagd

van Nitetis nog eenmaal omarmd te hebben, sprong hij wederom door het

venster in den tuin, liep haastig voort in de richting van de plek waar

de Achaemeniden zich bevonden, die toen juist de blauwe lelie kwamen

bewonderen, vloog deze rakelings voorbij, sloop met zijn geleider

door de opengelatene valdeur en sloot deze zorgvuldig boven zich dicht.

Mandane spoedde zich nu naar het vertrek, waar hare gebiedster gewoon

was den avond door te brengen. Zij kende hare gewoonten, en wist, dat

zij alle avonden bij het opkomen der sterren nederzat aan het venster,

dat op den Euphraat uitzag, om van daar uren achtereen in den stroom

en over de vlakte te staren, terwijl zij de dienstjuffers, wier hulp

zij dan niet noodig had, de vrijheid liet dien tijd naar welgevallen

te besteden. Aldus had zij, zonder van deze zijde voor ontdekking te

vreezen te hebben, en door den overste der eunuchen zelven beschermd,

haar minnaar rustig kunnen verbeiden.

Nauw had zij hare gebiedster in haren bewusteloozen toestand gevonden,

of zij hoorde hoe de tuin met menschen werd gevuld, hoe mannen en

eunuchen verward dooreenschreeuwden, en hoe de trompetten werden

gestoken om de wachters te verzamelen. In den beginne beefde zij voor

haar geliefde, vreezende dat hij ontdekt mocht zijn. Toen Boges echter

verscheen, en haar toefluisterde: »Hij is gelukkig ontkomen!" beval

zij de dienstmaagden welke uit het vrouwenverblijf, waar zij dezen

ter wille harer afgesproken samenkomst bevolen had te blijven,

in menigte kwamen aanloopen, de Egyptische in haar slaapvertrek

te dragen. Daarop wendde Mandane alle mogelijke middelen aan, om

Nitetis weder bij te brengen. En deze had nog ternauwernood de oogen

opgeslagen, toen Boges binnentrad en de twee eunuchen, die hem volgden,

beval de teedere armen van Nitetis te ketenen.

Onmachtig om een woord uit te brengen, liet Nitetis de mannen begaan;

ja, zij dacht er zelfs niet aan iets te antwoorden, toen Boges haar

bij het verlaten van het vertrek toeriep: »Moge het u in uw kooitje

goed bevallen, mijn vogeltje! Zoo even heeft men uw heer het bericht

gebracht, dat zich een koningsmarter in zijne duiventil is komen

vermaken. Het ga u goed! Wees er den armen geplaagden Boges dankbaar

voor, als bij deze hitte de vochtige aarde u een weinigje zal afkoelen,

of misschien wel zeer koud maken. Ja, mijn duifje, in den dood leert

men zijne ware vrienden kennen; daarom zal ik u niet in een zak van

grof linnen, maar in een laken van zachte zijde doen begraven. Leef

gelukkig, mijn hartediefje!"

De zwaarbeproefde vrouw hoorde deze woorden sidderend aan. Nadat de

eunuch zich verwijderd had, bad zij Mandane haar het voorgevallene

op te helderen. Overeenkomstig den raad, door Boges haar gegeven,

verhaalde Mandane haar, dat Bartja in de hangende tuinen was geslopen,

en door verscheidene Achaemeniden was opgemerkt, juist op het oogenblik

dat hij door een venster wilde klimmen. Men had den koning kennis

gegeven van het door zijn broeder gepleegde verraad, en vreesde nu

het ergste van 's vorsten ijverzucht. Het lichtzinnige meisje stortte

onder dit verhaal een vloed van tranen van bitter berouw, die een

balsem waren voor hare niets kwaads vermoedende meesteres, wijl deze

ze beschouwde als een bewijs van hare oprechte liefde en deelneming.

