De jacht was afgeloopen. Wagens vol gedood wild, waaronder ettelijke
reusachtige evers, die Cambyzes met eigen hand geveld had, volgden de
huiswaarts keerende jagers. Voor de poorten van het paleis gingen dezen
uiteen, om in hunne woningen het oud Perzisch jachtgewaad van eenvoudig
leder met de schitterende Medische hofkleeding te verwisselen.
Onder het jagen had de koning zijn broeder op schijnbaar minzamen
toon, schoon het hem moeite kostte zijn toorn te verbergen, het bevel
gegeven den volgenden dag te vertrekken, om Sappho af te halen en
naar Perzië te geleiden. Tegelijkertijd had hij hem de inkomsten
der steden Bactra, Rhagae en Sinope toegezegd, ter bestrijding der
meerdere kosten van den nieuwen staat, dien hij als gehuwd man zou
moeten voeren. Voorts schonk hij aan de jonge vrouw, als zoogenaamd
speldengeld, de opbrengst van haar vaderstad Phocaea.
Bartja dankte zijn milden broeder met ongeveinsde hartelijkheid;
Cambyzes echter hernam zijn koele stugheid, riep hem eenige woorden
tot afscheid toe, en wendde zich van hem af, om het spoor van een
wilden ezel te volgen.
Op den terugtocht noodigde de jonge held zijne vertrouwdste vrienden
Cresus, Darius, Zopyrus en Gyges uit, met hem een beker tot afscheid
te drinken. Cresus wilde zich eerst later bij hen voegen, daar
hij beloofd had bij het opkomen der Tistar-ster de blauwe lelie te
zullen komen zien. Toen de grijsaard in den vroegen morgen Nitetis
op de hangende tuinen had willen bezoeken, was hij door de wachters
onbepaald afgewezen; thans scheen het bloeien der blauwe lelie hem
eene gelegenheid aan de hand te doen om zijn geliefde beschermelinge,
wier gedrag bij gelegenheid van den feestmaaltijd hij zich niet
verklaren kon, en wier strenge bewaking hem zeer bezorgd maakte,
te zien en te spreken.
Toen het begon te schemeren, zaten de jonge Achaemeniden in
een lommerrijk priëel van den koninklijken tuin, naast hetwelk
kristalheldere fonteinen ruischten, onder vroolijke gesprekken
bijeen.--Araspes, een voorname Pers en vriend van den overleden
Cyrus, had zich aangesloten bij de jongelieden, die druk aan het
praten waren, en deed zich te goed aan den voortreffelijken wijn,
dien de koningszoon met milde hand schonk.
»Gelukkige Bartja," riep de oude vrijgezel. »Gij trekt weldra naar
een heerlijk land, om de vrouw uwer keuze af te halen, terwijl ik,
arme oude vrijer, door iedereen bespot, naar mijn graf voortstrompel,
zonder vrouwen en kinderen na te laten, die mij zouden kunnen beweenen
en de goden bidden om een genadig oordeel over mijne ziel."
»Hoe is het mogelijk zulke gedachten te koesteren!" riep Zopyrus, den
beker opheffende. »Geene vrouw ter wereld is zóo volmaakt, dat het haar
echtgenoot niet minstens eenmaal per dag berouwt, eene vrouw te hebben
genomen! Wees blij te moede, vadertje, en bedenk, dat gij u beklaagt
over iets dat uwe eigene schuld of liever uwe eigene wijsheid is. Men
kiest vrouwen toch als noten, met enkel op de schaal te letten. Wie
kan vooruit weten, of er een goede, of een slechte, of in het geheel
geen kern in schuilt! Ik spreek uit ervaring, want ofschoon ik pas
twee en twintig jaar oud ben, heb ik reeds vijf uitverkorene vrouwen
en een ganschen stoet der schoonste slavinnen in mijn huis."
Araspes glimlachte weemoedig.
»En wie belet u, nog heden te huwen?" riep Gyges. »Gij zijt wel zestig
jaar oud; maar gij beschaamt menig jonkman door uwe forsche houding,
uwe kracht en uwe volharding. Gij behoort bovendien tot de edelste
bloedverwanten van den koning. Waarlijk ik verzeker u, Araspes,
dat gij nog wel twintig schoone vrouwen kunt krijgen."
»Veeg het vuil maar weg voor uw eigen deur," duwde de oude vrijer
den zoon van Cresus toe. »In uwe plaats zou ik zeker niet tot mijn
dertigste jaar ongetrouwd zijn gebleven!"
»Eene godspraak heeft mij verboden te huwen."
»Gekheid! Welk verstandig mensch stoort zich aan eene godspraak! Alleen
in droomen openbaren de goden ons de toekomst! Ik zou toch meenen dat
gij uit het voorbeeld van uw eigen vader genoeg hebt kunnen leeren, hoe
schandelijk die Grieksche priesters hunne beste vrienden bedriegen."
