ACHTSTE HOOFDSTUK.

Twee uren later stonden Bartja en zijne vrienden voor den

koning. Doodsbleek en met holle oogen zat de sterke man op zijn

gouden zetel, waarachter twee lijfartsen, die allerlei vaatwerk en

instrumenten in de handen hielden, stonden. Cambyzes toch was eerst

voor eenige minuten weer tot zijn bewustzijn gekomen, nadat hij langer

dan een uur, onder een aanval dier vreeselijke krankheid, die lichaam

en ziel beiden uitput en sloopt, en die wij met den naam van vallende

ziekte of epilepsie bestempelen, had neergelegen. Sedert de aankomst

van Nitetis was hij van zulke aanvallen verschoond gebleven, maar heden

had de ziekte, tengevolge van gemoedsbewegingen van de laatste uren,

hem met vernieuwde woede aangegrepen [296].

Had hij Bartja een paar uur geleden ontmoet, hij zou hem met eigen hand

gedood hebben. Het toeval had evenwel zijne woede, zoo al niet geheel

neergezet, dan toch in zooverre doen bedaren, dat hij in staat was

beschuldigers en beschuldigden beiden te hooren. Rechts van den troon

stonden Hystaspes, de grijze vader van Darius, Gobryas, de toekomstige

schoonvader van dezen, de hoogbejaarde Intaphernes, de grootvader van

Phaedime, die ter wille van de Egyptische 's konings gunst verloren

had, de opperpriester Oropastes, Cresus, en achter dezen Boges, de

overste der eunuchen. Links stonden Bartja, wiens handen met zware

ketenen beladen waren, Araspes, Darius, Zopyrus en Gyges. Meer op den

achtergrond bevonden zich honderden waardigheidbekleeders en grooten.

Na lang het stilzwijgen bewaard te hebben, hief de koning zijne

oogen op, liet ze een oogenblik vol afkeer en toorn op den geketenden

jongeling rusten, en sprak dan met doffe stem:

»Opperpriester, zeg ons, wat hem te wachten staat, die zijn broeder

bedriegt, den koning onteert en beleedigt en zijn hart met zware

leugens bevlekt!"

Oropastes trad vooruit en antwoordde: »Hem wacht, zoodra hij van zijne

misdaden overtuigd zal zijn, een pijnlijken dood in deze wereld en

een vreeselijk oordeel op de brug Schinvât [297]; want hij heeft de

hoogste geboden overtreden en, omdat hij drie misdaden begaan heeft,

de genade onzer wet verbeurd, welke hem die slechts eenmaal zondigt,

al ware het maar een slaaf, het leven laat behouden [298]."

»Derhalve is Bartja des doods schuldig! Voert hem weg, wachters,

en verworgt hem! Voert hem weg!--Zwijg, ellendeling, ik wil

uw huichelachtig geteem nimmermeer hooren, nimmermeer in deze

leugenachtige oogen zien, die slechts tot verleiding geschapen zijn

en den Diws hunnen oorsprong danken. Voort met hem, wachters!"

De hoofdman Bischen naderde, om het bevel ten uitvoer te leggen. Thans

trad echter Cresus voor den koning, wierp zich voor den troon neder,

raakte den grond met het voorhoofd aan, hief de handen smeekend op en

sprak: »Ieder jaar, iedere dag brenge u niets dan geluk! Aoeramazda

schenke u al het goede des levens en de Amescha Çpenta mogen de

wachters van uw troon zijn! Sluit uw oor niet voor de woorden van een

grijsaard, en bedenk dat Cyrus, uw vader, mij als uw raadsman heeft

aanbevolen. Gij wilt uw broeder doen ombrengen; ik waarschuw u echter

aan uw toorn geen gehoor te geven, maar met al de kracht die in u is

u zelven te beheerschen! Bedachtzaamheid is de plicht van wijzen en

koningen. Wacht u wel het bloed van een broeder te vergieten, want

weet, dat de dampen er van opstijgen ten hemel en tot wolken worden,

die al de dagen van een moordenaar verduisteren, en eindelijk den

bliksem der wrake op hem nederslingeren. Maar ik weet dat gij richten

en niet moorden wilt. Handel dus naar de wijze van hen, die bij het

rechtspreken beide partijen hooren, alvorens uitspraak te doen. Hebt

gij dit gedaan, is de misdadiger overtuigd geworden en heeft hij zijn

schuld moeten belijden, dan zal de bloedwolk uw levensstroom niet meer

verduisteren, maar u beschaduwen. In de plaats van de straf der goden

zult gij u den roem verwerven van een verstandig rechter te zijn."

Cambyzes hoorde den grijsaard zwijgend aan, wenkte Bischen om terug

te treden, en beval Boges zijn aanklacht te herhalen.

De eunuch boog en begon: »Ik was ziek, en moest daarom het opzicht

over de Egyptische opdragen aan mijn ambtgenoot Candaules, die zijne

onachtzaamheid met den dood bekocht. Tegen den avond voelde ik mij

veel beter, en beklom dus de hangende tuinen, om te zien of alles in

orde was, en de zeldzame bloem, die dezen nacht in bloei moest staan,

in oogenschouw te nemen. De koning, wien Aoeramazda zege verleene,

had geboden de Egyptische strenger te bewaken dan anders, wijl zij

zich vermeten had den edelen Bartja een brief..."