Toen Mandane zweeg, zag Nitetis in doffe wanhoop op hare ketenen neder,

en er verliep een geruime tijd, eer zij zich eene tamelijk heldere

voorstelling van haar toestand kon maken. Zij las den brief van

hare moeder nog eens over, schreef op een briefje de enkele woorden:

»ik ben onschuldig," beval hare snikkende kamerjuffer na haren dood

beide aan de moeder van den koning te overhandigen, en doorwaakte

daarna een nacht, waarop geen dag meer scheen te zullen volgen. In

haar zalvenkastje was een middel ter verfraaiing van de huid, dat,

gelijk zij wist, den dood ten gevolge had, wanneer men er eene zekere

hoeveelheid van innam. Dit vergift liet zij zich brengen, en met

kalm overleg nam zij het besluit zichzelve het leven te benemen,

zoodra de beul tot haar mocht komen. Van nu af verheugde zij er

zich over, zoo spoedig te zullen sterven, en zeide tot zichzelve:

»Hij doodt u wel, maar hij doodt u uit liefde." Eindelijk kwam zij

op de gedachte hem een brief te schrijven, en hem daarin den omvang

en de diepte harer liefde te openbaren. Eerst na haren dood zou hij

dit schrijven ontvangen, opdat hij niet zou gelooven, dat zij het

gedaan had om haar leven te redden. De hoop, dat de onbuigzaam sterke

man dezen laatsten groet misschien met zijne tranen zou bevochtigen,

vervulde hare ziel met eene weemoedige vreugde.

In weerwil van hare zware ketenen, schreef zij dus de volgende

woorden: »Cambyzes zal dezen brief eerst dan, wanneer ik niet meer

zijn zal, ontvangen. Dit schrijven strekt om mijn vorst te doen

weten, dat ik hem vuriger liefheb dan de goden, dan de wereld, ja,

dan mijn eigen jeugdig leven. Cassandane en Atossa mogen mij in

liefde blijven gedenken! Uit den brief van mijne moeder zullen zij

vernemen dat ik onschuldig ben, en Bartja alleen ter wille mijner

arme zuster verlangde te spreken. Boges heeft mij gezegd, dat mijn

dood onherroepelijk besloten is. Zoodra de beul nadert, zal ik zelve

een eind aan mijn leven maken. Ik bega eene misdaad aan mij zelve,

om u, Cambyzes, voor eene verachtelijke daad te bewaren."

Dit schrijven stelde zij, met den brief van hare moeder in de handen

van de snikkende Mandane, met verzoek beide aan Cambyzes te doen

toekomen, wanneer zij niet meer onder de levenden zou zijn. Vervolgens

wierp zij zich op de knieën, verhief het hart tot de goden van haar

vaderland, en smeekte dezen om vergiffenis voor haren afval.

Toen Mandane haar aanmaande om toch aan hare zwakte te denken, en toch

wat rust te nemen, antwoordde zij: »Ik behoef niet meer te slapen,

want ik heb nog maar korten tijd te waken!"