»Gij spreekt over dingen, die gij niet verstaat, Araspes."
»En die ik niet verlang te verstaan, jonge vriend! Waarom anders
gelooft gij aan orakelen, dan omdat gij ze niet verstaat! Wat gijlieden
niet begrijpt, dat noemt gij in uw bekrompenheid een wonder, en in
alles wat u wonderbaar toeschijnt stelt gij meer vertrouwen, dan in de
eenvoudige waarheid, die voor de hand ligt. Het orakel heeft uw vader
bedrogen en in het verderf gestort; maar het orakel is een wonder,
en daarom laat ook gij u met het volste vertrouwen door dat zelfde
orakel van uw geluk afhouden!"
»Gij lastert, Araspes. Is het de schuld der goden, wanneer wij hunne
uitspraken verkeerd uitleggen?"
»Ongetwijfeld, want als zij ons waarlijk helpen wilden, moesten
zij ons met hunne woorden ook het noodige doorzicht schenken, om ze
te verstaan. Wat baten mij de schoonste toespraken, zoo zij worden
voorgedragen in eene voor mij onverstaanbare taal!"
»Houdt op met dit nutteloos gekibbel!" sprak nu Darius. »Verklaar ons
liever, Araspes, waarom gij u zoolang door de priesters bestraffen,
bij de feesten terugzetten en door de vrouwen smaden liet; waarom gij
vrijgezel zijt gebleven, ofschoon gij iederen bruidegom zijn geluk
schijnt te benijden?"
Araspes staarde een oogenblik peinzend op den grond; daarop hief
hij plotseling het hoofd op, nam een fiksche teug uit zijn beker,
en zeide: »Ik heb daarvoor mijne redenen, vrienden, maar ik kan u
die thans niet mededeelen."
»Laat hooren, laat hooren!"
»Ik kan niet, kinderen, ik kan niet! Dezen beker ledig ik op het
welzijn uwer schoone Sappho, gelukkige Bartja, en dezen wijd ik aan
uw toekomstig geluk, mijn lieveling Darius!"
»Ik dank u!" antwoordde Bartja, terwijl hij den beker lustig aan de
lippen zette.
»Gij meent het goed," prevelde Darius, die zeer bedrukt naar den
grond keek.
»Zeg eens, gij zoon van Hystaspes," riep de oude krijger, toen hij
zag dat de jongeling op eens zoo ernstig was gestemd: »zulk een donker
gelaat past den bruidegom, wien een dronk gebracht wordt op het welzijn
zijner liefste, volstrekt niet! Is het lieve dochterke van Gobryas,
na Atossa, niet de aanzienlijkste van alle jonge Perzische meisjes? Is
zij niet schoon?"
»Artystone bezit al de voorrechten en voordeelen eener Achaemenide,"
antwoordde Darius, wiens gelaat echter bij deze verklaring nog geene
vroolijker uitdrukking aannam.
»Nu wat verlangt gij dan nog meer, gij ontevredene?"
Darius hief den beker op, en keek schijnbaar met aandacht in den wijn.
»De knaap is verliefd, zoo waar als ik Araspes heet!" riep de oude.
»Wat zijt gijlieden toch dwaas," sprak Zopyrus, die zich nu in het
gesprek begon te mengen. »De een is, in strijd met alle Perzische
gebruiken, vrijgezel gebleven; een ander trouwt niet, daar eene
godspraak hem vrees aanjaagt; Bartja wil slechts éene vrouw hebben,
en Darius zet een gezicht als een destoer, die de liederen der
dooden zingt, omdat zijn vader hem beveelt gelukkig te worden met
het schoonste maagdelijn uit gansch Perzië!"
»Zopyrus heeft gelijk," zeide de oude man opgeruimd; »Darius is een
ondankbaar mensch!"
Bartja wendde zijn blik niet af van den vriend, die dus al schertsend
werd doorgehaald. Hij zag 't hem aan, dat de woorden zijner makkers
eene teedere plaats in zijn hart pijnlijk aandeden, en drukte hem
de hand, omdat hij zijn eigen geluk dubbel gevoelde, zeggende: »Het
doet mij leed, dat ik bij uw huwelijksfeest niet tegenwoordig kan
zijn. Als ik terugkom, dan hoop ik, dat gij u met de keuze van uw
vader verzoend zult hebben."
»Misschien," antwoordde Darius, met een smartelijk lachje, »kan ik u,
bij uwe terugkomst, wel eene tweede, ja eene derde vrouw toonen."