»Zwijg," viel de koning den eunuch in de rede, »en blijf bij de zaak!"

»Toen de Tistar-ster was opgegaan, kwam ik op de tuinen, en stond

eenigen tijd met deze edele Achaemeniden, den opperpriester en den

koning Cresus bij de blauwe lelie, want die was inderdaad betooverend

schoon. Daarop riep ik mijn ambtgenoot Candaules, en vroeg hem,

in tegenwoordigheid dezer aanzienlijke getuigen, of alles in orde

was. Hij beantwoordde deze vraag toestemmend, en voegde er bij, dat

hij juist van Nitetis kwam, die den ganschen dag geweend had en drank

noch spijze had willen gebruiken. Bezorgd voor de gezondheid mijner

hooge gebiedster, droeg ik Candaules op een geneesheer te halen,

en juist wilde ik, om mij zelven van den toestand uwer gemalin te

overtuigen, van de edele Achaemeniden afscheid nemen, toen ik in

den maneschijn eene mannelijke gedaante gewaar werd. Ik was zoo zwak

tengevolge der doorgestane koorts, dat ik ter nauwernood staan kon,

en had niemand tot hulp bij mij dan den tuinman.

»Mijne onderhoorigen hielden op grooten afstand van ons, aan de

ingangen de wacht. Ik klapte in de handen, om te waarschuwen dat er

onraad was, en toen zij niet verschenen, naderde ik het huis, door

deze edelen vergezeld. De mannelijke gedaante stond voor de vensters

der Egyptische, en liet, toen wij in dezelfde richting voortwandelden,

een zacht gefluit hooren. Aanstonds verscheen, duidelijk zichtbaar

bij het heldere maanlicht, eene tweede gedaante, die uit het venster

van het slaapvertrek der Egyptische in den tuin sprong, en met haren

geleider ons te gemoet kwam.

»Wie beschrijft mijne verbazing toen ik in den indringer den edelen

Bartja herkende. Een vijgenboschje onttrok de vluchtenden voor een

oogenblik aan ons gezicht. Eene minuut later snelden zij voorbij,

op geen vier schreden afstands van ons. zoodat wij gelegenheid hadden

hen nogmaals goed op te nemen. Terwijl ik mij nog bedacht, of ik wel

het recht had aan een zoon van Cyrus de handen te slaan, en Cresus

hem bij zijn naam riep, verdwenen de vluchtelingen plotseling achter

een cypres. Wij volgden hen, en zochten lang, doch te vergeefs naar

de op onverklaarbare wijze ontkomenen. Toen ik terstond daarop het

huis onderzocht, vond ik de Egyptische in onmacht op den divan in

haar slaapvertrek liggen."

Al de aanwezigen luisterden in angstige spanning. Cambyzes verbeet

zich van woede, en vroeg met een verschrikkelijke stem: »Kunt gij de

woorden van den eunuch bevestigen, Hystaspes?"

»Ja!"

»Waarom hebt gij den misdadiger niet gevat?"

»Wij zijn krijgslieden, maar geene gerechtsdienaars."

»Zeg liever: wij hebben dien knaap liever dan onzen koning."

»Wij eeren u, maar hebben een afschuw van den misdadigen Bartja,

gelijk wij den schuldeloozen zoon van Cyrus liefhadden."

»Zijt gij wel zeker, dat Bartja die indringer was?"

»Ja!"

»En gij, Cresus, kunt gij mijne vraag ontkennend beantwoorden?"

»Neen. Ik geloof in den maneschijn uw broeder, even duidelijk als hij

hier voor mij staat, gezien te hebben; en toch schijnt het mij, dat wij

allen door een onverklaarbaar gezichtsbedrog misleid zijn geworden."

Bij deze woorden verbleekte Boges, die tot dusverre in zijn vuistje

had gelachen. Cambyzes schudde echter afkeurend het hoofd, en zeide:

»Wie zou ik mogen gelooven, wanneer de oogen mijner beproefde helden

zich hebben kunnen bedriegen? Wie zou nog rechter kunnen wezen,

wanneer getuigenissen, als de uwe, niet meer van kracht zijn?"

»Andere getuigen, wier verklaring even geldig is, zullen u bewijzen,

dat wij stellig en zeker gedwaald moeten hebben."

»Wie waagt het voor dezen misdadiger in de bres te springen?" vroeg

Cambyzes, terwijl hij opvloog en stampvoette van drift.

»Wij!" »Ik!" »Wij!" riepen Araspes, Darius, Gyges en Zopyrus, als

uit éen mond.

»Verraders, schurken!" schreeuwde de koning. Als echter zijn oog

den kalmen, afkeurenden blik van Cresus ontmoette, daalde zijne stem

aanmerkelijk, en sprak hij: »Wat hebt gijlieden dan ten gunste van

dezen misdadiger in te brengen? Bedenk u wel, eer gij spreekt, en

acht de straf die den valschen getuige bedreigt, niet te licht."

»Wij hebben deze waarschuwing niet van noode," zeide Araspes; »maar

wij kunnen bij Mithra bezweren, dat wij, nadat we van de jacht tehuis

gekomen zijn, Bartja en zijn tuin geen oogenblik verlaten hebben."