Hoe langer zij bad en de oude Egyptische hymnen zong, des te inniger

wijdde zij zich weder met haar gansche hart aan de goden van haar land,

die zij, na zoo korten strijd, verloochend had. Bijna al de gebeden,

die zij kende, hadden betrekking op het leven na den dood. In het rijk

van Osiris, de onderwereld, waar de twee en veertig doodenrechters de

waarde of onwaarde der ziel, nadat deze door de godin der waarheid en

den hemelschrijver Thoth zou zijn gewogen, moesten beoordeelen, durfde

zij hopen hare dierbaren weer te zullen zien, indien ten minste hare

ongerechtvaardigde ziel niet den tocht door de lichamen der dieren

moest aanvaarden, indien ten minste haar lichaam, de woning van hare

ziel, behouden mocht blijven [306]. Dit »indien ten minste" bracht

haar in eene koortsachtige onrust. De leer, dat het geluk van de ziel

afhankelijk was van het behouden blijven van 's menschen stoffelijk

overblijfsel, was haar van kindsbeen ingeprent. Zij stond vast in

dezelfde overtuiging, die pyramiden had gebouwd en rotsen tot graven

uitgehold. Zij beefde, zoo vaak zij er aan dacht, hoe haar lijk volgens

Perzisch gebruik, aan honden, roofvogels en de vernielende machten

der natuur prijsgegeven, en daarmede aan hare ziel alle hoop op het

eeuwige leven ontnomen zou worden. Ook kwam de gedachte bij haar op

om andermaal de oude goden te verloochenen, en zich voor de nieuwe

geesten des lichts neder te werpen. Deze toch gaven het gestorven

lichaam terug aan de elementen, waaruit het gevormd was, en hielden

slechts gericht over de ziel van den overledene. Doch toen zij hare

handen tot de groote zon ophief, die zoo even met hare gouden stralen

de in het dal van den Euphraat hangende nevelen verdreven had, toen

zij wilde beginnen met zich tot Mithra te verheffen en liederen te

zingen, die zij pas had aangeleerd, begaf haar de stem, en in plaats

van Mithra, zag zij in het gesternte van den dag den god, dien zij in

Egypte zoo menigmaal geprezen en gedankt had, den grooten Ra Harmachis,

en in plaats van de hymne der magiërs, zong zij het lied, waarmede

de Egyptische priesters de opkomende zon plachten te begroeten:

"U, hoogverheven Ra, zij lof gebracht,

U, hemeltelg, verheft ons staamlend lied,

Dien elke dag door eigen scheppingskracht

Verjeugdigd en vernieuwd, herrijzen ziet.

"U prijst ons hart. Gij schiept het schepslenheir,

Zoover 't azuren vlak des hemels strekt,

O bron des lichts, die uit het blauwe meir,

Daar boven zegen stort, en leven wekt!

"Gij koestert en gij waakt. Uw stralenkrans

Roept vreugde en hoop in 't onbevlekt gemoed,

Zoo dikwijls Ge aan den ongemeten trans

Uw kreitsloop aflegt met gewiekten voet.

"Zoo roepen mensch en goden blij te moê,

O hemeltelg! u 't welkom, welkom toe [307]."

Haar hart putte rijken troost uit dit gezang. Met vochtige oogen zag

zij, terwijl zij zich hare kindsheid weder voor den geest bracht,

in het licht der rijzende zon, welker stralen haar oog nog niet

verblindden. Dan liet zij haren blik over de vlakte weiden. Daar

kabbelde de Euphraat met zijne geelachtige golven, die haar deed

denken aan den geliefden Nijl. Evenals langs den reuzenstroom in haar

vaderland, vertoonden zich ook hier talrijke dorpen, te midden van

rijke korenvelden en vijgenboschjes. Naar het westen strekte zich

de diergaarde des konings, met hare hooge cypressen en noteboomen,

mijlen ver uit. Op ieder blad, op elken halm fonkelde de dauw, en

in de boschjes en struiken van den door haar bewoonden tuin lieten

tallooze vogels hunne liefelijke stemmen hooren. Daar verhief zich

een zacht koeltje, dat zoete rozengeuren tot haar voerde, en met de

kronen der palmen speelde, die langs de oevers van den stroom en op

alle akkers in de rondte, in eene ontelbare menigte verrezen. Dikwerf

had zij deze schoone boomen bewonderd, dikwerf had zij ze met

danseressen vergeleken, wanneer de wind hunne zware kronen aangreep,

en hunne slanke stammen nu naar deze dan naar gene zijde overboog. Hoe

menigmaal had zij niet tot zichzelve gezegd: hier moet het vaderland

zijn van den Phoenix [308], den vogel uit het palmenland, die, gelijk

de priesters verhaalden, om de vijfhonderd jaar naar den tempel van Ra

te Heliopolis kwam, waar hij zich in heilige wierookvlammen verbrandde,

om weder schooner uit zijne asch te verrijzen, en na drie dagen naar

zijn vaderland in het Oosten terug te keeren. En terwijl zij aan

dezen vogel dacht, en de wensch bij haar opkwam, evenals deze vogel,

uit de vernedering van het ongeluk tot een nieuw en schooner geluk

op te staan, vloog uit de cypressen, die de woning van hem, dien

zij liefhad en die haar zoo miskend had, voor haar oog verborgen,

een groote vogel met schitterende vederen op, die hooger en hooger

steeg, en zich ten laatste op een palmboom op kleinen afstand van

haar venster neerzette. Zulk een vogel had zij nog nooit gezien, en

het kon ook geene alledaagsche verschijning wezen, want een gouden

kettinkje hing aan zijn poot, en zijn staart bestond niet uit vederen,

althans naar zij meende, maar uit zonnestralen. Het was Benno [309],

de vogel van Ra. In deze godsdienstige stemming zonk zij andermaal

op de knieën en zong het oude Phoenix-lied, terwijl zij inmiddels

den blik niet afwendde van den prachtigen luchtbewoner:

"Ik roei door den ether, ik spreid aan den trans

Mijn kleuren ten toon, in haar vlekloozen glans.