»Dat geve Anahita," riep Zopyrus. »De Achaemeniden zouden spoedig
uitsterven, als allen deden gelijk Araspes en Gyges. Gij met uwe éene
vrouw, Bartja, handelt ook niet als het behoort. Om den stam van Cyrus
in leven te houden, moest gij eigenlijk drie vrouwen te gelijk huwen."
»Ik haat het Perzische gebruik, van vele vrouwen te hebben," antwoordde
Bartja. »Door zoo te handelen stellen wij ons beneden de vrouwen,
van wie wij eischen, dat zij haar gansche leven ons trouw blijven,
terwijl wij, wien de trouw boven alles heilig behoorde te zijn,
vandaag deze, morgen gene vrouw eene eeuwige liefde zweren."
»Bah!" hernam Zopyrus. »Ik sneed mij liever de tong af, dan een man
te misleiden; maar onze vrouwen zijn zulke bedrieglijke schepsels,
dat men geen kwaad doet haar met dezelfde munt te betalen."
»De Helleensche vrouwen zijn geheel anders, daar zij anders behandeld
worden," antwoordde Bartja. »Sappho verhaalde mij van eene Grieksche
vrouw, zij heette geloof ik Penelope, die twintig jaren lang geduldig,
en met dezelfde liefde en trouw, op haren voor dood gehouden
echtgenoot [292] wachtte, ofschoon dagelijks vijftig vrijers haar
huis platliepen."
»Mijne vrouwen zouden zeker niet zoo lang op mij wachten!" zeide
de vroolijke Zopyrus. »Ik beken ronduit dat ik mij ook niet zou
doodtreuren, als ik, na zulk een lange afwezigheid, bij mijne
terugkomst mijn geheele huis ledig vond. In de plaats van die ontrouwe
vrouwen, die intusschen tamelijk oud geworden zouden zijn, kon ik dan
jonge en schoone deerntjes in mijn harem opnemen. Maar niet iedere
vrouw vindt een minnaar om haar te schaken, en onze vrouwen hebben
nog liever een man die afwezig is, dan in het geheel geen."
»Als uwe vrouwen u zoo eens hoorden spreken!" zeide Araspes, terwijl
hij hem lachend aanzag.
»Zij verklaarden mij bepaald den oorlog, of, wat nog erger zou zijn,
ze sloten onderling vrede."
»Hoe meent gij dat?"
»Hoe ik het meen? Nu ik kan wel merken, dat gijlieden geen ervaring
hebt op dit gebied!"
»Wijd ons dan eens in de geheimen van uw huwelijksleven in."
»Zeer gaarne! Gij kunt u wel voorstellen, dat vijf vrouwen in éen huis
niet zoo vreedzaam samenleven als vijf duiven in éen til. De mijne ten
minste voeren onafgebroken strijd op leven en dood. Daar ben ik aan
gewoon, en het doet mij altijd genoegen, als de lieve schepseltjes zich
onderling zoo vermaken. Een jaar geleden waren zij het voor de eerste
maal eens, en deze dag des vredes was de ongelukkigste mijns levens."
»Gij spotvogel!"
»Neen, ik spreek in vollen ernst. De ellendige eunuch, die dit vijftal
moest bewaken, liet een ouden juwelier uit Tyrus bij haar toe. Ieder
koos zich een kostbaar tooisel. Toen ik tehuis kwam, viel Subade
mij aanstonds op het lijf, en bad mij om het geld voor het door
haar gekozen sieraad. Het ding was zóo duur, dat ik weigerde het
te betalen. Eén voor éen kwamen ook de vier andere vrouwen mij geld
vragen voor haar opschik, maar allen kregen hetzelfde antwoord en ik
ging naar het hof.--Toen ik weer terugkom, zitten al mijne vrouwen
bij elkaar te pruilen en te klagen. Zij omarmen elkaar, en noemen
elkaar vriendinnen en deelgenooten in het ongeluk. Met een waarlijk
aandoenlijke eensgezindheid staan ze alle vijf als vijandinnen tegen
mij op, en overladen me met scheldwoorden en dreigementen, tot ik
het vertrek verlaat. Ik wil me te slapen leggen, maar jawel, ik vind
vijf geslotene deuren. Den volgenden morgen begint het gejammer en
getier opnieuw. Ik neem wederom de vlucht en rijd met den koning
ter jacht. Vermoeid, hongerig en verstijfd, (het was in de lente,
en reeds was het hof te Ekbatana, terwijl de sneeuw nog ellenhoog
den Orontes bedekte) kom ik tehuis, en vind geen vuur aan den haard,
geen maaltijd gereed. Mijne lieve vrouwtjes hadden, om mij te straffen,
vrede met elkaar gesloten, het vuur uitgedoofd, den koks verboden hun
plicht te doen, en wat het ergste was, de juweelen behouden!--Nauw heb
ik den slaven geboden vuur aan te maken en een maaltijd te bereiden,
of daar verschijnt de onbeschaamde juwelier andermaal en vordert zijn
geld. Wederom weiger ik hem te betalen, breng opnieuw, door de vrouwen
buitengesloten, eenzaam den nacht door, en offer den volgenden morgen
om des lieven vredes wille tien talenten. Sedert ducht ik de eendracht
mijner vriendinnen evenzeer als de booze Diws, en heb niets liever,
dan dat zij elkander lagen leggen, krakeelen en plukharen."