»En," liet Darius volgen, »ik, de zoon van Hystaspes, kan de

onschuld van uw broeder zonneklaar bewijzen, want ik sloeg met hem

de Tistar-ster gade, wier licht, volgens het getuigenis van Boges,

zijne vlucht moet hebben begunstigd."

Hystaspes keek na deze verklaring zijn zoon met verbazing en vragend

aan. Cambyzes wendde, onderzoekend en besluiteloos, nu eens den blik

naar de eene dan naar de andere partij, die beide zoo volkomen zeker

waren van hunne zaak en elkander toch niet gelooven konden.

Bartja had tot hiertoe gezwegen, en slechts weemoedig neergezien

op de ketenen, die zijne handen boeiden. Hij maakte nu gebruik van

de heerschende stilte, en zeide, terwijl hij diep ter aarde boog:

»Veroorlooft ge mij, eenige woorden te spreken mijn koning?"

»Spreek!"

»Onze vader gaf ons het voorbeeld, om slechts het goede en reine na te

streven; daarom was mijn wandel tot hiertoe onbevlekt. Kunt gij mij van

eene enkele booze handeling overtuigen, zoo geloof mij niet. Vindt gij

evenwel geene vlekken op mijn verleden, zoo vertrouw mijne woorden,

en overweeg, dat een zoon van Cyrus liever sterft dan een leugen te

spreken. Ik erken dat nog nooit een rechter in moeilijker toestand

verkeerde, dan gij thans. De besten van uw rijk getuigen tegen

den beste, de vriend tegen den vriend, de vader tegen den zoon. Ik

echter zeg u dat, wanneer geheel Perzië zijne hand tegen u ophief,

en allen bezweren wilden: Cambyzes heeft dit of dat bedreven, en

gij verzekerdet: 'Ik deed het niet,' ik, Bartja, geheel Perzië zou

logenstraffen en zeggen: Gij zijt allen valsche getuigen, want eer

zal de zee vuur uitwerpen, dan de mond eens zoons van Cyrus leugens

verkondigen! Wij beiden zijn van zoo hooge geboorte, dat gij slechts

tegen mij, gij echter alleen tegen u zelven moogt getuigen."

Cambyzes zag na deze woorden minder toornig op zijn broeder neder. Deze

vervolgde: »ik bezweer u dus, bij Mithra en alle reine geesten,

mijne onschuld. Wanneer ik, sedert mijne terugkomst uit Egypte, op de

hangende tuinen ben geweest, wanneer mijn mond u thans leugens vertelt,

dan moge het leven mij ontnomen worden, en ik zonder nakomelingschap

ten grave dalen!"

Bartja had dezen eed op zulk een vasten, overtuigenden toon afgelegd,

dat Cambyzes gebood hem zijne ketenen af te nemen. Na zich nog

eene wijle bezonnen te hebben, zeide hij: »Ik wil u gelooven, want

het is mij niet mogelijk u voor den verdorvenste aller menschen te

houden. Morgen zullen wij de sterrenwichelaars, zieners en priesters

raadplegen. Wellicht kunnen zij de waarheid aan den dag brengen. Ziet

gij eenig licht in deze duisternis, Oropastes?"

»Uw knecht vermoedt, dat een Diw de gestalte van Bartja heeft

aangenomen, om uw broeder in het ongeluk te storten en uwe koninklijke

ziel met het bloed van den zoon uws vaders te bevlekken."

Cambyzes en al de aanwezigen gaven door een teeken te kennen dat

zij hiermede instemden; ja, reeds wilde de koning zijn broeder de

hand reiken, toen een stafdrager binnentrad, en den koning een dolk

overhandigde. Een eunuch had dien onder het venster van Nitetis'

slaapvertrek gevonden.

Cambyzes beschouwde het wapen, waarvan het kostbare gevest met robijnen

en turkooizen rijk bezet was, met onderzoekenden blik. Op eens werd

hij doodsbleek en wierp den dolk met zulk eene kracht voor de voeten

van zijn broeder, dat de edelgesteenten uit hunne kassen sprongen.

»Dit is uw dolk, ellendeling!" brulde hij, en vloog andermaal in woeste

drift op. »Heden morgen hebt gij er den ever, dien ik geveld had,

den laatsten stoot mede gegeven. Ook gij, Cresus, moet hem kennen,

want mijn vader nam hem uit uwe schatkamer te Sardes. Thans zijt gij

overtuigd, gij, leugenaar en bedrieger! De Diws hebben geene wapenen

van noode en dolken als deze zijn niet overal te vinden. Gij grijpt

naar uw gordel? Gij verbleekt? Uw mes is verdwenen?"

»Het is weg. Ik moet het verloren hebben, en een vijand van mij..."

»Bind hem, boei hem, Bischen! Leid den verrader en zijne valsche

getuigen naar den kerker! Morgen worden ze allen geworgd. De dood

is de straf voor den meineed. Als zij ontkomen, dan verbeuren de

wachters hunne hoofden. Geen woord wil ik meer hooren; voort met u,

meineedige schurken! Gij Boges, spoedt u naar de hangende tuinen,

en breng de Egyptische vóor mij.--Maar neen, ik wil de slang niet

meer zien. Weldra breekt de morgen aan; omstreeks den middag zal de

verraderes met zweepslagen door de stad gedreven worden. Dan wil ik.."