Die dank ik den Schepper; zijn glorie en macht

Straalt af op mijn kleed, dat in rijkdom en pracht

Het bloementapijt evenaart, dat in Mei

Den akker bedekt en de grazige wei,

Of het blinkend gewaad, dat de godheid omgeeft,

Wier eeuwige hoede de wereld omzweeft;

't Is kunstig geweven, 't is heerlijk gemaakt,

Als het kleed van den god, die de wolken bewaakt [310]."

Het met golvende vederen versierde kopje met de verstandige oogjes

nieuwsgierig her- en derwaarts bewegende, luisterde de vogel naar

dit gezang. Zoodra het geëindigd was vloog hij weg. Nitetis zag den

gewaanden Phoenix, een paradijsvogel, die het kettinkje gebroken had,

waarmede hij aan een boom van de diergaarde bevestigd was geweest,

met vriendelijken blik na. Zij was zoo wonderbaar te moede. Vertrouwen

op redding daalde in haar hart, daar zij geloofde dat de god Ra zijn

vogel tot haar gezonden had, welks gestalte zij als gezaligde geest

zou aannemen. Zoolang men nog wenscht en hoopt, kan men veel smart

dragen; en komt het geluk niet, dan blijft toch de verwachting er

van in ons levend, en met deze het zoet gevoel, dat tot het wezen

van het geluk behoort. Deze stemming is op zichzelve voldoende, om

eene soort van genot te schenken, dat ons de werkelijkheid kan doen

vergeten. Met vernieuwde hoop legde Nitetis zich, afgemat als zij was,

op den divan neder, en viel weldra tegen haar wil, zonder het vergif te

hebben aangeraakt, in een diepen door geene droomen verontrusten slaap.

Ongelukkigen, die den nacht doorweenen, stort de opgaande zon

gewoonlijk troost in 't harte, terwijl dezelfde zon met haar rein

licht in den regel voor de schuldigen, die de duisternis zoeken, eene

onwelkome verschijning is. Terwijl Nitetis sliep, waakte Mandane,

gekweld door het vreeselijke knagen van haar geweten. Hoe gaarne zou

zij de zon, die hare meesteres door hare schuld den dood zou brengen,

teruggehouden en van nu af in een eeuwigen nacht geleefd hebben,

indien zij daardoor hare den vorigen dag gepleegde daden ongedaan

had kunnen maken. Het goede maar lichtzinnige schepsel hield niet op,

zichzelve eene verachtelijke moordenares te noemen. Honderdmaal nam

zij zich voor, alles overeenkomstig de waarheid te bekennen en Nitetis

te redden; maar telkens behaalden de begeerte om te blijven leven en

de vrees voor den dood de zege over haar zwak hart. Beleed zij, wat

zij gedaan had, dan was haar dood zeker, en het leven was haar nog zoo

lief, het graf was haar zulk een gruwel, zij hoopte nog zooveel van de

aarde! Had zij slechts eene levenslange gevangenschap te vreezen gehad,

dan zou zij misschien voor de waarheid zijn uitgekomen; maar sterven,

neen, sterven kon zij niet! En buitendien, zou de veroordeelde

door hare bekentenis te redden zijn? Had zij zelve dan niet den

ongelukkigen tuinmansjongen met een brief voor Bartja belast? Deze

geheime briefwisseling was ontdekt geworden, en dus zou Nitetis,

ook zonder hare medewerking, toch verloren zijn geweest! Nooit zijn

wij verstandiger en listiger, dan wanneer het er op aankomt het door

ons gepleegde onrecht in ons eigen oog te vergoelijken.

Toen de zon opging, knielde Mandane bitter weenende neder voor den

divan, waarop hare meesteres rustte, en kon maar niet begrijpen,

hoe deze zoo gerust kon slapen.