»Ongelukkige Zopyrus!" zeide Bartja lachend.
»Ongelukkige?" hernam de echtgenoot van het vijftal. »Ik zeg u,
dat ik de gelukkigste sterveling op aarde ben. Mijne vrouwen zijn
jong en aanvallig, en als hun gelaat begint te rimpelen, wie zal
mij dan beletten schoonere in mijn huis te nemen? De leelijkheid der
verouderde vrouwen zal dan de schoonheid mijner jeugdige vriendinnen
te sterker doen uitkomen.--Hei daar slaaf, zorg voor lampen! De zon
is ondergegaan, en de wijn smaakt dan alleen als de tafel helder
verlicht is!"
»Hoort, hoe schoon de vogel Bulbul slaat!" riep Darius, die buiten
het priëel onder den vrijen hemel was gaan staan, zijnen vrienden toe.
»Bij Mithra, zoon van Hystaspes, gij zijt tot over de ooren verliefd,"
viel Araspes den jongeling in de rede. »Wie den wijn laat staan om
naar den nachtegaal te luisteren, is door den bloesempijl der liefde
[293] getroffen, zoo zeker als ik Araspes heet!"
»Gij hebt gelijk, vadertje!" zeide Bartja. »Philomele, gelijk de
Hellenen onzen Bulbul noemen, wien de liefde zoo schoone tonen in den
gorgel geeft, is bij alle volken de vogel der minnenden. Van welk
maagdelijn droomdet gij, Darius, toen ge straks in het duister ons
verliet, om naar Bulbul te luisteren?"
»Ik dacht niet aan meisjes," antwoordde de jongeling. »Gij weet,
dat ik gaarne den sterrenhemel beschouw. De Tistar-ster kwam heden
zoo buitengewoon luisterrijk op, dat ik den wijn vergat om naar haar
te zien. Ik had echter mijne ooren wel moeten dichtstoppen, om den
welluidenden beurtzang der nachtegalen niet te vernemen."
»Gij hieldt ze wijd genoeg open, want uwe opgetogene ontboezeming
bewees, dat het gezang van den vogel diep in uw hart was
gedrongen!" hernam Araspes plagende.
»Genoeg!" riep Darius, dien deze scherts verdroot.
»Onvoorzichtige," fluisterde nu de oude den jongeling toe, »nu hebt
gij u zelven verraden! Waart gij niet verliefd, zoo zoudt gij lachen
in plaats van dus op te vliegen. Maar ik wil u niet kwellen; zeg mij
liever wat gij in de sterren gelezen hebt?"
Darius zag bij deze woorden nogmaals naar den hemel op, en hield zijne
blikken onafgewend op een helder lichtend sterrenbeeld gevestigd, dat
juist boven den horizont oprees. Zopyrus sloeg den astroloog opmerkzaam
gade, en riep zijnen vrienden toe: »Daarboven moet iets gewichtigs
plaats grijpen. Hé, Darius, deel ons mede wat de hemel u verkondigt!"
»Niets goeds," antwoordde deze. »Ik wenschte u even alleen te spreken,
Bartja."
»Waartoe dat? Araspes kan zwijgen, en wij hebben immers geene geheimen
voor elkaâr!"
»Toch...."
»Kom, spreek gerust!"
»Neen, ik bid u, volg mij in den tuin."
Bartja knikte de vrienden toe, legde zijn arm op Darius' schouder,
en ging met hem in het maanlicht naar buiten. Toen zij alleen waren,
vatte de zoon van Hystaspes beide handen van zijn vriend, en zeide:
»Heden voor de derde maal merk ik aan den hemel verschijnselen op,
die u niets goeds beloven. Uw boos gesternte nadert uwe heilbrengende
ster zóo dicht, dat men slechts geringe kennis van de hemellichten
behoeft te hebben, om te kunnen voorzeggen, dat u een groot gevaar
bedreigt. Neem uwe voorzorgen, Bartja, en reis nog heden naar Egypte,
want de sterren verkondigen mij, dat het ongeluk u aan de oevers van
den Euphraat, niet in het verre land zal overkomen."
»Gelooft gij zoo vast aan de voorspellende kracht van die gesternten?"
»Voorzeker! De sterren liegen nooit!"
»Dan zou het eene dwaasheid zijn, zich te willen onttrekken aan
hetgeen zij ons voorspellen."