Hier verstomde de koning. Hij stortte op den marmeren vloer neder. Een

nieuwe aanval der vreeselijke ziekte had hem getroffen.

In dit schrikkelijk oogenblik trad de blinde Cassandane, door den

grooten veldheer Megabyzus geleid, de zaal binnen. Het bericht

van het voorgevallene was tot in haar stil vertrek doorgedrongen,

en dadelijk had zij zich, ondanks dit nachtelijk uur, gereed

gemaakt om, zoo mogelijk, achter de waarheid te komen, en haar

eerstgeborene voor overijling te waarschuwen. Vast en onwankelbaar

was hare overtuiging betreffende de onschuld van Bartja en Nitetis,

schoon zij het raadselachtige in het gedrag der laatste, en van de

verschijning des eersten op de hangende tuinen niet vermocht op te

lossen. Bij herhaling had zij beproefd met de Egyptische een onderhoud

te hebben, doch het had haar niet mogen gelukken. Toen zij eindelijk

in persoon naar de hangende tuinen was gegaan, hadden de wachters de

stoutmoedigheid gehad haar af te wijzen.

Cresus trad de edele vrouw te gemoet, deelde haar in vergoelijkende

bewoordingen mede, wat er had plaats gegrepen, versterkte de blinde

in haar geloof aan de onschuld der aangeklaagden, en leidde haar naar

het rustbed van haar zoon, den koning.

De aanval der ziekte was ditmaal niet van langen duur. Uitgeput en

bleek lag hij op zijn gouden rustbed, onder een purperzijden dek. Naast

hem zat zijne blinde moeder, aan het voeteneind stonden Cresus

en Oropastes en aan het andere einde der zaal beraadslaagden vier

lijfartsen [299], zacht fluisterend, over den toestand van den lijder.

Cassandane vermaande haar zoon met liefderijke woorden, om zich

toch te wachten voor dat hartstochtelijk opvliegen, en te bedenken,

hoe noodlottig iedere nieuwe vlaag van drift voor zijne gezondheid

moest zijn.

»Gij hebt gelijk, moeder," antwoordde de koning, op smartelijken

toon. »Het zal noodig zijn alles wat mijne drift gaande maakt uit

den weg te ruimen. De Egyptische moet sterven, en mijn verraderlijke

broeder zal zijne boeleerster volgen."

Cassandane gebruikte al hare welsprekendheid, om de onschuld der

veroordeelden te bewijzen en den woedenden man neder te zetten. Maar

beden, noch tranen, noch moederlijke vermaningen waren in staat

Cambyzes te doen wankelen in zijn besluit, om zich namelijk te ontdoen

van de gewaande moordenaars van zijn geluk en zijne rust.

Eindelijk belette Cambyzes de weeklagende vrouw met hare verdediging

voort te gaan, en zeide: »Ik gevoel mij doodelijk afgemat, en kan

uw snikken en kermen niet meer aanhooren. De schuld van Nitetis is

bewezen. Een man heeft tegen den nacht haar slaapvertrek verlaten,

en deze man was geen dief, maar de schoonste van alle Perzen, aan

wien zij gisterenavond beproefd heeft een brief te doen toekomen."

»Kent gij den inhoud van dat schrijven?" waagde Cresus te vragen,

terwijl hij het bed naderde.

»Neen, het is in 't Grieksch gesteld. De trouwlooze kiest voor hare

misdadige boodschappen teekens, die niemand aan dit hof bij machte

is te ontcijferen."

»Veroorlooft gij mij den brief voor u te vertolken?"

Cambyzes wees met de hand op een elpenbeenen kastje, waarin het

gewichtig schrijven geborgen was, en zeide: »Neem en lees! Maar

verzwijg mij geen enkel woord, want morgen zal ik den brief nogmaals

door een der kooplieden van Sinope, die te Babylon wonen, doen

voorlezen."

Cresus ademde nu weder vrijer. Nieuwe hoop bezielde hem, terwijl hij

den brief ontrolde. Maar als hij die gelezen had, stonden er tranen in

zijne oogen en zijne lippen fluisterden: »De sage van Pandora behelst

dan toch waarheid, en ik heb geene reden meer mij te vertoornen

op de dichters, die de vrouwen beschimpen [300]. Alle, alle zijn

valsch en trouwloos!--O, Cassandane, hoe misleiden ons de goden. Zij

schenken ons een hoogen ouderdom; maar alleen om ontbladerd te worden,

gelijk de boomen als de winter nadert, en om ons te doen ondervinden,

dat alles, wat wij voor goud hielden slechts koper is, dat hetgeen

waarvan wij verkwikking en sterkte verwachtten, enkel gif bevat!"

En hij stortte zulk een vloed van tranen, dat hij de letters nauwelijks

kon onderscheiden. Cassandane weende met hem en scheurde haar kostbaar

gewaad. Cambyzes echter balde de vuisten, als Cresus met bevende stem

de volgende woorden las:

»Nitetis, dochter van Amasis van Egypte, aan Bartja, zoon van den

grooten Cyrus.