Ook Boges, de eunuch, had een slapeloozen, maar toch een

allergelukkigsten nacht gehad. Zijn plaatsvervanger en ambtgenoot

Candaules, dien hij met zijne gansche ziel haatte, was om zijne

onachtzaamheid, ja misschien wel omdat hij zich had laten omkoopen,

op bevel des konings op staanden voet ter dood gebracht, en Nitetis

was niet alleen in ongenade gevallen, maar zelfs tot een smadelijken

dood veroordeeld. De invloed der koningin-moeder was aanmerkelijk

minder geworden. Maar vooral verheugde hij zich over zijne eigene

slimheid, in de zekerheid dat zijn ontwerp volkomen gelukt was, en in

de hoop weldra weder, door zijn lieveling Phaedime, de alvermogende

gunsteling van voorheen te zullen worden. Het over Cresus en de jonge

helden uitgesproken doodvonnis was hem niet minder welkom geweest;

want waren zij in het leven gebleven, dan had eene ontdekking van

zijne duivelsche listen niet onder de onmogelijkheden behoord. De

dag begon reeds aan te breken, toen hij het vertrek van den koning

verliet, om zich naar Phaedime te begeven.

De trotsche Perzische had zich nog niet ter rust begeven. In

koortsachtig ongeduld verbeidde zij den eunuch, want reeds was

de mare van het voorgevallene in het vrouwenverblijf en tot hare

ooren doorgedrongen. Slechts in een dun zijden hemd gekleed, en met

gele pantoffels, die van turkooizen en parelen schitterden, aan de

voeten, lag zij, door een twintigtal dienstmaagden omgeven, op den

purperen divan in hare kleedkamer. Zoodra zij Boges hoorde naderen,

zond zij hare slavinnen weg, sprong overeind en liep hem te gemoet,

hem overstelpende met een vloed van onsamenhangende vragen, die alle

betrekking hadden op hare vijandin Nitetis.

»Bedaar, mijn duifje!" zeide Boges, zijne vleezige hand op haar

schouder leggende. »Bedaar! Zoo gij niet doodstil en zonder te

vragen mijn verslag kunt aanhooren, verneemt gij heden geen enkel

woord. Ja, mijne gouden koningin, ik heb u zooveel te zeggen, dat

ik niet voor morgen gedaan zou hebben, als ik u toestond mij naar

hartelust in de rede te vallen. Ach, mijn lammetje, ik heb heden nog

zooveel te doen! Vooreerst een Egyptischen ezelrit bij te wonen, ten

tweede getuige te zijn van eene Egyptische terechtstelling.... Maar

ik loop mij zelven vooruit, en wil van het begin af alles ordelijk

verhalen. Gij moogt weenen, lachen, ja juichen van blijdschap, zooveel

gij wilt; maar vragen is u verboden, totdat ik aan het einde ben.--Ja,

deze liefkoozing heb ik wel verdiend!--Zoo, nu lig ik goed en kan

beginnen.--Daar leefde in Perzië een groot koning, die vele vrouwen

had, van welke hij Phaedime het meest beminde, en boven al de anderen

stelde. Maar op zekeren dag kwam hij op den inval, de hand van de

dochter des konings Amasis van Egypte te vragen. Dus vaardigde hij

een groot gezantschap naar Saïs af, met zijn eigen broeder, als zijn

zaakgelastigde...."

»Altemaal dwaasheid!" riep Phaedime, van ongeduld overmeesterd. »Ik

wil weten wat er heden is voorgevallen."

»Geduld, geduld, mijn onstuimige Ader-wind [311]! Zoo gij mij nog

eenmaal in de rede valt, dan ga ik heen en vertel aan de boomen mijne

geschiedenis. Gun mij toch de vreugde de laatste maanden nog eens in

den geest te doorleven. Terwijl ik verhaal, voel ik me zoo recht wel

te moede, als een beeldhouwer, die den hamer uit zijne hand heeft

gelegd, en nu zijn voltooid werk beschouwt."

»Neen, neen," begon Phaedime nogmaals, »ik kan thans niet aanhooren,

wat ik al lang weet. Ik sterf van ongeduld. Sedert uren wacht ik hier

in de vreeselijkste spanning. Elk nieuw gerucht, dat door den mond van

slavinnen en eunuchen tot mij kwam, deed mijn ongeduld stijgen. Ik heb

de koorts van verlangen en kan niet langer wachten. Begeer van mij,

wat gij wilt, maar verlos mij uit deze ontzettende spanning. Later

wil ik, zoo gij dat wenscht, dagen achtereen naar u luisteren."