»Gij hebt gelijk, de mensch kan niet ontgaan wat over hem besloten
is. Maar het noodlot heeft groote overeenkomst met de onderwijzers in
de krijgskunst, wien zulke leerlingen het liefst zijn, die het moedigst
en het behendigst met hen vechten. Reis nog heden naar Egypte, Bartja!"
»Ik kan niet, want ik heb van mijne moeder en van Atossa nog geen
afscheid genomen."
»Zend haar door een bode uw afscheidsgroet, en draag Cresus op haar
de reden van uw overhaast vertrek mede te deelen."
»Zij zullen mij voor een lafaard houden."
»Voor een mensch te wijken is een bewijs van lafheid; zijn noodlot
te ontvlieden, als men kan, is wijs."
»Gij weerspreekt u zelven, Darius! Wat zou de leermeester in de
krijgskunst van den vluchtenden leerling zeggen?"
»Hij zou zich verheugen over den krijgslist, waardoor een enkele aan
de overmacht tracht te ontkomen."
»Die hem toch ten laatste inhalen en verdelgen zou.--Hoe zou ik een
gevaar, dat, gij zegt het zelf, niet kan worden afgewend, zoeken
te ontwijken! Als mij een tand pijn doet, laat ik dien aanstonds
uittrekken, terwijl vrouwen en lafaards zich weken lang kwellen
en angstig maken, om de smartelijke kunstbewerking slechts niet op
staanden voet, maar zoo laat mogelijk te ondergaan. Ik verbeid het
gevaar met onwankelbaren moed, en hoop dat het zich spoedig moge
vertoonen, om het des te eerder achter mij te hebben."
»Gij kent er de grootte niet van."
»Vreest gij voor mijn leven?"
»Neen!"
»Laat mij hooren, wat gij ducht."
»Die Egyptische priester te Saïs, onder wiens voorlichting ik de
sterren gadesloeg, heeft uw horoscoop met mij getrokken. Hij was de
bekwaamste in de wetenschap der sterren, dien ik ooit ontmoette. Hem
ben ik veel van hetgeen ik weet verschuldigd, en ik wil u niet
verzwijgen, dat hij mij opmerkzaam heeft gemaakt op gevaren, die u
toen reeds boven het hoofd hingen."
»Waarom mij dat verzwegen?"
»Waarom u voór den tijd schrik aangejaagd! Thans waarschuw ik u,
daar ik zie, dat hetgeen u bedreigde nadert."
»Ik dank u, en zal op mijne hoede zijn. Vroeger zou ik mij aan uwe
waarschuwing niet hebben gestoord; maar sedert ik bemin, is het mij
altijd als mag ik niet meer zoo vrij over mijn leven beschikken."
»Ik begrijp dat gevoel..."
»Gij begrijpt mij? Araspes heeft dan goed gezien?--Gij zegt niet neen?"
»Ach, een droom zonder hoop!"
»Welke vrouw zou u kunnen versmaden?"
»Versmaden?"
»Ik vat u niet. Ontzinkt u, den stoutsten jager, den sterksten
worstelaar, den wijste van alle jonge Perzen, ontzinkt u de moed en
het zelfvertrouwen, waar gij staat tegenover eene vrouw?"
»Kan ik u vertrouwen, meer vertrouwen, dan ik mijnen vader vertrouwen
zou, Bartja?"
»Dat kunt ge!"
»Ik bemin de dochter van Cyrus, uwe en des konings zuster, Atossa!"
»Heb ik u goed verstaan; gij bemint Atossa? Daarvoor dank ik u, reine
Amescha Çpenta [294]! Van nu aan geloof ik niet meer aan uwe sterren,
want in plaats van de gevaren, waarmede zij mij bedreigen, over mij te
zien komen, ontvang ik een onverwachten zegen. Omarm mij, mijn broeder,
en verhaal mij de geschiedenis uwer liefde, opdat ik in staat zij u
te helpen, en te verwezenlijken wat gij een droom zonder hoop noemdet!"
»Vóor ons vertrek naar Egypte, trokken we, gelijk gij weet, met het
geheele hof van Ekbatana naar Susa. Ik had toen het bevel over de
afdeeling der Onsterfelijken, die de wagens van de gemalinnen des
konings moesten beschermen. Op den bergpas over den Orontes, gleden
de paarden uit, die den wagen uwer moeder en zuster trokken. Het juk,
waaraan de dieren bevestigd waren [295], brak van den dissel, en voor
mijne oogen stortte de zware vierwielige wagen in den afgrond. Bevend
van schrik zagen wij het voertuig verdwijnen. Wij gaven onze paarden
de sporen, zoodat hun het bloed uit de zijde sprong, en snelden toe
om, zoo mogelijk, nog hulp te bieden. Op de plaats van het ongeluk
gekomen, bereidden we ons reeds voor op het ijselijke gezicht van den
verbrijzelden wagen en van bloedende, vreeselijk misvormde lijken. Maar
de goden hadden de uwen onder hunne alvermogende bescherming genomen,
en de in den afgrond geslingerde wagen rustte, met gebrokene raderen,
in de armen van twee reusachtige cypressen, welker taaie wortels zich
diep in de spleten der steenrotsen hadden vastgewrongen, en die hunne
donkere kronen tot aan den rand van den weg verhieven.