»Ik heb u, maar u alleen iets gewichtigs te zeggen. Morgen spreek ik u

misschien bij uwe moeder. Gij hebt het in uwe hand, een arm beminnend

hart te troosten en het alvorens het sterft, een gelukkig oogenblik

te doen smaken. Ik heb u vele en zeer treurige dingen mede te deelen,

en herhaal dus, dat ik u spoedig spreken moet."

Het gelach van Cambyzes, dat klonk als de lach van een waanzinnige,

sneed Cassandane door de ziel. Zij boog zich over hem heen en

wilde een kus op zijn voorhoofd drukken; doch hij weerde hare

liefkoozingen af, met te zeggen: »Het is een twijfelachtige eer,

tot uwe lievelingen te behooren. Bartja heeft zich door de verraderes

niet tweemaal laten roepen, en zich door valsche eeden onteerd. Zijne

vrienden, de bloem onzer jongelingschap, hebben zich om zijnentwil

met onuitwischbare schande bedekt, en uwe meest geliefde dochter is

door hem.... Maar neen, Bartja heeft aan den misdaad van dit monster,

dat de gestalte eener Peri heeft aangenomen, geene schuld. Haar

leven was een samenweefsel van huichelarij, leugen en bedrog. Haar

dood zal u bewijzen, dat ik weet te straffen. Verlaat mij thans,

ik moet alleen zijn."

Nauw hadden zich de aanwezigen verwijderd of Cambyzes sprong van zijne

legerstede op, en vloog als een razende het vertrek op en neder, totdat

de heilige vogel Parôdar het aanbreken van den dag verkondde. Toen

de zon was opgegaan, legde hij zich wederom te bed en verzonk in een

vasten slaap, die hem echter verkwikking noch rust kon schenken.

Intusschen zaten de jeugdige gevangenen en de oude Araspes, nadat

Bartja Gyges een afscheidsbrief aan Sappho in de pen had gegeven,

onder een beker wijn bij elkander. »Laat ons vroolijk zijn," riep

Zopyrus; »want ik geloof, dat het met de vreugde spoedig gedaan zal

zijn! Ik wil niet langer leven, als wij morgenochtend niet allen,

zoo als wij hier zitten, dood zijn. Jammer dat wij menschen maar éen

hals hebben; hadden wij er twee, dan zou ik meer dan éen goudstuk

voor ons leven verwedden."

»Zopyrus heeft gelijk," voegde Araspes er bij; »we moeten vroolijk

zijn, en de oogen ter dege openhouden, want ze zullen zich spoedig

genoeg en wel voor altijd sluiten."

»Wie onschuldig den dood tegengaat, heeft geen reden om te treuren,"

zeide Gyges. »Vul den beker, schenker!"

»Hé, Bartja en Darius!" riep Zopyrus dezen toe, die zich fluisterend

met elkaar onderhielden. »Hebt gijlieden weer geheimen? Komt naderbij

en neemt den beker. Ik heb, bij Mithra, nog nooit naar mijn dood

gewenscht, heden echter verbeid ik met vreugde den zwarten Azis [301],

want hij zal ons allen tegelijk van de aarde doen verdwijnen. Zopyrus

sterft liever met zijne vrienden, dan dat hij zonder hen zou willen

leven."

»Vóor alle dingen," zeide Darius, nu hij met Bartja plaats nam in

den kring der drinkers, »moeten wij beproeven het voorgevallene

te verklaren."

»Mij is het onverschillig," riep Zopyrus, »of ik met dan zonder

deze opheldering sterf, zoo ik slechts weet, dat ik onschuldig ben,

en de dood van een valsch getuige niet verdiend heb. Bezorg ons

gouden bokalen, Bischen! Uit deze ellendige ijzeren kroezen smaakt

de wijn niet. Al verbiedt Cambyzes onzen vrienden en vaders ook ons

te bezoeken, hij zal toch wel niet van ons vergen, dat wij in onze

laatste levensuren gebrek lijden."

»Niet de slechte beker, maar het smartelijke dat er in ligt zoo jong

te moeten sterven, verbittert u den wijn," zeide Bartja.

»Zoo waar ik nog leef, neen!" riep Zopyrus. »Ik had bijna reeds

vergeten, dat op het worgen gewoonlijk de dood volgt." Dit gezegd

hebbende, stiet hij Gyges aan, en fluisterde dezen in: »Wees toch wat

opgeruimder! Ziet gij dan niet dat onzen Bartja het scheiden van de

aarde moeilijk valt? Wat zegt gij, Darius?"

»Ik houd het er voor, dat het is gelijk Oropastes vermoedt, dat een

booze Diw Bartja's gestalte heeft aangenomen, en tot de Egyptische

is gegaan om ons in 't ongeluk te storten."

»Dwaasheid, ik geloof niet aan zulke dingen."

»Herinnert gij u niet de sage van koning Kawoes, aan wien ook een

Diw verscheen, in de schoone gestalte van een dichter?"

»Zeker!" riep Araspes. »Cyrus liet deze sage zoo dikwijls onder den

maaltijd zingen, dat ik ze van buiten ken. Wilt gij ze hooren?"

»Gaarne, gaarne! Zing op! Laat hooren!" riepen de jongelingen. Een

oogenblik bedacht Araspes zich, dan begon hij, halfsprekend,

halfzingend:

"Als Kawoes koning was van 't Perzisch rijk,

En er geen koning was aan hem gelijk.