Boges glimlachte vergenoegd, en zeide, zich in de handen wrijvende:

»Reeds als kind kende ik geen heerlijker vermaak, dan een aan den

hengel spartelend vischje gade te slaan. Thans hangt gij, de schoonste

goudkarper dien mijne oogen ooit zagen, aan mijn snoer, en ik kan u

niet loslaten, voordat ik mij aan uw ongeduld verzadigd heb."

Phaedime sprong nu van het rustbed op, dat zij met Boges had

gedeeld, stampte met den voet en ging te keer als een kind, dat om

de vervulling van zijn wensch dwingt. Den eunuch scheen haar woeden

en razen ontzaglijk te vermaken, want hij wreef zich onophoudelijk

de handen, lachte dat hem de tranen langs de bolle wangen biggelden,

en ledigde verscheidene bekers wijn op de gezondheid der gemartelde

schoone, alvorens hij op deze wijze zijn verslag vervolgde: »Het was

voor mij niet geheim gebleven, dat Cambyzes zijn broeder Bartja, die de

Egyptische hierheen had geleid, enkel en alleen uit ijverzucht tegen de

Tapoeren zond. Doch de hoogmoedige vrouw, wie ik niets bevelen mocht,

scheen naar mij docht, even weinig aan den schoonen knaap te denken,

als een Jood aan varkensvleesch, of een Egyptenaar aan witte boonen

[312]. Desniettemin besloot ik de ijverzucht van den koning aan te

wakkeren, door de onbeschaamde, wie het scheen te zullen gelukken

ons beiden uit de gunst van Cambyzes te verdringen, onschadelijk te

maken. Maar ik zocht lang tevergeefs naar een deugdelijk plan.

»Toen eindelijk het nieuwjaarsfeest [313] daar was, verzamelden zich

alle priesters uit het rijk te Babylon. Acht dagen lang was de stad

het tooneel van gejuich, maaltijden en drinkgelagen. Ook aan het hof

was het een lustig leventje, en ik had weinig tijd, om over mijne

plannen te peinzen. Doch daar deed de goedgunstige Amescha Çpenta mij,

juist toen ik het allerminst uitzicht had op welslagen, een jongeling

ontmoeten, dien Angramainjus zelf voor mijne plannen scheen te hebben

geschapen. Gaumata, de broeder van Oropastes, was naar Babylon gekomen,

om het groote nieuwjaarsoffer bij te wonen. Toen ik den jongeling voor

de eerste maal zag bij zijn broeder, wien ik eene boodschap van den

koning moest overbrengen, meende ik een geestverschijning te zien,

zoo volmaakt geleek hij op Bartja. Nadat ik mijne zaken met Oropastes

had afgehandeld, geleidde de knaap mij naar mijn wagen. Ik liet hem

niets van mijne verbazing blijken, overlaadde hem met beleefdheden,

en verzocht hem dringend, mij een bezoek te komen brengen. Denzelfden

avond klopte hij aan mijne deur. Ik liet den besten wijn opzetten,

spoorde hem tot drinken aan, en deed bij vernieuwing de ervaring op,

dat de voortreffelijkste eigenschap van het druivensap deze is, dat het

den minst spraakzame aan het praten brengt. In zijn roes bekende de

jongeling, dat hij niet om het offer, maar ter wille van een meisje,

dat de betrekking van eerste kamerjuffer bij de Egyptische bekleedde,

naar Babylon was gekomen. Hij beminde haar van zijne kindsheid af,

zeide hij, maar zijn eerzuchtige broeder had hoogere plannen met hem

voor, en wist de schoone Mandane, alleen om die twee te scheiden, eene

plaats bij de nieuwe gemalin van den koning te bezorgen. Eindelijk

verzocht hij mij dringend, hem in de gelegenheid te stellen zijne

liefste te spreken. Ik hoorde hem bedaard aan, opperde een tal van

bezwaren, en verzocht hem ten slotte zich den volgenden dag nogmaals

bij mij aan te melden. Hij kwam. Ik zeide dat zich alles schikken zou,

indien hij beloofde mijne bevelen blindelings te volgen. Hij maakte

natuurlijk geene zwarigheid, reisde dadelijk op mijn verzoek naar

Rhagae terug, en kwam eerst eergisteren heimelijk binnen Babylon,

als wanneer ik hem in mijn huis eene schuilplaats bezorgde.