»Bliksemsnel sprong ik van mijn paard en klauterde, zonder mij een
oogenblik te bezinnen, langs een der cypressen af. Uwe moeder en zuster
riepen om hulp, en strekten hare armen naar mij uit. Zij verkeerden in
een ontzettend gevaar, want de houten wanden van den wagen, door den
geweldigen schok uit de voegen gelicht, dreigden ieder oogenblik van
elkaar te splijten. Dan zouden de vrouwen onvermijdelijk in den afgrond
zijn gestort, die peilloos diep en donker, als het verblijf der booze
Diws, bereid scheen de schoone offers in zijne kaken te verzwelgen.
»Daar stond ik, mij aan den stam der cypres vastklemmende, voor den
zwevenden wagen, die ieder oogenblik bezwijken kon, en toen werd ik
voor het eerst getroffen door den smeekenden blik uwer zuster. Sinds
dat oogenblik beminde ik Atossa. Maar ik wist toen nog niet, wat er
in mijn hart omging, want daar was geen tijd om op iets anders, dan
de redding uwer dierbaren bedacht te zijn. In een ommezien hief ik
de vrouwen uit den wagen, die een oogenblik later in duizend stukken
sprong, en krakende in de diepte stortte. Ik ben sterk, maar toch zou
ik, zonder de uiterste inspanning mijner krachten, de beide vrouwen
en mij zelven niet zoo lang boven den afgrond zwevende hebben kunnen
houden, tot men koorden had afgelaten. Atossa hing aan mijn hals,
Cassandane rustte, door mijn linkerarm omklemd, aan mijn borst. Met de
rechterhand slingerde ik den strik om mijn lichaam. Men trok ons naar
boven, en weinige minuten later stond ik, met mijn kostbaren last,
behouden op den vasten bodem.
»Nadat een magiër de wonde, die het sterk aangetrokken koord in
mijne zijde had gesneden, verbonden had, liet de koning mij roepen,
schonk mij deze halsketen en de inkomsten van eene geheele provincie,
en leidde mij in eigen persoon tot de vrouwen, die mij in de warmste
taal haren dank betuigden. Cassandane stond mij toe haar voorhoofd
te kussen, en deed mij al de sieraden, die zij op dat gevaarvolle
oogenblik gedragen had, voor mijne toekomstige gemalin ter hand
stellen. Atossa trok een ring van haar vinger, stak dien aan mijne
hand, en kuste die met hare gewone levendigheid, alleen gehoor gevende
aan de inspraak van haar dankbaar hart. Gij hebt te dien tijde dat
alles vernomen, maar wat gij niet weet, is, dat ik sedert dien dag,
den gelukkigsten mijns levens, uwe zuster liefheb, de goden alleen
weten hoe innig en teeder! Nochtans heb ik tot op gisteren avond
uwe zuster niet wedergezien. Bij den grooten feestmaaltijd zaten
wij tegenover elkander. Mijn oog ontmoette het hare. Ik zag niemand
dan Atossa, en ben overtuigd dat zij wederkeerig haren redder niet
vergeten heeft. Cassandane...."
»O, mijne moeder zal u volgaarne als haar schoonzoon aannemen,
daarvoor sta ik u borg. Laat uw vader zich tot den koning wenden;
hij is onze oom, en mag met alle recht de dochter van Cyrus voor zijn
zoon tot vrouw verlangen!"
»Herinnert gij u nog dien droom van uw vader? Sedert dien nacht heeft
Cambyzes nooit opgehouden mij te wantrouwen."
»Dat is lang vergeten! Kort voor zijn dood droomde mijn vader, dat
gij vleugelen hadt; en nu vreesde hij op een dwaalspoor gebracht door
de droomuitleggers, dat gij, een achttienjarige knaap, naar de kroon
zoudt staan. Cambyzes kon dat gezicht maar niet vergeten, tot Cresus,
nadat ge mijne moeder en zuster hadt gered, verklaarde dat de droom
verwezenlijkt was; want alleen een gevleugelde arend of Darius was
in staat zoo behendig boven een afgrond te zweven."
»Doch deze verklaring had niet de eer uw broeder te bevallen. Hij
wil de eenige adelaar in Perzië zijn. Cresus vleit echter nooit
zijn trots."