Als hij de wereld voor zich beven zag,

Van pracht en rijkdom zich omgeven zag,

Zijn troon met goud en paarlen zag getooid,

Zijn kroon met diamanten overstrooid,

Zijn Thasir-paarden van het edelst bloed,

Zoo werd hij trotsch, en zwol van overmoed.

Eens toen hij op zijn geurig rustbed zat,

En zich verzaadde aan fonklend druivennat

Vertoonde een Diw zich aan de poort van 't hof,

In zangerdos gehuld, en vroeg verlof

Om tot den koning in 't paleis te gaan:

'Ik ben een zanger uit Masenderan [302],'

Zóo klonk zijn taal; 'ontga mij 't voorrecht niet

Des konings oor te streelen met mijn lied.'

't Gedwee verzoek vond bij den koning gunst.

"Hij nader," sprak de vorst, "en toon zijn' kunst!"

Toen kwam de Diw en sloeg de snaren aan,

En zong dit loflied op Masenderan."

»Wilt gij het lied van Masenderan hooren?"

»Zing steeds voort!"

"O vaderland, u klinkt mijn lied ter eer;

De zegen Gods dale op uw vlakten neer,

Waar zich de roos in wonderpracht ontplooit,

Waar anemoon en tulp de heuvlen tooit,

Waar 't groenend veld in eeuwgen feestdos prijkt,

De lentelucht voor koû noch hitte wijkt,

De nachtegaal in 't loof der wouden zingt,

De hinde langs den rug der bergen springt,

De lucht steeds klaar is en het leven zoet,

Waar alles zwemt in geur en kleurengloed,

Waar rozenwater stroomt door beek en vliet,

En weelde en wellust in de zielen giet;--

Daar groeit de bonte tulp in elk seizoen: [303]

Daar slingert, tusschen nooit verwelkend groen,

De zilvren vloed zich voort; daar is de jacht

Nooit vruchteloos en toont de valk zijn kracht.

Daar schittert alles. Louter goud is daar

Het hoofdsieraad der achtbre priesterschaar.

De grooten spreiden er hun glans ten toon

In gouden borstborduursels, rijk en schoon.

Wie dáar den toegang zich geweigerd ziet,

Die kent het waar geluk des levens niet." [304]

»En Kai Kawoes luisterde naar de woorden van den Diw, die in de

gestalte van een zanger tot hem gekomen was en trok naar Masenderan,

alwaar hij door de Diws geslagen en van zijn gezicht beroofd werd."

»Maar," viel Darius in, »Rustem, de groote held kwam, en sloeg den

Erscheng en de andere booze geesten, en bevrijdde den gevangene, en gaf

den blinde het gezicht weder, door hem het bloed der gedoode Diws in de

oogen te druppelen. Evenzoo zal het ons gaan vrienden! Wij gevangenen

zullen bevrijd, Cambyzes en onzen met blindheid geslagen vaders zullen

de oogen geopend worden, zoodat zij onze onschuld erkennen. Hoor

eens, Bischen, wanneer wij toch ter dood gebracht worden, ga dan tot

de magiërs, de Chaldeërs en den Egyptenaar Nebenchari, en zeg hun,

dat zij nimmermeer naar de sterren moeten opzien, want dat Darius ze

heeft leeren kennen als leugenaars en bedriegers."

»Ik heb het altijd wel gezegd," viel Araspes hem in de rede, »dat

slechts droomen ons de toekomst kunnen onthullen. Voordat Abradat

in den slag voor de muren van Sardes viel, zag de onvergelijkelijke

Panthea in den droom, hoe hij door een Lydischen pijl doorboord werd."

»Gruwzaam mensch!" riep Zopyrus. »Moet gij er ons aan herinneren,

dat het vrij wat schooner is op het slagveld te sterven, dan met den

hals in een strop?"

»Gij hebt volkomen gelijk!" antwoordde de oude; »ik heb menigeen zien

sterven, wiens dood mij verreweg verkieselijker voorkwam dan de onze,

ja, dan het leven zelfs. Ach, kinderen, daar zijn veel betere tijden

geweest, dan de tegenwoordige."

»Vertel ons iets uit die dagen!"

»Verhaal ons, waarom gij nooit gehuwd zijt geweest. In de andere

wereld zal het u niet schaden, zoo wij soms uw geheim openbaar maken."