»Intusschen was Bartja uit den strijd teruggekeerd. Nu kwam het er

op aan de ijverzucht van den koning opnieuw te doen ontbranden, en de

Egyptische met een enkelen slag te doen vallen. Door uwe vernedering

wekte ik den wrevel uwer bloedverwanten jegens de Egyptische op en

maakte verder alle toebereidselen tot de groote onderneming. Het lot

was mij bijzonder gunstig. Gij weet hoe, geheel buiten mijn toedoen,

bij gelegenheid van den feestmaaltijd, Nitetis zich aanstelde. Maar gij

weet niet, dat zij dienzelfden avond een tuinmansjongen met een brief

tot Bartja in den koningsburcht zond. De onhandige bode liet zich

betrappen, en werd in dien eigen nacht, op bevel van den woedenden

koning, een hoofd kleiner gemaakt. Ik droeg intusschen zorg, dat

Nitetis zoo geheel van alle gemeenschap met hare vrienden verstoken

bleef, dat zij als in het nest van den Simurg [314] leefde. Het

overige weet gij!"

»Maar hoe ontkwam Gaumata?"

»Door eene mij alleen bekende valdeur, die den vluchteling opeens aan

alle verdere nasporingen onttrok. Alles is uitnemend in zijn werk

gegaan; zelfs was het mij gelukt een dolk van Bartja, dien hij op

de jacht verloren had, in handen te krijgen, en ongemerkt onder het

venster van Nitetis te leggen. Om den prins te verwijderen, en hem te

beletten op het beslissend oogenblik bij den koning of in gezelschap

van andere invloedrijke getuigen te zijn, had ik den Griekschen koopman

Colaeus, die tegenwoordig te Babylon Milesische lakens verkoopt, en

veel voor mij overheeft, wijl ik hem al de voor het vrouwenverblijf

benoodigde wollen stoffen laat leveren, verzocht, een brief in de

Grieksche taal te schrijven, die Bartja namens zijne beminde, die

Sappho heet, uitnoodigde, zich geheel alleen, op het tijdstip van

het opkomen der Tistar-ster, aan de eerste pleisterplaats buiten

de Euphraat-poort te laten vinden. Doch met dien brief liep het mij

tegen, want de bode, die met de bezorging er van belast was, kweet

zich slecht van zijne taak. Wel beweert hij, dat hij den brief aan

Bartja zelven heeft ter hand gesteld, maar daar is geen twijfel aan,

dat hij hem aan iemand anders, waarschijnlijk aan Gaumata, bezorgd

heeft. Ik ontstelde hevig, toen ik vernam dat Bartja 's avonds met

zijne vrienden onder een beker wijn te zamen was geweest. Maar het

gebeurde kon niet ongedaan worden gemaakt, en getuigenissen als

die van uw vader, Hystaspes, Cresus en Intaphernes wogen rijkelijk

op tegen de verklaringen van Darius, Gyges en Araspes. Hier sprak

men tegen, daar vóor den vriend. Ten slotte kwam toch alles best

in orde. De jonge heeren zijn ter dood veroordeeld, en Cresus, die

zich als altijd aanmatigde den koning onbeschaamde dingen te zeggen,

zal zijn laatste uurtje reeds achter den rug hebben. Met betrekking

tot de Egyptische heeft de opperschrijver zoo even het volgende stuk

moeten opstellen. Hoor maar eens, mijn duifje, en wees blijde!

'Nitetis, de overspelige dochter van den koning van

Egypte, zal, tot straf voor hare schanddaden, volgens al

de gestrengheid der wet worden terechtgesteld, en wel op de

volgende wijze: Men plaatse haar schrijdelings op een ezel,

en voere haar door de straten der stad, opdat het volk van

Babylon erkenne, dat Cambyzes de dochter van een koning even

streng weet te tuchtigen, als zijne rechters de geringste

bedelaars straffen. Na het ondergaan der zon zal de snoode

levend begraven worden.--Dit bevel wordt den overste der

eunuchen, Boges, ter uitvoering in handen gesteld.

Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers · 第 23 / 38 题