»Waar zou hij toch zoo lang blijven?"
»Hij is op de hangende tuinen. Mijn vader en Gobryas zullen hem
ophouden."
»Dat noem ik toch waarlijk bijzonder beleefd!" liet zich op eens de
stem van Zopyrus hooren. »Bartja noodigt ons aan zijn disch, en laat
ons, terwijl hij geheimen behandelt, zonder gastheer zitten!"
»Wij komen, wij komen!" antwoordde deze. Daarop vatte hij de hand
van Darius, drukte die en zeide: »Uwe liefde voor Atossa maakt mij
onbeschrijfelijk gelukkig. Ik blijf nog tot overmorgen, al bedreigden
mij ook de sterren met de verschrikkelijkste gevaren. Morgen zal ik
Atossa's hart peilen en eerst wanneer alles behoorlijk is voorbereid,
aanvaard ik mijne reis, aan mijn gevleugelden Darius overlatende op
eigene wieken zijn doel te bereiken."
Dit zeggende ging Bartja naar het priëel terug, terwijl zijn
vriend andermaal den blik ten hemel richtte. Hoe langer hij de
sterren gade sloeg, des te somberder werd de uitdrukking van zijn
gelaat. Toen de Tistar-ster onderging, sprak hij bij zichzelven:
»Arme Bartja!" Zijne vrienden riepen hem en juist wilde hij tot hen
terugkeeren, als eene nieuwe ster zijne aandacht trok, waarvan hij
plaats en richting opmerkzaam gadesloeg. De ernst zijner trekken ging
in een zegevierenden glimlach over, zijne hooge gestalte scheen nog
te rijzen, en terwijl hij de hand op zijn hart legde, fluisterde hij:
»Gevleugelde Darius, gebruik thans uwe wieken; uwe ster zal u ter
zijde staan!" Daarop keerde hij tot de vrienden weder, die hem met
ongeduld zaten te wachten.
Kort daarop naderde Cresus het priëel. De jongelingen sprongen van
hunne zitplaatsen op, om den eerwaardigen man welkom te heeten, die,
als door den bliksem getroffen, bleef staan, toen hij het gelaat van
Bartja herkende, dat door het maanlicht helder werd verlicht.
»Wat is u overkomen, vader?" vroeg Gyges, terwijl hij bezorgd de hand
van den grijsaard vatte.
»Niets, niets," stamelde deze nauw hoorbaar, drong zijn zoon op
zijde, naderde Bartja, en beet hem in het oor: »Rampzalige, zijt gij
nog hier? Verzuim geen seconde meer, en vlucht! De zweepdragers,
die uitgezonden zijn om u in hechtenis te nemen, volgen mij op de
hielen! Denk aan Sappho, en geloof mij als ik u zeg, dat gij, door
nog een oogenblik te aarzelen, uwe dubbele onvoorzichtigheid met den
dood zult bekoopen."
»Maar Cresus, ik heb...."
»Gij hebt de wet van dit land, van dit hof met voeten getreden en
althans in schijn de eer van uw broeder gekrenkt...."
»Wat zegt gij?"
»Vlucht, vlucht, zeg ik u! Want, al waart gij ook met de meest
onschuldige bedoeling op de hangende tuinen en bij de Egyptische
geweest, zoo zoudt gij toch alles te vreezen hebben. Hoe kondet gij,
die de opvliegendheid van Cambyzes kent, toch zoo dwaas wezen, zijn
uitdrukkelijk verbod te overtreden?"
»Ik begrijp er niets van! Ik...."
»Geene uitvluchten! Pak u weg! Gij weet niet dat Cambyzes u reeds
lang met een jaloersch oog aanziet, en dat uw nachtelijk bezoek bij
de Egyptische...."
»Sedert Nitetis hier is, heb ik op de hangende tuinen geen voet gezet!"
»Maak thans uwe overtreding niet nog erger door een leugen. Ik...."
»Maar ik zweer u...."
»Wilt gij eene daad van lichtzinnigheid door meineed tot eene misdaad
maken? De zweepdragers komen reeds, vlucht, vlucht!"
»Ik blijf, want ik houd mij aan mijn eed."
»Verblinde! Weet dat ik zelf, Hystaspes en andere Achaemeniden, u,
nog geen uur geleden, op de hangende tuinen gezien hebben...."
Bartja liet zich in zijne verbazing, haast zonder het te bemerken,
door den grijsaard voortleiden; doch toen hij diens laatste woorden
had vernomen, bleef hij staan, riep zijne vrienden naderbij, en
zeide: »Cresus beweert, dat hij mij, nog geen uur geleden, op de
hangende tuinen heeft gezien. Gelijk gij allen weet, heb ik sedert
het ondergaan der zon deze plaats niet verlaten. Bevestigt hem toch
door ulieder getuigenis, dat hier een booze Diw met onzen vriend en
wie met hem waren zijn spel moet hebben gespeeld!"