»Ik heb geene geheimen; want hetgeen gij wilt, dat ik u verhalen zal,

kan ieder uwer vaders u mededeelen. Luistert dan!--Toen ik jong was,

vermaakte ik mij met de vrouwen, maar dreef den spot met de liefde. Nu

wilde het toeval dat Panthea, de schoonste van alle vrouwen, in onze

handen viel. Cyrus stelde mij tot haar bewaker aan, omdat ik mij

meermalen beroemd had een onkwetsbaar hart te hebben. Ik zag Panthea

dagelijks, en, mijne vrienden, ik deed de ervaring op, dat de liefde

sterker is dan onze wilskracht. Zij wees mijne aanzoeken af, bewoog

Cyrus mij uit hare nabijheid te verwijderen, en een verbond te sluiten

met haar echtgenoot Abradat. De trouwe, edele vrouw tooide daarna

haar gade, toen hij ten strijde toog, met al wat zij kostbaars had,

en zeide, dat hij de deugd van Cyrus, die haar als gevangene gelijk

eene zuster behandeld had, slechts met zelfopofferende vriendschap en

de grootste dapperheid vergelden kon. Abradat dacht gelijk zijne vrouw,

streed als een leeuw voor Cyrus, en viel. Bij zijn lijk doodde Panthea

zich zelve. Toen hare dienaren dit vernamen, maakten ook zij, bij het

graf der schoonste meesteres, een einde aan hun leven. Cyrus beweende

het edele paar, en liet te hunner eere een lijksteen oprichten,

die tot op den huidigen dag bij Sardes te zien is. Slechts deze

eenvoudige woorden zijn er op vermeld: 'Aan Panthea, aan Abradat,

en aan de trouwsten van alle dienaren!'--Ziet, kinderen, wie eenmaal

zulk een vrouw bemind heeft, kan voorzeker nimmermeer aan een andere

denken." [305]

De jonge helden hadden den grijsaard zwijgend aangehoord en

bewaarden, nog lang nadat hij had opgehouden met spreken, het

stilzwijgen. Eindelijk hief Bartja de handen ten hemel, en riep:

»O, groote Aoeramazda! Waarom laat gij mij dit leven niet besluiten

als Abradat; waarom moeten wij als moordenaars een schandelijken

dood sterven?"

Op dit oogenblik trad Cresus, door zweepdragers geleid, met geketende

handen, in den kerker. De vrienden snelden den grijsaard tegemoet,

en bestormden hem met vragen. Gyges wierp zich aan de borst van zijn

vader, en Bartja naderde den door hem zoo hooggeschatten man met

geopende armen.

Het anders zoo opgeruimd gelaat van den grijsaard was somber en streng;

zijne heldere, zachte oogen stonden dof en bijkans dreigend. Met eene

koele, gebiedende beweging van zijne hand wees hij den koningszoon

terug, en zeide met bevende en verwijtende stem: »Raak mij niet

aan, verblinde knaap! Gij zijt de liefde niet waard, die ik u tot

op heden toedroeg. Trouweloos zonder wedergade, hebt gij uw broeder

bedrogen, uwe vrienden verleid, het arme kind, dat in Naucratis naar

u smacht, verraden, en het hart van de ongelukkige dochter van Amasis

vergiftigd."

Aanvankelijk luisterde Bartja bedaard en lijdzaam toe; toen echter

Cresus het woord »bedrogen" uitsprak, balde hij zijne vuisten, en

stampvoetende riep hij op woesten toon: »Uwe jaren, uwe zwakheid en

de groote verplichting die ik aan u heb, beschermen u, oude; anders

ware deze uwe hoonende taal uw laatste woord geweest!"

Cresus hoorde deze uitbarsting van rechtmatigen toorn gelaten aan,

en antwoordde: »Cambyzes en gij zijt van één bloed; dit bewijst

uwe dwaze opvliegendheid. Het ware u echter beter, zoo gij berouw

toondet over uwe euveldaden; zoo ge mij, uw leermeester en vriend,

om vergeving wildet bidden, en niet nog de ondankbaarheid voegdet

bij uwe trouweloosheid."

Deze woorden deden den toorn van den beleedigden jongeling een weinig

bedaren. Zijne gebalde vuisten zonken krachteloos neder en zijne

wangen werden doodsbleek.

Aan deze schijnbare teekenen van berouw kon het zachtmoedige hart

van den ouden man geen weerstand bieden. Zijne liefde was sterk

genoeg, dat zij zoowel den schuldigen, als den onschuldigen Bartja

kon omvatten. Hij sloeg zijn arm om 's jongelings hals, en vroeg hem,

gelijk eene moeder haar kind vraagt, als zij op het dierbare gelaat

de sporen van lijden meent op te merken: »Beken mij toch, mijn lieve,

arme zoon, hoe was het mogelijk, dat uw rein hart zich zoo snel aan

den booze overgaf?"

Bartja hoorde deze woorden huiverend aan. Zijn aangezicht kleurde

zich wederom vuurrood, en zijne ziel werd met wrevel vervuld. Voor de

eerste maal in zijn leven gaf hij het geloof aan de rechtvaardigheid

der goden prijs. Hij noemde zichzelven het slachtoffer van een wreed,

onverbiddelijk noodlot. Hij gevoelde hetzelfde, wat het onschuldige

gejaagde wild moet ondervinden, als het nederstort en het rumoer van

het naderen der honden en jagers verneemt. Zijn teeder gemoed was

nog zoo kinderlijk gestemd, dat hij niet wist hoe zich onder deze

eerste ernstige slagen van het lot te gedragen. Men was er wel op

bedacht geweest zijn lichaam en zijn moed voor den strijd met aardsche

vijanden te harden en te ontwikkelen, maar zijne opvoeders hadden

hem, evenmin als zijn broeder geleerd, de slagen van het lot af te

weren. Want Cambyzes en Bartja schenen toch slechts bestemd te zijn,

om uit den beker van het geluk en der vreugde te drinken.

Zopyrus kon de diepe neerslachtigheid van zijn vriend niet langer

aanzien. Toornig voerde hij den grijsaard tegen, dat hij hard

en onrechtvaardig was. Gyges zag zijn vader smeekend aan. Araspes

plaatste zich tusschen den bestraffenden grijsaard en den gekrenkten

jongeling. Doch Darius, die een tijd lang al de aanwezigen peinzend

had gadegeslagen, trad met kalm overleg op Cresus toe, en zeide:

»Gij kwetst en beleedigt elkaar, zonder dat de beschuldigde schijnt

te weten, wat men hem ten laste legt, en zonder dat de rechter zijne

verdediging aanhoort. Ik bid u Cresus, deel ons mede ter wille van de

vriendschap die ons tot heden toe aan elkander verbond, wat u toch

bewogen heeft Bartja, aan wiens onschuld gij nog zoo kort geleden

geloofdet, zoo hard te veroordeelen."

De grijsaard voldeed aan dit verlangen, en verhaalde dat hij een

eigenhandigen brief van de Egyptische gelezen had, waarin zij Bartja

hare liefde belijdt, en tot eene geheime samenkomst uitnoodigt. Zijne

eigene oogen, het getuigenis der eerste mannen in het rijk, ja zelfs

de voor het huis van Nitetis gevonden dolk, dat alles had hem niet van

de schuld van zijn lieveling kunnen overtuigen. Maar die brief was als

een brandende fakkel in zijn hart geworpen, om het laatste overschot

van zijn geloof aan deugd en vrouwelijke reinheid te verteren.

»Ik verliet den koning," zoo besloot hij, »vast en zeker overtuigd van

de werkelijkheid eener misdadige verbintenis tusschen uw vriend en de

Egyptische, wier hart ik tot nu toe voor den spiegel hield van al wat

goed is en schoon. Kunt ge het mij euvel duiden, dat ik hem berisp,

die dezen helderen spiegel en de niet minder vlekkelooze reinheid

van zijne eigene ziel zoo schandelijk bezoedelde?"

»Hoe zal ik u mijne onschuld toch bewijzen?" riep Bartja, de

handen wringende. »Zoo gij mij liefhadt, zoudt gij mijne woorden

gelooven. Waart gij mij slechts genegen...."

»Knaap! om uw leven te redden, heb ik weinige oogenblikken geleden

het mijne verspeeld. Toen ik vernam, dat Cambyzes werkelijk bevel had

gegeven tot uwe terechtstelling, spoedde ik mij tot hem, bestormde hem

met beden, en had de vermetelheid, ziende dat mijn smeeken ijdel was,

den billijk vertoornden man bittere verwijten te doen. Maar op eens

scheurde het dunne weefsel van zijn geduld, en opstuivende gebood hij

den trawanten mij onmiddellijk het hoofd voor de voeten te leggen. De

overste der zweepdragers, Giw, nam mij in hechtenis, doch schonk

mij tot morgen het leven. Hij heeft verplichting aan mij, en zal de

opschorting van het vonnis wel geheim weten te houden. Het verblijdt

mij intusschen, mijne zonen, dat ik u niet behoef te overleven en dat

ik onschuldig sterf. Mocht ik dit laatste ook van u kunnen getuigen!"

Deze woorden verwekten eene nieuwe uitbarsting van de zijde der

verdachten.

Alleen Darius bleef andermaal kalm en bedaard, te midden der algemeene

onstuimigheid. Hij verhaalde den grijsaard opnieuw, op welke wijze zij

te zamen den avond hadden doorgebracht, en bewees daardoor nogmaals

de onmogelijkheid van Bartja's schuld. Daarop eischte hij dat Bartja,

dien Cresus van trouweloosheid had beschuldigd, zelf zou spreken. Deze

ontkende zoo stellig en zoo beslissend, dat hij ooit eene samenkomst

met Nitetis zou hebben gehad, en bekrachtigde zijne verklaring met

zulk een duren eed, dat de overtuiging van Cresus begon te wankelen,

en hij ten laatste in het geheel geen geloof meer sloeg aan al de

tegen den jongeren zoon van Cyrus ingebrachte beschuldigingen. Toen

Bartja zweeg, zuchtte de oude man diep, als was zijne borst van een

zwaren last ontheven, en hij sloot den jongeling in zijne armen.

Hoe zich de vrienden nu verder ook inspanden om het voorgevallene te

verklaren, hun peinzen en gissen bleef zonder vrucht. Hierin waren

allen het eens, dat Nitetis Bartja beminde, en den brief met booze

bedoelingen geschreven had.

»Wie haar gezien heeft," riep Darius uit,--»op het oogenblik dat

Cambyzes den gasten mededeelde, dat Bartja zich eene vrouw had gekozen,

kan niet langer aan haar hartstocht voor hem twijfelen. Toen zij den

beker liet vallen, hoorde ik den vader van Phaedime reeds zeggen:

de Egyptische vrouwen schijnen zeer naijverig te zijn op de liefde

harer zwagers."

Gedurende dit gesprek was de zon boven de kim gerezen, en wierp haar

helder, vriendelijk licht in het verblijf der gevangenen.

»Mithra wil ons het scheiden moeilijk maken," mompelde Bartja.

»Neen," sprak Cresus, »hij licht ons slechts vriendelijk voor in

de eeuwigheid."

Eene Egyptische Koningsdochter Historische Roman van George Ebers · 第 22 / 38 题