»Ik zweer u, vader," riep Gyges, »dat Bartja sedert de laatste uren
dezen tuin niet verlaten heeft!"
»Dat bezweren wij allen," verzekerden Araspes, Zopyrus en Darius
levendig, als uit éen mond.
»Wilt ge allen mij bedriegen, mij, uw besten vriend?" hernam Cresus op
klagenden toon, den een na den ander verwijtend aanziende. »Gelooft gij
dan, dat ik blind of krankzinnig ben? Meent gij dan, dat uw getuigenis
de verklaring der edelste grijsaards, van Hystaspes, Gobryas,
Intaphernes en den opperpriester Oropastes zal kunnen ontzenuwen? In
spijt van ulieder valsche eeden, die zelfs uwe vriendschap voor Bartja
niet billijken kan, is hij een kind des doods, als hij niet vlucht!"
»Angramainjus moge mij verderven," riep de oude Araspes, den angstigen
grijsaard in de rede vallend, »als de zoon van Cyrus de laatste uren
op de hangende tuinen is geweest."
»Noem mij uw zoon niet meer," liet Gyges volgen, »als ons getuigenis
valsch is."
»Bij de eeuwige sterren!" wilde Darius uitroepen, als Bartja de door
elkander schreeuwenden het stilzwijgen oplegde, en met vaste stem
zeide: »Ginds komt eene afdeeling van de lijfwacht den tuin in. Ik
zal gevangen genomen worden en kan niet vluchten; omdat ik, onschuldig
zijnde, juist daardoor den schijn van schuld op mij zou laden. Bij de
ziel mijns vaders, bij de blinde oogen mijner moeder, bij het reine
licht der zon, zweer ik u, Cresus, dat ik u niet bedrieg!"
»Zal ik u gelooven, ondanks het getuigenis mijner beide oogen, die
mij tot heden nog nooit bedrogen hebben? Ik wil u gelooven, jongeling,
want ik heb u lief en eer u. Of gij schuldig, dan wel onschuldig zijt,
weet ik niet en wil ik ook niet weten. Maar dit weet ik, dat gij
vluchten moet, in allerijl vluchten! Gij kent Cambyzes! Mijn wagen
wacht voor de poort. Ontzie de paarden niet, maar vlucht! De soldaten
schijnen te weten wat het doel uwer gevangenneming is, want het is
ontwijfelbaar dat zij zoo talmen, ten einde u, hun lieveling, den
tijd te laten om te ontkomen. Vlucht! vlucht! of het is met u gedaan!"
»Vlucht, Bartja!" riep ook Darius, terwijl hij zijn vriend vooruit
drong, »en denk aan de waarschuwing, die de hemel zelf u in
sterrenschrift heeft gegeven."
Bartja schudde echter zwijgend het hoofd, en zeide, terwijl hij
de vrienden afwees, die zich om zijnentwil zoo verontrustten: »Ik
ben nog nooit gevloden, en heb mij voorgenomen ook in deze ure pal
te staan. Lafheid schijnt mij vreeselijker dan de dood, en liever
lijd ik van anderen onrecht, dan dat ik mij zelven met schande zou
overladen.--Daar zijn de soldaten. Wees welkom Bischen! Moet gij mij
gevangen nemen? Ja? Wacht dan een oogenblik, tot ik mijn vrienden
vaarwel heb gezegd."
Bischen, een oud hoofdman van Cyrus, die Bartja het eerste onderricht
had gegeven in het pijlschieten en speerwerpen, die in den krijg
tegen de Tapoeren aan zijne zijde had gestreden, en hem liefhad
als zijn eigen zoon, viel den jongeling in de rede, zeggende: »Gij
behoeft van uwe vrienden geen afscheid te nemen, want de koning, die
buiten zichzelven is van razernij, heeft mij bevolen, u, en allen,
die ik bij u mocht vinden, in hechtenis te nemen."
Daarop liet hij fluisterend volgen: »De koning is woedend, en bedreigt
uw leven. Gij moet vluchten. Mijne lieden gehoorzamen mij blindelings
en zullen u niet vervolgen; ik ben echter oud en Perzië verliest er
niets bij, als ik met mijn hoofd mijne ongehoorzaamheid boeten moet."
»Ik dank u, vriend," hernam Bartja, diep geroerd over dit blijk
van gehechtheid, »maar ik kan uw offer niet aannemen, want ik ben
onschuldig, en weet dat Cambyzes wel opvliegend, maar volstrekt niet
onrechtvaardig is. Komt, vrienden, ik geloof dat de koning ons nog
heden in het verhoor zal nemen."